Chantage
In mei viel de achterstallige regen. Mijn pas opgekomen doperwtjes en kapucijners stonden met hun wortels in slijk en modder. Ze werden eerst geel, toen bruin. Het enige gewas dat zich niets aantrok van de buien was snijbiet. Het groeide even hard als brandnetel en glaskruid. Ik voedde mij met snijbietsoep en snijbiettaart en snijbietfrittata en snijbietsla.
Terwijl buiten op een van die drassige meiavonden de regen overvloedig ruiste, oefende ik Medtners bekendste Skazka, opus 34 nummer 2. Ondanks de stortvloed van triolen in de linkerhand hoorde ik halverwege de ganzen hevig tekeergaan. Ik keek naar buiten. Onverstoorbaar schreed de ooiemoer langs de sloot. Zo’n hoosbui deerde haar niet. Op het water kletterde de regen zo hard neer dat er steeds knappende belletjes verschenen. Midden in de boomgaard stonden de ganzen met gestrekte halzen te gakken. Het regenwater droop van hun lange, grauwwitte halzen.
Over het pad kwam iemand aanlopen die een reusachtige paraplu torste. Daaronder ging de wandelaar doeltreffend schuil. Ik kon niet zien of het een man of vrouw was. Pas toen de vastberaden voortstappende gestalte vlakbij was gekomen, zag ik dat zich onder die paraplu een grote kerel voortbewoog. Hij kwam mij vaag bekend voor. Wie was dat ook weer?
Ik rende naar de bijkeuken, greep een paraplu en begaf me naar buiten. Laat een onverwachte bezoeker nooit oprukken tot de voordeur, is mijn devies. Vang hem of haar zo ver mogelijk van het huis op, des te gemakkelijker krijg je hem het erf af.
Zodoende stonden we even later met opgestoken paraplu’s tegenover elkaar op het grindpad. De regen deed er een schepje bovenop. ‘Goedenavond,’ riep ik boven het geruis van de stortbui uit. De man die, gehuld in een lange regenjas en met een soort zuidwester op, tegenover me tot stilstand was gekomen en die ik nog niet herkend had, gromde iets wat mogelijkerwijs een groet moest voorstellen. Hij haalde met zijn reusachtige paraplu uit naar mijn kleine, zwarte regenscherm. Het vloog uit mijn linkerhand. De regen kletste op mijn kale kop neer. Toen ik bukte om het scherm te grijpen, schoot een klauw uit, die zwaar neerkwam op mijn schouder.
‘Ouwe boerenlul, ik waarschuw je. Als jij ’t in dat gore, kale hoofd van je durft te halen om met mijn vriendin te vozen, dan weet ik je te vinden.’
Ik keek op. ‘O wacht, u bent die Geert.’
Met een voor mijn doen vrij handige beweging schudde ik, terwijl ik overeind kwam, de klauw van mijn schouder af. Zo vriendelijk mogelijk zei ik, dwars tegen mijn ongastvrije principes in: ‘Kopje koffie?’
De ervaring heeft me geleerd dat je agressieve rottweilers en pitbulls niet alleen totaal onbevreesd maar vriendelijk tegemoet moet treden. Als je in staat bent zonder een spoor van angst zo’n woedend ondier te benaderen, zet je het monster volledig op het verkeerde been. Soms valt zijn muil van verbazing wijd open. En zoals je rottweilers moet benaderen, zo moet je ook gangsters tegemoettreden. Alle sociale zoogdieren zijn uit dezelfde mal van de schepper afkomstig.
Glazig keek Geert mij aan. Hij schudde even zijn hoofd, waarop ik nog vriendelijker zei: ‘Glaasje wijn dan?’
Weer schudde Geert zijn hoofd.
‘Een biertje?’
Onbeweeglijk, zijn ogen glazig en vol ongeloof, stond Geert onder zijn reusachtige regenscherm naar mij te loeren.
‘Kom in ieder geval even binnen,’ zei ik. ‘Het is hier erg lastig praten. Je kunt mekaar amper verstaan.’
Ik liep naar de bijkeukendeur. Hij volgde, vouwde op de drempel zijn regenscherm half dicht, schudde het uit.
‘Zet hier maar open op de vloer neer. Het geeft niks als er wat water op de plavuizen druipt.’
Met een wat korzelig gebaar plantte hij de paraplu op de grond. Hij gromde: ‘Je kunt wel doen alsof d’r niks aan ’t handje is, maar...’
‘Ga zitten. Weet je ’t zeker dat je niks wilt?’
‘Heb je een borrel?’
‘Was al bang dat je dat zou vragen. Nee, heb ik niet in huis. Een glas wijn of een biertje, da’s ’t maximaal haalbare.’
‘Goed, geef me dan maar een pilsje.’
Toen ik dat voor hem gehaald had en voor mezelf een glas Paapse kracht had ingeschonken, vroeg ik: ‘Denkt u echt dat iemand als ik ook maar één ogenblik interessant kan zijn voor iemand als Sirena?’
‘Je hebt smakken geld, makker, en geld, daar geilt ze op. En zoals jullie op die bank zaten, godv...’
‘Ze troostte me een beetje.’
‘Dat zal best, ja. Troost, dat zal best, dat lullige refreintje zingt ze zelf ook steeds, maar van achteren gezien zag ’t er toch één recht, één averecht totaal anders uit. Nee, makker, daar kom je niet mee weg...’
Terwijl we allebei een slok namen, bespiedden we elkaar. Ondanks de onophoudelijk ruisende regen viel er een ongemakkelijke stilte. Hij kon die slecht verdragen, want hij vroeg: ‘Hoe ben je in ’t buiswater van Sirena terechtgekomen?’
‘Heeft ze je dat niet verteld?’
‘Wat zij me verteld heeft, gaat jou geen donder aan. Kom maar eens over de brug met jouw story. Kan ik kijken of dat spoort met haar prevelementje.’
‘Dankzij ’t fotoboek zijn we met elkaar in contact gekomen,’ zei ik.
‘Waar hebbie ’t nou over?’ vroeg hij verbaasd.
Zou hij daar echt niets van weten, zou ze hem daarover niets verteld hebben? Waarom niet? Enfin, als zij een reden had om daarover te zwijgen, gold die voor mij beslist niet, dus ik zei: ‘Ja, ’t fotoboek van Lotte Weeda. Die heeft een jaar of wat geleden tweehonderd Monwarders gefotografeerd. Daar is toen een mooi fotoboek van gemaakt. Staat Sirena ook in. Heb ik ’t voorwoord voor geschreven.’
Uiterst achterdochtig zat Geert mij aan te staren.
‘U kijkt alsof u een naaktslak ziet tapdansen,’ zei ik, ‘maar d’r is echt niks aan de hand. D’r staat een prachtportret van Sirena in.’
Het lag op mijn tong om te vragen: ‘Wilt u het zien?’, maar gelukkig hield ik mij in. Kennelijk had Sirena nooit met Geert over het boek gepraat. Waarschijnlijk omdat die foto van haar tegenover de foto van mij deze jaloerse krullenbol op het idee had kunnen brengen dat Sirena mij in de armen wilde nemen.
Geert trommelde een poosje met zijn vingers op de bijkeukentafel.
‘Mot ik dus geloven dat Sirena d’r arm zo vertrouwelijk om jou heen legt enkel maar omdat ze in een boek staat waar jij... Nee, mister, ik zei je al eerder, daar kom je niet mee weg, nee, echt niet.’
Hij sloeg met zijn vuist zo keihard op de tafel dat mijn hond aansloeg en brulde: ‘Voor de draad ermee: wat is hier echt aan de hand?’
‘Wat er aan de hand is,’ zei ik kalm, ‘zal...’
Er werd nadrukkelijk op het bijkeukenraam getikt. Geert sprong op, viel dadelijk neer op zijn stoel, keek achterdochtig om en staarde naar de natte, vaalrood glanzende snavel van de ooievaar. Achter de ooievaar rukten langzaam de zes ganzen op. Met uitpuilende ogen, en even zijn hoofd schuddend als een hond die last heeft van te veel oorsmeer, tuurde Geert naar mijn hulptroepen.
Ik zei nogmaals: ‘Wat er aan de hand is, zal u, als u daar nog niks over gehoord hebt, vreemd in de oren klinken, maar u kunt ’t door het hele dorp navragen: het lijkt net alsof degenen die in ’t boek staan ten dode zijn opgeschreven. De een na de ander is overleden. Goed, Lotte had overwegend stokoude bejaarden gefotografeerd, dus zo vreemd is dat niet. Maar toch werd gaandeweg iedereen bang. En daarom hebben de mensen die erin staan, steun bij elkaar gezocht. Vooral in ’t begin, toen ’t boek net uit was en de een na de ander doodging, was Sirena doodsbang dat ook zij ’t hoekje zou omgaan. Ze dacht zelfs dat die fotografe met goena-goenapraktijken haar slachtoffers één voor één...’
‘Steun bij mekaar,’ smaalde Geert, die nog altijd achterstevoren op z’n stoel zat, ‘ja, ja, vandaar die arm...’
Zijn gezicht kreeg opeens een andere uitdrukking. Hij keerde zich naar mij toe en loensde over de tafel heen langs mijn handen.
‘Goena-goena, hoorde ik je dat zeggen, makker? Goena-goena?’
Ik knikte.
Hij grauwde: ‘Overnieuw. Bij ’t begin beginnen. Eerst ’t meisje dat die kiekjes heeft gemaakt. Oud? Jong?’
‘Een vrouw van tweeënveertig. Zag er veel jonger uit. Donker, klein.’
‘Marokkaans? Turks?’
‘Nee, Sumatraans.’
‘O, daarvandaan.’
Hij trommelde een spookmarsje op de tafel.
‘Kende Sirena haar?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Kan zijn dat ze net gedaan hebben alsof ze mekaar niet kenden. Goed, van later zorg. Dat kleintje maakte dus foto’s. Van hoogbejaarden. En van wie nog meer dan, mensen met poen? Klanten van Sirena?’
‘Bijna alle schatrijke dames uit ’t dorp laten zich...’
Hij sprong overeind, liet zich dadelijk weer neerploffen, riep: ‘Ik kan je dit zeggen: ik snap ineens hoe dit hele zaakje in mekaar zit. En jij... godallemachtig, wat ben jij een uilskuiken! Of zou jij ook in ’t complot... welnee, daar ben je veuls te stom en veuls te netjes voor. Een voorwoord heb jij geschreven om ’t hele zaakje, hoe noemen ze dat ook weer met zo’n deftig woord, o ja, om ’t hele zaakje cachet te geven...’
‘Zou het echt?’
‘Ja, om ’t zakie presentabel te maken.’
Hij zweeg even, trommelde weer die spookmars.
‘Nu begrijp ik waarom ze de laatste tijd in de slappe was zwemt. Ze heeft zelfs poen om de tandarts te betalen.’
Gelukkig tikte, voor ik zo stom was om uit te roepen: ‘Dat heeft ze van mij geleend’, de ooiemoer weer met haar beregende snavel op het raam.
‘Ik geloof al z’n leven dat m’n tamme ooievaar naar binnen wil om te schuilen,’ zei ik. Ik sprong op, rukte de deur open en de ooievaar stapte deemoedig de bijkeuken in.
‘Ga jij maar op mijn stoel zitten, stinkdier,’ snauwde Geert tegen de ooievaar, ‘ik ga d’r vandoor, ik weet genoeg, ik ga bij Sirena verhaal halen. Zo’n vuil zaakje onder handen, en mij er volledig buiten houden. Alle poen voor zichzelf houden en een beetje vozen en foezelen met meneer hier om hem te benevelen en ondertussen in de gaten te houden, voor ’t geval hij eens achterdochtig mocht worden. Godallemachtig, wat ben jij een ontzaglijke klojo. Snap je dan echt niet hoe listig ze dat hebben opgezet? Je fotografeert een stel oudjes die binnenkort de pijp uit zullen gaan en die zet je in één boek met een stel rijke stinkerds, en dan maak je die rijke stinkerds wijs dat ’t geen toeval is dat de een na de ander de pijp uit gaat en je smoest wat over goena-goena en je fluistert: “Als je af en toe stiekem wat dokt, valt er wat aan te doen, kan er iets geregeld worden...” Wedden dat Sirena en dat wijf dat die foto’s gemaakt heeft onder één hoedje speelden? Wedden dat Sirena al die schatrijke troelen als ze met zo’n maskertje op hulpeloos in haar salonnetje lagen, flink bang heeft gemaakt en ze toen heeft uitgelegd dat ze, als ze tenminste hun bek stijf dichthielden, met een regelmatig douceurtje goena-goena konden afkopen... Ja, ja, da’s echt wat voor Sirena.’
Hij liep de bijkeuken uit, rende in de stromende regen het grindpad af.
‘Je vergeet je paraplu,’ riep ik hem na.
Hij rende terug, griste zijn paraplu uit mijn hand en holde weg over het grindpad. Ik sloot de bijkeukendeur, deed de knip erop, beende naar de woonkamer en draaide het nummer van Sirena. Ze nam pas op nadat ik de telefoon tienmaal had laten rinkelen.
‘Goddank dat ik je bereiken kan,’ zei ik. ‘Geert is onderweg naar je toe. Die denkt dat ’t fotoboek een vuil zaakje is en dat jij rijke dames chanteert en alle poen voor jezelf houdt. Daarom komt hij verhaal halen.’
Ik hoorde haar zwaar ademen aan de andere kant van de lijn.
‘Of ’t waar is, weet ik niet, daar moet ik nog eens grondig over nadenken, maar ik wou je toch waarschuwen.’
‘Waar moet ik heen?’ vroeg ze timide.
‘Kom hierheen, achterlangs via ’t moordenaarslaantje. ’t Zal niet zo gauw in z’n kop opkomen dat je bij mij zit. En als hij eventueel weer deze richting uit komt, zorgen de ganzen ervoor dat we tijdig gewaarschuwd worden.’