Bijeenkomst
Snuivend als een losgebroken stier kwam hij het pad op. Rustig door blijven wieden, dacht ik, net doen alsof er niets aan de hand is, en geduldig trok ik harig knopkruid tussen mijn Nieuw-Zeelandse spinazie vandaan. Hoog torende hij boven mij uit toen hij naast mij stampend pas op de plaats maakte, op het met houtsnippers bedekte pad tussen de bedden.
‘Toch maar weer teruggekomen uit Sexbierum?’
‘Zoals u ziet. Ik wou u uitnodigen voor een bijeenkomst.’
‘Mij? Waarom?’
‘Voor een conclaaf, een verontrustenconclaaf van degenen die nog niet afgevinkt zijn. We moeten de handen ineenslaan. We moeten ons beraden over wat ons te doen staat. Kortom, het is tijd om de resterende koppen bij elkaar te steken. ’t Domineetje stelt ’t zaaltje achter de kerk ter beschikking. Volgende week woensdagavond, acht uur.’
Terwijl ik kleiresten uit het wortelgestel van de harige knopkruiden schudde, kroop ik verder. Taeke Gras stampte mee:
‘Ik sta erop dat u ook komt.’
‘Hoe dat zo?’
‘Zolang we dat juffertje niet kunnen vinden, bent u om zo te zeggen haar plaatsvervanger.’
‘Ik heb enkel maar een voorwoord geschreven. Niemand kan van mij verwachten dat ik op grond daarvan in staat ben de gemoederen te bedaren of iets te zeggen wat begrijpelijk maakt waarom er al zoveel mensen uit het boek heengegaan zijn.’
‘Aha, inmiddels is toch ook tot u doorgedrongen dat dit geen toeval meer kan heten.’
‘Valt nog allerminst uit te sluiten. De dominee vertelde me laatst dat een paar jaar terug in Klein Lourdes de ene inwoner na de andere stierf en dat er toen ook grote opschudding...’
‘Heel ander geval. Waren uitsluitend hoogbejaarden. Maar nu... zit ik daar bij mijn spylfeint in de boppekeamer. Kijken we op maandag naar ’t nieuws... hoor ik: bij vliegtuigcrash gezin uit Monward omgekomen. Meteen wist ik welk gezin, ik kon ze zo afvinken.’
‘Had u ’t boek dan meegenomen naar Sexbierum?’
‘Wolno. M’n spylfeint had ’t nota bene net nog door zitten bladeren, had net nog gezegd: “’t Bin bêst skoan kykjes.” ’
‘Waarom had u ’t boek in vredesnaam meegenomen?’
‘Om in ’t boek op slag te kunnen afvinken. Eerst de Maxizuster, toen de Minizuster, om maar een voorbeeld te geven.’
‘Hoe wist u daar dan dat ze fuort waren?’
‘Wat zei u?’ vroeg hij uiterst achterdochtig.
‘U verstond me wel,’ zei ik, innig tevreden dat ik kans had gezien hem, al was het maar voor even, met een Fries woord uit het veld te slaan.
‘Ik had met Klaas de mollenvanger afgesproken dat hij me zou bellen als er weer één út ’t boek zou zijn hinnegongen.’
‘Die staat er zelf ook in. Als hij fuort was: weg informant.’
‘Wilt u ’t aan mij overlaten om Fries te spreken? Uw uitspraak is erbarmelijk,’ zei hij vinnig. ‘Maar u hebt een punt: Klaas had ook kunnen gaan, ik heb d’r niet bij stilgestaan, ik zal d’r volgend jaar rekening mee houden.’
‘Klaas leeft in ieder geval nog, en u ook, en ik, en ’t domineetje, en nog vele anderen. Nog minstens vijfenzeventig procent van de gefotografeerden.’
‘In één jaar tijd,’ zei hij, ‘is zowat een kwart út het boek fuort... eh hinnegongen. Dus de koppen komende woensdag bij mekaar.’
‘Ik zal er zijn,’ beloofde ik.
‘Het is u al met al geraden.’
‘Waar blijven al die boekminsken,’ zei hij een week later toen de dominee, hij en ik in het voorportaal van de kerk klaarstonden om de gefotografeerden te verwelkomen.
‘Er is, geloof ik, een belangrijke wedstrijd op de televisie,’ zei de dominee.
‘Voetbal? Dit is een zaak van leven en dood! Beseffen die boekminsken dat niet? Op al hun adressen heb ik een stencil in de bus gedaan met de dringende oproep hierheen te komen en dan zouden ze thuisblijven vanwege een voetbalwedstrijd, nee, dat kan ik niet geloven.’
‘Het blijkt altijd weer moeilijk de mensen ’s avonds hun huis uit te krijgen,’ zei de dominee, ‘voor wat dan ook. Heb je een avond over de gemeentetoerusting, dan mag je blij zijn als er tien mensen binnendruppelen.’
‘Ja, maar nu gaat ’t om de dood zelf.’
‘Maakt, denk ik, geen verschil. Er zitten nu achttien mensen binnen, waaronder warempel de plebaan, en ik denk dat ’t daarbij zal blijven. Een poosje geleden praatte iedereen over ’t boek, maar iedereen is op vakantie geweest en nu hoor je er bijna niemand meer over. We kunnen in de consistorie gaan zitten. Daar passen we makkelijk allemaal rondom de grote ronde tafel. Dat praat ook veel prettiger dan in de kerk.’
Gras ijsbeerde heen en weer in het voorportaal, liep naar buiten en kwam kwaad stampend terug. Telkens vroeg hij vertwijfeld: ‘Waar blijven ze? Waar blijven ze in godsnaam? Begrijpen ze dan niet dat we de koppen bij elkaar moeten steken?’
‘Ik denk dat we maar eens moeten beginnen,’ zei de dominee.
‘Nog efkes wachten,’ smeekte Gras.
‘We laten de deuren openstaan,’ zei de dominee, ‘de laatkomers vinden hun weg wel.’
In de kerkzaal zei ze: ‘Mensen, we gaan in de consistorie zitten. Rond de grote tafel.’
‘Gezellig,’ zei een massieve vrouw met een wc-borstelkapsel. Stond zij ook in het boek? Dan zou ik me haar toch moeten herinneren?
Toen we, eerst drentelend en schuifelend en vervolgens manhaftig met allerlei stoelen schuivend eindelijk om de grote tafel zaten, diende zich een laatkomer aan die voor nieuw oponthoud zorgde.
‘Flikweert is de naam,’ zei hij. ‘Ik heb een boerenbedrijfje an ’t end van ’t dorp, ’k woon aan ’t Kardinalenachterom, linksaf bij de zijarm van ’t Drievuldigheidsdiep, en ook een goedenavond samen.’
‘Beste mensen,’ zei de dominee, ‘we zijn hier zoals u weet bijeen op initiatief van meneer Gras. Aan u het woord, meneer Gras.’
Gras stond op, neeg naar links, neeg naar rechts, neeg naar de overkant van de tafel.
‘Waarde lotgenoten! Per stencil heb ik u allen hier uitgenodigd om over ’t fotoboek van gedachten te wisselen. Sinds het boek, nu zowat een jaar geleden, is verschenen zijn van de 201 gefotografeerden inmiddels achtenveertig Monwarders overleden. Laatst nog zoals u weet, en dat vooral ook is de reden dat ik vond dat er iets moest gebeuren, een gezin van vier personen, man, vrouw, zoon, dochter! Mij dunkt dat wij ons op enigerlei wijze teweer moeten stellen tegen deze slachting. Dat fotoboek is niks anders dan een uitvaartregister. Ik heb een lijst gemaakt met alle namen en adressen en telefoonnummers van de mensen uit ’t boek die nog in leven zijn. Ik wou die lijst aan iedereen uitdelen. Dan kunnen we mekaar bellen en steunen en in de gaten houden.’
‘Meneer Gras,’ zei de vrouw met het wc-borstelkapsel, ‘waar hebben we ’t over? Als je uur slaat, ga je, en geen minuut eerder of later, daar kan geen fotograaf iets aan verwikken of verwegen. Dus ik begrijp niet waar u zich druk over maakt.’
‘Mevrouw, uw gezicht ken ik niet, u staat niet in Sluitertijden, u weet niet wat wij doormaken. Wij zien ’t op ons afkomen, steeds dichterbij komen, dan deze, dan gene, nu al achtenveertig. Gaat ’t zo door dan is over drie jaar iedereen uit ’t boek dood.’
‘Da’s een tijd,’ zei de vrouw, ‘da’s lang! Als die tweehonderd mensen uit ’t boek eerst samen op de foto waren gegaan en daarna in een vliegtuig waren gestapt en dat was omlaaggekomen, waren ze allemaal in één klap dood geweest. ’t Is maar hoe je ’t bekijkt.’
‘Mevrouw,’ zei Gras nijdig, ‘houdt u zich er toch buiten, u staat zoals ik al zei niet eens in ’t boek.’
‘Nee, maar m’n man wel.’
‘Waarom is die dan niet gekomen?’
‘Jaap moest naar de damclub. Zei tegen mij: “Antje, ga jij eens horen wat ze in de kerk verhapstukken”, dus zodoende.’
‘Is Jaap niet ongerust?’ vroeg de dominee.
‘Waarom zou hij?’ zei de vrouw strijdlustig, ‘Al bent u dan protestants, ik hoef u toch niet te vertellen dat tijd en uur van je dood van eeuwigheid her beschikt zijn?’
‘Als je geboren wordt,’ viel een andere vrouw haar bij, ‘staat in je hart gegraveerd hoeveel duizendmaal ’t kloppen zal. Voor ieder van ons staat al vast hoeveel hartkloppingen hem toegemeten zijn. Daarom zei mijn vader altijd al: “Maak je niet druk. Als je je opwindt, teer je in op ’t aantal hartkloppingen dat je hebt meegekregen.” Van de zomer hoorde ik op de televisie dat bij zo’n wielrenner op zo’n hoge berg het hart tweehonderd keer per minuut klopt. Dan zwiep je gauw door je rantsoen heen.’
Triomfantelijk keek ze rond, en ik dacht: heb ik mezelf daarvoor nu de hele week uitgesloofd? Voor ’t geval mij gevraagd zou worden of ik nog steeds van mening was dat die sterfgevallen puur toeval waren, had ik op het gemeentehuis nagevraagd hoeveel bejaarden het dorp telde, en of ze mij sterftecijfers van de laatste jaren konden verstrekken. Met de mij ter beschikking gestelde gegevens kon ik, nadat ik mijn leerboeken mathematische statistiek had doorgeploegd, aantonen dat achtenveertig doden uit een sample van 201 zelfs bij een eenzijdige overschrijdingskans van 0,05 procent ruim binnen de marges van het toeval vielen, al bleef het een probleem met welk sample je die 48/201 bij toepassing van de chi-kwadraatmethode vergelijken moest. Met de inwoners van Klein Lourdes? Maar dat waren alleen bejaarden. Of moest je ook het verplegend personeel van het zorgcentrum meenemen in je sample? Dan kwam je in ieder geval uit op een vergelijkbare gemiddelde leeftijd. Enfin, welke samples je ook in je chi-kwadraat stopte, 48 uit 201, daar viel mathematisch statistisch bezien geen eer mee te behalen. Puur toeval.
Ook had ik een grafiekje gekalligrafeerd van de sterfgevallen. Elk kwartaal het aantal overlevenden uitgezet tegen de tijd. Dat had een fraaie hyperbool opgeleverd. De curve vlakte af, reeds naderden we de asymptoot.
Bij dat verkwikkende, geruststellende gereken bleef die ene foto opdoemen van de verregende vrouw op de hoek. Hoe je het ook wendt of keert, dacht ik, Lotte had een soort intuïtie, ze voorvoelde onbewust het naderende einde, koos voor haar foto’s wat de Duitsers Todeskandidaten noemen.
Was Taeke Gras een Todeskandidat? Van opzij wierp ik een blik op hem. Doodongelukkig zat hij voor zich uit te kijken. Zoveel inspanningen, eerst stencils draaien en ze dan onbezoldigd door het hele dorp bij de gefotografeerden in de bus werpen, en ziedaar het resultaat. Oude vrouwtjes die mallotige opvattingen kwamen verkondigen. Zoveel blijmoedig fatalisme – dat dat bestond.
‘Heer Gras,’ zei de gemeentesecretaris, die aan het hoofdeinde van de tafel zat, ‘hoe denkt u, als u ’t bij ’t rechte eind hebt dat we successievelijk allemaal binnen drie jaar de pijp uit gaan, een en ander te kunnen voorkomen? Denkt u dat dat juffertje een heks is en wou u haar op ’t hart binden dat ze geen zwarte magie meer op ons mag loslaten?’
‘Ik zou haar graag eens grondig aan de tand willen voelen,’ zei Gras.
‘Ja, ja, en dan denk je zeker dat ze zal zeggen: “Sliep uit, ik heb jullie in m’n boek gezet en nu gaan jullie er allemaal aan”? Man, gebruik je verstand, daar zou je niks wijzer van worden. D’r is toch geen mens ter wereld die ook maar één ogenblik kan geloven dat je aldus tweehonderd mensen kunt ombrengen.’
‘Waarom zijn er dan inmiddels al achtenveertig út ’t boek...’
‘Ze zal d’r feeling voor hebben wie d’r voor een koud gaatje liggen. Ze wou mij erop, ze wou m’n vrouw niet. Vraag ik haar: “Waarom ik wel?” Zegt ze: “U hebt zo’n beschreven gezicht, uw vrouw niet.” Kijk ik later in de spiegel, denk ik: beschreven gezicht? Wat bedoelt ze daarmee? Al die rimpels? ’t Feit dat ik getekend ben doordat ik een poosje geleden een hartinfarct heb gehad? Zoveel is zeker: ik ben oud, ik heb ongetwijfeld niet lang meer te leven. Misschien valt ze daarop, ziet ze de dood al in je ogen, wie zal ’t zeggen?’
‘Er zijn ook boekmensen gestorven die nog niet oud waren,’ zei Gras.
‘Twee gevallen, geloof ik,’ zei de gemeentesecretaris.
‘Plus een compleet gezin.’
‘Zaten in een airbus. Die vallen de laatste tijd als rijpe appelen omlaag.’
‘Ik vind... ’
‘Gras, luister eens, we kunnen er lang en breed over discussiëren of wij, nu we in ’t boek staan, ja dan nee groter risico lopen de pijp uit te gaan. Maar zelfs als we ’t er allemaal over eens worden dat ’t antwoord ja is, dan kunnen we nog niks ondernemen.’
‘We zouden om te beginnen alle boeken kunnen vernietigen,’ zei Gras nijdig.
‘Hoe wou je dat voor mekaar krijgen?’ vroeg de gemeentesecretaris. ‘Wie ooit vanuit dit dorp naar Canada of Nieuw-Zeeland is geëmigreerd, heeft d’r een van een achtergebleven familielid toegestuurd gekregen. Wou je die allemaal traceren en ter plaatse vernietigen? In een airbus de hele wereld over? Wat zou ik lachen als je dan ook zou neerstorten. Boek vernietigen! Alsof je dan ongedaan maakt dat je erin hebt gestaan. Alsof... man, schei toch uit... Weet je wat we moeten doen?’
‘Wolno?’ vroeg Gras hoopvol.
‘We moeten een piekfijn testament maken, offertes aanvragen van begrafenisondernemers en die in alle rust met elkaar vergelijken, en palliatieve zorg regelen.’
‘Mag ik daar wat op zeggen?’ vroeg de vrouw met het wc-borstelkapsel. ‘Ik hoor dit allemaal aan en...’
De gemeentesecretaris viel haar in de rede. ‘En wat mij ook nog niet zo slecht lijkt is de pers in te schakelen. Een stuk in de krant, liefst in een grote krant; allicht krijgen we dan reacties van mensen die net zoiets hebben meegemaakt en ons suggesties aan de hand kunnen doen hoe we dit verder moeten aanpakken.’
De plebaan, die er al die tijd bij had gezeten als een wasbeer in winterslaap, schrok op uit zijn sluimer. Zalvend zei hij: ‘De pers, ja, de landelijke pers. Dankzij m’n ambt heb ik flink wat contacten die kant uit. Reeds heb ik mijn zegslieden zo ’t een en ander voorgelegd omtrent ’t boek, en ze waren her en der ook best geïnteresseerd.’
Hij pauzeerde, keek iedereen stuk voor stuk aan van achter z’n reuzenbril en zei bestraffend: ‘Ja, ze hadden steevast grote belangstelling tot opeens tot hen doordrong: Monward. “O,” zeiden ze dan, “dat dorpje van de komkommerslang; zo, zo, kijk eens aan, was die slangenfoto soms ook door dat meisje gemaakt?” ’
De plebaan draaide langzaam zijn wasbeermontuur mijn kant uit. Brandpuntlicht van flikkerende brillenglazen streek over me heen. Ook de andere aanwezigen draaiden, met verontwaardigd vlammende ogen, hun gezichten de een na de ander mijn kant op. Goddank kwam boer Flikweert mij zonder dat hij dat zelf besefte, te hulp. Hij had ’t fotoboek meegebracht en had daar, terwijl er over voorbeschikking en gerantsoeneerde hartslagen werd gediscussieerd, voortdurend in zitten bladeren. Ook tijdens het betoog van de gemeentesecretaris bestudeerde hij het boek. Hij bevoelde met duim en wijsvinger eerst langdurig de onderkant van een bladzijde alsof hij bang was dat er een ontploffing zou volgen, en sloeg dan, als je ’t amper nog verwachtte, bliksemsnel om. Hij bekeek de foto, tuurde naar de aanwezigen en schudde misprijzend het hoofd alsof hij zeggen wilde: ‘Ook deze is niet gekomen.’ Toen hij aldus een bladzijde of dertig had doorgenomen, verscheen er een brede, bijna malicieuze grijns op zijn gezicht. Hij richtte zich op, keek Gras triomfantelijk aan en zei met zo’n harde stem dat iedereen verschrikt zijn kant uit keek: ‘Moej’ kieken, Gras, da’s toch apart. Hier, de koei’n van boer Maas. Lopen de hele zomer op ’t Lakereiland, word’n dan in ’t najaar in de schuit om en om in de bekbok vastgezet en overgevaar’n naar stal... kijk toch, wat een prijsfoto dat hupse ding van dat overvaar’n gemaakt heeft, tweeëntwintig koeien, om en om bekbok... ’t was de laatste keer dat ze overgevaar’n werden; Maas heeft dit voorjaar z’n hele kudde naar de Veluwe verkocht. Arme beest’n. Want een maandje of wat later met die mond- en klauwzeer, waren ze de pineut. Van de zomer ben’ ze alle tweeëntwintig geruimd door die zultkopp’n van de rvv. Da’s toch apart, Gras, vin’ je niet?’