Asperges
Een week later trof ik Leonora bij de glasbak. Ze wierp er lange, smalle, groene flessen in. Verontschuldigend zei ze: ‘We hebben met vrienden asperges gegeten.’
‘Ik wist niet dat die tegenwoordig in zulke sierlijke flessen verkocht worden.’
Ze glimlachte. ‘Ik dank God op m’n blote knieën dat het aspergetijd is.’ Ze gooide nog twee flessen in de bak. ‘Hij is dol op asperges. Altijd geweest. Toen ik hem leerde kennen... Nee, anders, ik was z’n secretaresse, hij kwam een keer bij me eten, ik had asperges...’
‘En zo is het gekomen.’
‘Precies. Hij scheidde, we trouwden, en elk jaar als het aspergetijd is, zelfs nu, zelfs nu...’
‘Dus ik hoef voorlopig niet meer te komen spelen.’
‘Nee, zeg dat niet, kom alsjeblieft gauw weer... hij raakt er niet over uitgepraat.’
Driftig gooide ze nog twee flessen in de bak. Vanuit de diepte klonk als dof gerommel het geluid van brekend glas.
‘Ik heb wat in psychiatrische handboeken gesnuffeld,’ zei ik. ‘Zo’n waan, daar is weinig aan te doen. Het schijnt niet verstandig te zijn om ertegenin te gaan. Achteloos moet je zeggen: “Ja, natuurlijk, je hebt gelijk, ’t zijn jouw kinderen niet, en nu kunnen we aan tafel, de asperges zijn klaar.” ’
Met haar rug zocht ze steun tegen de glasbak. De nieuwjaarsontreddering verscheen weer in haar blik. ‘Neem me niet kwalijk, maar dat kan natuurlijk nooit. Soms rent hij nu al brullend door het hele huis heen achter me aan. Dan tiert hij: “Zeg op, wie was het, die pompbediende, die leraar, die slijter?” ’
‘Ik weet het ook niet,’ zei ik ongelukkig, ‘ik praat ook die boeken maar na.’
Ik gooide mijn lege flessen in de glasbak.
Bits zei ze: ‘Die willen niet erg breken.’
Toen ik op een junimiddag bezig was mijn irrigatiesysteem te verfijnen, kwam Leonora aanlopen over het grindpad. Ze kwam mijn tuin in en zei: ‘Wat me nu is overkomen... moet ik lachen, moet ik huilen?’
‘Blijf in ieder geval zo lang mogelijk lachen,’ zei ik.
‘Vanmorgen waren z’n twee zoons uit z’n eerste huwelijk op de koffie,’ en opeens zegt hij tegen die twee kerels: “Ik moet jullie toch iets vertellen, ik ben jullie vader niet.”
“Daar sta ik van te kijken,” zei de oudste, “want zelfs in Oman kreeg ik onlangs nog te horen: ‘Je bent het evenbeeld van je vader.’ ”
“Dat zeggen ze van mij ook vaak,” zei de jongste.
“Ze kunnen wel zoveel zeggen,” zei m’n man, “Ík zeg jullie, ik ben jullie vader niet, jullie moeder is... jullie moeder heeft...”
“Met oom Wim dan toch zeker, dat is de enige mogelijkheid, anders is ’t onbegrijpelijk dat we zo op jou lijken.” ’
‘Wie is oom Wim?’ vroeg ik.
‘De oudere broer van m’n man. Ze waren thuis met z’n tweeën. Wim is priester geworden, later bisschop. Komt over een poosje hier in Mariagaarde z’n levensavond slijten. Enfin, m’n man zegt kwaad: “Met oom Wim, hoe haal je ’t in je zieke hersens om dat te denken? Wim, m’n broer... ben je bedonderd.”
“Dan moet ’t iemand anders zijn geweest,” zei z’n oudste zoon luchtig. “Enig idee wie?”
“Ach nee, jullie moeder heeft ’t met iedereen die... net als... net als jullie stiefmoeder, die stoephoer, die superslet hier...”
“Zou ’t, ik opper maar wat, niet een idee zijn,” zei de oudste, “om de genetica te hulp te roepen? Eén testje, en je hebt zekerheid. Je hoeft er niet eens voor geprikt te worden, ze schrapen wangslijmvlies af... Niet dat ik zo’n testje nodig heb... Als ik van oom Wim afstam, ben ik daar ook reuze content mee. Maar voor jezelf... Kun je meteen ook laten nakijken of de kinderen van Noor van jou zijn of ook van iemand anders.”
“Een test, ik? Geen sprake van, ben je bedonderd? Ben ik soms degene die vreemd is gegaan? Mijn wang afgeschraapt, terwijl anderen naast de pot hebben gepiest!” zei m’n man diep verontwaardigd.
“Wat kun je daar nu tegen hebben?” zei de oudste.
“Nee, begin ik niet aan, geen haar op m’n hoofd, kost ongetwijfeld een vermogen. Alsof dat nodig is, alsof ik niet al sinds jaar en dag weet dat ik dag in dag uit bedrogen ben en opgezadeld met twee koekoeksjongen uit m’n eerste en twee idem dito uit m’n tweede huwelijk.”
“Je durft heel wat te zeggen,” zei de oudste.’
‘Wisten die twee zoons,’ vroeg ik, ‘dat je man sinds 1 januari...’
‘Ja, dat hebben ze al direct op nieuwsjaardag van m’n dochter gehoord. Ze hadden toen alle twee zoiets van: jullie zoeken dit zelf maar uit, wij blijven hier buiten; of het waar is of niet gaat ons niet aan. En ja, ’t is vervelend om ’t te zeggen, maar allebei haten ze me, ze waren achttien en zestien toen hun vader bij hun moeder wegging. Ze hebben mij dat nooit vergeven, dus ze zullen misschien zelfs een beetje leedvermaak gehad hebben. Maar nu... toen ze vanmorgen vertrokken, zeiden ze tegen me: “We wisten niet dat hij zo ver heen is.” Ik heb opeens twee medestanders, zij geloven er duidelijk geen barst van dat hun moeder... hoe zou dat ook kunnen; ze zien er allebei uit als klonen van hun vader.’
‘Dus deze ontwikkeling is winst,’ zei ik.
‘Voor mij misschien wel. M’n eigen kinderen wisten tot nu toe niet wat ze ervan denken moesten. Het zou kunnen dat ze nu gaan inzien dat er...’
‘...een steekje los is.’
‘Precies. Ondertussen is ’t wel griezelig. Wat moet ik in godsnaam doen? Door zo’n mager scharminkel! Z’n oudste zoon zei zachtjes tegen me: “Zo langzamerhand begint hij volledig gaga te worden.” Maar dat is niet waar, er is verder niets aan de hand, als je Taeke en Abel achter in de tuin ’s avonds hoort oreren, denk je: Taeke is zwaar geschift, en lijkt Abel de redelijkheid zelve. Alleen dit... Eén klein weeffoutje. Van slag door zo’n statiefzwartje, en zelfs dat zou nog niet eens zo erg zijn als hij af en toe niet zo geweldig agressief werd. Vandaag of morgen...’
Ze zweeg, zuchtte twee keer, en ik vroeg rustig: ‘Je denkt dat er klappen vallen?’
‘Ja.’
‘En dan?’
‘Ik weet het niet. Een paar klappen, voilà, dat houd ik wel uit, maar als hij... hij is zo sterk. Als hij me in elkaar slaat, wat dan?’
‘Wat denk je van een cursus zelfverdediging?’
‘Heb ik al aan gedacht. Ga ik in ieder geval doen, maar... ik vind ’t zo erg dat ’t zover is gekomen. M’n eigen man. Nooit heeft hij z’n hand tegen me opgeheven, en nu dit. Vooral ’s nachts wordt hij soms eng agressief; ik slaap al een poosje apart. ’s Nachts doe ik de deur van m’n kamer op slot.’
‘Hoe gaat het met de scheltopoesik?’ vroeg ik om haar af te leiden.
‘Eigenlijk,’ zei ze, terwijl zich een schelmse grijns vormde, ‘gaat ’t vrij goed. Ik moet je bekennen dat ik hem zo langzamerhand leuk begin te vinden.’
‘Dat zei ik toch. Straks gaat hij mee in je handtas.’
‘Dat denk ik toch niet.’
‘Mag ik vragen,’ zei ik, ‘de eerste vrouw van je man, leeft die nog?’
‘Dat kreng? Reken maar.’
‘Dus die kan hij nu ook lastigvallen met z’n waanideeën? Of heeft hij daar geen contact meer mee?’
‘O, jawel,’ zei ze kortaf, ‘als hij haar ook voor stoephoer gaat uitschelden...’
‘Zou je dat niet erg vinden?’
‘Ik zou ’t haar van harte gunnen.’