Goena-goena
Ventileerde Taeke Gras zijn bange vermoedens door het hele dorp? Of waren er anderen die over het boek van Lotte lagen te piekeren? Zoveel is in ieder geval zeker: in februari was ’t hele dorp het erover eens dat je beter niet in dat boek kon staan. En een maand later kreeg ik, als ik met Anders door het dorp kuierde, net zulke blikken toegeworpen als na de uitzending van Twee Vandaag. Steeds vaker werd ik over het boek aangesproken.
Een van de grote bezwaren van een klein dorp is dat je elkaar voortdurend tegen het lijf loopt. De tamelijk verbitterde vereeuwigden leken het mij welhaast persoonlijk kwalijk te nemen dat ze in het boek stonden. Steeds moest ik verantwoording afleggen.
‘Echt, ik kan er niets aan doen. De fotografe besliste wie er in ’t boek zou komen, ik stond daarbuiten,’ hoorde ik mezelf dan zeggen. Bij wijze van antwoord kreeg ik varianten te horen van: ‘U hebt ’t voorwoord geschreven en haar in ’t dorp rondgeleid. U hebt haar vast en zeker ingefluisterd: “Die moet je nemen, en die niet.” Zelf kende ze immers niemand hier.’
‘Ik had totaal geen invloed op haar beslissingen.’
‘O, en dat moeten we dan maar geloven. Mooi niet! Ach, had ik de stem van m’n hart maar gevolgd. Toen ik ervan hoorde, dacht ik meteen al: da’s niks voor mij. Maar ze bleef aandringen, ik kreeg gewoonweg niet de kans om nee te zeggen.’
In het begin stribbelde ik tegen. ‘U was anders maar wat trots dat u tot de uitverkorenen behoorde. U glorieerde toen u bij de presentatie ’t boek kreeg en ’t resultaat zag.’
Wat je dan over je afriep. Een boze blik, soms scheldwoorden of bittere verwijten. Later werd je, als je zo’n nijdas op een katholieke laan tegenkwam, demonstratief niet meer gegroet. Om confrontaties te vermijden zocht ik met Anders de stille, weinig betreden steegjes op die naar diverse pausen vernoemd waren. In het Paus Pius xii-slopje liep ik tussen twee maartse buien door Sirena tegen het lijf. Ze droeg een wit jasje van pluizig nepbont, oorringen zo groot dat een vuurgoudhaantje er makkelijk doorheen had kunnen vliegen, en laarsjes die waren afgebiesd met een bovenrand waarin nepdiamantjes gestikt waren. Haar lange nagels waren met vuurrode glitterlak bestreken. Pure kitsch. Toch voelde het bij de aanblik van al die gekwadrateerde wansmaak alsof een vrouwenhand ferm in mijn kruis tastte.
‘O, ik kijk er al weken naar uit om u eh... om jou eens te ontmoeten,’ zei ze.
‘Je wil natuurlijk iets zeggen over ’t boek, maar op voorhand zeg ik alvast: ik heb Lotte een beetje wegwijs gemaakt in ’t dorp, maar verder stond ik er volledig buiten. Dat jij erin staat, was haar beslissing.’
‘Heb jij haar adres?’
‘Nee, alleen een e-mailadres: [email protected]. ’
‘O, dat is mooi, dan kan ik haar in ieder geval mailen. ’t Liefst zou ik haar spreken, haar op de man af vragen: heb jij iets tegen mij?’
‘Daar kan ik ’t antwoord al op geven: ze had niets tegen je, integendeel, ze vond je een spectaculaire verschijning en heeft je daarom in haar boek gezet.’
‘Ik heb gehoord dat ze me een ijdeltuit vond.’
‘Wie heeft je dat verteld?’ vroeg ik verbaasd.
‘De dominee.’
‘Maar hoe wist die dan...’
‘Ze heeft ’t haar zelf horen zeggen.’
‘Bij welke gelegenheid?’
‘Bij mij in de salon. De dominee lag met een maskertje op toen ik me even ging verkleden.’
‘Was zij... lag de dominee...’ En koorstachtig probeerde ik me te herinneren wat ik gezegd had. Ik meende me te herinneren dat ik haar een lieverdje had genoemd en over haar mooie neusje had gezwijmeld. Vandaar dus de laatste tijd die pretlichtjes in haar ogen als ik haar tegenkwam.
‘Ach,’ zei ik, ‘zo zwaar moet je niet tillen aan dat woord “ijdeltuit”. Dat zei Lotte alleen maar omdat je je ging verkleden. Dat was ze niet gewend. Iedereen ging op de foto in de kleren waarin Lotte hem of haar aantrof. Ik heb je nog verdedigd.’
‘Ja, dat heb ik gehoord, dank je wel. Dus jij denkt dat ze... maar waarom sta ik er dan in? Ik knijp ’m vreselijk, ik kan er niet van slapen, de een na de ander die in ’t boek staat, gaat ’t hoekje om. Dezentje, de vrouw van Stijn, een week of wat terug, en laatst Stijn zelf ook.’
‘Ja, maar die was na de dood van z’n Dezentje een beetje malende geraakt. Die is in de spits tegen het verkeer in de a44 op gelopen en door een vrachtauto gegrepen. Dat ben jij toch niet van plan?’
‘Weet ik veel wat zij je allemaal kan laten doen. Stijn heeft ze vast ook gestuurd, ’t is zo iemand met Aziatische druppels in haar bloed, dan weet je ’t wel. Goena-goena, ik ben er als de dood voor, m’n moeder waarschuwde er vroeger altijd voor.’
‘Ach kom, ik sta er ook in, zoals je weet, maar goena-goena of wat voor stille kracht dan ook – ik ben er geen seconde bang voor.’
‘Ja, maar jij was haar hulpje, jou zal ze heus niet...’
‘Jou ook niet, geloof me nou maar. Iedereen die inmiddels is gestorven, was stokoud.’
‘Niet waar, de...’
‘Ja, goed, een paar uitzonderingen, maar verder... heus, jij loopt geen enkel risico.’
‘Ik wou dat ik dat kon geloven, ik wou dat ik met haar kon praten, dan kon ik haar smeken: “Alsjeblieft, blijf uit mijn buurt met je enge goena-goenapraktijken.” ’
‘Kom nou toch, goena-goena, dat woord alleen al.’
‘Ja, lach er maar om. Jij weet daar misschien niet zoveel van af, maar ik heb huiveringwekkende staaltjes gehoord. ’t Zou je duizelen als ik je ’t vertelde, ’t zou je dun door de broek lopen, heus waar. Zo iemand werkt met beeldjes die jou voorstellen en steekt daar dan lange naalden in... o, mijn god, wat moet ik beginnen, wat moet ik in hemelsnaam beginnen? Kun jij niet bij haar een goed woordje voor me doen?’
‘O, natuurlijk, dat doe ik graag voor je.’
‘Je zou eens moeten horen wat er in mijn salon door m’n klanten gezegd wordt.’
‘Ook door de dominee?’
‘Die heb ik sinds ’t boek uit is nog niet gesproken.’
‘Dan hoop ik dat die zich binnenkort weer een maskertje laat aanmeten. Die kijkt er volgens mij nuchter tegenaan.’
‘Dan is zij de enige. Al m’n andere klanten die in ’t boek staan, zijn als de dood... echt waar.’
‘Jullie praten elkaar een angstpsychose aan.’
‘Ze zeggen allemaal tegen mij: “Ze heeft haar helper in ’t boek gezet als de man met de zeis. En jij staat op de bladzijde ernaast en strekt de armen naar hem uit.” ’
‘Goeie god, wat halen jullie je toch in je hoofd? Ze zei tegen jou dat je je moest voorstellen dat je op de rand van ’t zwembad stond en erin wou springen. Daar begreep ik toen eerlijk gezegd ook niet veel van, maar toen ik de foto zag, snapte ik het. ’t Gaat erom dat ’t net lijkt alsof jij mij wil omhelzen.’
‘Jou? Welnee, de dood, de man met de zeis.’
‘Zie ik eruit als de dood? Heb ik een lange zwarte jas aan met een cape over m’n hoofd?’
‘Zo’n jas had zij zelf aan.’
‘Ja, maar zonder zeis... Ik had net m’n boomgaard gemaaid en was onderweg naar huis toen ze me stiekem gefotografeerd heeft.’
‘Heeft ze jou stiekem genomen?’
‘Ja, ik wist van niks, ze had gezegd dat er een klein portretje van mij bij ’t voorwoord zou komen. Die andere foto... da’s echt alleen maar om mij te treiteren.’
‘Dan had ze toch Maria met wijdopen armen op de bladzijde ernaast kunnen zetten? Waarom moest ze zo nodig mij... ik bedoel, je vindt Maria toch zo leuk.’
‘Ze zag heus wel dat ik jou leuker vind.’
‘Daar heb ik anders nooit wat van gemerkt.’
‘Omdat ik nogal bleu ben, en weet dat zo’n prachtige vrouw als jij voor mij veel te hoog gegrepen is.’
‘Ik ben maar een doodgewone schoonheidsspecialiste en jij bent wereldberoemd.’
‘Kom, kom.’ En overmoedig voegde ik er, omdat ze er griezelig oogverblindend uitzag en omdat ik verwachtte dat ze dadelijk nee zou zeggen, aan toe: ‘Heb je zin vanavond met mij uit eten te gaan?’
‘Je meent het. Waar wou je dan heen?’
‘De Eikenhof? Lijkt je dat iets?’
‘O, geweldig, daar heb ik nog nooit gezeten.’
En zo reden we die avond in Sirena’s autootje het dorp uit. Van zeven tot tien uur dineerden we in De Eikenhof, het meest gerenommeerde restaurant in de wijde omtrek. Ik had het geopperd omdat ik niet in Monward in een restaurant wilde eten, dat zou onvermijdelijk roddels genereren.
We namen beiden het sterk aanbevolen dagmenu. We kregen eerst een tarbotmousse in een soort medicijnflesje. Een hoeveelheid die net in een holle kies past. Vervolgens bracht, ruim een halfuur later, een jonge, maar reeds knorrige ober een substantie die verdacht veel leek op een half kippenlevertje. Elders op het reusachtige levertjesbord schemerde een blaadje rucola. Uren later, zo leek het, kwam een ondermaats visje. Het had een reusachtig diep bord voor zichzelf alleen.
‘Ik begrijp best dat zo’n visje moet zwemmen,’ zei ik tegen Sirena, ‘maar om daar nu een hele visvijver bij te serveren lijkt me wat overdreven.’
‘Het is anders wel lekker,’ zei ze.
Om kwart voor negen waren we toe aan het hoofdgerecht. Een tournedos op een bord ter grootte van het achterwiel van een tractor. De tournedos lag op de plaats van de wieldop. Ernaast een zee van ruimte voor allerhande garnituur, maar die ruimte was woest en ledig. Ik veronderstelde dat de aardappeltjes en groenten in aparte schaaltjes geserveerd zouden worden, maar daar bleek geen sprake van te zijn. Toen ik mijn tournedos voorzichtig verschoof, ontdekte ik twee flinterdunne sperzieboontjes plus een smal reepje witlof.
Om half tien kwam het toetje. Een verrukkelijke plak ijscake, andermaal geserveerd op een bord waar je een baby op zou kunnen verschonen.
‘Ik begrijp niet,’ zei ik tegen Sirena, ‘waarom die borden tegenwoordig zo gigantisch zijn. Werken de afwasmachines beter als je er olifantsborden in zet? Sponsort de aardewerkindustrie de restaurants? Die obers slikken vast spierversterkers.’
‘Ik heb in geen tijden zo heerlijk gegeten,’ zei ze. ‘Ik ben weer een beetje bijgekomen. Ik ben je erg dankbaar. En nu even een sigaretje.’
Al ben ik allerminst ongevoelig voor de aanblik van een sigaret tussen de vingers van een vrouw met belachelijk lange, vuurrode nagels, de scherpe, gemene geur die over de tafel heen op mij af kwam golven, sloeg meteen op m’n keel. Kriebelhoest stak de kop op.
‘Het is al aardig laat,’ zei ik kuchend. ‘Zo meteen maar eens afrekenen, en dan gauw naar huis. M’n arme hondje zit al de hele avond alleen, die had allang weer uitgelaten moeten worden.’
‘Ik zit ook vaak hele avonden alleen,’ zei Sirena.
‘Ik snap ’t niet, zo’n knappe vrouw...’
‘Ik ben een vrouw waar iedere man vroeg of laat op afknapt.’
‘Mij lijkt het, als je de hele dag door met je klanten in de weer bent, eerlijk gezegd wel prettig om ’s avonds niemand te hoeven zien.’
‘O, dat is ’t soms ook.’
‘Nog even iets anders: Lotte had hier een sponsor. Ze wou z’n naam niet geven. Ze zei dat daar praatjes van zouden komen. Misschien weet die geldschieter of ze al naar Atjeh is. En hij weet vast ook waar ze woont. Ik heb haar voorzichtig gemaild dat er in ’t dorp enige onrust is ontstaan over haar boek. Ik kreeg geen antwoord, dus waarschijnlijk is ze al weg. Misschien kun jij... al jouw klanten zijn vast loslippig... misschien kun jij uitvissen wie die rijkaard is.’
‘Had ze een sponsor? Ik wou dat ik een sponsor had. Rijke mannen heb ik helaas niet als klant, dus hoe zou ik dat nou kunnen uitvissen?’
‘Nee, maar bij jou komen vrouwen van rijke mannen.’
‘Zou die sponsor ook in ’t boek staan?’
‘Ze zei dat ze ’m erin zou zetten.’
‘Dan moet er toch makkelijk achter te komen zijn?’
‘Het is mij tot op heden niet gelukt.’
‘Als ’t jou niet lukt, dan mij ook niet.’
‘Ach, je weet maar nooit. Leg je oor te luisteren.’
‘Zal ik doen. Als ze weer terug is uit Atjeh en je erachter bent gekomen waar ze woont, ga je er dan op af?’
‘Dat denk ik wel. Ik zou haar graag weer eens spreken.’
‘Mag ik dan mee?’
‘Liever ga ik eerst alleen,’ wilde ik zeggen, maar dat leek onbeleefd, dus knikte ik, en ze keek me zo dankbaar aan dat ik mij voor mijn leugenachtige hoofdknik schaamde.
Er wachtte mij, voor wij konden opstappen, een moeilijk moment, toen ik een klein fortuin neer moest tellen voor de minihapjes op de megaborden.