Weduwen

Ik zat, wachtend op Sirena, in mijn bijkeuken naar de gestaag neervallende regen te kijken. Ook de ooiemoer stond op één poot mistroostig voor het grootste raam naar de druppels te turen die als grote tranen over de ruit omlaag zigzagden. De ganzen schuilden onder een kastanjeboom, die vrijwel kaal was. Ik opende de bijkeukendeur.

‘Willen jullie soms ook binnen komen schuilen?’

De zes dieren strekten hun druipende halzen, keken me met hun kraaloogjes scherp aan en tuurden naar de ooiemoer. De gent vatte moed en schreed naar de drempel. Zijn vijf vrouwtjes volgden aarzelend. Even later stonden ze alle zes, terwijl het regenwater traag uit hun veren op de plavuizen drupte, dicht tegen elkaar aan gedrukt onder de tafel in mijn bijkeuken.

‘Zou ’t waar zijn, jongens?’ vroeg ik aan mijn schuilende hulptroepen. ‘Zouden Sirena en Lotte hebben samengespannen? Ik kan ’t me niet voorstellen. Alleen al niet omdat ’t zulke magnifieke foto’s zijn. Zoveel schoonheid, dat kan toch niet samengaan met louche chantagepraktijken? En daarbij komt... voor zo iemand als Lotte steek je toch je handen tot je ellebogen in ’t vuur? En als ze met Sirena conspireerde, zou ze mij toch nooit verklapt hebben dat Sirena een transseksueel is? Niettemin klonk wat die Geert uitkraamde, aannemelijk. Ach nee, ’t kan niet waar zijn, ’t mag niet waar zijn.’

Het leek alsof mij iets wezenlijks ontnomen was, alsof iets wat mysterieus en ongrijpbaar en in veel opzichten verontrustend was geweest, ontdaan was van zijn onheilspellende grandeur. Onbegrijpelijk maar geenszins ondenkbaar leek dat een fotografe intuïtief voorvoelde wie spoedig zou sterven en daar, zonder zich daar zelf van bewust te zijn, met haar camera op anticipeerde. Dat had iets unheimisch, dat was beangstigend, maar stellig ook verheven. Maar als het die fotografe erom te doen was geweest Todeskandidaten te fotograferen teneinde bijgelovige rijkaards geld uit de zakken te kunnen kloppen – wat een ontluistering!

‘Nee, jongens, nee, ’t kan echt niet,’ zei ik. De ganzen ontspanden zich, kwamen onder hun tafelbladdekking vandaan en begonnen behoedzaam door de bijkeuken te drentelen. Ze was erg ontdaan toen dat vliegtuig bij Kathmandu was neergestort. Goed, het bleef natuurlijk denkbaar dat er een goede actrice aan haar verloren was gegaan, maar ik hield het erop dat ze er wel degelijk kapot van was. Het kon zijn dat zo’n crash niet voorzien was door de twee dames. Sterker, zo’n crash paste allerminst in hun draaiboek. Net zomin als de dood van de notaris of van die jongen die in het Drievuldigheidsdiep was verdronken. Het was ruimschoots voldoende als die breekbare oudjes spoedig zouden sterven. Het hoefde niet erger te zijn, misschien hadden ze zelfs het gevoel gehad dat het uit de hand liep, dat een wrekende God de macht had overgenomen om hun een lesje te leren. Misschien was Sirena daarom zo ontdaan na die crash. Ze voelde zich als de tovenaarsleerling uit de ballade van Goethe: wat in gang was gezet, viel niet meer te stuiten, pakte veel gruwelijker uit dan bedoeld was. Ach welnee, wat die Geert had zitten oreren, was allemaal onbedaarlijke lariekoek. Zo meteen was ze hier, zou ze...

Ik dacht: dus daarom heb ik haar voorgesteld via het moordenaarslaantje hierheen te komen. Als ze tegen mij gelogen heeft, zal ze ervoor terugdeinzen mij onder ogen te komen. Durft ze het aan, dan pleit haar dat vrij. Tenzij... ja, tenzij ze zo door de wol geverfd is dat het haar allemaal niks uitmaakt.

Ik ging naast de ooiemoer staan, keek naar de ruisende regen en mompelde: ‘Er is maar één ding waar ik met hart en ziel naar verlang: dat ’t niet waar is.’ Maar als het waar was, als het een uiterst geraffineerde, ontzaglijk sluwe vorm van chantage was met doodsangst als inzet, hoefde ik niet meer ongerust te zijn. Dan hadden die val uit de eik en dat bizarre tochtje naar Hilversum niets te betekenen, dan waren dat geen sms’jes uit Atjeh maar volstrekt toevallige gebeurtenissen. Dan hoefde ik mij er geen zorgen over te maken wat er met mijn hondje moest gebeuren als ik onverhoeds omkwam. Ik streek met mijn rechterhand over de sproetjes en het haarvachtje van mijn linkerarm. ‘Nog even geduld, wormen,’ mompelde ik.

Ik liep naar de woonkamer, pakte het fotoboek uit de kast, liep ermee naar de bijkeuken, bekeek aandachtig, alsof ik ze voor het eerst zag, de kiekjes. Van de tweehonderd gefotografeerden restten er ruim vijftig. Overwegend weduwen van rijkaards, die met dure rashonden of nog duurdere rijpaarden in de tuinen van hun protserige villa’s vereeuwigd waren. Haast onontkoombaar was de fatale conclusie: Geert kon er niet ver naast zitten. Maar waarom had Lotte van die voortreffelijk geconserveerde dames, die clientèle van Sirena, dan zulke beeldschone foto’s gemaakt?

De ganzen drentelden vrijmoedig door mijn bijkeuken, staken hun lange halzen tussen kastjes, tikten met hun snavels tegen de wasmachine, scharrelden om beurten in het mandje waarin ik mijn schoenpoetsartikelen bewaarde.

‘Jongens,’ zei ik, ‘jullie moeten naar buiten, zodat jullie me kunnen waarschuwen als er iemand aankomt.’

Toen ze echter even later, terwijl ze nog steeds door de keuken drentelden, opeens hun koppen hieven en allengs harder begonnen te gakken, werd mij duidelijk dat ze ook binnenshuis moeiteloos elke waakhond naar de kroon staken. Ruim een minuut later zag ik Sirena aankomen door de boomgaard. Ze is dwars door de polder gekomen, dacht ik, over de slootplanken, ongelofelijk, daar komt ze. Het is dus niet waar, het is goddank niet waar. Hoe zou dat ook kunnen?

Maar toen ik zag hoe onbekommerd en onvervaard ze aan kwam lopen, begon ik te twijfelen en schoot door me heen: zo dadelijk zegt ze: ‘Lotte en ik hebben je inderdaad al die tijd een beetje voor de gek gehouden, maar is ’t nu zo erg dat wij met behulp van ’t fotoboek een beetje geld hebben afgetroggeld van die patsers?’

Sirena stapte de bijkeuken in en zette haar paraplu op de plavuizen. Nieuwsgierig dromden de ganzen eromheen.

‘Kijk eens,’ zei ze, ‘wat ik gevonden heb.’

Ze deed een greep in haar grote handtas en overhandigde me een doosje. Wat zich onder het doorzichtige plastic dekseltje bevond, kon ik niet dadelijk thuisbrengen. Plastic vleeshaakjes? Ik zette het doosje op tafel en vroeg plompverloren: ‘Is het waar?’

‘Kijk,’ zei Sirena, ‘dat zijn ze. De real vampire nails. Heb ik vanmorgen warempel gevonden.’

‘Je probeert de aandacht af te leiden. Ik wil eerst weten of Geert gelijk heeft.’

‘Denk ik je een plezier te doen... goed, eerst Geert dan. Je wilt weten of Geert gelijk heeft. Gelijk met wat?’

‘Dat je rijke dames chanteert?’

‘Ik? Waarmee?’

Ik keek haar scherp aan. Hield ze zich nu van de domme, of was ze reusachtig gehaaid? Kon ze voortreffelijk veinzen?

‘Kijk niet zo naar me,’ zei ze verongelijkt.

‘Ja, maar ik moet weten... ik...’

‘Vertel eerst eens wat hij gezegd heeft.’

‘Hij denkt dat Lotte en jij elkaar al kenden. Lotte heeft volgens hem met opzet foto’s van stokoude bejaarden gemaakt. Na verschijning van het boek zouden de meesten daarvan al spoedig doodgaan. De andere vereeuwigden, waaronder veel van jouw klanten, zouden steeds banger worden. En volgens jouw Geert zou jij dan die klanten, als ze met een maskertje op hulpeloos in jouw salon lagen, wijsmaken dat Lotte bedreven was in akelige goena-goenapraktijken. Om ze dan vervolgens in hun oor te fluisteren dat ze dat konden afkopen.’

Sirena staarde mij aan zoals je een hond aan zou staren die opeens begint te praten. Ze weet echt van niks, dacht ik, of ze is een fenomenale actrice.

Ze trok het doosje met de real vampire nails naar zich toe, maakte het open, haalde er een nagel uit en paste die over een kunstnagel heen die ze al droeg. Moest ik dat kwalificeren als een oversprongbeweging, of paste dat in de benevelingsstrategie?

Ze tuurde naar de krankzinnig lange, puntige, kromme nagel, en zei: ‘Wat Geert zich soms toch in z’n hoofd kan halen! Denkt hij echt dat ik... Ik wou dat ik ’t lef had om zoiets te doen, dan hoefde ik niet dag in, dag uit maskertjes aan te brengen en nagels te vijlen, en dan zou ik misschien eindelijk m’n economie op orde hebben... Wat een gek... Hoe komt hij erbij? Waar haalt hij ’t vandaan?’

‘Het werd getriggerd door de term “goena-goena”. Toen zag hij opeens haarscherp voor zich hoe ’t zakie zoals hij ’t noemde in elkaar stak.’

Ze deed de heksennagel terug in ’t doosje. ‘Ach, die Geert... Zoals de waard is... Hij dobbert in ’t alternatieve circuit rond. Vorig jaar had hij een probleem, zat een of andere kruimelcrimineel hem te dicht op z’n huid. Toen heb ik gezegd: “Maak dat kereltje bang. Laat terloops vallen dat je een vriendinnetje hebt uit Somalië. Zeg hem dat ze daar tegenstanders wegruimen met goena-goena. Speldjes in een beeldje van ’t slachtoffer. Gruwelijke dood.” Hij smoest wat tegen dat misbaksel en in een mum van tijd was hij van ’t kereltje af.’

‘Voor ’t zelfde geld had dat kereltje jou afgeslacht.’

‘Welnee, Geert dobbert wel in ’t alternatieve circuit, maar gewelddadig zijn ze daar niet. Het is meer het verfijnde kruimelwerk: pinpassen stelen, pincodes ontfutselen, dat soort dingen, spookafschrijvingen via ’t internet. Van Geert zelf heb je ook niets te duchten.’

‘Hij is hier anders witheet weggegaan.’

‘Dat komt omdat hij denkt dat ik slim iets heb opgezet waar ik hem buiten heb gehouden. Hij is ontzaglijk achterdochtig, denkt de hele tijd dat hij belazerd en getild wordt. Ik wou dat ik van hem af kon komen. Maar heus, bang ben ik niet voor hem; hij is ongevaarlijk.’

‘Toch schrok je daarnet toen ik je aan de telefoon had.’

‘Ik schrok omdat jij zo paniekerig klonk. Daarom ben ik ook meteen naar je toe gekomen. Je klonk alsof je hulp nodig had.’

Ze stond op en trok mij overeind. ‘Jochie toch.’ Ze sloeg haar armen om mij heen.

‘Pas op,’ zei ik, ‘als hij terugkomt en ons ziet staan... Nee, niet doen. Help... blijf uit m’n gevarenzone...’

‘Toe nou. Waar is dat mooie pientere pookje van je? Ach, kijk toch, wat een acceleratievermogen! Van nul tot honderd in drie seconden, kom maar, toe maar...’

‘Je hebt al een vriendje, ik wil niet op andermans akkertje...’

‘Kom maar, ’t mag van de dokter.’

‘Niet hier voor ’t raam.’

‘Je hebt toch een bovenverdieping? Gaan we daar toch even heen? Bovendien heb je tegenwoordig ganzen om je tijdig te waarschuwen.’