Begrafenis
Onderweg naar de kerk merkte ik pas dat het vroor. Met verkleumde handen reed ik het grind op. Mijn Road Runner ketende ik vast aan een hekspijl. In mijn knuisten blazend liep ik naar de zijdeur. Ria zag mij aankomen en opende de deur.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Koude handen,’ zei ik. ‘Op zich niet erg, maar beetje lastig als je moet spelen.’
‘Heb je geen handschoenen bij je?’
‘Nee, wie rekent er nu op dat ’t zo hard vriest?’
‘Het is december.’
‘Voor kerst vriest het haast nooit in Nederland.’
‘Warm je handen even aan de koffiekan.’
‘Dan gaan ze raar gloeien. Kun je ook niet goed spelen.’
‘En als ik ze nu even warm met mijn handen?’
‘Dat zou geweldig zijn.’
En zo zaten we, in de consistorie. Zij omklemde met haar kleine, sierlijke handen mijn vuisten. De kosteres stapte binnen en zag ons zitten. Ze trok vragend haar wenkbrauwen op, en ik zei: ‘Mijn handen zijn verkleumd, dus Ria warmt ze even op, anders kan ik niet goed spelen.’
‘Al iets gehoord van de familie Gras?’ vroeg de kosteres.
‘Ja, broer Sietze belde gisteravond,’ zei Ria. ‘Ze komen.’
‘Niet te geloven,’ zei ik, ‘als je Sietze belde, en ik heb hem een keer of tien gebeld, zei hij iedere keer: “Meneer, ons kleine broertje, we kennen ’m toch, die overdrijft altijd zo, die maakt van een scheet een donderslag, die is zo weer beter en daarbij komt: we zijn veuls te oud om ’m na te lopen.” Zelfs vorige week, toen ik zei: “Het ziet er nu toch echt naar uit dat ’t afloopt”, zei hij: “Meneer, hou toch op, onze Taeke... ’t was altijd al een toanielspiler, die komt er weer gladjes bovenop.” Het verbaast me dat hij niet tegen je gezegd heeft: “Taeke dood, dominee? Ach, welnee, die stapt zo weer út z’n kist.” ’
‘Toen ik ’m eergisteren... nee wacht, de dag daarvoor belde om te zeggen dat Taeke was overleden, wou hij ’t eerst niet geloven. Pas gisteravond ging hij echt om.’
‘Jouw handen zijn heerlijk warm,’ zei ik tegen Ria.
‘Waren heerlijk warm.’
‘Ja, laat maar los, het is goed zo.’
‘Weet je ’t zeker?’
Ik keek haar aan en ze keek terug.
‘We hebben de tijd, de Grassen zijn er nog niet.’
‘Dan graag nog wat pastorale zorg.’
‘Begrijp ik goed,’ vroeg de kosteres, ‘dat er al die tijd, al die maanden dat Gras in ’t ziekenhuis lag, niemand van de familie langs is geweest?’
‘Ja, Anne,’ zei Ria plechtig, ‘dat begrijp je goed. Zelfs toen hij echt op sterven lag, wilden ze niet komen. Maar ja, Taeke keek ook nooit om naar z’n familie. Z’n demente zus in Mariagaarde... hij liet haar domweg stikken.’
‘Zit die zus van hem in Mariagaarde?’ vroeg ik verbaasd.
‘Ja, wist je dat niet?’
‘Nee, hoe had ik dat moeten weten? Gras heeft er nooit iets over gezegd.’
‘Als ik bij haar langsga, zing ik altijd liedjes met haar. Vrijwel alles is weg, maar de liedjes die ze op de kleuterschool heeft geleerd kan ze nog zingen. “Klokje klinkt, vogel zingt, iedereen op zijne wijs...” ’
‘In haar tijd heette dat geen kleuterschool maar bewaarschool,’ zei ik. ‘Doodjammer dat zo’n prachtige term in onbruik is geraakt.’
We hoorden het grind zacht knerpen. Ria liet helaas mijn handen los, sprong op, stapte naar de zijdeur. Over de witte kiezels gleed een lange, zwarte limousine naderbij. Voor hij echt stilstond, klapten de deuren open. Uit de slee dook de ene Fries na de andere op. Met hun zilverwitte kuiven, die blonken in de kristalheldere, zonnige lucht, en hun vanuit de auto steeds hoger oprijzende gestalten leken het directe nazaten van de reuzen die bij Dokkum Bonifatius hadden geruimd.
Ria schudde handen, maar ik kon dat niet opbrengen. Dat ze Taeke sinds zijn bizarre sprong doodgemoedereerd twee maanden in het Universitair Medisch Centrum hadden laten vegeteren, kon ik hun niet vergeven. Ik had mij daardoor verplicht gevoeld hem ten minste tweemaal in de week te bezoeken. En dan zat ik aan zijn bed, met het ruime hemelrond, het luchtig zwerk als decor, zoekend naar passende gespreksonderwerpen. Enfin, het was voorbij, en dat was een opluchting, al had ik geen reden meer Maria over Taeke te bellen.
Binnendoor glipte ik in de richting van de trap die naar de orgelgaanderij voerde. Ik zette de motor aan, ging zitten, trok de Prestant 32 uit en speelde met mijn voeten langzaam ‘Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, o Heer der legerscharen God, zijn mij uw huis en tempelzangen’. Wat een tref dat Gras mij verzocht had die psalm te spelen bij zijn uitvaart. Het begin, met een kwintsprong omhoog en dan dalende en weer stijgende secundes – ideaal om op te improviseren. Bovendien: wat een mooie melodie, met die wisselnoot gis halverwege, en mijn herinneringen aan kleutermeditaties over de tekst. Het had mij elke keer opgemonterd dat zelfs de mussen een huis vonden, en dat de zwaluwen hun jongskens neerlegden in ’t kunstig nest ‘bij Uw altaren’. Zeker, verderop was er sprake van een stekende zon in ’t moerbeidal. Daar begreep ik weinig van, en de zinsnede ‘liever een dorpelwachter’, nog weer verderop, kon mij gestolen worden, want dat raadselachtige ambt ambieerde ik niet.
Ik speelde en keek ondertussen omlaag de kerk in, naar de her en der verspreid zittende begrafenisgangers. Leen mij een toegenegen oor, dacht ik, terwijl ik de mussen met behulp van de woudfluit liet tsjilpen en de zwaluwen met steun van de sexquialter liet kwetteren. Toen ik het ootmoedig smeekgebed uit het vierde couplet adagio met de dulciaan en vol gedurfde, griegachtige harmonisaties te voorschijn toverde, schreden de Grassen naar de voorste rij. Zodra zij zaten gaf de kosteres mij een teken. Met een stemmige cadens sloop ik naar het slotakkoord, en Ria nam het woord.
Ze zei dat Taeke Gras nooit een trouwe kerkganger was geweest, maar haar herhaaldelijk had verzekerd dat hij zich verbonden voelde met de hervormde gemeente. Ze zei dat ze Taeke met zijn helderblauwe ogen en zijn zilveren manen een indrukwekkende man had gevonden, ‘maar ik verheel niet, dat ik ook vaak heb gedacht: wat een eigenaardige man. Zo koppig, zo eigengereid, en vooral: zo’n einzelgänger. Nooit getrouwd, altijd alleen, weinig vrienden.’ Ze zei dat ze hem die twee laatste maanden in het ziekenhuis nader was gekomen, stipte terloops aan dat Gras alleen door mij was bezocht – goed zo, Ria, dacht ik, geef die griezels uit de Greidhoek ervan langs – en las toen, spijtig genoeg uit die mallotige Groot nieuws bijbel, psalm 103. ‘Kort is het leven van een mens, hij is als een bloem in het gras: een windvlaag en het is gedaan, je vindt haar niet meer terug.’ Hoe flets toch, vergeleken met de Statenvertaling: ‘De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer.’
Ze ging voor in gebed. ‘Doe je ogen dicht,’ zei ik zacht tegen mezelf, ‘niet kijken. Als ze bidt val je om van vertedering, en vertedering is het epicentrum van de emotionele aardbeving verliefdheid, dan ben je voorgoed verloren. Als je hormoonhuishouding, zoals bij een ontmoeting met Sirena, zodanig op tilt slaat dat je testikels een poosje wild tegen elkaar aan klotsen, hoef je je nauwelijks ongerust te maken. Dertig keer vrijen en ’t is over, maar vertedering vrij je niet weg, vertedering is een verraderlijke, slepende, chronische, nimmer te genezen ziekte.’ Terwijl ze bad staarde ik onafgebroken naar haar tengere, voor deze gelegenheid in een stemmig zwart mantelpakje gehulde gestalte en naar haar opgestoken blonde haar. En het schoot door me heen hoe een vriend me na een vijftal glazen rode wijn had verteld: ‘Voordat Jil en ik in bed stappen, zinkt ze altijd even neer op het linoleum. Ze vouwt haar handen en sluit haar ogen en prevelt een gebedje. Zodra ze op haar knieën zinkt, rijst m’n pik. Van dat bidden krijg je een erectie van Sirius tot de Poolster.’
Nu, zo verging het mij niet, daar op die orgelgaanderij, maar ik begreep drommels goed wat er in mijn vriend was omgegaan. ‘Het is niet te hopen dat ze ooit het geloof verliest. Dan ben ik verloren.’
‘Amen,’ zei ze, en toen zei ze dat ik een stuk zou spelen waar Taeke veel van had gehouden. Mij leek dat ietwat overtrokken, maar ik speelde driemaal, steeds verschillend geregistreerd, ‘Ach bleib mit deiner Gnade’ van Reger.
Na Regers genade stapte een van de Grassen naar voren. Met grimmig op elkaar geperste lippen staarde hij een poosje naar de aanwezigen. Toen zei hij: ‘We kunnen ’t nog niet bevatten maar ’t bliekt toch waar: ons broertje is dea, kroandea. Wie had dat nu verwacht? Hij is warempel, ús Tjomme even niet meegerekend, de eerste út onze húshâlding die fuort is. ’t Was altijd samen met sus moeders eachappeltsje, net als Jozef en Benjamin, en altijd maar door heeft hij er misbruik van gemaakt dat hij moeders eachappeltsje was. Altijd maar door in de contramine, altijd maar door de kont tegen de krib, we hadden d’r weinig broer oan. Kwam hij ’s zomers naar Friesland, dan toefde hij in Sexbierum bij z’n spylfeint van de beukerskoalle, dan kon d’r nog niet één bezoekje af oan z’n bloedeigen broers.’
Hij veegde met een grote witte zakdoek zijn lippen af. Aha, dacht ik, hij ontlast z’n geweten. Blijkbaar voelt hij zich aangesproken door wat Maria zo behoedzaam naar voren bracht.
‘Taeke,’ zei zijn stokoude broer met een typische galmende domineesstem, ‘Taeke was niet zo from. Dominee hier heeft dat zonet ook nog benadrukt. Ik ben bang dat wij hem nooit meer zullen terugzien. Ik ben bang dat hij met een ingebeelde hemel ter helle is gevaren. Ik ben bang dat onze sillichmakker voor hem niet gestorven is. Ik ben bang dat hij ’t niet nodig vond dat z’n zonden werden vergeven. Zonden, daar wou hij nooit van horen, dus wou hij ook nooit weten van ’t borgtochtelijk lijden van onze sillichmakker. Ik ben bang dat kweade hantsjepik, smiespelend en grijnzend, onze Taeke nou al, ondertussen ook nog in z’n vuistje lachend, naar ’t diepst van de helle heeft gevoerd.’
Hij zweeg en veegde zijn lippen weer af, donderde toen andermaal door de kerk. ‘Ik ben bang dat hantsjepik...’ Hij pauzeerde, waarna hij met stemverheffing raspend herhaalde: ‘Ik ben bang dat de wrikkert...’
Een kinderstem klonk door de kerk. Dit verbaasde mij enorm, want er zaten uitsluitend stokoude mensen.
‘Ik ben bang dat de wrigge...’ herhaalde de oude Gras, en richtte zich tot een in elkaar gedoken vrouw die bij het doopvont in een rolstoel zat. ‘Sus,’ siste hij, ‘houd de mûle.’
Onverstoorbaar zong het kinderstemmetje, beverig, maar goed op toon: ‘Veilig in Jezus’ armen.’
Bij de tweede regel viel ik in met de dulciaan.
Veilig aan Jezus’ hart.
Daar, in Zijn teer erbarmen,
Daar, rust mijn ziel van smart.
Toen we toe waren aan het lied der engelen hoorde ik dat andere begrafenisgangers meezongen. Dat kinderstemmetje bleef overal bovenuit klinken, tot aan de glazen zee toe waar ik als kind zo weinig van had begrepen. Een glazen zee? Wat moest je je daarbij voorstellen?
Nadat het refrein, die typische vingerafdruk van een lied van Johannes de Heer, had weerklonken, improviseerde ik net zo lang over ‘Veilig in Jezus’ armen’ tot de hoogbejaarde Gras achter de katheder vandaan stapte, en woedend met zijn Friese rijgschoenen op de kerkplavuizen stampend zijn plaats opzocht.
Even later werd de kist de kerk uit gedragen. Ik speelde wat ik meestal laat horen aan het einde van zo’n rouwdienst, het ‘Air’ van Samuel Wesley. Van die droeve, wat weke triolenketens die het fantastisch goed doen op het Holman-orgel.
Toen iedereen buiten was, haastte ik mij naar de consistorie. Maria zat aan een tafel. Ze steunde met haar ellebogen op het blad, haar handen voor haar ogen.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik geschrokken.
Ze deed haar handen omlaag en keek me aan met betraande ogen.
‘Heb ik me misdragen?’ vroeg ik verschrikt. ‘Had ik niet moeten invallen?’
‘Als je eens wist hoe dankbaar ik je daarvoor ben. Dement, maar toch niet zo dement dat ze niet begreep dat die ellendige Sietze haar broertje stond te belasteren en bezwadderen. Misschien was ’t alleen de klank van z’n kraakstem... Die klank kende ze natuurlijk nog uit haar vroegste jeugd.’
Ze kwam uit haar stoel, deed een stap in mijn richting, sloeg haar armen om me heen en zoende me kuis op mijn linkerwang en even kuis op mijn rechterwang. Ze keek me aan met haar vochtige ogen en drukte uiterst beschroomd haar lippen op de mijne.
‘Ria,’ zei ik, en ik streelde over haar haar. De kosteres kwam binnen, schudde haar hoofd en stapte meteen naar buiten, discreet de deur achter zich sluitend.
‘We moeten vlug naar ’t kerkhof,’ zei Ria.
‘Wat je zegt.’
Ze trok een zwarte mantel aan, en even later stapten we samen snel over de Acolietenlaan naar de begraafplaats. De zon stond aan een strakblauwe, pure, kristalheldere hemel. Op de begraafplaats waren de meeste bomen zwaar berijpt. Ook van de reusachtige eik fonkelden de meeste takken en twijgen spierwit, alsof zelfs zij een laatste groet wilden brengen aan Taeke Gras.