Taeke Gras
Op een stille, zwarte dag direct na de jaarwisseling snoeide ik de sleedoorns langs het pad dat naar mijn erf leidt. Vanuit de vale middagschemer doemde een reus op. Hoewel het amper een graad of twee boven het vriespunt was, droeg hij slechts een zwart colbert. Om zijn hals had hij een zwart-wit geblokte sjaal gewikkeld, met ter hoogte van zijn adamsappel een strakke knoop. Zoals hij, snuivend en stampend en witte ademwolkjes uitstotend, met zijn schuin naar voren stekende sjaal in de deemstering aan kwam stappen, leek hij een locomotiefje met sneeuwschuiver uit een ouderwetse western. Elk moment, zo leek het, kon dat locomotiefje met donderend geraas ontsporen. Het was Taeke Gras.
‘Zoals ik bij de begrafenis van Abel al zei, wou ik eens even een hartig woordje met u spreken,’ riep hij terwijl hij, bijna dreigend, een witte plastic tas heftig heen en weer liet zwaaien.
‘Zeg maar wat u op uw hart heeft.’
‘Volgaarne, maar niet hier buiten.’ Achterdochtig keek hij tussen de gitzwarte stammetjes van de sleedoorns door.
‘O, maar hier is verder echt geen sterveling.’
‘Dat wil ik graag geloven, maar er kan altijd iemand aan komen lopen. Ik zou toch graag...’
‘We kunnen even in de bijkeuken gaan zitten.’
‘Gaarne.’
Onderweg naar het huis hoorde ik achter mij het zachte geknetter van plastic, omdat de tas zo wild heen en weer werd gezwaaid dat hij af en toe de sleedoornstammetjes raakte.
In de bijkeuken knoopte Taeke, terwijl hij wantrouwig naar het terrarium tuurde, waarin de scheltopoesik sluimerde, zijn sjaal los.
‘Wou u iets drinken? Een kopje thee?’
‘Was u daar zelf aan toe?’
‘Min of meer.’
‘Dan ontrieft ’t mij evenmin.’
Terwijl ik in de keuken water opzette, hoorde ik hoe hij een paar maal zijn keel schraapte. Met flinke stemverheffing barstte hij los: ‘Vannacht werd ik om even voor vijven wakker. Het eerste vliegtuig kwam over – ’t krantenvliegtuig natuurlijk niet meegerekend, want dat hoor je al om een uur of drie. Gelukkig slaap ik na die krantenkist meest weer in. Maar als ’t om vijf uur begint en d’r elke twee, drie minuten zo’n gierend monster boven je hoofd voorbijbuldert, doe je geen oog meer dicht. Ik tenminste niet.’
Hij wou ’t toch hebben over ’t fotoboek? Waarom komt hij dan klagen over vliegtuiglawaai, dacht ik. Ik zei: ‘Het hele dorp gaat eronder gebukt. De mensen zijn nerveus, prikkelbaar, agressief en gedeprimeerd. Maar ja, wat doe je eraan? Bel je de klachtenlijn, dan krijg je een antwoordapparaat.’
‘Dat weet ik,’ zei Taeke Gras, ‘dat heb ik één keer ingesproken, en dat doe je daarna dus nooit meer.’
‘Wou u iets anders ondernemen? Ik doe onmiddellijk mee, ik...’
‘Ik kom niet vanwege die vliegtuigen,’ zei Taeke nors. ‘Ik kom vanwege ’t boek. Nadat die monsters me gewekt hadden, heb ik daar vanmorgen ook weer over liggen piekeren.’
Met een daverende klap liet hij de plastic tas op de bijkeukentafel neerkomen, en trok er een exemplaar uit van het groene fotoboek. Het geknetter van het goedkope plastic overstemde het borrelen van het water dat aan de kook kwam.
‘Van meet af aan,’ zei Taeke, ‘had ik er een hard hoofd in. Toen dat juffertje me vroeg of ze mij erin mocht zetten, heb ik d’r gezegd: “Ik deel m’n gezicht niet met een stuk papier.” U was erbij, u bent m’n getuige. Maar ja, dat juffertje drong aan, en dwong me af dat ze een tweede keer langs mocht komen. En toen... die tweede keer... Was u er maar bij ’west, dan was ik meer op m’n qui-vive geweest. U ken ik. Dat seksboek van u heb ik niet gelezen, maar ik heb d’r genoeg over gehoord om te weten dat je met zo iemand als u duvels voorzichtig moet zijn. Maar dat juffertje alleen... lief stemmetje, en van die strijkages... op ’t laatst zei ik: “Neem dan van buiten een foto door ’t raam heen.” Ik dacht: dan zie je geen barst van Taeke. Hoe ze ’t voor mekaar gekregen heeft, ik weet ’t niet, maar ik sta d’r haarscherp op, je ziet me duidelijk in de woonkamer staan.’
‘Het is een prachtfoto. Ze was er zo gelukkig mee. Ze zei steeds: “Wat ben ik blij dat ik die man met z’n schitterende Friese kop...” ’
‘Akkoord, ik ben in Friesland geboren. Heb daar tot m’n zesde gewoond. Heit en mem, die stammen uit Joure, gemeente Haskerland, die deden mee met de strontrace, van Stavoren uit met een schuit vol mest ’t IJsselmeer over, en de binnen- en boezemwateren door, tot ze hier uitkwamen en tegen mekaar zeiden: “Wat is dit een byldmoai doarpke.” Ze konden hier, toen ik een jaar of zes was, een bedoeninkje overnemen, dat sa dwaande. Goed, goed. ’t Fryske lân en ’t Fryske libben blijven trekken, m’n broers zijn stuk voor stuk weer teruggegaan, maar Fryske kop of niet, ik had naar de stem van m’n hart moeten luisteren, ik had moeten zeggen: “Jij snichel... ga weg, ik wil d’r niet in.” ’
‘Is het zo’n straf om in dat boek te staan? Het ziet er prachtig uit, het is weggevlogen, de mensen vochten erom. Als je in de supermarkt komt, hangen d’r minstens tien briefjes op ’t prikbord waarin gevraagd wordt of iemand nog een exemplaar van ’t boek heeft. En all over the world, tot in Australië, Nieuw-Zeeland en Canada zitten nazaten van emigranten uit Monward er met vochtige ogen in te bladeren.’
‘Ja, ja, u kunt ’t wol aardich zeggen, maar dat laat onverlet...’
Met zijn vlakke hand sloeg hij op het boek, hij opende het, bladerde naar de inhoudsopgave, duwde het geopende boek over de tafel naar mij toe.
‘Sjoch z’s goed naar die lijst met namen. Toen ik een maand of wat geleden vanwege die pokkevliegtuigen niet meer slapen kon, viel me opeens in: d’r zijn d’r zeker al acht heen. Op slag ben ik d’r toen uit gestapt, en heb ’t boek opgescharreld. De forstoarnen heb ik af zitten vinken. Acht, dacht ik nog toen ik in bed lag, maar ’t ben d’r al tien... tien ben ’t d’r al.’
‘Dat is toch niet zo vreemd? Ze heeft overwegend oude mensen gefotografeerd.’
‘O ja? Moet je zien. Hier... deze jongen, Wim Galis, tweeëntwintig of daaromtrent.’
‘Toen ’t net twee dagen gevroren had, ging hij al op ’t Drievuldigheidsdiep schaatsen, dus ja...’
‘Klopt. Is in een wak geschaatst. Ze hadden ’m toch nog snel te pakken, maar terwijl ze ’m naar huis droegen, weken de levensgeesten. Hoeveel van die jonge jongens heb je hier in ’t doarp? Zo’n honderd toch algauw. Uit die honderd heeft ze warempel hem...’
‘Samen met twee vrienden. En die stappen nog kerngezond rond.’
‘Die staan d’r zo vaag op dat je ze niet kunt herkennen.’
‘U wou toch niet zeggen...’
‘Ik werd wakker van zo’n lawaaimonster, ik lag te piekeren, ik dacht: verrek, d’r ben d’r al acht út dat boek fuort gegaan, ik sprong d’r út, ik vinkte ze af, en ’t waren d’r al tien.’
‘Tien op tweehonderd.’
‘Als ’t in dit tempo doorgaat... ja, want hoe lang is dat boek út, een maand of vier al met al... dan is binnen een jaar dertig man fuort en binnen krap zeven jier iedereen út dit boek dood, morsdood.’
Driftig bladerde hij in het boek, wierp het geopend op tafel neer en stak een priemende vinger uit.
‘Abel,’ zei hij, ‘da’s dus Abel. Ik stapte de volgende morgen meteen naar ’t fort van Abel. “Abel,” zeg ik, “d’r ben d’r al tien fuort út dat boek. Wat doen we daaraan?” En wat zegt Abel? Abel zegt: “Dat haal je de koekoek, ze heeft nagenoeg alleen oudjes gekiekt. Van Beusekom junior toefde zelfs al onder de zoden eer ’t boek lang en breed út was. Die was ondertussen ook al diep in de negentig, dus zo vreemd is dat niet.” Nee, Abel wou d’r niet aan. Stomme, oernuchtere Hollander. Eén bonk gezond verstand, en nu...? Ook al afgevinkt. Toen Leonoor mij belde dat hij dood was, dacht ik: nu is de maat goed vol, nu zal ’t afgelopen wezen.’
Ik zette een beker thee voor hem neer. Hij viel erop aan alsof hij dagenlang dorstig door de woestijn had gezworven.
‘In ons doarpje,’ zei hij, ‘weireizgje... ontslapen per jaar zo’n man of veertig, vijfenveertig. Soms wat meer, soms wat minder. Dus zo’n beetje drieënhalve man per maand.’
‘Dus tien in vier maanden. Da’s niks bijzonders, da’s zelfs onder ’t gemiddelde.’
Driftig slikte hij zijn thee weg, hij hoestte, veegde tranen uit zijn ogen. ‘Bêst, maar die tien... tien? Met Abel erbij al elf! Alle elf kwamen ze út ’t boek, ik bedoel... u begrijpt me toch wel? Als er hier in ’t dorp in de afgelopen vier maanden twaalf of dertien mensen zijn gestorven, en tien daarvan en Abel kwamen út ’t boek, is dat toch opmerklik, of ben ik dan healwiis?’
‘Tien, eh... elf van de twaalf, dat kan best, bij toeval.’
‘Bij toeval? Toeval bestaat niet. Ik ben nog niet nagegaan wie d’r de afgelopen vier maanden hier in ’t doarp nog meer zijn fuort gegaan. Dat ga ik nog doen, ik ga nog naar ’t gemeentehûs, maar wat ik me ervan herinner... Volgens mij is er hier in ’t dorp in de afgelopen vier maanden niemand overleden die niet met z’n holle in ’t boek stond. Of weet u zich iemand te herinneren?’
Ik slurpte mijn thee, dacht een poosje na. ‘Zo één, twee, drie niet, maar ik sla de overlijdensadvertenties in ’t Monwarder krantje altijd over.’
‘Ik niet, die lees ik altijd ’t eerst. Kijk toch eens... hier, de notaris. Ravenwijn, jonge vent nog. Voelt zich niet zo lekker, gaat aan ’t eind van de dag voor hij van kantoor naar hûs loopt, nog maar even bij de dokter langs, Medisch Centrum Monward lag toch op de route. Ja, ja, zegt de dokter, ’t kon wel eens leverkanker zijn. Binnen drie weken was hij weg. En hier, hoogheemraad Willem Sleeman, die was toch echt nog niet van plan om te gaan hemelen.’
‘Maar hij was al achter in de zeventig.’
‘Wolno? De laatste keer dat ik ’m zag was hij bezig een rijtje bomen te zetten, schuin opzij van z’n mooie bedoeninkje, van Zuyderduyn. “Willem,” zeg ik tegen ’m, “wat doe je?”
“Ik zet wat snelgroeiers neer,” zei hij, “want al dat pisgele licht daar ’s nachts van de gevangenis... als ik d’r uit moet om een plas te doen, schijnt ’t zo fel naar binnen. Over een jaar of tien is ’t dichtgegroeid, kan ik rustig ’s nachts een plasje gaan doen.” ’
‘Ja, heb ik ook gezien. Ik begreep meteen waarom, en ik dacht nog: wat een optimisme.’
‘Hij wist dat hij nog jaren te gaan had. Vandaar die snelgroeiers...’
‘Essen... snelgroeiers?’
Taeke luisterde niet. ‘Nog jaren had hij te gaan. Maar ja, in ’t boek en nu morsdood. Net als Abel.’
‘Ook al over de zeventig. Hartaanval, naar wat ik ervan begrepen heb.’
‘Abel was nog kerngezond, mankeerde niks, was goed bij de tijd. Wou me niet geloven, zegt: “Taeke, jongen, luister, je ziet leeuwen en beren die er niet zijn”, en nu... niet alleen morsdood, maar ook al breeduit begraven.’
Hij slokte de laatste resten thee uit zijn beker en zette die met een daverende klap op tafel.
‘Als u maar weet dat ’t mijn tijd echt nog niet is. Thuis was ik de jongste, en al m’n broers leven nog. Op Tjomme na, maar die is door die rotmoffen doodgeschoten, dus dat telt niet. Eetze, m’n oudste broer, is tweeënnegentig; ik ben pas tweeënzeventig. Dus Eetze is echt lang voor mij aan de beurt en Tjerk idem, en Sietze... Sietze is achtentachtig en preekt nog elke zondag.’
‘Een sterk geslacht.’
‘Ja, heit en mem waren allebei achter in de negentig eer ze ’t hogerop zochten, dus als u maar weet dat ik...’
‘Ik ga er niet over, maar vast staat dat de volgorde van binnenkomst niet bepalend is voor de volgorde van heengaan. Meestal gaan de jongsten juist ’t eerst.’
‘U wou niet zeggen,’ zei hij terwijl hij dreigend oprees en mij fixeerde met zijn ijsvogelblauwe ogen, ‘u wou toch niet zeggen dat ik vóór Eetze en Tjerk en Sietze...’
‘Meneer Gras, u weet zelf net zo goed als ik dat gezinsleden niet op volgorde van leeftijd overlijden.’
‘Voorlopig ga ik nog niet hemelen,’ zei hij toornig.
‘Daar ziet ’t ook niet naar uit,’ zei ik.
‘Maar net als Abel sta ik in dat boek, dus ik sta er gekleurd op.’
‘Ik sta er ook in.’
‘Precies,’ zei hij, ‘dus ook u bent gewaarschuwd. Het is maar dat we ’t scherp in de gaten houden, d’r ben d’r al tien fuort, en Abel is ook heen, ik vind dat toch reuze opmerklik. Dank voor de thee, en nog een gezegende namiddag en avond. We spreken elkaar nog wel.’
Hij duwde het boek terug in het knisperende plastic tasje, knoopte zijn sjaal weer in de vorm van een sneeuwschuiver en stampte mijn bijkeuken uit. Hij stapte de grijze, grauwe januarinevel in, stoomwolkjes uitstotend als een IJslandse geiser.
Nog eenmaal keek hij om en zei: ‘Zo aanstons komt iemand anders die ’s nachts om vijf uur wakker wordt van die lawaaimonsters op ’tzelfde idee. Dan blijk ik ondertussen ook al dood te zijn en word ik afgevinkt.’
‘Als je in dit weer zonder jas naar buiten gaat,’ riep ik hem na, ‘is een koutje zo gevat, dus past u maar op.’