Revolverhelden
Nadat Sirena gegaan was, sliep ik gerust, mij van geen kwaad bewust, tot ik verfrist ontwaakte (psalm 3). Nog nasoezend lag ik mij erover te verbazen dat ik zo vorstelijk geslapen had. Eindelijk weer eens. Was ik zo opgefokt geweest? Ik had mij maanden uit mijn slaap laten houden door een ergens in mijn onderbewuste sluimerende angst voor de dood. Was die vrees nu geweken omdat de vriend van Sirena mij een rationele verklaring aan de hand had gedaan voor die sterfgevallen? Maar dat viel niet te rijmen met ’t feit dat ik geen moment kon geloven dat Lotte expres breekbare oudjes had gefotografeerd om na hun overlijden de overlevenden te chanteren.
Misschien was ’t prozaïscher en had ik zo goed geslapen omdat er die nacht geen dalende vliegtuigen waren overgekomen. Of omdat ik voor het slapen gaan nog wat roekeloze buitelingen met Sirena had gemaakt.
Een paar uur later, toen ik met Anders door het doodstille dorp kuierde, dienden de hersenschimmen zich aan. Het leek allerminst ondenkbaar dat Lotte expres al die gefortuneerde echtparen gefotografeerd had. En was Sirena dan haar handlanger? Hoefde natuurlijk niet. Er kon in het dorp een andere medeplichtige zijn. Of Lotte kon er domweg op gerekend hebben dat de kwade geruchten over haar boek vanzelf zouden ontstaan. Maar hoe incasseerde ze dan de afkoopsommen?
’s Middags, even na drieën, sloeg Anders aan. Over het grind schreden vier mannen. Een van hen droeg een rugzak. Ik liep ze haastig tegemoet. Het waren stuk voor stuk nette heren, en ze stelden zich ieder aan mij voor, waarbij drie van de vier kernachtig aangaven van welke dienst ze waren: Breevaart, rvv, Baars, aid, Voshaar, aid. De man die een rugzak droeg stelde zich voor als Klavervorst en mompelde dat hij dierenarts was. De heer Breevaart van de Rijksdienst Vernietiging Veestapels nam het woord.
‘Uw naam,’ zei hij, ‘is de laatste tijd herhaaldelijk opgedoken in door ons afgetapte telefoongesprekken...’
‘En door ons onderschepte e-mails,’ vulde de heer Baars aan.
‘Bent u gerechtigd die af te tappen en te onderscheppen?’ vroeg ik verbaasd.
Daar kreeg ik domweg geen antwoord op. Breevaart zei vaderlijk: ‘U bent al eerder bij ons in beeld geweest. Indertijd heeft u, naar het zich laat aanzien, korte tijd drie dwerggeitjes uit het mkz-gebied gehuisvest. Helaas zijn wij daar toen te laat achter gekomen. Nu zijn uit een klooster, in het gebied waar de vogelpest heerst, achttien kippen verdwenen. Wij vermoeden dat genoemde kippen zich hier bevinden.’
‘Dat vermoeden is onjuist,’ zei ik, ‘maar kijkt u gerust rond.’ Waarop de vier heren, elk een windrichting voor zijn rekening nemend, mijn hele schiereiland inspecteerden. De heer Breevaart struikelde tijdens zijn ommegang bijna over de ooiemoer. Hij deed nadat hij even bij de slootkant had staan zwaaien om zijn evenwicht te hervinden, alleen maar een stap opzij. Kwam de heer Breevaart elke dag, als hij op bevel van de overheid moordde, tamme ooievaars tegen? Ook aan de zes brecons schonken de vier door mijn boomgaard schuifelende heren geen enkele aandacht, ofschoon de gakkende en sissende ganzen hen telkens voor de voeten liepen.
Samen met de almaar ten onrechte kwispelende Anders stond ik stokstijf op het grindpad. Wat te doen als de heren op het idee kwamen dat ik geen kippen maar ganzen te gast had? Ik overwoog om de brecons, met hulp van Anders, zo heimelijk mogelijk het water van de wetering in te jagen. Daar zouden ze tamelijk veilig zijn. Maar ja, hoe voorzichtig ik het ook zou aanpakken, het kon de heren niet ontgaan dat ik steels de ganzen uit de weg probeerde te krijgen. Mij leek het beter af te wachten.
Nadat ze zo’n twintig minuten lang mijn hele terrein in alle richtingen doorkruist hadden, kwam de heer Breevaart op mij af.
‘Wij zouden ook graag even in huis kijken,’ zei hij.
‘Voorzover ik weet bent u niet zomaar gerechtigd huiszoeking te doen, maar ik heb niets te verbergen, dus gaat uw gang. De bijkeukendeur staat open.’
Waarop drie van de vier heren, nadrukkelijk hun voeten vegend op de bijkeukendeurmat, het huis instapten. Dierenarts Klavervorst bleef op het pad staan.
‘Gaat u toch vooral ook naar binnen,’ zei ik, ‘uw expertise kan daar niet gemist worden.’
Klavervorst kromp in elkaar, schudde zijn hoofd, bewoog zijn lippen.
‘Ik snap niet dat u zich hiervoor leent,’ zei ik. ‘U bent opgeleid om zieke dieren te genezen, niet om gezonde dieren af te maken.’
‘Het is een ellendige toestand,’ mompelde Klavervorst.
‘Mede omdat uw beroepsgroep hieraan meewerkt.’
‘Niet van harte.’
‘Eerst tienduizenden pasgeboren biggetjes afgemaakt...’
‘We hebben besloten dat, als er weer varkenspest uitbreekt, niet meer te doen.’
‘Zal wel, maar tijdens de mkz... en nu dit weer. En wat ’t ergste is, de overheid geneert zich niet om Gestapomethoden te gebruiken bij de jacht op ondergedoken dieren. Telefoons aftappen, e-mails onderscheppen, huiszoekingen... Wie zich op eigen erf verzet tegen ’t vermoorden van z’n dieren, wordt meteen in de handboeien geslagen en afgevoerd. Naar wat ik ervan gehoord heb, zijn zelfs mensen doodgewoon dagenlang de cel in gedonderd. Daarbij nota bene de moeder-overste van een Grieks-orthodox klooster omdat ze achttien... verdomd, dachten jullie dat ik die achttien kippen... ik... hoenders uit een klooster? Ik?’
‘Mijn persoon staat hierbuiten,’ zei de dierenarts.
‘Toch werkt u mee, net zoals de Duitse artsen meewerkten aan het euthanasieprogramma van de nazi’s.’
‘Die vergelijking is ongepast.’
‘Best mogelijk. Misschien moet je dit alles eerder vergelijken met de slavernij. Indertijd werden negers als onmensen gezien, waar je alles mee mocht doen. Met bruut geweld mocht je die uit Afrika wegslepen. Daar spreken we nu schande van, zoals we over enkele eeuwen ook schande zullen spreken van de bio-industrie en zo’n verbijsterende uitwas daarvan als deze dierenholocaust. Eerst een paar miljoen varkens, dan zo’n driehonderdduizend herkauwers en nu, alsof ’t niks is, dertig miljoen hoenders.’
‘Echt, ik sta hier ook niet achter,’ zei Klavervorst, ‘maar ik zou niet weten hoe ’t anders moest. Die virussen...’
‘Er zijn voortreffelijke vaccins.’
Klavervorst knikte somber.
‘Het doet mij goed om te zien dat u een slecht geweten hebt,’ zei ik.
Op dat moment stapten de drie andere heren naar buiten.
‘Wij gaan weer,’ zei Breevaart kortaf.
Twee aan twee verwijderden de vier rijksmoordenaars zich over het knerpende grind. In de ijle voorzomerlucht klonk een liefelijk melodietje. De heer Breevaart viste zijn mobieltje uit de binnenzak van zijn colbert, drukte het tegen zijn oor en luisterde, terwijl hij verderwandelde, naar datgene wat hem vanuit de buitenwereld werd meegedeeld. Toen bracht hij met een soort discuswerperszwaai de kleine processie tot stilstand. Het leek of hij een bevel gaf, want op hetzelfde moment draaiden alle vier mannen zich een halve slag om. Stram marcherend kwamen ze mijn richting uit. Zodra ze me bereikten, wees Breevaart, net als eertijds Jerobeam te Bethel, met gestrekte arm naar de brecons. Was hij bijbelvast geweest, dan had hij ‘Grijpt hen’ geroepen. In plaats daarvan vroeg hij kortaf: ‘Zijn dat uw ganzen?’
Ik had onvervaard en doodkalm ja moeten zeggen. Helaas, dat lukte mij niet. Ik knikte alleen maar.
‘Beet,’ zei de heer Baars triomfantelijk.
‘Het kon ook bijna niet anders,’ zei Breevaart. Hij keek Klavervorst aan.
‘Gajegang, dokter.’
Omdat ‘gajegang’ klonk als een bevel, duurde het even voor ik besefte wat Breevaart geblaft had. Daarbij kwam dat ik verbaasd was over het woord ‘dokter’. Zo duid je een dierenarts toch niet aan? Wilde hij met die term soms sanctioneren of normaliseren wat te gebeuren stond?
Baars rukte behulpzaam aan de schouderhengsels van de veterinaire rugzak. Dokter Klavervorst gespte hem open, haalde er een injectiespuit uit, vulde die uit een miniflesje, wierp even een blik op mij alsof hij mij met de spuit te lijf wilde gaan en stapte toen op de brecons af. Die schreden behoedzaam met gestrekte halzen en half naar achteren gedraaide koppen in de richting van de wetering. Klavervorst versnelde zijn pas. De gent stopte, draaide zich om, strekte zijn tong uit en siste vervaarlijk. Klavervorst greep met zijn linkerhand de witte hals van de gent en haalde uit met zijn rechterhand, waarin zich de injectiespuit bevond. De gent verhief zich en sloeg woedend met zijn vleugels. Daarbij maaide hij de spuit uit de handen van de dierenarts. Ik had de indruk dat het Klavervorst niet slecht uitkwam op die wijze zijn gereedschap te verspelen. Hij liet de gent los, doorzocht met maaiende schoolslaggebaren het hoge gras. De gent rende achter de ganzen dieper de boomgaard in. Terwijl zich dat alles miraculeus snel afspeelde, was Voshaar ondertussen brutaalweg mijn schuurtje in gelopen. Daaruit kwam hij dadelijk weer naar buiten, gewapend met mijn riek.
Hij zal toch de ganzen niet met een riek te lijf gaan, dacht ik, zo diep zijn die kerels toch niet gezonken? Toen dacht ik aan het Woord des Heren, waarin zo vaak sprake is van Goede Herders die hun leven inzetten voor hun schapen. Moest ook ik mijn leven inzetten voor de ganzen? Het was de vraag of ik daar iets mee opschoot. Maar de aanblik van de glanzende scherpe punten van die goed door mij onderhouden riek maakte me zo razend kwaad dat ik in mijn vertwijfeling een paar lange grashalmen uitrukte. En die lange, brede grasstengel spleet ik en ik drukte hem tegen mijn lippen. Het is verbazingwekkend dat je, mits je daar als kind flink op geoefend hebt, door de spleet van een grasstengel blazend, zo’n snerpend geluid kunt voortbrengen. De brecons schrokken hevig, ze ondersteunden hun ganzenpas met vleugelgeklapper. Kalm trok Breevaart de grasstengel uit mijn handen. Met een ronduit verbeten gezicht joeg Voshaar achter de brecons aan, de riek hoog geheven. Snel liep hij op ze in.
Toen dook vanuit dat lange gras en de ijle, hoge brandnetels zomaar de scheltopoesik op. Dacht hij, toen de grasstengelkrijs opklonk, dat er in de grazige landouwen van Zuid-Holland een soortgenoot was opgedoken die hij uit zijn territorium moest verjagen? Daar kwam hij aanritselen, voortijlend als de knetterende vlam van een vuurwerklont. Zo’n scheltopoesik kruipt, anders dan een gewone slang, niet bepaald geruisloos over de aarde. Voshaar zag hem in zijn volle zomerse glorie kronkelen tussen de grashalmen. ’s Winters was hij voortdurend verwend met pasgeboren ratjes. ’s Zomers had hij vrolijk rondgekropen over mijn schiereiland, naar hartenlust wegslakken verorberend. Hij was enorm gegroeid. Zoals hij daar opdook. Als een koningspython! Lotte heeft hem gefotografeerd, schoot door mij heen, en ik begon te rennen. Op het moment dat Voshaar wilde toestoten met de riek, had ik hem bereikt. Ik greep zijn arm. Laatdunkend keek Voshaar mij even aan, rukte zich toen los en stootte alsnog toe, de scheltopoesik schampend met het uiteinde van één zo’n ijzeren punt. Hij had de riek met zoveel kracht omlaag bewogen dat deze diep in de zeeklei verzonk. Voshaar probeerde hem eruit te trekken, maar dat lukte niet. Hij moest langdurig wrikken om hem los te krijgen. Terwijl hij wrikte, bereikten de ganzen de wetering. Een voor een lieten ze zich van de hoge walkant af het water in glijden. En bedaard, alsof er niets aan de hand was, zwommen ze tussen de bladeren van drijvend fonteinkruid door geruisloos weg naar het noorden.
‘Zo gaat ’t niet,’ zei Breevaart achteloos, ‘ik zal even een schutter oproepen.’
Hij greep zijn mobieltje uit zijn binnenzak en toetste een nummer in.
‘Ik heb assistentie nodig.’
Blijkbaar was dat voldoende. Hij borg het mobieltje weg en zei kalm: ‘Even geduld alstublieft.’
Geen van de vier heren voelde behoefte iets over mijn scheltopoesik en mijn reddingspoging te zeggen. Het leek alsof ze hem en mij met opzet negeerden. Breevaart haalde kalm een pakje Camel te voorschijn en bood iedereen een sigaret aan. Zelfs mij. Dat vond ik haast nog verbazingwekkender dan dat raadselachtige zwijgen over de scheltopoesik.
Zwijgend vlijden de vier heren zich aan de waterkant neer. Wat restte mij anders dan ernaast te gaan zitten?
Ik vroeg: ‘Heeft een van jullie Niels Holgerssons wonderbare reis gelezen?’
Ze visten even hun vier sigaretten uit hun vier mondhoeken, keken naar mij om alsof ik de titel Zuster Klivia gaat van bil had genoemd en keken toen weer voor zich. Daarmee leek het vonnis van de brecons getekend.
Ruim een kwartier later reed een politieauto mijn erf op. Daaruit stapten twee jolige, kwieke agenten. Ze zetten hun petten op en liepen op ons af.
‘Het spijt ons, de schutter is bezet,’ zei de voorste.
‘Geeft niet,’ zei Breevaart, ‘ze drijven hier vlakbij in ’t water. Met het dienstpistool moet ’t ook te doen zijn...’
‘We zullen ’t proberen,’ zei de andere agent.
De agenten trokken hun dienstpistool en richtten hun wapen op de zes ganzen, die onder handbereik tussen de liefelijke witte bloemen van de waterranonkel peddelden. Het eerste schot raakte de bloemkroon van een van de ranonkels. De gent verhief zich, stak ver zijn tong uit en siste als een woedende cobra. De ganzen deinsden achteruit en deden wat ik niet voor mogelijk had gehouden. Ze verspreidden zich. En dat terwijl ganzen altijd angstvallig bij elkaar blijven. Misschien dat ze ieder voor zich zo snel mogelijk weg probeerden te komen, maar het leek alsof ze met opzet uit elkaar gingen om het de twee schutters moeilijker te maken. Weer klonk een schot en ook ditmaal bleek geen enkele gans geraakt te zijn.
‘Klote,’ gromde Baars.
Toen klonken twee schoten tegelijkertijd, en pal daarop was een warreling te zien van minuscule witte veertjes, die onstuimig opstegen en kalm als sneeuwvlokken neerdaalden. Blijkbaar was het stuitje van de gent geraakt, want die ging wild tekeer. Weergaloos snel peddelde hij weg tussen de waterranonkels en de ganzen volgden hem. De zon brak door en wierp zo’n schel licht op het water dat niet alleen ik maar ook beide schutters even verblind werden. De piepjonge agenten werden nijdig en knalden erop los met hun dienstwapens, daarbij niets anders rakend dan de rimpelingen van het wateroppervlak. En ik stond daar, tussen de zes rijksmoordenaars, en dacht: ik moet iets doen. Hoe haal ik die schutters uit hun concentratie? Door ze te irriteren met luchtig gekeuvel?
‘Wat is het toch reuze moeilijk,’ begon ik haast troostend, ‘om zelfs van dichtbij met een pistool iets te raken. Ik weet nog goed dat wij in dienst voor ’t eerst met een pistool schoten. Je moest richten op een levensgrote pop die pal voor je neus stond. Je stond erbovenop, en toch schoot vrijwel iedereen ernaast. Ik zei tegen de sergeant-majoor: “Mag ik me voorstellen dat die pop de paus is?” “Hoe dat zo?” vroeg hij. “Met z’n kogelvrije pausmobiel demonstreert de paus dat hij er niets van gelooft dat God hem zal beveiligen, zoals psalm 91 zegt. Voor zo’n onthutsend gebrek aan godsvertrouwen verdient hij de kogel.” Drie keer schoot ik. Drie gapende gaten in de hartstreek. Ik werd meteen tot schutter eerste klas bevorderd.’
‘Hou je waffel,’ snerpte een van de agenten die z’n pistool opnieuw laadde.
Op dezelfde kalme troostende toon ging ik verder. ‘Later moesten we schieten met de uzi. Ook toen weer van die poppen. “Mag ik mij weer voorstellen dat ’t de paus is?” vroeg ik de sergeant-majoor. “Die heb je inmiddels toch al morsdood geschoten?” zei hij. “Er is alweer een nieuwe gekozen,” zei ik, “mag ik...” ’
‘Stop maar,’ zei Breevaart tegen de twee agenten, ‘dit wordt niks. Zonder een echte scherpschutter komen we nergens. We nokken nu af, maar zodra er één beschikbaar is, komen we ’t karwei afmaken.’
‘Ondertussen brengt meneer hier z’n ganzen elders onderdak,’ zei Voshaar gemelijk.
‘Dat doet meneer niet,’ zei Breevaart, ‘als we terugkomen en de ganzen zijn weg, donderen we hem z’n hele vrije weekend achter de tralies.’
‘Besef goed,’ voegde Baars eraan toe, ‘dat de staatsveiligheid in ’t geding is. U riskeert een gevangenisstraf van een jaar of zes.’
Toen ze verdwenen waren, plofte ik in huis doodmoe neer in mijn oeroude buisfauteuil. Het was bijna vijf uur. Ik zette de televisie aan, keek naar teletekst, las de mededeling dat de minister van Landbouw het ruimen der hobbydieren had opgeschort. Even later werd dat in het journaal van vijf uur bevestigd.
Toch was ik het hele weekend op mijn qui-vive, en oefende ik mij er, voor het geval deze overheidsploerten andermaal zouden verschijnen, samen met Anders in de ganzen zo snel mogelijk de wetering in te jagen. Pas op maandagavond zei ik tegen Anders toen het begon te schemeren: ‘Het zou me verbazen als ze nu nog zouden komen.’ Waarop zij blafte en kwispelde en achter de brecons aan wou. En ook de ganzen stonden met schuin gestrekte halzen te wachten tot wij ze zouden opjagen. ‘Ja, ja,’ riep ik tegen de levende have, ‘maak er maar een leuk spelletje van!’
Dat weekend werd ik ’s nachts een keer om drie uur wakker. Een halfuur lang daverden vliegtuigen over, tien in totaal. Mocht men nu midden in de nacht dalen op Schiphol? Blijkbaar. Terwijl het gieren en fluiten en bulderen van de Boeings opklonk, vroeg ik mij af: kan het zijn dat ze niet verbaasd waren over het feit dat er in mijn tuin een scheltopoesik opdook omdat ze uit een dossier hadden opgepikt dat ze zo’n dier konden verwachten?