Ontsnapping

Zevenblad rukte op, de voorzomer begon. Engeland en Nederland werden getroffen door een mkz-crisis. Bij wijze van ultieme virusbestrijding werden tienduizenden kerngezonde dieren ‘geruimd’, zoals men het moorden eufemistisch aanduidde.

Wij voelden ons verbonden met de mkz-slachtoffers. Jaarlijks voeren, tijdens de altijd spannende strontrace, tientallen turftjalken vanuit het gebied dat getroffen was via het IJsselmeer, de plassen, kanalen en boezemwateren, naar ons dorp. Tijdens de mkz-crisis vervoerden ’s nachts, via die bekende route, allerlei arken onder dekking van de duisternis bedreigde evenhoevigen naar ons dorp en naar omliggende dorpen. Mij sprak die grootse operatie alleen al aan omdat ik als kind ademloos het epos Met paarden door de nacht had stukgelezen. Daarin verhaalt J. W. Ooms hoe een verzetsgroep in de Alblasserwaard door moffen gevorderde paarden ’s nachts wegsmokkelt.

Geregistreerde veestapels konden wij helaas niet redden, maar toggenburgers, maanschapen, hangbuikzwijntjes en dwergkoeien van hobbyboeren werden en masse via sloten, afwateringskanalen en boezemwateren in de vooronders van motorbootjes het mkz-gebied uit gesmokkeld. Bij mijn buurman liepen opeens, achter een haastig neergezette gazen omheining, tien hangbuikzwijntjes. In een mum van tijd hadden ze ’t stukje grasland dat tot hun beschikking stond zo grondig omgewoeld dat ’t leek alsof er een kleine vulkaanuitbarsting had plaatsgevonden.

Op een avond kreeg ik bezoek van de boer die bij het Heilige Geestsluisje woonde. Of ik genegen was tijdelijk een paar dwerggeitjes te huisvesten. Natuurlijk was ik daartoe bereid. Elk dier immers dat gered kon worden uit de klauwen van Brinkhorsts gewillige beulen, betekende een kleine overwinning op een barbaars beleid.

Op de langste dag werd er, terwijl ik rustig zat te lezen, in de vooravond opeens wild op het raam geklopt. Die rotlui van de aid, schoot het door me heen, ze komen de geitjes ruimen. Omdat het in de woonkamer, vanwege de dichte bladerdaken buiten, vrij donker was, kon ik, nadat ik me op de bank had omgedraaid, niet zien wie er buiten stond of stonden. Ik hoorde een mannenstem roepen: ‘Hij is ontsnapt, hij is ontsnapt.’

Via de keukendeur begaf ik me naar mijn erf. Op het grind stond Abel wild met zijn armen te zwaaien. Hij riep: ‘Ben weggeweest. Naar m’n zoon. Z’n vrouw is bevallen, vandaar. Kraamvisite. Terwijl ik weg was, heeft Noor z’n terrarium opengezet. En nu is hij weg. Waar kan hij heen zijn? Heb je enig idee hoe ik hem terugkrijg? Kun je hem ergens mee lokken?’

‘Is de scheltopoesik ervandoor?’ vroeg ik.

‘Ja,’ riep hij vertwijfeld, ‘ja, hij is ontsnapt, ze heeft hem laten ontsnappen! Wat een smerige rotstreek!’

‘Hij kan nooit ver weg zijn. Tien tegen één zit hij nog in jullie tuin.’

‘Ik mag het hopen. Als hij de straat op is gegaan, heeft een hond hem allang...’

‘Dat kan meevallen. Hij is groot, hij ziet eruit als een slang, ik denk dat honden er knap bang voor zijn.’

‘Godlof, maar hoe krijg ik hem terug?’

‘Eerst maar eens goed zoeken in de tuin. En laat als ’t kan ’s nachts de achterdeur op een kier staan, zodat hij het huis weer in kan. En laat dan natuurlijk ook de glasplaat van z’n terrarium af, zodat hij erin kan klimmen. De meeste dieren blijken enorm gehecht aan het plekje waar ze gevangen gehouden werden.’

‘Weet je zeker dat poesikje zich buiten kan redden?’

‘Zolang het maar niet te veel afkoelt. En als ’t kil wordt, kruipt hij juist weer binnen.’

‘Maar misschien zou je toch langs willen komen om te helpen zoeken. Kunnen we ’t ook nog eens over Lotje hebben. Want jij, schobbejak, hebt haar telefoonnummer natuurlijk allang, maar je wil ’t mij niet geven, je wil dat popje voor jezelf houden.’

Een week later kuierde ik naar de villa aan de Parousieplassen.

‘Abel vroeg of ik naar de scheltopoesik wou komen zoeken,’ zei ik toen Leonora de deur opende.

‘Abel is er niet,’ zei ze, ‘maar kom erin. Ik wou net een kopje thee gaan zetten.’

Even later zaten we met de thee aan de waterkant. ‘Moet je horen,’ zei ze. ‘Hij is dus een paar dagen naar z’n oudste zoon geweest. Vanwege het feit dat daar een baby... Goed, hij er dus heen, hij komt daar binnen, stapt meteen naar de wieg, buigt zich eroverheen, kijkt naar ’t kindje, en zegt doodkalm tegen z’n zoon: “Die is niet van jou, dat is er een van die rooie knul waar je zo dik mee bent.” ’

‘Allemachtig,’ zei ik.

‘Zeg dat wel. En kwaad, z’n zoon. Ziedend, razend, hij schijnt geroepen te hebben: “Je bent gek geworden, lijp, geschift.” Maar z’n vader vertrok geen spier, die heeft doodkalm herhaald: “Die is niet van jou, die is van die rooie knul, kijk maar, ’t plukje haar boven op ’t koppie van ’t schaap is vuurrood.” ’

Leonora streelde met haar rechterhand haar linkerarm, en zei toen triomfantelijk: ‘Mijn kinderen hebben ’t hele verhaal inmiddels ook gehoord. Van hun halfbroer. Die heeft ze meteen opgebeld. Al die tijd hadden mijn kinderen toch nog zoiets van: misschien is ’t waar, misschien zijn we niet van hem, maar nu... Eindelijk beseffen ze dat er iets mankeert in z’n bovenkamer. Vind je ’t niet ongelofelijk?’

‘Hij is akelig ver heen,’ zei ik somber.

‘Zal wel, maar toch ben ik dolblij dat dit gebeurd is. Ik heb m’n kinderen weer terug. Toen ze hoorden dat hij ook beweerde dat z’n zoons uit z’n eerste huwelijk... toen begonnen ze al... maar dit, ik ben zo blij, wat een godsgeschenk.’

‘En daarom heb je de scheltopoesik laten ontsnappen?’

‘Die was weg voor ik dit verhaal te horen kreeg.’

‘Anders zou je hem niet hebben laten ontsnappen?’

‘Ik heb hem niet laten ontsnappen, hij is er zelf vandoor gegaan.’

Nadat ik mijn thee had opgedronken, vroeg ik: ‘Vind je ’t goed als ik in jullie tuin rondkijk? Tien tegen één zit hij daar nog. Dieren zijn enorm honkvast. Ik heb een paar dwerggeitjes te logeren gehad. Die liet ik vrij rondlopen in m’n boomgaard. Geen moment kwam het in hun kop op om m’n erf af te gaan. Toen ze weer opgehaald werden, wilden ze m’n erf niet meer af, stribbelden ze zelfs tegen. En laatst trouwens ook nog zo’n geval hier in het dorp met een beo. Heb je daarvan gehoord?’

‘Nee.’

‘Die beo zit altijd in een kooi in de galerie naast ’t postagentschap. Toen de galeriehoudster z’n kooi schoonmaakte en de vogel even vrij rondvloog in de galerie, stapte er iemand binnen. Die beo smeerde ’m. Een dag later kwam ik de galeriehoudster tegen toen ze haar hond Quitte uitliet. Ze vroeg me waar haar beo heen kon zijn gevlogen. “Ik heb gehoord,” zei ze, “dat hij veertig kilometer kan vliegen.” “Dat kan hij wel,” zei ik, “maar dat doet hij alleen als hij niks kan vinden om te eten. Maar hier is ’t ’s zomers zelfs voor een beo luilekkerland, die zit ongetwijfeld nog vlak bij jouw galerie.” Ze geloofde me niet. Drie dagen later liep een werkloze kaarsenmaker ’s avonds laat over het onverlichte deel van de Acolietenlaan. Hoort hij ineens iemand met schorre stem in het pikdonker vragen: “Kusje?” Meteen daarop kwam hij de plebaan tegen. Dus die kaarsenmaker dacht dat boordje verkeerd om hem een onredelijk voorstel had gedaan. Sindsdien is hij niet meer naar de mis geweest. Overal heeft hij rondverteld dat de plebaan op de Acolietenlaan naar een kusje had gehengeld. Ik hoorde dat verhaal van m’n buren, heb toen meteen de galeriehoudster opgebeld en gevraagd of zij haar beo geleerd had om kusjes te vragen. Dat had haar zoon ’m geleerd. “Dan zit hij nu op de Acolietenlaan,” zei ik. “Ga erheen met z’n kooi, zet ’m open, strooi voer op de laan en in de kooi.” Dus zij met haar hond en die kooi naar de laan. Ze zet die kooi neer, wil voer strooien, en hoort opeens hoog vanuit de bomen roepen: “Quitje, Quitje”, en daar kwam hij al aanvliegen. Ze had amper tijd om z’n kooi te openen.’

‘Kusje,’ herhaalde ze dromerig alsof alles wat ik verder verteld had langs haar heen was gegaan.

‘Ja, stel je toch voor. Werkloze kaarsenmaker. Heeft net in de krant gelezen dat Amerikaanse prelaten zich en masse aan minderjarige knulletjes vergrijpen.’

‘Als zo’n scheltopoesik ook “kusje” kon brommen...’ zei Leonora.

‘Hadden we ’m zo te pakken. Maar ik verzeker je, die bivakkeert hier vast en zeker nog tussen je rozen.’

Eind juli liep ik in een stortbui langs de villa. Gehuld in een doorzichtige plastic regenjas snoeide Leonora in de voortuin met een verbeten gezicht haar rozen. Ze zei: ‘M’n hele leven is veranderd. Het lijkt of hij totaal vergeten is dat hij me uitschold voor slijkslet en tyfushoer; hij scheldt me nu elke dag uit omdat ik volgens hem dat snertbeest heb laten ontsnappen.’

Terwijl ze dramatisch gesticuleerde met haar snoeischaar, zag ik de scheltopoesik te voorschijn kronkelen van achter bloeiende prikneuzen. Behoedzaam gleed hij achter een haagje brandende liefde naar een rozenperkje. Omdat de aandacht van Anders volledig in beslag werd genomen door een rode kater op de sokkel van een zonnewijzer, ontging haar de steelse verschijning en verdwijning van de scheltopoesik.