Televisie
Begin augustus liep ik op de Acolietenlaan Abel tegen het lijf met zijn hoogbejaarde newfoundlander. Hij hield me staande.
‘Toen dat popje ons vorig najaar kwam fotograferen voor haar boek, heeft ze er ook een gemaakt waar Noor en ik samen met Scheltootje opstaan. Die heeft ze ons toen alvast toegestuurd. Geef me alsjeblieft haar nummer, dan kan ik haar vragen of ze Scheltootje apart uitvergroten en een keer of wat afdrukken wil. Dan kan men hem hier en daar in het dorp ophangen.’
‘Ik heb haar nummer niet.’
‘Daar geloof ik geen barst van. Maar goed, dan stap ik naar de fotowinkel. Laat ik daar klonen van die kiek maken. Hang ik die overal op.’
Nogal sceptisch keek ik hem aan, maar hij voegde eraan toe: ‘Met ’t onderschrift: “Scheltopoesik ontsnapt, is volstrekt ongevaarlijk.” En dan m’n naam en telefoonnummer erbij. Misschien moet ik ook een beloning uitloven.’
‘Lijkt mij niet verstandig,’ zei ik.
‘Als iemand hem ziet, weten ze tenminste wie ze moeten waarschuwen.’
‘Ik denk dat hij zich overdag zo goed verstopt dat niemand hem ooit ziet. Ik raad het sterk af, haar foto en zo’n bericht.’
‘Maar waarom?’
‘Je maakt slapende honden wakker. Als ze in ’t dorp horen dat er een slang ontsnapt is, organiseren ze bidstonden, want hier gebeurt nooit iets; het is al wereldnieuws als iemand op een ongebruikelijke plek de straat oversteekt. En na de gebedsdiensten gaan ze met hun totale hondenbestand jacht op hem maken, of ze sturen de vrijwillige brandweer en de plantsoenendienst met rieken en harken op pad. Hij redt zich nu wel, het is alsmaar bloedwarm. Tien tegen één bivakkeert hij nog altijd in jullie tuin. Vallen de bladeren en wordt het kouder, dan komt hij vanzelf te voorschijn.’
‘Daar houd ik je aan.’
‘Ik kan niks garanderen, maar Lottes foto... ik zou ’t echt niet doen, ik zou ’t stilhouden dat hij weg is.’
‘Pokkewijf, om ’m te laten ontsnappen.’
‘Nou, nou, Noor heeft hem niet laten ontsnappen.’
‘Dat heeft ze wel,’ zei hij fel. ‘Hou haar niet de hand boven het hoofd. Ze is het niet waard, pas maar op, ze legt ’t met iedereen aan. Ook met jou, want ze is gebeten op dat popje.’
Helaas volgde hij mijn raad niet op. Waar ik ook kwam, bij de bakker, in de supermarkt, in het postagentschap, overal hing Lottes uitvergrote kiekje. Ze had de scheltopoesik genomen door ’t terrariumglas heen maar het was een fraai zijaanzicht, ondanks groteske schaduwpartijen. Ook op ’t onderschrift was niets aan te merken. Kort en krachtig. Al snel bleek evenwel dat niemand wilde geloven dat die scheltopoesik ongevaarlijk was. Misschien hielp Leonora achter Abels rug om het gerucht in de wereld dat ’t ging om een levensgevaarlijke Balkangifslang? Zoveel is zeker dat ik bij de bakker een bejaarde dame tegen een soortgenoot hoorde zeggen: ‘Van Noor zelf heb ik gehoord dat z’n beet dodelijk kan zijn.’
Het was het seizoen dat, zoals Multatuli zegt, ‘z’n botanischen naam aan de Cucurbitaceeën ontleent’. In een huis-aan-huisblad verscheen een groot artikel over de scheltopoesik, verlucht met Lottes foto waarop hij dankzij de schaduwen oogde als een luipaardslang. Een week later stond er een artikel in een van de gpd-bladen. Spoedig namen de andere gpd-bladen dat artikel over. Toen konden de landelijke dagbladen niet achterblijven. En bij alle artikelen werd steevast de foto van Lotte afgedrukt met daaronder haar naam. Abel bleef in interviews volhouden dat een scheltopoesik bij de pootloze hagedissen hoorde en volstrekt ongevaarlijk was. Door tal van vooraanstaande herpetologen werd hij zo beslist tegengesproken dat er in het dorp grote opschudding ontstond. Wat op de unieke foto van Lotte Weeda prijkte, zo deelde een achtenswaardige herpetoloog mee, was beslist geen scheltopoesik. Degene die dat beweerd had, had verschrikkelijk geblunderd. Die foto toonde – kijk maar naar de kop waarop een horentje te zien was, en naar de rug waarop je de fameuze, grillige Vipera-patronen kon ontwaren – de levensgevaarlijke zandadder, waarvan op de Balkan maar liefst vier ondersoorten in groten getale rondkruipen. Die konden bijna een meter lang worden. In mijn eigen avondblad las ik:
dorp zoekt dodelijke slang
In het Zuid-Hollandse dorp Monward is enkele weken geleden een zeer gevaarlijke slang ontsnapt. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om een zandadder. Een beet van het dier is dodelijk zonder tegengif. De donkerbruine slang van circa een meter lang valt aan zodra er oogcontact is. De Rotterdamse dierentuin Blijdorp heeft maandagmiddag tegengif laten overbrengen naar de huisartsenpraktijk in Monward.
De slang verdween uit een tuinkamer. Het dier logeerde bij de grootvader van de jeugdige Scheveningse eigenaar. Die eigenaar is op vakantie naar Frankrijk en is onbereikbaar. De oppas heeft de politie pas afgelopen maandag aan het einde van de ochtend ingelicht. Politie en brandweer hebben sindsdien ongeveer zes uur intensief naar het dier gezocht. Vandaag werd de zoekactie voortgezet. Bewoners van Monward begaven zich, hoewel hun dat via een geluidswagen werd afgeraden, gisteravond massaal op straat om de zoektocht van dichtbij mee te maken.
Politie en brandweer worden bijgestaan door herpetoloog Z. Lanspunt, die speciale bamboestokken heeft meegenomen om het dier te vangen. Op zijn advies is gezocht met zaklantaarns. De ogen van de slang reflecteren in het donker namelijk lichtschijnsel. Onder de huidige weersomstandigheden kan de slang, die maar eenmaal in de veertien dagen hoeft te eten, zich buiten goed redden.
Op een fraaie nazomermorgen met ’s morgens vroeg dichte grondmist die spoedig oploste, waarna de zon dat milde, gouden licht over de wereld wierp waar je een beetje melancholiek van wordt, plukte ik mijn laatste stokboontjes. Ik hoorde het grind knarsen. Een bestelwagen reed mijn erf op. Daaruit stapten drie kerels in jeans. Een van hen kwam op mij af en zei: ‘nps, we maken een kort item over die ontsnapte slang. Mogen we u daarover een paar vragen stellen?’
‘Gaat uw gang,’ zei ik.
‘Even alles opstellen,’ zei hij.
Een paar minuten later stond midden tussen de bonenstokken een camera op mij gericht en hield een geluidsman aan een hengel een microfoon boven mijn hoofd.
‘U bent dus de bioloog die van die slang gezegd heeft dat ’t geen slang is?’
‘Inderdaad.’
‘Wat is het dan?’
‘Een grote hazelworm die in Joegoslavië geelbuik heet. Oftewel scheltopoesik, want ’t Slavische woord voor geelbuik is scheltopoesik.’
‘Wat is uw specialiteit?’
‘Tot voor kort was ik werkzaam op de afdeling Evolutionaire en Ecologische Wetenschappen.’
‘U zit nu in de vut?’
‘Nee, m’n afdeling is wegbezuinigd.’
‘Hoe deskundig bent u dan als ’t over slangen gaat? Want u bent dus, als ik ’t goed begrijp, geen herpetoloog.’
‘Nee, van slangen weet ik weinig.’
‘En toch beweert u hardnekkig dat dit geen slang is, maar een... hoe noemt u ’t ook weer?’
‘Een scheltopoesik.’
‘Hoe weet u dat zo zeker?’
‘Omdat een vriend van mij vroeger thuis net zo’n geelbuik als huisdier hield.’
‘Heeft die vriend deze geelbuik ook gezien?’
‘Nee.’
‘Dus de informatie dat ’t zo’n geelbuik is, was uitsluitend van u afkomstig en die informatie wordt verder door geen enkele andere deskundige bevestigd?’
‘Klopt.’
‘Maar dat betekent toch dat ’t, als we even in aanmerking nemen dat u, zoals u zelf zonet duidelijk hebt gezegd, op dit terrein geen expert bent, ook zo’n zandadder zou kunnen zijn?’
‘Het is geen zandadder, het is een scheltopoesik.’
‘Maar... maar... moeten we dit nog een keer doorexerceren? U ontkent dus glashard dat ’t een zandadder zou kunnen zijn.’
‘Het is geen zandadder.’
‘Maar zonet waren we bij doctor Snemek en die heeft ons ondubbelzinnig te verstaan gegeven dat ’t volgens hem een zandadder is.’
‘Doctor Snemek heeft alleen maar een foto bekeken.’
‘Maar doctor Snemek is een vooraanstaand herpetoloog. Beseft u niet dat u, als u zich vergist, een grote verantwoordelijkheid op u laadt? Dan zwerft er hier in ’t dorp een levensgevaarlijke zandadder rond, waarvan de beet op de Balkan jaarlijks vele mensen en kinderen om ’t leven brengt, zoals doctor Snemek ons heeft verteld.’
‘Mochten er hier doden vallen, dan beloof ik dat ik bij de rouwdiensten gratis ’t kerkorgel zal bespelen.’
‘U... ongelofelijk... dus u blijft erbij dat ’t zo’n geelbuik is.’
‘Daar blijf ik bij.’
De interviewer schudde zijn hoofd, riep tegen z’n crew: ‘Stop maar’, en zei toen vriendelijk: ‘Dank dat u ons te woord hebt willen staan. Vanavond wordt het item na ’t nieuws van zes uur in Twee Vandaag uitgezonden.’