Slano

Wekenlang werd ik ’s nachts wakker als het krantenvliegtuig overkwam. Meestal sluimerde ik weer in, maar bijna even vaak schoot ik in de nanacht recht overeind. Was dat het knarsende gepiep van de achterdeurscharnieren? Nee, slechts het gejammer van de bosuil. Of het machtige gedruis van een egel in de braamstruiken. Of het wegstervend geluid van een Easy Jet, op een ontijdig uur op weg naar Schiphol.

Vaak stond ik, klaarwakker, om half vijf op en streek neer achter de vleugel. Dan speelde ik de variaties Vieni amore van Beethoven en Skazka opus 51 nummer 3 van Medtner en zong ik, mezelf begeleidend, Geheimnis van Goetz.

Diep in december kwam ik, gesloopt door chronisch slaapgebrek, tot de overtuiging dat het er in die villa aan de plassen blijkbaar minder slecht voor stond dan ik gedacht, of misschien zelfs gehoopt had. Nooit zou ze via mijn achterdeur naar binnen sluipen. Hoe kon het ook anders. Zo’n voornemen om ’s nachts met een rolladder uit huis te vluchten is op zichzelf al geruststellend. De echte vlucht kan achterwege blijven.

Al sliep ik weer wat beter, ik bleef ongerust. Stel dat ze het niet aandurfde om er ’s nachts vandoor te gaan. Dan bestond de mogelijkheid dat hij haar vroeg of laat, zoals het Woord des Heren in Jesaja 58 vers 4 luidde, ‘goddelooslijk met de vuist’ zou bewerken. Of zou het zover niet komen, zou ze zich – hij was tenslotte al ruim in de zeventig – manhaftig verdedigen? Terugmeppen zelfs, haar zelfrespect ten spijt.

Als ik ’s morgens vroeg Anders uitliet, leek het of ik aangelijnd was en zij mij aan haar riem naar het plantsoentje trok dat naast hun villa lag. Vanaf het pad langs hun villa, dat naar het parkje en vervolgens naar de plassen voerde, kon ik door de hoge ligusterhaag heen een blik werpen op haar grote keukenraam. We moesten niet te vroeg komen. Voor haar gold niet wat de spreukendichter als voorwaarde stelt voor een deugdzame huisvrouw: ‘En zij staat op als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.’ Voor achten brandden er nooit lampen, maar doorgaans floepte even na acht uur in de keuken het licht aan en kon ik haar zien rondlopen in zo’n kledingstuk dat duster of peignoir of kimono of ochtendjas heet. Aan dat soort gewaden heb ik altijd een hekel gehad. Trek toch na het douchen je kleren aan. Waarom moet van het opstaan zo’n langgerekt ritueel gemaakt worden, met een tussenfase waarbij je alvast ontbijt in zo’n kimono? Zulke lome gewoontes kunnen alleen luie rijkaards zich veroorloven.

Hoe dan ook, als ik haar zag rondlopen in haar keuken en manhaftig slikte omdat ze zo’n duffe duster droeg, was ik gerustgesteld: ze was deze nacht goed doorgekomen. Soms stond ze vlak bij het raam en kon ik haar onopgemaakte gezicht, omlijst door loshangend haar, in het heldere lamplicht rustig bestuderen. Dat was een ontnuchterende ervaring. Je schrikt je dood als je een vrouw die zich even zorgvuldig als perfect weet op te maken, onverhoeds aanschouwt zonder make-up. Het lijkt alsof ze zwaar ziek is.

Hem zag ik nooit in die keuken rondlopen. Blijkbaar stond hij later op. Misschien bracht ze hem ontbijt op bed, aldus kwaad met goed vergeldend.

Op een van die zwarte dagen in december, tussen kerst en nieuwjaar, wanneer het amper licht wil worden en het om drie uur begint te schemeren, ging om kwart over negen het licht aan. Al die tijd had ik, allengs ongeruster wordend, in het plantsoentje rondgelopen, mij afvragend wat ik moest doen als onverhoopt de twee lampen boven het aanrecht uit zouden blijven. Eerst maar eens oom Wim waarschuwen?

Toen de keukenlampen godlof aangingen en ik haar zag lopen, tilde ik opgetogen Anders op. ‘Kijk goed,’ zei ik, ‘daar is ze.’ Ik zette Anders neer en tuurde naar haar gezicht. Was ze bleker dan anders? Het leek erop, maar zeker was ik daar niet van. Wat ik begluurde was haar eo-gezicht, en dat was nu eenmaal doodsbleek en grauw en vaal en oud.

Anders en ik liepen naar huis, maar de hele dag door had ik het gevoel alsof ik over krakend ijs schaatste, waar ik ieder moment doorheen kon zakken. Telkens zei ik tegen Anders: ‘Zullen we er even opuit gaan?’, en dan kwispelde ze verheugd. Ongelofelijk, alweer naar buiten, waar heb ik dat aan te danken, zag je haar denken. Dan liepen we een paar keer heen en weer over de Acolietenlaan, en besnuffelde Anders uiterst aandachtig boomwortels die ze een halfuurtje eerder net zo grondig besnuffeld had. Vroeg of laat zou Leonora haar newfoundlander uitlaten. Met een beetje geluk liep ik haar dan toevallig tegen het lijf.

Even na vieren liep ik voor de vijfde keer over de Acolietenlaan. De bremgele straatlantaarns brandden al. Achter in de laan, waar slechts hoge linden staan, was het aardedonker. Aan mijn driftig kwispelende hondje kon ik zien dat er iemand in het duister kwam aanstappen met een bekende hond. Mijn hart bonsde. Toch onverhoeds doemde ze op uit de duisternis.

Ze zei: ‘Ach, daar ben je, ik hoopte zo dat ik je hier zou treffen, ik dacht: zal ik je bellen, maar... maar... er waren steeds mensen in huis, zijn kinderen, mijn kinderen. Ze zijn er trouwens nog en Wim is er en ik had je natuurlijk kort door de telefoon kunnen zeggen dat... maar... maar...’

‘Wat is er gebeurd?’

‘Hij is weg,’ zei ze. ‘Als ik... als...’

Ze trok aan de riem van haar newfoundlander en keek me schuw aan.

‘Vannacht om een uur of vijf schrok ik wakker. Ik hoorde hem op de gang lopen. Hij riep iets, maar ik kon niet goed horen wat, er kwam al een vliegtuig over.’

‘Ja, vanmorgen was ’t weer goed raak,’ zei ik. ‘Ze begonnen al even voor vijven. Van die wintersportcharters, denk ik.’

‘Echt, ik kon niet horen wat hij riep. Ik dacht dat ’t weer van die lieve woordjes waren zoals “stoephoer” en “tyfusmokkel”, toen hij woest op de deur bonkte en er wild aan rammelde. Ik zat meteen recht overeind in m’n bed en heb keihard teruggeschreeuwd. Hij is nog een poosje blijven bonken en rammelen. Ik ben eruit gegaan. Ik dacht: nu zal ’t er toch nog van komen dat ik m’n ladder te voorschijn moet halen, maar toen hoorde ik hem over de gang schuifelen, en z’n slaapkamerdeur in het slot vallen. Ik ben er weer in gekropen en heb nog ik weet niet hoe lang wakker gelegen, maar ik ben ten slotte toch in slaap gevallen. Om een uur of negen werd ik wakker. Hij komt altijd pas tegen tien te voorschijn, maar toen ’t half elf was, was hij er nog steeds niet. Om elf uur heb ik voorzichtig om ’t hoekje van de deur van z’n slaapkamer gekeken en... en...’

‘Toen zag je dat hij weg was.’

‘Weg? Nee, hij lag daar rustig. Ik zag dat er een beetje spuug uit z’n mond op de dekens was gedropen. Het drong toen absoluut nog niet tot me door... ik riep hem... toen kwam de hond en die keek naar hem en die begon zielig te janken.’

Nerveus streelde ze haar newfoundlander over zijn rug. Hij keek naar haar op met zijn grote droevige ogen. Ze zei, half tegen hem, half tegen mij: ‘Hij heeft natuurlijk om hulp geroepen, en aan m’n deur gerammeld om... Normaal gesproken zou ik meteen in actie zijn gekomen, zou ik meteen met ’m naar ’t ziekenhuis zijn gereden, hadden ze hem er misschien nog bovenop kunnen helpen, was hij nu misschien niet dood. Zo’n hartinfarct... ze kunnen tegenwoordig als je er snel bij bent nog zoveel doen. Wat denk jij? Ik voel me d’r doodongelukkig, doodellendig onder. Als hij en ik... als we nog bij elkaar hadden geslapen. Maar nu... ik... je kunt honderd keer tegen jezelf zeggen: ’t is een ellendige samenloop van omstandigheden, maar toch heb ik ’t gevoel dat ik in gebreke ben gebleven.’

‘Ik geloof niet dat jou ook maar iets te verwijten valt,’ zei ik vergoelijkend.

‘Kan best, maar zo voelt ’t niet. Zoals de kinderen en Wim me aanstaarden toen ik ’t ze vertelde. Ze begrijpen er niks van, ze vragen telkens weer: “Waarom ben je niet gaan kijken?” ’

‘Wisten ze dan niet dat hij ’t ’s nachts op z’n heupen kon krijgen?’

‘Ik heb m’n kinderen dat nooit met zoveel woorden gezegd. Ach, je houdt je groot... en daarbij, ’t is toch hun vader.’

‘Misschien dat je ze dan nu alsnog moet uitleggen waarom je niet bent gaan kijken.’

‘Moet dat echt? Nu nog? Ik wil zo graag dat ze goed over hem blijven denken.’

‘In ieder geval hoef je jezelf niets te verwijten. Als zo’n vliegtuig gierend daalt...’

‘Ja, maar daarna heeft hij ook nog geroepen, maar ik... Waarom ben ik niet even gaan kijken wat er aan de hand was, waarom niet... wat denk jij? Weet jij niets om me te helpen?’

Zo gretig keek ze me aan dat ik schrok van haar grote verwachtingen.

‘Zo’n enge slang... jij maakte er een onschuldig hagedisje van... kun je nu ook niet zoiets...?’

‘Ja, maar dit is wel wat anders,’ stamelde ik.

Ze keek me strak aan en trok haar hond naar zich toe.

‘Jij kunt me ook niet helpen,’ zei ze teleurgesteld. ‘Ik moet dit alleen met mezelf uitvechten, niemand kan me helpen om weer met mezelf in ’t reine te komen. Waarom toch, dit alles... zo’n lieve man... Dood, hij is dood, ’t is mijn schuld.’

‘Het is jouw schuld niet. Zelfs als je vliegensvlug met hem naar het ziekenhuis zou zijn gereden, is ’t nog maar de vraag of hij het gehaald had. Hij was al ver in de zeventig, hij had al eerder een attaque gehad.’

‘Maar dan had ik toch tenminste z’n hand kunnen vasthouden. Nu is hij doodgegaan zonder dat er iemand bij was, misschien heeft hij in bed liggen lijden... O, ik moet er niet aan denken...’

‘Denk niet dat je de enige bent die gebukt gaat onder zo’n onbedoelde nalatigheid,’ zei ik om haar een hart onder de riem te steken. ‘Er zijn weinig dingen waar mensen zoveel wroeging over hebben. Vaak blijven ze er jarenlang last van houden.’

Geschrokken keek ze me aan. ‘Is dat zo?’ vroeg ze haast verongelijkt.

‘Als iemand gestorven is, kun je niks meer uitpraten, niks meer goedmaken, niks meer rechttrekken...’

‘Ik moet terug,’ zei Leonora grimmig. ‘Ze begrijpen vast niet waar ik zo lang blijf. Er moet van alles gebeuren. Straks komt de begrafenisondernemer.’

‘Zal ik even met je meelopen?’

‘Doe maar niet,’ zei ze kil. ‘Ik zou ’t niet prettig vinden als Wim en de kinderen zouden zien dat ik met een man opliep, nee, dat zou ik niet prettig vinden.’

Er begon een uiterst fijn regentje te vallen, zo een waarvan de druppeltjes zwevend dalen. Ze keerde me de rug toe en loste op in die miezer, het leek of ze opgeslokt werd. Verderop, waar in de laan de bremgele lantaarns brandden, kwam ze schimmig te voorschijn. Het leek of ze voor altijd verdween, en terwijl ik de andere kant op liep, had ik ’t gevoel dat ik akelig in gebreke was gebleven. Mijn vrouw zei in tijden van grote en kleine crises altijd tegen me: ‘Aan jou heb ik totaal niks.’ Op cruciale momenten zei ik de verkeerde dingen. In plaats van iemand te troosten of op te beuren legde ik naar eer en geweten uit wat zo iemand te wachten stond.

Op de middag dat Abel begraven werd, schemerde het al om drie uur en was het om vier uur nagenoeg donker. Daar hij even na vieren ter aarde werd besteld, stonden wij – nooit eerder had ik dat meegemaakt – in het duister om de groeve. Na de plechtigheid konden wij de familie condoleren in de vestibule van de villa. Toen ik Leonora zwijgend de hand drukte, leek het of ze verbaasd was mij te zien. Onthutst liep ik verder. Ik drukte de handen van zijn kinderen, en ten slotte de hand van oom Wim.

Ik drentelde door de vestibule. Kon ik er met goed fatsoen vandoor gaan of moest ik beleefdheidshalve een kop koffie en een plak cake savoureren? Ik botste tegen een lang iemand op. De reus deinsde terug, stak zijn hand uit en zei vormelijk: ‘Gecondoleerd’, waarop ik even vormelijk terugzei: ‘U ook gecondoleerd, meneer Gras.’

Met zijn spookdierogen tuurde hij naar me alsof hij dwars door mij heen wou kijken.

‘Binnenkort loop ik bij u aan. Ik moet u spreken,’ zei hij.

‘Waarover als ik vragen mag?’

‘Over dat fotoboek van Lotte Weeda.’

Een meisje in een zwart jurkje met een wit schortje bood ons op een dienblad cake en koffie aan. Met zijn kop en schotel in de hand en de kanariegele cake als deksel boven op het kopje liep Gras zonder iets te zeggen snel weg. Terwijl ik met kopje en cake stond te hannesen, werd ik aangeklampt door een opgeschoten jongen.

‘Oma zegt dat u mijn slang hebt,’ zei hij verontwaardigd.

‘Klopt.’

‘Geef op, ik wil hem per se terug hebben.’

‘Wie gaf jou ’t recht om hem uit z’n biotoop te halen?’

‘Ik wil hem terug hebben.’

‘Weet je nog waar je hem gevangen hebt?’

‘Vlak achter de camping in Slano. Hij is van mij, ik wil hem terug, geef op.’

‘Nu ik weet waar hij vandaan komt, kan ik hem volgend voorjaar terugzetten.’

Glazig keek het kind mij aan. Toen stootte hij een rauwe kreet uit en rende door de grote hal naar zijn vader, die hij driftig aan zijn mouw trok. Deze duwde de jongen ruw van zich af en ging door met het schudden van de handen der condolerenden. Ik dronk mijn koffie, schrokte de plak cake weg, zette het kopje op een tafeltje, wierp een laatste blik op Leonora – ze zag er vorstinnelijk uit in een scherp gesneden zwart mantelpakje – , en liep met grote passen de hal door. Ik leek al op weg naar Slano om de scheltopoesik, vlak achter de camping, los te laten tussen oleander, lavendel en donkerblauwe gentianen.