Crash

Eind van de zomer ging de Maxizuster stilletjes heen. Achter een rollator zag je de Minizuster verweesd over de katholieke lanen strompelen, totdat ook zij, vrijwel onopgemerkt, het tijdelijke met het eeuwige verwisselde. ‘Ze is zomaar weggekwijnd,’ kreeg ik op een zondagmorgen van het domineetje te horen toen ik als organist inviel bij een kerkdienst met vijf agrarische gelovigen.

‘Weer twee uit het boek,’ mompelde ik bezorgd, ‘en laatst werd ik aangeschoten door die man met het blauwe baseballpetje die ’s morgens vroeg al in z’n volkstuintje schoffelt. Zei me met betraande ogen dat zijn vrouw was uitgestapt. Ze had de dokter om een pilletje gevraagd. Ze kreeg een drankje. Toen ze ’t innam, zei ze tegen hem: “Kobus, ik begrijp niet waarom zo’n doodsdrankje zo vies moet smaken.” ’

‘Die arme mevrouw Waaidonk. Ik heb ervan gehoord. De pastoor wou niet horen van euthanasie, maar ze heeft doorgezet. Ze was ook al akelig lang ziek, en overal pijn, dus die pastoor...’

‘Ze staat ook in ’t boek.’

‘Ze was al diep in de zeventig, en ook de Maxi- en de Minizuster waren stokoud.’

‘Als Taeke Gras ervan hoort...’

‘Taeke Gras is het dorp uit. Die logeert, voorzover ik weet, de hele zomer bij zoals hij ’t noemt een spylfeint in Sexbierum.’

‘Gevlucht voor de vloek van het boek.’

‘Welnee, ’s zomers vertoeft hij ’t liefst in de grazige weiden van de Greidhoek.’

‘Was hij maar naar de grazige weiden van Wyoming, en bleef hij daar maar.’

‘Ik denk niet dat je nog veel last van hem zult hebben. Niemand praat meer over het boek. Een paar jaar terug stierven er opeens achter elkaar een aantal oudjes in het bejaardenzorgcentrum Klein Lourdes. Toen werd er ook geroepen: dat kan geen toeval zijn, wie in Klein Lourdes woont, is ten dode opgeschreven. Alle bewoners waren doodsbang. Niemand wou er nog heen. Een halfjaar later hoorde je er geen mens meer over. En nu is er een wachtlijst van drie jaar. Schrijf je alvast in.’

In haar ogen zag ik pretlichtjes verschijnen.

‘Heb je zin om straks na de dienst een kopje koffie te komen drinken,’ zei ze.

Met jou wel, dacht ik, maar ongetwijfeld zit de kosteres er, en de ouderlinge van dienst, en minstens de helft van de kerkgangers. Dus ik zei: ‘Ten eerste drink ik nooit koffie en ten tweede wou ik ’t liefst meteen naar huis. Op zondag kun je bergen werk verzetten, wordt je arbeid steevast rijkelijk gezegend.’

Wat is het toch jammer dat je een dominee met zo’n opmerking niet meer op de kast krijgt. Vroeger werd je, als je op de dag des Heren een brief postte of een pakje Miss Blanche uit een automaat trok, gesommeerd voor de kerkenraad te verschijnen, maar die tijden liggen ver achter ons. Het domineetje keek mij jolig in de ogen.

‘Andere keer dan. En denk, wat het fotoboek betreft, aan wat de Heer zegt: “Maak u dus geen zorgen over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.” ’

Gesticht door zoveel onbevangen, evangelisch geschraagde onbezorgdheid wandelde ik na de morgendienst opgemonterd naar huis. Onderweg zwaaide ik naar iedereen en iedereen groette mij vriendelijk terug. Na een bruine boterham met nagelkaas ging ik achter mijn computer zitten. ‘Precies de goede stemming om eindelijk eens aan m’n memoires te beginnen,’ mompelde ik. ‘De trefwoorden zijn: overmoedig, onbezonnen, luchthartig.’

Ik kreeg die middag amper twintig regels op papier over mijn eerste duidelijke herinnering. Vier jaar oud was ik; ik speelde in de zandbak. Toen ik goochelend met een schopje en een emmertje net de aandacht van een meisje had weten te trekken, zette de leerkracht van de bewaarschool een peutertje naast mij neer dat een grafje groef. Daarin smeet hij een paar torren die hij vervolgens met zand bedekte. Het meisje was daardoor zo gefascineerd dat ze mij de rug had toegekeerd.

Om kwart over zeven klonk de deurbel. Dat verbaasde mij. Op zondagavonden werd er nooit aangebeld. Traag slofte ik naar de voordeur. Onder de luifel stond Sirena. Toen ik de deur opende, viel ze naar voren. Ik kon haar net opvangen.

‘Wat is er?’ vroeg ik verschrikt.

‘Heb je ’t zesuurjournaal niet gezien?’

‘Daar kijk ik nooit naar.’

‘Er is een vliegtuig gecrasht. Een airbus met driehonderdtwintig inzittenden. Bij Kathmandu. Er zijn geen overlevenden.’

‘Kom even binnen,’ zei ik.

Ze wankelde de gang in, ik moest haar ondersteunen. In de woonkamer liet ik haar voorzichtig op een stoel neerdalen. ‘Zal ik iets voor je halen?’ vroeg ik.

‘Heb je een stevige borrel?’ ‘Dat zou me goeddoen, een stevige borrel.’

‘Borrels ben ik niet zo goed in. Mag ’t een glas rode wijn zijn? Ik heb een wijn die overal Kaapse pracht heet, maar hier in ’t dorp uiteraard Paapse kracht.’

‘Mij best.’

Ik schonk twee glazen Paapse kracht in.

‘Kathmandu, da’s toch de hoofdstad van Nepal?’

‘Ja,’ zei ik.

‘Ze zei dat ze met haar man en kinderen naar Nepal ging. Ze zei dat ze naar Nepal ging. Wedden dat ze erin zaten?’

‘Wie ze?’

‘Zij met haar man en haar twee kinderen.’

‘Over wie heb je ’t?’

‘Over Pia.’

‘En wie is Pia?’

‘Een klant. Haar man is schatrijk geworden met de verkoop van motorjachten.’

Het leek alsof iemand mijn hart met een ijzeren vuist samenkneep. En weer die sensatie alsof een miljoenpoot over mijn ruggengraat schaatste. Om mijn eigen doodsschrik te bezweren zei ik: ‘Maar er werd in ’t journaal toch niet gezegd dat er Nederlanders in dat toestel zaten?’

‘Nee.’

‘Dan is ’t toch wat voorbarig om te denken...’

‘Ik weet zeker dat ze erin zaten, ik weet ’t zeker.’

‘Zullen we eens op teletekst kijken? Misschien dat we dan wat wijzer worden.’

Ik schakelde mijn tv-toestel in. Na wat gehannes met de afstandsbediening verscheen op het scherm het bericht over het gecrashte toestel. Een airbus van Air France. Geen woord over Nederlandse inzittenden.

‘Weinig waarschijnlijk dat ze met een Frans toestel vlogen,’ zei ik.

‘Ze zaten erin, ik weet ’t zeker, ze zaten erin, ze staan immers ook in ’t boek.’

So what? Hij is die sponsor, hij staat er alleen maar in omdat hij er flink geld in heeft gestoken.’

‘Het maakt niet uit waarom je erin staat. Wie erin staat, gaat eraan.’

‘Eerst maar eens om acht uur kijken, wie weet horen we dan of er Nederlanders in dat toestel zaten.’

‘Ze zijn alle vier dood.’

‘Laatst zag ik hem op ’t kerkhof lopen. Hij was op zoek naar een mooi, zonnig plekje, voor z’n graf. Hij wou een zonnepaneel op z’n zerk, zodat hij ’s nachts stroom zou hebben om zo’n spaarlampje te laten branden. Ik vond dat erg vertederend.’ Het was een poging om haar een beetje op te beuren.

Erg veel succes had ik niet. Dodelijk verschrikt kreunde ze: ‘Zocht hij naar een graf? Zocht hij naar een graf? O mijn god, o, wat gruwelijk, o, ik... ik heb ’t niet meer. Wat moet ik toch beginnen? Ik ga dood, ik ga dood...’

‘Natuurlijk ga je dood, ik ga ook dood, we gaan allemaal dood, we zijn ons hele leven ten dode opgeschreven, maar wat zou dat?’

‘Dood, ’t is zo onvoorstelbaar. Dan ben je weggedaan, uitgegumd, opgeruimd, van ’t bord geveegd.’

‘Is dat anders dan voor je dood? Toen was je er toch ook niet? Geen mens die zich daar ooit druk over maakt, behalve een paar mafkezen die in reïncarnatie geloven. Kom, neem nog een glas wijn, we zijn springlevend.’

‘Ik denk dat ik maar voor de trein spring, dan ben ik ervan af. Ik houd dit niet uit. Echt, ik heb ’t niet meer... ik... ik maak er een eind aan.’

‘Dat zou doodzonde zijn,’ zei ik, ‘je bent de spectaculairste vrouw van ’t dorp.’

‘Daarom wil dat mens me dood hebben.’

‘Zij blij dat je haar een handje wilt helpen door voor de trein te springen.’

‘Jij begrijpt er geen bal van, jij begrijpt er totaal niets van.’

‘Dat kan best, maar zo langzamerhand wordt ’t tijd voor het journaal van acht uur.’

Ik schakelde de tv weer in. De aanvallige nieuwslezeres zei honingzoet dat er bij Kathmandu een toestel van Air France gecrasht was en dat er volgens de laatste berichten vier Nederlanders in het toestel zaten.

Ik keek Sirena aan, er viel mij niets in. Zij keek strak terug, en stak als een drenkeling die een laatste poging doet zich aan een glibberige dukdalf vast te grijpen, haar hand naar mij uit. Ik trok haar naar mij toe. Kan het eindelijk eens afgelopen zijn met het gedonder over dat boek, dacht ik, het is nu mooi geweest, mag er een punt achter, mag er alsjeblieft een punt achter? Toen ik haar aan die hand met die absurd lange nagels naar mij toe getrokken had, greep ik haar andere hand. Ik voelde een eigenaardige, kille razernij opwellen. Het was of ik wraak moest nemen omdat Leonora mij negeerde, het was of ik Lotte op haar nummer moest zetten omdat ze mij had voorgesteld mee te gaan naar Atjeh, het was of ik het Molly betaald moest zetten dat ze mij naakt geschilderd en verkwanseld had, ja, het leek zelfs of ik iets te vereffenen had met Maria. Ik tilde Sirena van haar stoel, droeg haar naar een leeg stuk muur, drukte haar daar zo krachtig tegen aan dat ik haar hoorde kreunen, boende met mijn mond de lipstick van haar siliconenlippen, en woelde, terwijl ik haar met mijn knieën nog wat steviger tegen de muur aandrukte, met mijn linkerhand door haar haar. Geen pruik, dacht ik, het is geen pruik. En dat kalmeerde mij. Ze beet in mijn lippen, duwde haar tong in mijn mond, vouwde mijn tong dubbel met die van haar, zoog eraan en haalde ondertussen haar puntige nagels over mijn wang. Ik tilde haar weer op, droeg haar de kamer uit, de gang door, de trap op. Anders blafte woedend en wilde volgen, maar ik riep zo dwingend: ‘In je mand’, dat zij met haar staart in een u-bocht afdroop naar de hoek waar haar mand stond.

Aangekomen in mijn slaapkamer smeet ik Sirena op het bed. Omdat ik haar niet wilde loslaten, was het lastig om de ritssluiting van haar witte niemendaljurkje open te sjorren. Toen dat eindelijk, terwijl ik haar met één hand en twee knieën in bedwang hield, gelukt was en ik het jurkje, haar even optillend, af kon stropen zoals je de huid afstroopt van een geslacht konijn, voelde ik mijn woede wegebben. Het is genoeg geweest, dacht ik, ik kan haar laten gaan. Mijn greep verslapte. Ze sjorde ondertussen aan het lipje van de ritssluiting van mijn spijkerbroek, maar dat schoof telkens los omdat die nagels in de weg zaten, dus trok ik zelf aan de rits. Haar hand schoot dadelijk naar mijn ballen. Het leek alsof er spelden in gestoken werden en mijn woede vlamde op. Ik trok haar slipje omlaag en zij spreidde haar benen en leidde zo behendig mijn pik in haar reuzenbos gitzwart schaamhaar dat het leek alsof hij verdween. Ik merkte amper dat ik klaarkwam, ik liep domweg leeg, en voelde een immense opluchting. Net op tijd, dacht ik, alles is vereffend, ik kan met een schone lei beginnen. ‘Wees dan niet bezorgd voor de dag van morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Kwaad, dit was geen kwaad, dit was goed, dit was volmaakt. Innig tevreden rolde ik van haar af en tuurde naar de zonlichtstrepen op het plafond.

‘Beetje erg gewelddadig,’ zei ik na een minuut of vijf timide en verontschuldigend.

‘Nogal ja, maar desondanks geweldig, domweg geweldig... zo moet ’t, zo wil ik het, zo wil ik het nog duizend keer.’

Ze streelde mijn onderbuik. Ik dacht verschrikt: we hebben geen condoom gebruikt. Ik wilde haar vragen of dat kwaad kon, dacht: ze doet ’t misschien met Jan en alleman, de gemeenste virussen... Wat een lul ben ik, ik kweek mijn eigen groenten omdat ik al die met kunstmest de grond uit gejaagde gewassen vol nitriet niet op mijn bord wil hebben, en ik eet geen vlees omdat ik huiver voor wat er omgaat in de bio-industrie, en ik houd nauwkeurig mijn cholesterolgehalte en mijn bloeddruk in de gaten, en ik beweeg de hele dag door. En nu? Misschien heeft één zo’n mal eiwitpakketje dat ze ‘virus’ noemen mijn inspanningen tenietgedaan. Wat een lul ben ik, wat een ongelofelijke lul.

Niettemin bleef, terwijl de lichtstrepen op het plafond langzaam verschoven, die innige tevredenheid mijn woede verre de baas. Zeker, de mogelijkheid bestond dat ik besmet was geraakt, maar wat deed het ertoe, dit was mij toch maar overkomen. Als deze eigenaardige uitbarsting mij mettertijd zou vellen, goed, dan was dat mijn verdiende loon. Dan moest ik dat ruimhartig accepteren, hoe zwaar mij dat misschien ook zou vallen. En ik lag daar en greep haar hand, streelde haar duimnagel, vroeg: ‘Heb je enig idee hoe lang je nagels zijn?’

‘Nee.’

‘Lotte zei: vier centimeter. Geloof ik niks van. Straks grijp ik even de duimstok.’

‘Het is het langste model kunstnagel dat je in Nederland kunt krijgen. Geen vrouw hier in Monward die je eraan krijgt, die vinden dit idioot lang. Laatst kreeg ik uit Amerika een setje proefnagels die zowat twee keer zo lang zijn, real vampire nails. Alsof ik die hier ooit kwijt zou kunnen. Ik durf ze zelf niet eens te dragen.’

‘Wat jammer, ik zou ze graag eens zien, real vampire nails, dat klinkt veelbelovend.’

‘Ik weet niet eens waar ik ze gelaten heb,’ zei ze ontwijkend. ‘Dus die Lotte vond mijn nagels te lang?’

‘Nee, nee, ze zei alleen maar dat ze vier centimeter waren. En toen zei ik: “Je bent gek, hoogstens twee.” En ze zei ook...’

Wat is het eigenaardig dat je, half wegdoezelend na de geslachtsdaad, je hart opeens op je tong hebt en alles eruit flapt.

‘Ze zei ook dat je met je lange nagels probeert te camoufleren dat je mannenknuisten hebt,’ zei ik slaperig.

Sirena schoot overeind, gilde bijna: ‘Zei ze dat, zei ze dat?’

Ze liet zich achterovervallen en zei gelaten: ‘Het is ook maar beter dat je ’t meteen weet, anders hoor je ’t misschien van iemand anders, ik ben een trans.’

Ze boog zich over mij heen, ontnam mij het zicht op de zonlichtstrepen die het plafond nog altijd sierden.

‘Ga je mij er nu meteen uit gooien?’

‘Waarom zou ik?’

‘Ze willen niks meer met me te maken hebben als ze ’t horen; ze knappen meestal meteen af.’

‘Mannen bedoel je?’

‘Ja.’

‘Dat zijn dan mannen die mijn boek nog niet hebben gelezen. In mijn boek schrijf ik dat ’t, door het hele dierenrijk heen, de gewoonste zaak van de wereld is dat organismen van geslacht veranderen. Zelfs bij zwaardvissen, bij gewervelden...’

Ik voelde hoe ik insluimerde. Ze schudde me wakker.

‘Dus jij... dus jij... ’

‘Het maakt mij niets uit. Ik vind je een prachtvrouw. En dat je ooit een man was, is meteen een hele zorg minder. Zonet dacht ik nog: als ik maar geen kindje gemaakt heb. Daar hoeven we dus niet bang voor te zijn.’

‘Dat zegt m’n vriendje ook altijd.’

‘Heb je een vriendje? Godsamme, had dat eerder gezegd, dan had dit absoluut niet gemogen.’

‘Had ’t ook niet, maar ik kon er niks aan doen, jij hebt me bruut en gewetenloos overweldigd.’

‘Het zal niet meer gebeuren,’ zei ik plechtig.

Ze giechelde, mompelde: ‘Ik zal mijn real vampire nails opzoeken, wacht maar...’