Verspieder

Twee maanden later liep ik op een zonnige zondagmorgen met Anders door het dorp. Op de Acolietenlaan kwam ik het aspirant-verspiedertje tegen. Verspiedertje? Hij was inmiddels twee jaar ouder en op die leeftijd maakt dat een groot verschil. De twaalfjarige stak de laan over, kwam op me af en zei trots: ‘Ik heb een spionageset gekocht.’

‘Zo, zo!’

‘Ja, afluisterapparatuur, richtmicrofoontjes...’

‘En nu?’

‘Ik heb ’t al stiekem geïnstalleerd.’

‘Waar?’

‘Bij m’n opa en oma. Ik kan ze nu in de tuin afluisteren als ze in huis met elkaar praten.’

‘En? Nog wat bijzonders gehoord?’

‘Ze hadden ’t laatst over u.’

‘Wat zeiden ze dan?’

‘Dat u er vast meer van wist.’

‘Waarvan?’

‘Van die folder.’

‘Welke folder?’

‘Die ze gekregen hebben al een hele tijd geleden. M’n oma zei: “Ik kwam dat snertding laatst weer tegen, wat moeten we daarmee aan?”, en m’n opa zei: “Geen aandacht aan schenken, gewoon weggooien”, en toen zei m’n oma: “Ach, ’t kan toch geen kwaad om...”, en toen zei m’n opa: “Nee, niet doen...”, en toen hoorde ik een poosje niks meer, en toen zei m’n opa: “Vooruit dan maar”, en m’n oma zei: “hoeveel dan?”, en m’n opa zei: “Vijfhonderd.” ’

‘Ik weet van geen folder af,’ zei ik, ‘denk je dat jij die zou kunnen opduikelen? ’t Mooiste zou zijn als je mij daarvan een fotokopie zou kunnen brengen. Wacht, ik zal je geld geven, een voorschot: onkosten en honorarium. Da’s dan je eerste opdracht als spion, als verspieder.’

‘Ze hebben de folder misschien al weggegooid.’

‘Kijk bij je opa en en oma eens goed rond. Hier, tien euro.’

Met zijn rechterhand nam de jongen het biljet aan, terwijl hij met zijn linkerhand Anders streelde, die tegen hem op was gaan staan en verwoed kwispelde.

Nadat de jongen zich op een holletje verwijderd had, stortte Anders zich op een boomstronk. Blijkbaar had ’t pluimvee, dat nog altijd, in weerwil van de vogelpest, frank en vrij overal in het dorp rondscharrelde, daar adembenemende geursporen achtergelaten. Rustig stond ik te wachten tot Anders uitgesnuffeld zou zijn, denkend: een folder? Wat voor folder? Van Lotte? Heb ik die zonder hem te bekijken meteen bij het oud papier geflikkerd?

Anders en ik drentelden verder over de Acolietenlaan, sloegen af naar de Kruisherenweg en liepen in de richting van de Oweekerk. Toen wij daar aankwamen, was de morgendienst net afgelopen. Alle deuren stonden wijd open. Ik liep om de kerk heen, stapte door de zijdeur naar binnen en kwam de kosteres tegen, die haar wenkbrauwen fronste en naar Anders staarde.

‘Is Maria daar?’

‘Ja,’ zei ze bits.

‘Een hond in de kerk, dat kan natuurlijk niet, dat begrijp ik. De Blijde Boodschap is uitsluitend bedoeld voor mensen. Ik wacht buiten wel op Maria. Misschien kun je haar zeggen dat ik haar graag wil spreken.’

‘Zal ik doen.’

Anders en ik liepen het knerpende grind op. Ik moest natuurlijk denken aan Anton Wachter: ‘Maar zijn voeten raakten zwaar de aarde, zwaar en knarsend op het kiezel alsof zij alleen hadden te bepalen hoe onwankelbaar trouw hij blijven zou aan iets dat hij verloren had, aan iets dat hij nooit had bezeten.’

Maria kwam aanlopen over de glanzende, ronde, witte steentjes.

‘Dat treft,’ zei ze, ‘ik had je juist eens willen bellen om je te vragen of je vlierbessen hebt. Ik wil zo graag vlierbessenjam maken.’

‘Ik sterf van de vlierbessen, maar ze zijn nog niet rijp. Wel rijp zijn de kroosjes, ik heb er dit jaar meer dan ooit, en daar kun je ook heerlijke jam van maken. Kom plukken.’

‘Kroosjes? Wat zijn kroosjes?’

‘Kleine, donkerrode pruimpjes.’

‘Klinkt goed. Zal ik morgen komen? Uur of tien?’

‘Eerder mag ook.’

‘Ik ben niet zo matineus.’

‘Zie ik je morgen om tien uur. Wat ik je nu vragen wou, heb jij misschien een folder gehad van Lotte?’

‘Zou best kunnen, maar ik krijg zo allemachtig veel folders, dan ontsnapt er soms een aan je aandacht. Van een folder van Lotte herinner ik mij niets. Zin in een kopje koffie?’

‘Koffie na de kerkdienst, da’s haast een sacrament, net als de doop, en toch lees je daar niks over in de bijbel. Nergens in ’t Woord wordt koffiegedronken. Dus nee, dank je wel, ik ga achter die folder aan. Tot morgen.’

Ik trok de weerspannige Anders, die bij Maria wilde blijven, over het grind. Koffie na de morgendienst, ik vind het zo’n allemachtig dwaas ritueel. In mijn jeugd leek het haast belangrijker dan de dienst zelf, en na de koffie kwamen er allerlei dwaze drankjes op tafel, boerenjongens op sap voor beide seksen, keizerbitter exclusief voor de mannenbroeders en advocaat of pleegzuster bloedwijn voor de zusters. Bedrinkt u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

Anders en ik liepen naar de beautysalon. Sirena was helaas niet thuis. Ik zong zacht: ‘Heer, waar dan heen’, en ik zei tegen Anders: ‘Zullen we de stoute schoenen aantrekken? Zullen we naar de goudkust lopen en bij Leonora aanbellen?’ En dat deden we, en ook daar moesten we, voor we konden aanbellen, over knerpend grind schuifelen.

We hadden geluk, Leonora deed zelf open. Ze schrok hevig toen ze mij zag staan.

‘Mag ik je iets vragen? Heb jij soms een folder van Lotte Weeda gehad?’

Het leek of Leonora nogmaals schrok. Ze knikte, zei toen haastig: ‘Ik zal er werk van maken, het is er tot op heden niet van gekomen. Als je eens wist wat een tijd en moeite erin is gaan zitten om al die erfeniskwesties bevredigend af te wikkelen. Heus, ik zal er meteen werk van maken, vandaag nog gaat de giro op de bus. En vind je ’t goed dat ik nu weer verderga? Ik heb z’n twee zoons hier.’

Voor ik iets kon terug zeggen, sloot ze de deur. Even bleef ik staan en liep toen met de weerspannige Anders, die er niks van begreep dat we niet naar binnen waren gegaan, naar de straatweg.

‘Ik geloof dat ik ’t nu begrijp,’ zei ik tegen Anders toen we de Prelatenlaan bereikten. ‘Ze denkt dat ik haar kwam aanmanen om geld over te maken.’ Ze dacht dat ik een handlanger was van Lotte, een medeplichtige. Dat dacht ze sinds Taeke Gras daar in huis zijn bange vermoedens over het fotoboek geventileerd had. Abel had Taeke uitgelachen. Maar zij dacht: wat Gras beweert, zou best waar kunnen zijn. En toen ging Abel, als het ware Gras’ beweringen onderstrepend, opeens dood, en Gras heeft het natuurlijk ook over mij gehad... dus daarom wilde ze opeens niks meer van me weten. Of zou het toch zijn omdat ik mij op de Acolietenlaan zo ontactisch uitliet? Wie zei ook weer: ‘Welk sterrenbeeld ben je? Boogschutter? O jee, de Boogschutter is altijd zo verbijsterend tactloos.’

Astrologie, wat een onzin. Maar dat ik reuze tactloos kon zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Niettemin leek hier sprake van een andere reden voor het verbreken van elk contact. Waarom zou ze anders zo hevig geschrokken zijn, en waarom zou ze anders zo grif beloofd hebben dat ze geld zou overmaken. Dus toch chantage. Maar open en bloot via een folder? Dat was toch ondenkbaar.

Eind van de middag kwam, toen ik sperzieboontjes plukte, de verspieder mijn erf op lopen. Onbekommerd stapte hij dwars tussen al mijn gewassen door op mij toe. Hij zei: ‘We gaan op zondag altijd naar opa en oma, dus ik kon meteen zoeken. Hij lag daar nog in de papierbak. Ik heb ’m gefotokopieerd. Opa heeft zo’n apparaat.’

‘Dat heb je snel gedaan.’ Gretig griste ik het blaadje uit zijn handen.

Alsof hij zich schaamde voor wat hij verricht had, liep hij door mijn Nieuw-Zeelandse spinazie snel weg, zodat hij niet kon zien hoe verbouwereerd ik naar dat groezelige blaadje stond te turen. Folder? Het was een fotokopie van het flodderige blaadje dat Lotte mij na afloop van de presentatie van haar boek gegeven had. Het blaadje met een gironummer erop van een stichting die geld inzamelde voor het verzet in Atjeh. Ik las grondiger waar ik toen vluchtig overheen had gekeken. ‘Uw bijdrage voor het verzet in Atjeh kan het verschil uitmaken tussen leven en dood.’

De sperzieboontjes liet ik hangen. Ik had geen eetlust meer. Ik hoorde de brecons gakken. Lastig toch dat ik niets wist over de eigenaars der ganzen. Ik moest maar afwachten of ze ooit weer zouden worden opgehaald. Eenmaal in de bijkeuken zeeg ik neer op een stoel en bleef naar die groezelige fotokopie turen. ‘Uw bijdrage voor het verzet in Atjeh kan het verschil uitmaken tussen leven en dood.’ Wat daar stond kon je ook anders lezen. Werd ik gek? Leed ik aan net zo’n soort waan als indertijd Abel? Was zoveel raffinement denkbaar? Goed, maar dat geld kwam dan bij het Atjehse verzet terecht, daar kon Lotte zelf toch niet van profiteren? Tenzij dat gironummer Lottes eigen nummer was. Op ’t blaadje stond dat je bij de mededelingen op je overschrijvingskaart moest vermelden: ‘ten behoeve van verzet Atjeh’.

Maar wat omslachtig en bewerkelijk. Eerst foto’s maken, dan zo’n boek samenstellen en dat alles om geld uit de zakken te kloppen van puissant rijke zestigplussers. Akkoord, je hoefde als je het zo aanpakte niet bang te zijn dat je met de politie te maken kreeg. Van echte chantage was geen sprake. Maar veel geld zou zo’n aanpak toch nooit kunnen opleveren? ‘Misschien net genoeg voor de reis- en verblijfkosten van Lotte,’ mompelde ik. ‘Misschien moet je ’t zien als een bonafide onderneming om aan geld te komen voor een reis naar Atjeh.’

Later die avond viel mij in dat het denkbaar was dat Lotte pas op het idee gekomen was om die folder naar de gefotografeerde en gefortuneerde dorpsgenoten te sturen nadat ze van mij het e-mailtje had gekregen waarmee ik haar op de hoogte had gebracht van de onrust die over haar boek ontstaan was.

Nog weer later op de avond toetste ik het nummer van Sirena in. Ze nam warempel op.

‘Je bent weer thuis. Ben je alleen? Kan ik even langskomen?’

‘Da’s goed.’

Toen ik haar zag, zei ik verbaasd: ‘Allemachtig! Je hebt...’

‘Yes, de real vampire nails. Heb ik er gisteren op gezet. Hoe vind je ’t?’

‘Sexy,’ loog ik, maar ik dacht: vanmorgen was ze er al mee op stap. Waar is ze geweest? Voor wie heeft ze zich getooid met die nagels?

De aanblik was verbijsterend. Allerlei woorden schoten door mijn hoofd: weerzinwekkend, walgelijk, bizar, beangstigend. Maar daarmee werd de vraag niet beantwoord voor wie ze zich aldus had uitgemonsterd. Laat staan de vraag daarachter: vanwaar opeens die verstikkende jaloezie? Betekende Sirena zoveel voor mij? Of hadden m’n hunkerende hormonen een huilbui?

Ik vertelde haar waar ik vol van was, en besloot: ‘Als Lotte jou al een folder heeft toegestuurd, heeft ze bij jou toch bot gevangen, want jij hebt geen cent te makken.’

Sirena antwoordde niet, ze zat me aan te kijken met grote, verschrikte, zwaar opgemaakte vlinderogen.

‘Wat is er?’ vroeg ik verbaasd.

Ze zei niets, klauwde lang met haar real vampire nails in haar tas en diepte daaruit een pakje sigaretten op.

‘Dus jij hebt ook zo’n folder gehad?’ vroeg ik.

Ze knikte.

‘En toen heb jij, alsmaar goena-goena fluisterend, en doodsbang, een smak geld overgemaakt, ook al beweerde je dat ’t juist wel prettig was om spoedig dood te gaan, want dan kon je ongestraft rood staan?’

Ze knikte weer, wanhopig worstelend met het cellofaan van het nog onaangebroken pakje sigaretten.

‘Waarom heb je je die avond na dat bezoekje van Geert van de domme gehouden? Waarom heb je me dit toen niet verteld?’

Ze knipperde met haar valse wimpers. Het lukte haar eindelijk om het cellofaan van het pakje los te trekken, maar toen moest ze weer de vreemdste capriolen uithalen om daaruit een sigaret op te diepen. Bevreemd zat ik het allemaal aan te kijken. ‘Maar je staat toch altijd rood, welk geld...?’ vroeg ik. Ik keek haar verbaasd, maar vervolgens enigszins trots aan.

‘Nu begrijp ik ’t. Nu begrijp ik waarom je die avond niks gezegd hebt. Je hebt ’t tandartsgeld overgemaakt naar Atjeh.’

‘Jij snapt ’t niet,’ zei ze hees. ‘Heus, je kunt er nu wel de draak mee steken, en zo luchthartig wegwuiven waar we allemaal zo bang voor zijn, maar ik heb staaltjes gehoord... goena-goena, ’t bestaat echt, en die voodoodokters... en de meeste mensen uit dat boek zijn morsdood en ik wou zo graag nog een poosje blijven leven, en m’n gebit... ik dacht: dat kan best nog even wachten.’

‘Och, och, je dacht dat ik boos op je zou worden omdat je mijn geld voor iets anders gebruikt had dan waarvoor ’t bedoeld was.’

‘Was dat zo vreemd? Je bent nu toch ook boos?’

‘Welnee, stomverbaasd misschien, maar boos... nee, dat niet. D’r zal niks anders op zitten dan dat je naar de tandarts gaat en hem zegt dat hij de rekening rechtstreeks naar mij moet sturen, want nog een keer geld naar je overmaken, dat doe ik niet, da’s veel te link. Gelukkig dat ’t geld in ieder geval een goede bestemming heeft gekregen, ’t Atjehse verzet. En nu ga ik er gauw vandoor, want je weet dat ik allergisch ben voor de rook van een sigaret. Bovendien komt morgenochtend ’t verrukkelijke domineetje kroosjes plukken, dus ik moet vroeg naar bed.’