Kerkhof
Toen Anders en ik in een zacht, loom aprilregentje op weg naar huis langs het kerkhof marcheerden, zagen we een begrafenisstoet aankomen. Anders kwispelde opgetogen, maar ik schrok. O, mijn god, alweer een, dacht ik, en het leek of een miljoenpoot over mijn ruggenwervels schaatste.
‘Wie wordt er begraven?’ vroeg ik aan een stemmig uitgedoste begrafenisganger die bij de ingang van het kerkhof onder een zwarte paraplu stond te wachten.
‘Piet Scherpenzeel.’
Het lag op mijn tong om opgelucht te roepen: ‘Die staat niet in het boek’, maar net op tijd hield ik mij in. Ik kreeg, terwijl de zwarte limousines stapvoets naderbij slopen, van onder de zwarte paraplu de hele ziektegeschiedenis van Piet Scherpenzeel – zware roker, slokdarmkanker – fluisterend opgedist. Nadat ik al dat leed beleefd had aangehoord, vervolgden Anders en ik onze tocht. Af en toe keek Anders naar mij op en zag ik aan haar snuit dat zij dacht: wat is m’n baas opeens vrolijk, en dan kwispelde zij gul.
Mijn opluchting bleek voorbarig. Ik had niet voorzien dat na de dood van Scherpenzeel veel dorpsgenoten die in Sluitertijden ontbraken, verontwaardigd zouden zijn. Op de Acolietenlaan zei een grijsaard tegen een vrouw die haar schapendoes uitliet: ‘Piet stond er niet in, maar ging toch dood. Hoe kan dat?’ De bejaarde beoogde dat ik zou horen wat hij de vrouw toevoegde, want hij keek half over zijn schouder mijn richting uit. Ik liep langs, deed of ik niets hoorde en werd daarbij geholpen door Anders, die woedend uitviel naar de schapendoes.
Spoedig bleek dat velen dit idee koesterden. Wie in Sluitertijden stond, was gevonnist. Die kon beter zijn begrafenispolis opscharrelen. Wie er niet in stond, hoefde zich geen zorgen te maken. Zelfs vlak voor zijn dood was Piet Scherpenzeel ervan overtuigd geweest dat hij beter zou worden. ‘Ik sta d’r niet in,’ had hij keer op keer gezegd, ‘dus d’r is niks ân de hand.’ Dat kreeg ik op de Kapelaan over een sloot heen te horen van een man met een blauw baseballpetje die in zijn volkstuintje wiedde.
‘Ja, ja, die Piet,’ zei hij monter, ‘had slokdarmkanker... daar hoor je vandaag de dag nogal eens over... ’t is gek hoor, ik kan me uit m’n jeugd niet herinneren dat d’r ooit iemand vanwege slokdarmkanker tussenuit ging. Longkanker ja, borstkanker ja, maar slokdarmkanker... afijn, Piet dacht ook niet dat ’t zo’n vaart zou lopen. Toen ze ’m kwamen bedienen, wou hij niet biechten. Terwijl hij een aardig slokje bloed opgaf, zei hij: “Meneer pastoor, ’t is nog niet zover, ik ben nog niet aan de beurt, ik sta niet in ’t fotoboek.” Dus de pastoor kwaad, want ja, zo’n boek, da’s toch concurrentie voor die zwartrokken, leven en dood is hun provincie, daar mot een ander uit wegblijven. M’n grootvader zei altijd: “Stuur nooit de pastoor van je sterfbed, want dan komt hij als een boemerang weerom”, dus Piet had ’m de andere dag toch ân z’n bed. Hij had ’m niet weg moeten jagen. Wat heb je d’r mee te verliezen om je te laten bedienen? Je staat er versteld van hoeveel mensen d’r weer opkrabbelen als ze bediend zijn. Ik ken hier in ’t dorp onderhand vijf, zes lui die al een keer of drie, vier op hun sterfbed bediend zijn. En nu zijn ze weer zo tierig als een jong hondje. Dus bedienen, dat mot je nooit weigeren. Een keertje extra kan nooit kwaad.’
Hij trok herderstasjes tussen zijn slakroppen vandaan.
‘M’n vrouw staat d’r ook in, ikke niet, al heeft dat kekke mokkeltje ons beiden gekiekt. Dus hoe ’t nou komt dat m’n vrouw alleen op die foto staat, dat snap ik niet, maar al stond ik erin... “Makkelijk praten,” zegt m’n vrouw steeds, en dan zeg ik: “Maar ze heeft me genomen.” Misschien telt dat ook, wat dat betreft is ’t jammer dat we niet meer ân Piet Scherpenzeel kunnen vragen of ze hem gekiekt, maar niet geplaatst heeft.’
‘Dus u denkt dat ’t mogelijk is dat je zelfs risico loopt als je gefotografeerd, maar niet geplaatst bent.’
‘Weet ik veel. Ze kiekte voornamelijk trekkebenende oudjes. Poeders, pillen, druppels en drankjes houden m’n vrouw nog een beetje op de been, dus dat ze d’r in staat, is zo’n wonder niet, en dat heb ik ook tegen Taeke Gras gezegd. Die banjert als een briesende leeuw door het dorp, die zit maar te stoken. Wees blij, heb ik tegen Gras gezegd, dat je een waarschuwing krijgt. Memento mori, mens, gedenk te sterven – da’s toch waar ’t om gaat, je hebt ’t maar te aanvaarden. Tegen de dood bestaat geen schild, leef zoals je sterven wilt.’
Eind april zag ik, toen Anders en ik bij het vallen van de avond naar huis kuierden, een schim behoedzaam over de begraafplaats dwalen. Langs de verweerde kerkhofmuur was het glaskruid manshoog opgeschoten, maar de schim zag mij aankomen. Hoog stak hij zijn hand op, kwam naar de muur toe lopen en zei: ‘Ook goedenavond! Ik zag u achterdochtig kijken. Ja, u zult denken: wat doet die man daar, maar ’t is beslist zuivere koffie, ik ben op ’t stadhuis geweest en ik heb gezegd: “Ik wil graag een familiegraf aanschaffen.” Daar zeiden ze toen: “Dat kan, zoekt u gerust zelf een mooi plekje uit.” Vandaar dat ik hier loop rond te dwalen. Ik kan nog niet erg beslissen. Ik kom eerlijk gezegd ’t liefst zo te liggen dat ik de hele dag door zon heb. Maar waar heb je hier de meeste zon? Enig idee?’
‘Dankzij de hoge eiken ligt iedereen in de schaduw.’
‘Wat u zegt. D’r zou misschien flink gekapt moeten worden.’
‘Dat zou doodzonde zijn. Er is vast een geschikt plekje. U moet rondkijken als ’t zonnig is.’
‘Dat wou ik zeker doen, maar of ik daar de tijd nog voor heb...’
‘Waarom zou u daar de tijd niet voor hebben? U bent toch niet ziek?’
‘Nee, maar ik sta in Sluitertijden.’
‘Kom nou, ik sta er ook in.’
‘Dan zou ik ook een graf aanschaffen als ik u was. ’t Is sowieso nooit weg, een graf. Maar wat ik zeggen wou, u zult denken: waarom wil die snuiter de hele dag door zon hebben? Ik zal ’t u uitleggen. Loop je hier in ’t donker langs de muur, dan zie je tegenwoordig her en der op de graven spaarlampjes branden. Sjonge, jonge, wat is dat magnifiek. Ik wil ook zo’n lampje op m’n graf. Maar ja, ik sta met m’n hele familie in dat boek, vandaar dat ik een familiegraf wil. Wij komen waarschijnlijk met z’n vieren om bij een auto-ongeluk of zoiets, en wie zorgt er dan voor dat er voortdurend een lampje brandt op ons graf? Dus nu dacht ik: als ik alvast een vierpersoonszerk bestel en ik vraag die gedenktekenspecialist om de zerk na ons verscheiden onder een schuine hoek op te stellen zodat hij flink wat zon vangt, dan kan er stellig een zonnepaneeltje op gemonteerd worden. Misschien kan ’t paneeltje ook in ’t steen verzonken worden, of moet je paneel en zerk integreren. ’t Lijkt me een idee met toekomst. Ik vind ’t jammer dat ’t blijkbaar m’n tijd is, want ik zou d’r graag in willen duiken. ’t Zou weer eens wat anders zijn dan de verkoop van motorjachten. Me dunkt dat er, als ’t zou aanslaan, en ik twijfel er eerlijk gezegd niet aan dat ’t pittig zal aanslaan, veel geld mee te verdienen valt.’
‘U verkoopt plezierboten?’
‘Ik heb m’n zaak onlangs verkocht, dus ik kan u helaas niet meer aan een motorjachtje helpen.’
‘Ik hoef geen motorjachtje.’
‘U weet niet wat u zegt. Met zo’n dingetje kun je heel Nederland door, overal kun je aanleggen, leg je contacten die goud waard blijken.’
‘Nadat je met de hekgolf in de binnenwateren overal futen- en meerkoetennesten vernield hebt, drijftillen uit elkaar hebt geramd, beschoeiingen kapot hebt gevaren, walkanten hebt verbrokkeld, waterlelies en pijlkruid en egelskop hebt vermorzeld.’
‘O, bent u er zo een? Van ’t milieu! Had ik dat geweten, dan had ik u nooit aangeschaft. Als ik straks thuiskom, haal ik u meteen van de salonmuur af, als u dat maar weet. Laatst had ik mevrouw de dominee over de vloer. Die zei nog: “Wat een beeldschoon naakt.” Ze mag ’m gratis en voor niets hebben, voor zolang ze er plezier van heeft, want Lotte is ook bij haar langs geweest.’
‘Schei toch uit,’ zei ik. ‘Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat degenen die in ’t boek staan, binnenkort allemaal dood zullen gaan.’
‘O nee? Er is anders ondertussen al ruim tien procent overleden. Nog diversen staan op de nominatie om heen te gaan, dus zet je maar schrap. ’t Zal je niet redden dat je van ’t milieu bent. Als ik dat toch had geweten! Ik dacht dat u een fatsoenlijk mens was. Lotte gaf steeds hoog over u op. Maar ja, aan Lotte zelf zou je ook je laatste cent gegeven hebben, ik begrijp er niks van, waar heb ik ’t allemaal aan verdiend? ’
‘Bent u soms die geheimzinnige sponsor waar ze ’t over had?’
Hij keek me aan alsof hij me het liefst dadelijk onder een schuine zonnepaneelzerk met bijpassend spaarlampje had gelegd.
‘Maar als u de sponsor bent, hoeft u zich geen zorgen te maken. Ze zei tegen mij dat er niet aan te ontkomen viel haar sponsor in ’t boek te zetten, spijtig genoeg, zei ze, want hij paste er niet bij, hoorde niet thuis in ’t boek.’
‘Zei ze dat? Zou ik...? Zouden wij...? Als dat toch eens waar was.’
‘Ze heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd dat haar geldschieter erin moest, net zoals ik erin moest omdat ik ’t voorwoord heb geschreven.’
‘O, en daarom denkt u dat u de dans ontspringt?’
‘Welnee, dat denk ik niet, ik houd het erop dat ’t puur toeval is dat er al zoveel mensen uit ’t boek zijn overleden. Ik ben in ieder geval nergens bang voor, en u hoeft ook nergens bang voor te zijn. U kunt gerust zo’n zonnepaneelzerkzaakje opstarten...’
‘Dus ze vond dat m’n familie niet in ’t boek thuishoorde. Daar hoor ik grandioos van op, da’s fantastisch nieuws. Ik wou dat ik haar zelf nog eens kon spreken, maar ja, ik heb geen idee waar ze uithangt. ’t Laatste wat ik over haar gehoord heb is dat ze voor een of ander magazine een halfjaar naar Indonesië is om daar in de binnenlanden van Sumatra portretten van een restvolkje te maken.’
En zonder een woord van afscheid liep hij met verende tred naar de uitgang. Hij opende het grote kerkhofhek en de scharnieren snerpten zo schril dat Anders woest begon te blaffen.