Zomer
Om kwart over tien stapte Maria mijn erf op. We plukten een emmer vol sappige, donkerrode kroosjes.
‘Dat is meer dan genoeg,’ zei ze.
‘Mocht je nog meer willen, dan kun je altijd terugkomen. Zelf doe ik er toch niks mee.’
‘Wat zonde.’
‘Zonde? Welnee. Laat je ze hangen, dan vallen ze af. Heb je rottend fruit. Lok je de mooiste vlinders mee. Je zal toch de rouwmantel langs krijgen.’
‘De rouwmantel?’
‘Misschien de mooiste vlinder die we in Nederland hebben. Grote bruinzwart fluwelen vleugels met citroengele buitenranden en met paarsblauwe, zwartomlijste maantjes op de grens van geel en zwartbruin. Als die toch eens langs zou fladderen!’
We liepen langs mijn moestuin.
‘Dankzij ’t feit dat we de meest glorieuze zomer beleven sinds 1947, verdrink ik in sperzieboontjes en tomaten. Iets voor jouw avonddis?’ We plukten Mechelse tros en Moneymaker. Vervolgens streken we met tuinstoeltjes en een grote pot thee neer op ’t koelste plekje van de tuin, vlak bij de noordelijke landtong, waar nog een verkoelend briesje aanwoei over de wetering. Ik liet Lottes folder zien.
‘O, bedoelde je laatst op zondag dat blaadje?’ zei Maria. ‘Dat heeft ze mij ook gestuurd. Heb ik meteen weggegooid. Helaas ben ik veel te arm om iets te gireren. Dat zegt toch niks, zo’n folder? Die heeft Lotte natuurlijk overal rondgestuurd. Geloof je echt dat ze met opzet eerst zo’n boek heeft gemaakt met breekbare oudjes erin om de goudkustweduwen onder druk te zetten? Reuze omslachtig allemaal. En weinig efficiënt. Zo’n dure investering in tijd en geld zou toch alleen de moeite waard zijn als die veel opleverde?’
‘Geen haar op ’t hoofd van die weduwen zou er, als ze een folder in de bus kregen met ’t verzoek om geld over te maken voor ’t verzet in Atjeh, ooit over denken een giro uit te schrijven.’
‘Hebben die denkende haren nu wel giro’s uitgeschreven?’
‘Wis en waarachtig.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik heb ’t her en der nagevraagd.’
‘Bij wie dan?’
Er kwam een bulderende airbus over, en ik hoefde op die lastige vraag niet te antwoorden. Toen het lawaai was weggestorven, zei ik: ‘Zoveel is zeker: zonder dat boek zouden de rijkaards die folder meteen hebben weggegooid.’
‘Kan zijn hoor, maar bij mij wil ’t er niet in dat Lotte het daarom heeft gemaakt. Ik geloof nog steeds dat ze voorvoelde wie spoedig zouden overlijden. Ze fotografeerde voornamelijk Todeskandidaten. Gek trouwens dat wij daar in het Nederlands geen woord voor hebben.’
‘Zijn wij ook Todeskandidaten?’
‘Maar natuurlijk. Dat zijn we toch allemaal? Niemand uitgezonderd.’
‘Ja, goed, maar dan... zo’n boek... het is nu bijna twee jaar uit en Sirena, jij en ik zijn over. Plus een handvol goudkustweduwen en de grootouders van Djoeke en de begrafenisondernemer. Daar moet toch een verklaring voor zijn?’
‘Die is er. Intuïtief...’
‘Bullshit. Fotografeer je een man van drieënnegentig, dan hoeft er geen intuïtie aan te pas te komen om te weten dat zo iemand spoedig zal sterven. Maar ’t geval van die crash bij Kathmandu? Intuïtie? Dat wil er bij mij absoluut niet in. En zo’n jongen die in ’t Drievuldigheidsdiep verdrinkt? En notaris Ravenwijn? En de mollenvanger? En de plebaan?’
‘Je lijkt Taeke wel. Nog even en je bent net zo ver heen.’
‘Ik snap niet dat jij... beroepshalve moet je de raarste dingen geloven. Misschien ben je juist daarom immuun voor angsten en wanen. Wat zou ik dolgraag een redelijke, een aannemelijke verklaring hebben voor al die sterfgevallen.’
‘Zo’n echte bèta als jij wil alles vangen in maat en getal. Berust erin dat sommige zaken raadselachtig en onverklaarbaar blijven.’
‘Laatst hoorde ik het afscheidscollege van een hoogleraar wiskunde. Halverwege zei hij: “Aan een verwarrende hoeveelheid mogelijkheden ligt zo vaak één eenvoudige onderliggende structuur ten grondslag.” Waarom zou dat hier dan niet ’t geval zijn?’
Over de wetering kwam bedaard een visdiefje aanwieken. Boven de boomkruinen van het bos van Monstrans cirkelden twee buizerds in het luchtige, azuurblauwe zwerk.
‘Hoe zou ’t met Lotte gaan?’ vroeg Maria. ‘Heb je eergisteren ook in de krant gelezen dat Jakarta de noodtoestand in Atjeh verlengd heeft?’
‘Nou en of. En heb je gezien dat erbij stond dat buitenlandse journalisten de toegang tot Atjeh ontzegd is? En dat Indonesische journalisten er alleen over mogen schrijven als ze eerst een militaire training ondergaan en zich laten inbedden in operationele legereenheden? Dus of Lotte daar nog... misschien is ze allang het land uit gezet.’
‘Hoeft niet. Ze kan heel goed doorgaan voor een Sumatraanse. Ze spreekt de taal. Misschien dat ze daar... in een of andere kampong undercover... In ieder geval heeft ze heel wat anders aan haar hoofd dan haar boek. Mijn hemel, waar je je druk om maakt!’
‘Kijk dat visdiefje nou,’ zei ik, ‘hij ziet een visje zwemmen, zo meteen duikt hij omlaag, maar eerst bidt hij nog even voor z’n eten.’
‘Hij nog wel, maar ’t is niet te geloven hoever de secularisatie hier al is voortgeschreden. En ik kan ’t ook niet tegenhouden, dus moet ik gaan.’
‘Nee toch,’ zei ik verschrikt.
‘Ze willen een echte dominee.’
‘Maar dat ben jij toch ook?’
‘Ik ben maar vicaris. Ze willen een echte dominee, een man, een wat oudere, wijze heer.’
‘O jezus, zo’n monument met een bril op en een nette stropdas en een driedelig pak aan en een beginnend buikje en zo’n sonoor, vertrouwenwekkend stemgeluid. Zo’n deftige Nederlands hervormde dominee, die door het dorp schrijdt en iedereen minzaam groet. Zo iemand als de herder die hier stond toen ik hier kwam wonen, dominee De Tonckelear, met zo’n flonkerend gouden brilletje.’
‘Ik weet niet of zo’n gouden brilletje vereist is, maar...’
‘O, wat erg! Dus je gaat weg, wat zal ik je missen, wat was ’t prettig om met je samen te werken bij al die trouw- en rouwdiensten, o, o, o, je deed ’t zo voortreffelijk, er is toch geen enkele reden om...’
‘De kerkvoogden denken er anders over. Laatst kwam ik er een tegen bij de manege. Die bracht z’n dochter weg. Je kon zien dat hij dacht: een dominee die paardrijdt, dat kan niet. Net zomin trouwens als zonnen in je bikini op het zandstrandje van Eeuwenleed.’
‘Waar ga je heen?’
‘Weet ik nog niet. Als vicaris kan ik in allerlei dorpjes terecht. Zo ben ik hier tenslotte ook gekomen. Maar ik weet niet of ik dat wil. Ik ben vijfendertig, de tijd dringt, als ik nog... als ik...’
‘Moet je zien,’ zei ik, ‘wie daar als op afroep met gespitste oren aan komt schuifelen langs de wetering. Alsof ze weet: werk aan de winkel. Wat heeft ze dat goed getimed!’
Behoedzaam schuifelde de ooiemoer vlak langs de waterlijn onze kant uit.
‘Ik begrijp niet waar dat beest van leeft,’ zei ik, ‘je ziet haar nooit iets grijpen. Een enkele keer springt een kikvors in doodsnood tussen haar poten vandaan pardoes ’t water in, en dan neigt ze haar snavel even omlaag, maar ze pakt ’m nooit.’
‘Eet ze haast niks omdat ze al oud is?’
‘Hoe oud ze is weet ik niet, maar ik weet wel dat ze geen stap buiten mijn tuin zet. Of ze nog in staat is wiegjes te vullen, betwijfel ik.’
‘Ach, wat jammer,’ zuchtte Maria.
‘Misschien denkt ze: dat kan ik die mensen toch niet aandoen? Dat gehannes met luiers en slabbetjes en boxen en kinderstoelen en wandelwagentjes.’
‘Ja, maar zo’n oeroude ooievaar weet natuurlijk niet dat ’t allemaal veel makkelijker is dan vroeger. Je hebt nu pampers en wegwerpslabbetjes. Onze moeders duwden trojka’s, maar nu heb je die reuze handige buggy’s.’
‘Ja, da’s waar, je ziet alleen allochtone vrouwen nog achter zulke mammoetwagens lopen. Maar ja, waarom zijn die buggy’s hanteerbaar en inklapbaar? Ze moeten mee kunnen in de auto.’
‘Is daar iets tegen?’
Ik haalde mijn schouders op, tuurde over de wetering, waarin de brecons dreven, hoorde de kwieke scheltopoesik ritselen tussen kropaar en kamgras. Ik dacht: o, mijn god, een echtpaar in een auto met zo’n wagentje opgevouwen in de achterbak en een gevuld kinderzitje achterin, onderweg naar opa en oma. Ik huiverde en Maria keek me aan en glimlachte weemoedig en dronk rustig haar thee op. Ik dacht: het is goed te beseffen dat het, als het gaat over liefde en erotiek, je zelfzuchtige genen zijn die zich willen reproduceren. Niks minder, maar vooral niks meer. Galeislaaf van je genen, daartoe ben je voorbestemd.
Ik overwoog dat Maria rustig te zeggen, en haar te vragen: ‘Kun je begrijpen dat het voor mij na Auschwitz ondenkbaar is je voort te planten?’ maar ik besefte dat dat zou afketsen op een hunkering die niet te bestrijden, niet te breidelen, niet te onderdrukken viel. Ze had al zoveel schreiende dopelingetjes van anderen besprenkeld, ze was eraan toe een eigen borelingetje boven het doopvont te houden. Daar viel, de holocaust ten spijt, niet aan te tornen. Wie was ik om haar iets te misgunnen of tegen te willen maken dat voor bijna iedereen net zo vanzelfsprekend leek als eten of drinken? Het enige was: dan stond ik helaas finaal buitenspel. Aan de ander kant: wie zegt dat ze mij als vader zou willen voor haar kinderen? Wat een hoogmoed. En ook dat deed belachelijk veel pijn.
Het leek of ze vermoedde wat er in mij omging. ‘Bij de presentatie van ’t boek van Lotte smoesde je zo enig met ’t zoontje van Douwe en Mea Dijkstra. Jij zou vast een leuke vader zijn,’ zei ze.
‘Dat betwijfel ik. Ik heb akelig weinig geduld. Maar los daarvan, als de ongeborenen de twee verspieders zouden uitsturen om poolshoogte te nemen, zouden die met het huiveringwekkende bericht kunnen terugkomen: het leven op aarde is een klucht die ieder moment in een nachtmerrie kan ontaarden.’
‘Ik ben niet zo bijbelvast als jij, maar volgens mij kwamen de twee verspieders, anders dan hun tien sombere collega’s, juist opgetogen terug uit het Beloofde Land.’
Nogmaals een gierend, bulderend monster. Toen het geluid zo ver was weggestorven dat ik de scheltopoesik hoorde knarsen tussen de tandjesgrassen, zei ik: ‘Ik moet vaak aan dat twa-toestel vol schoolkinderen denken. Vlak na de vlucht uit New York stortte het in de Atlantische Oceaan. Bij de ontploffing is het voorste deel van het toestel afgebroken. Het achterste deel vloog nog even door. Wat denk je als je daarin zit? Had ik nou maar geen air-miles gespaard?’
‘Zou je nog tijd hebben om iets te denken? Waarschijnlijk ben je meteen dood.’
‘In ieder geval heb je nog een split-second waarin je beseft dat je tien kilometer naar beneden zult donderen, het ijskoude, donkere water in. Vandaag de dag zijn er verschrikkingen mogelijk waar onze voorouders niet van hebben kunnen dromen. Je zult in zo’n wtc-toren aan ’t werk zijn. Vlak onder je boort zich een vliegtuig naar binnen. En dat op negen-elf was ongetwijfeld een terroristisch plaagstootje. De echte klap komt nog.’
‘Wat een zwartkijker ben jij! Daar kijk ik van op. Na een trouwdienst waarbij jij gespeeld hebt, komen de mensen swingend de kerk uit. Ik begrijp er niets van. Kom, ik denk dat ik maar weer eens opstap.’
‘Wil je soms ook een rodekooltje mee?’
‘Graag.’
Zwaarbeladen stapte ze mijn erf af. De zon scheen zoals hij al sinds juni geschenen had, gul, uitbundig, verzengend. Onder het dichte bladerdak van de hoge essen was het echter koel, en daar liep ik, toen Maria was gegaan, met een hakbijl en een zwaar hart, op weg naar een boomstronk. Sterf, jij, mompelde ik tegen de staak, en ik hamerde op een van zijn wortels. Het lukte niet erg om de alomvattende pijn dat ik op alle fronten had gefaald weg te rammen. Bij de universiteit was ik wegbezuinigd, mijn vrouw was ervandoor met mijn beste vriend, waardoor ik in één klap twee dierbaren was kwijtgeraakt, bij Leonora had ik het verbruid, Sirena – goed dat was nooit een serieuze mogelijkheid geweest, maar toch, ook daar was de klad in gekomen. Nee, dan Maria. Maar ook met haar kon het nooit wat worden. Die propageerde de Heer en wilde kindertjes. Kindertjes; o, op de maat van dat woord kon je goed hakken. Kindertjes, baby’tjes, hummeltjes, broekenmannetjes, zuigelingen. Zeg zelf, willen jullie zo’n vader? Is wegbezuinigd bij de universiteit. Is nog altijd, zijn atheïsme ten spijt, een zuinige, steile, onbuigzame, onverdraagzame, angstvallige calvinist. Kan op een kerkorgel aardig uit de voeten, maar zal altijd een stuntelende amateurpianist blijven. Heeft naam gemaakt met een boek dat een gewiekste parafrase is van The Masterpiece of Nature van Graham Bell. Ziet er op televisie uit als een knoestige, kale gnoom. Heeft het laten afweten op het beslissende moment. ‘Ga je mee naar Atjeh?’
De eerste taaie wortel was versplinterd, ik stortte mij op de tweede en hakte verwoed verder, kleutertjes, peutertjes, aposteltjes, ukkepukken. Wat had je nog meer? Bleven er genoeg dactylen over voor de derde wortel? Dreumes, nee, bloedje, nee, dopeling dan, en boreling natuurlijk. Vooruit, weg met die wortels, goed zo! In één klap op de maat van dopeling nummer drie gekloofd, en nu de vierde, de dikste, dopeling, boreling, ukkepuk. Was was dat? Wat kriebelde er in mijn nek? Geen aandacht aan schenken, hakken moest ik, en verbeten sloeg ik op de wortel in, tot ik opeens een vlijmende pijn in mijn hals voelde, en, opkijkend van mijn noeste arbeid, schuin achter mij een sliert geschrokken wespen uit de grond zag oprijzen. Nogmaals werd ik gestoken, en nogmaals. Al wat woedend uit de aarde opzwermde, stortte zich op mij, maar toen rende ik al. Ik kon de bijkeuken bereiken, ik kon de deur openen, zakte toen neer op de vloer, voelde hoe ik verstijfde. Op mijn kale schedel versprong een hevige jeuk als een tong van vuur die telkens een ander plekje zocht. Het leek of de jeuk naar m’n achterhoofd danste en zich daar dwars door mijn huid heen een weg baande naar mijn gehemelte. Vandaar werd mijn tong belaagd. Het leek alsof die in brand stond. Mijn blote armen werden eerst matrood en verkleurden toen blauw als luchtpostpapier. Dat zo nu het einde moest komen. Toch nog, en onontkoombaar. Een anafylactische shock, wie zou dat gedacht hebben? Ik was meermalen gewaarschuwd, maar juist daarom meende ik dat het zo’n vaart niet zou lopen. Omdat één wespensteek, bij wie er zoals ik allergisch voor was, fataal kon zijn, had ik adrenaline in huis en een handvol injectiespuiten. En ik had altijd een echtgenote bij de hand gehad die mij, in geval van zo’n steek, kon injecteren. Ze had goed geoefend, maar was ervandoor. Er zat niets anders op dan mijzelf te injecteren. Waar was ook weer de adrenaline? In de ijskast natuurlijk, en die ijskast was vlakbij, echt vlakbij, in de keuken, ik hoorde hem geruststellend zoemen. Wat jammer dat mijn benen zo loodzaar aanvoelden... kruipen dan maar, en ik kroop en bereikte de deur tussen bijkeuken en keuken en wist die open te krijgen en keek, liggend, pal in een hondensnuit.
‘Ach, m’n jochie,’ zei ik, ‘wat jammer nou, je baasje... De bijkeukendeur heb ik opengelaten, je kunt naar buiten om te drinken en te poepen en te piesen, en op den duur zal er allicht iemand opdagen die zich over je ontfermt. Neem het me niet kwalijk, het lijkt erop dat ik eraan ga.’
Ik wist dat ik die ijskast nooit zou bereiken, voelde een soort loomheid die bedrieglijk veel leek op de zoete slaperigheid die op zonnige zomerdagen soms voorafging aan een onontkoombaar namiddagdutje, zo’n tovertukje waaruit je als herboren oprees. Het bleek verbazend aangenaam om je uit te leveren aan die loomheid. Alle paniek ebde uit mij weg, de laatste regel uit het zesde gedicht van ‘Song of Myself’ van Walt Whitman schoot door me heen, ‘And to die is different from what any one supposed, and luckier’, en toen dacht ik aan wat de bijna zesendertigjarige componist Hermann Goetz op zijn sterfbed tegen zijn vrouw had gezegd: ‘Laura, wij moeten scheiden, geef mij nog een kus, ik sterf licht, heel licht’, en ik probeerde Geheimnis te neuriën, maar het wilde mij zo snel niet te binnen schieten, dus toen probeerde ik, omdat dat toch mijn allerliefste muziek was, het trio van het scherzo uit het strijkkwartet in g-groot van Schubert te neuriën. Die was maar eenendertig jaar oud geworden; zo’n ongelofelijk genie, dus wat zeurde ik? Van dat neuriën kwam akelig weinig terecht omdat ik nauwelijks adem kon halen. Terwijl als gevolg daarvan opnieuw de paniek door mij heen vlaagde, dacht ik wanhopig: het kan niet waar zijn, ik ga nog niet dood, je gaat niet zomaar dood, vanmorgen heb ik nog kroosjes geplukt met het domineetje, nou dan... ach, ik wou dat ik een hoofdkussentje had, ’t is toch wel ’t minste dat je een kussentje onder je hoofd hebt als je doodgaat, maar waar haal ik dat in godsnaam vandaan?
Buiten op het gras stonden de brecons nieuwsgierig door de openstaande bijkeukendeur naar mij te turen. Ze waren weg toen ik in het holst van de nacht mijn ogen opensloeg. Ik was totaal verkleumd en zo verstijfd dat het mij nauwelijks lukte mijn hoofd op te heffen, dat al die tijd zonder het comfort van een kussentje op de harde grond had gelegen. Toen ik ten slotte, steeds maar denkend: ik behoor tot die twee procent die een anafylactische shock overleeft, ik ben erdoorheen gerold, ik heb ’t waarachtig gehaald; maar pas op, na acht uur komt de onvermijdelijke herhalingsaanval en word je alsnog geveld, eindelijk mijn hoofd iets wist op te richten, keek ik recht in de grote, verschrikte ogen van Anders. Zij zat vlak naast me, kwam in het bleke maanlicht overeind op haar lichtbruine achterpootjes, blafte schor en begon verwoed te kwispelen.