Presentatie

Toen kreeg ik, alsof de opschudding die haar scheltopoesikfoto had veroorzaakt vroeg om een eerbiedwaardig vervolg, een uitnodiging voor de presentatie van Lottes boek. Op zaterdagmiddag 15 september zou het eerste exemplaar van Sluitertijden, zoals de uitnodiging vermeldde, ‘in het bijgebouw van de hervormde kerk door mevrouw de burgemeester feestelijk overhandigd worden aan Lotte Weeda’.

Onder aan de uitnodiging had Lotte gekrabbeld: ‘Denk erom dat je komt. Na afloop van de plechtigheid kunnen de Monwarders ’t boek kopen en er wordt op gerekend dat we samen signeren.’

Omdat ik bang was voor de reacties, juist bij zo’n presentatie, van mijn dorpsgenoten, begaf ik mij die windstille, zonnige zaterdagmiddag met een bezwaard hart naar de hervormde kerk. Die morgen had er in alle vroegte een bijna ondoordringbare, lage nevel gehangen waarboven de koppen van de koeien los ronddreven. In de loop van de morgen was de nevel opgelost, er hingen alleen nog fonkelende druppeltjes in alle spinnenwebben.

In het bijgebouw van de kerk verdrongen de dorpelingen zich.

‘Wat een opkomst,’ zei ik tegen het domineetje, dat als de dorpelwachter uit psalm 84 bij de zij-ingang van de kerk iedereen die binnenstapte, monsterde en begroette.

‘Ik denk dat we zullen moeten uitwijken naar de kerkzaal zelf,’ zei ze.

‘Maken we er stiekem een dienst van. Speel ik orgel, preek jij over Exodus 20 vers 4.’

‘Wat staat daar?’

‘Weet je dat niet? Je bent toch dominee? Jij moet van elke tekst kunnen zeggen hoe die luidt. In Exodus 20 vers 4 staat: “Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.” Dus foto’s maken, geen denken aan. Zelfs onderwateropnames zijn streng verboden.’

Ze glimlachte.

‘Heb je ’t boek al gezien?’

‘Nee, nog niet,’ zei ik, ‘jij wel?’

‘Ja, en ’t is schitterend. Vooral die foto van jou.’

‘Ik zou er niet in komen. Alleen een piepklein portretje hurkend bij beekpunge bij ’t voorwoord.’

‘Mij had ze ook gezegd dat ik er niet in zou komen,’ zei ze.

‘En je staat er toch in?’

‘Ze zei dat jij haar gesmeekt had.’

Mijn vader heeft mij altijd gezegd: ‘Pas op voor domineesdochters. Blijf daar zo ver mogelijk bij uit de buurt.’ Dat er ooit vrouwelijke dominees zouden opstaan, heeft hij niet kunnen voorzien. Anders zou hij daar stellig nog dringender voor gewaarschuwd hebben. Ik stapte snel door de zijdeur naar binnen. Daar moest ik mij door de wachtende Monwarders heen wringen om bij Lotte te komen.

‘Je hebt je rode jakje weer aan,’ zei ik.

‘Niet goed?’ vroeg ze vinnig. ‘Ik heb ’t speciaal voor jou aangetrokken. Jij vond ’t toch zo leuk.’

‘Het staat je fantastisch. En waar is ’t boek?’

‘Straks krijg je er een, maar nu nog niet. Het is niet de bedoeling dat er al in gebladerd wordt voordat ’t eerste exemplaar aan mij is overhandigd.’

‘Maar ’t domineetje heeft ’t al gezien,’ zei ik verontwaardigd.

‘Dat komt doordat we vanmorgen al een en ander klaar moesten zetten en toen heeft... Nee, je krijgt ’t straks pas te zien.’

‘Straks’ werd anderhalf uur later. Eerst moesten de toegestroomde dorpelingen vanuit de zijzaal naar de kerk zelf gedirigeerd worden en zelfs de ruim vijfhonderd zitplaatsen daar schoten tekort. De belangstellenden stonden in de gangpaden, leunden tegen de muren, zaten op de preekstoeltreden.

Onze vrouwelijke burgemeester hield een smeuiig toespraakje, overhandigde Lotte het boek dat ze zelf allang in handen had gehad, en riep toen warempel mij naar voren en overhandigde ook mij een geseald exemplaar van Sluitertijden. Ik kon er nog steeds niet in bladeren, want het leek me ongepast om terwijl ik terugliep naar mijn gereserveerde zitplaats, het weliswaar dunne maar ongetwijfeld weerbarstige plastic folie eraf te trekken. Ook toen ik op m’n gereserveerde plaats zat, durfde ik niet aan te vallen op het plastic. Niemand had nog orgelspel gemimed, maar ik had het gevoel dat ik eruit lag in Monward. En zelfs toen ik naast Lotte achter een lange tafel zat, waarop stapels Sluitertijden opgetast lagen, lukte het mij, hoewel ik het folie inmiddels van het boek afgestroopt had, nog altijd niet om erin te bladeren. Tientallen welgezinde dorpsgenoten dromden achter onze tafel, die een gesigneerd boek begeerden. Het gratis orgelspel was men even vergeten.

Elke keer als Lotte, na vier of vijf alleraardigste kopers, besprongen werd door een diep verontwaardigde Monwarder die zijn gal spuugde over het feit dat hij of zij niet in het boek stond, streek degene die zojuist zijn exemplaar had laten signeren bij mij neer en begon goedgemutst een praatje. Daardoor kon ik mij niet concentreren op wat Lotte toegevoegd kreeg. Overigens pareerde ze telkens monter met een vinnige opmerking, die de boze Monwarder nog bozer maakte, maar doorgaans de mond snoerde. Zo iemand droop af, of werd simpelweg opzijgeduwd door gretige kopers. Mij hielden die verongelijkten gelukkig niet verantwoordelijk voor het feit dat ze niet in het boek stonden. De enige die mij erop aansprak was Molly. Ik zag haar aankomen, met knalrode wangen, dacht: zo, zo, fraaie agitatieblosjes. Nu krijgt Lotte de volle laag.

Molly negeerde Lotte volledig, stelde zich recht voor mij op en zei diep verontwaardigd: ‘Ik sta er niet in.’

‘Ik weet van niks,’ zei ik. ‘Ik heb tot op heden nog niet de kans gekregen om ’t boek door te bladeren.’

‘Ik sta er niet in,’ zei ze met stemverheffing.

‘Daar moet je mij niet op aankijken, ik heb geen enkele bemoeienis gehad met...’

‘Ze heeft me gefotografeerd, dus waarom ik er dan niet in sta...’

‘Misschien vond Lotte de foto niet mooi genoeg.’

‘Godallemachtig! Als er nu iemand fotogeniek is... Ik bedoel, je was erbij toen ze met mij kwam overleggen; ze wou me niet in de wielen rijden... alsof ik... Wat een gore, smerige klotestreek, ik sta er niet in... en allemaal van die rijke klootzakken wel; van die poenechtparen zoals die Leonoor van jou met haar Abeltje. Die hebben haar d’r zeker voor betaald. Je kunt mij toch niet over ’t hoofd zien? Ik ben veruit de bekendste kunstenares in dit dorp. Ik... ik...’

‘Wanneer ga je nu eindelijk je naakten eens exposeren?’ vroeg ik om haar af te leiden.

‘Volgend voorjaar,’ gromde ze. ‘Ik kan ’t niet helpen dat ’t zo lang moet duren. Galerie Rozenhoed was dit hele jaar volgeboekt.’

Ze balde haar vuisten.

‘Zelfs die slet, die sloerie, die Sirena... zelfs die heeft ze erin gezet en ik... Waarom mij niet. Dat zou ik dolgraag weten.’

‘Vraag het haar. Ik kan er geen verstandig woord over zeggen.’

‘Waarom heb jij er niet voor gezorgd?’

‘Hoe had ik dat moeten doen? Ik heb geen enkele inspraak gehad. Ze wou mij er ook niet in zetten.’

‘Jij staat erin. En hoe! En al jouw vlammen, al jouw vlammen; de dominee, die sloerie, Leonora, het winkelmeisje van de Parochiemarkt...’

Verbaasd keek ik haar aan. Hoe wist zij zo precies wie mijn vlammen waren? En waarom figureerde in haar opsomming de alleraardigste, maar door mij niet begeerde caissière van de Parochiemarkt?

‘Als je maar weet,’ zei ze, ‘dat ik jou niet ophang bij m’n expositie.’

Ze liep weg, keerde zich om, beende terug en riep: ‘Ik verbrand jou’, en stapte, de mensen die zij op haar weg tegenkwam stuk voor stuk wild wegduwend, op haar houten kleppersandalen de zaal uit.

‘Wat gaat ze verbranden?’ vroeg Lotte, die haar laatste opmerking kennelijk had opgevangen.

‘Ik neem aan het schilderij dat ze van mij gemaakt heeft,’ zei ik onthutst.

‘Dat doet ze niet,’ zei Lotte. ‘Ze zal er eerder mee naar bed gaan dan ’t verbranden. Ach, ach, ze had ’t zo slim opgezet: je schildert een dozijn mannen op leeftijd om de blommigste en rijkste aan de haak te slaan. Als je na een ruig leven halverwege de veertig alleen bent, moet je soms rare capriolen uithalen om te zorgen dat je op je oude dag onder de pannen raakt.’

Achter in de zaal zat een jongetje van een jaar of tien aandachtig in het boek te bladeren. Hij wel, dacht ik jaloers, terwijl ik twee handtekeningen zette. Het kind bestudeerde elke foto nauwgezet, hield het boek soms een eindje van zich af alsof hij het dan beter zien kon, bladerde terug. Toen hij er eindelijk doorheen was, keek hij op. Ik glimlachte naar hem, knikte maar eens bemoedigend, boog mij over een boek en zette een handtekening. Toen ik opkeek zag ik dat het kind bijna angstvallig en steels mijn kant uit gedrenteld kwam. Hij hield het boek krampachtig vast. Het joch deed me aan mezelf denken. Zo’n schlemielig, bedeesd ventje was ik zelf geweest.

Hij bereikte de tafel waarachter Lotte en ik ons verschanst hadden. Hij ging naast me staan. Zijn wangen waren hoogrood. Ik keek hem zo vriendelijk mogelijk aan.

‘Wat vind je ervan? Zijn ’t mooie foto’s? Sta je er zelf ook in?’

Hij schudde zijn hoofd, mompelde: ‘Mijn opa en oma wel’, drukte zich opzij tegen de tafel aan, neeg naar mij toe, en fluisterde in mijn oor: ‘Meneer, weet u of er misschien een spion in dit boek staat?’

‘Een spion?’ vroeg ik verbaasd. ‘Hoe dat zo?’

‘Ik wil later spion worden.’

Ik keek het kind aan. Vol verwachting keek hij terug. Ik fluisterde: ‘Je wilt spion worden en daarom wil je graag eens iemand spreken die al spion is?’

Hij knikte verheugd.

‘En nu dacht je: via dat boek kan ik hier in ’t dorp misschien een undercoveragent opsporen die mij vertellen wil hoe je dat kunt worden?’

Het jochie knikte een paar maal.

‘Ik was een keer in een grote boekwinkel, in Rotterdam, fluisterde hij,’ en daar heb ik gevraagd: “Hebt u niet een boek: Hoe word ik later spion?” Toen zeiden ze dat ze dat niet hadden.’

Voor ik daar iets op kon terugzeggen, zei hij diep treurig: ‘En ze zeiden ook dat zo’n boek helemaal niet bestaat.’

‘Vast wel. Maar ’t wordt strikt geheimgehouden dat ’t bestaat. Anders zou iedereen weten hoe spionnen te werk gaan, denk je niet?’

‘Ja, natuurlijk.’ Zijn ogen lichtten op. ‘En ik heb het op internet gezocht, maar daar kon ik ook niks vinden. Ja, ’t is natuurlijk erg geheim.’

‘Ik denk dat je eerst naar de middelbare school moet gaan, en dan moet je naar een politieschool, bijvoorbeeld de rechercheschool in Deventer. Daar ben ik laatst geweest om een lezing te houden. Het is geen spionnenschool, meer een soort vooropleiding.’

‘Deventer? Waar ligt dat?’

‘Ergens aan de IJssel. Een mooi stadje is het. Het zal geen straf zijn om daar op de politieschool te zitten.’

Hij tilde zijn exemplaar van het fotoboek op, bladerde erin, legde het boek open voor me neer en vroeg: ‘Zou dit misschien een spion zijn?’

Door het halfgeopende raampje van zijn voordeur keek een stokoude man grimmig in de lens. Boven zijn hoofd stond in sierlijke houten letters: ‘D. A. van Beusekom Jr.’

‘Da’s meneer Van Beusekom junior,’ zei ik, ‘die is inmiddels overleden. Dus als hij al spion was...’

‘Hij ziet eruit als een spion,’ zei het kind koppig.

‘Zeker, maar hij was al ver over de negentig. Hij heeft ’t verschijnen van ’t boek niet mogen meemaken.’

Diep treurig keek het jongetje me aan. Hij zuchtte. ‘Het was vast een spion.’

Ik signeerde een tiental fotoboeken en onderhield mij met de kopers. Het jongetje bleef naast me staan. Terwijl ik een volgend boek signeerde, vroeg ik: ‘Hoe heet je?’

‘Djoeke,’ zei hij, ‘Djoeke Dijkstra.’

‘Waar woon je?’

‘Devotiedam 3.’

‘Djoeke Dijkstra van de Devotiedam 3. Dat hoef ik niet op te schrijven, da’s dankzij al die d’s makkelijk te onthouden. Als spion moet je trouwens alles onthouden, telefoonnummers, kentekens. Nooit en te nimmer iets opschrijven, da’s les één. Alles wat je opschrijft, kan in verkeerde handen vallen. Dus zorg dat je je geheugen traint.’

Hij knikte.

‘Misschien loop ik, je weet maar nooit, een spion tegen ’t lijf. Dan laat ik je dat meteen weten. Zullen we dat afspreken?’

Weer dat verlegen knikje. Hij pakte zijn boek op en drentelde weg. Tweemaal keek hij vorsend om, alsof hij wilde controleren dat ik er nog zat.

‘Slaat nota bene de bladzijde op met Van Beusekom zaliger,’ zei ik tegen Lotte.

‘Zo’n magnifieke kop. Wou voor geen prijs op de foto. Heb ik meteen na ’t aanbellen razendsnel door ’t raampje van z’n voordeur moeten nemen.’

Waarop merkwaardigerwijs flitslicht ons verblindde.

‘Nog iemand die razendsnel en zonder toestemming te vragen een foto neemt,’ zei ik.

‘Ja, nu staan we er samen op. Zoals mijn vader altijd zei: “Samen op een prentje, liefde aan een endje.” ’

‘Daar zou ik geen enkel bezwaar tegen hebben.’

Ze wilde iets terugzeggen, maar een volgende koper duwde dwingend een geopend boek onder haar neus. Toen wij twee uur later ‘los’ waren, kreeg ik eindelijk gelegenheid mijn eigen exemplaar van het fotoboek te bekijken. Ik was het bijna kwijt geweest. Nadat we het laatste beschikbare exemplaar verkocht hadden, greep een aspirant-koper, tegen wie Lotte had gezegd: ‘Ze zijn helaas op’, mijn Sluitertijden, daarbij uitroepend: ‘Hier ligt er nog eentje.’

‘Da’s mijn boek!’ riep ik vertwijfeld.

‘Ik heb er thuis nog een paar,’ zei Lotte tegen mij, ‘daar krijg je er een van. Deze kunnen we nog verkopen.’

‘Geen sprake van. Ik wil het boek vanavond in alle rust thuis bestuderen.’

‘U hoort het,’ zei Lotte tegen de klant, ‘voor meneer hier is de klant geen koning. Geef uw naam en adres en telefoonnummer op, dan zorgen we dat er volgende week nog een exemplaar voor u beschikbaar komt.’

Op het moment dat het domineetje een glaasje rode wijn voor me neerzette, was ik in het boek aan het bladeren. Vluchtig streek mijn blik over het voorwoord. Dadelijk zag ik dat het slot veranderd was.

‘Je hebt in m’n tekst geknoeid,’ zei ik tegen Lotte.

‘Ik heb ’t slot minder expliciet geformuleerd. Ik heb ervan gemaakt: ...die op het punt staat de bocht om te gaan. Niet goed?’

‘Mij best,’ zei ik korzelig, en ik bladerde verder. Bij elke volgende foto dacht ik: zou dat een spion zijn?

Toen ik een stuk of tien foto’s bekeken had, zei ik uit de grond van mijn hart: ‘Het zijn magnifieke, meesterlijke foto’s.’

‘Had je anders verwacht?’ vroeg Lotte.

‘Nee, nee,’ zei ik haastig.

Ik stuitte op de foto van het domineetje. In het middenschip van de hervormde kerk zat ze in een bank. Ze had haar handen gevouwen en haar ogen gesloten. Ze zag er aanbiddelijker uit dan ooit. Je wilde haar, omdat ze zo nietig leek in die grote lege ruimte, beschermen, behoeden, bewaren, voor immer bijstaan. Je wilde een arm om haar tengere schouders leggen, een hand op haar rug. Je wilde haar uit de wind houden, je wilde ervoor zorgen dat haar voet nooit zou wankelen (psalm 121), zich nooit aan een steen zou stoten (psalm 91) – o mijn god, wat een verraderlijke foto. Ik bladerde haastig verder en zag het ene echtpaar na het andere voorbijkomen.

‘Veel echtparen.’

‘Kon niet anders,’ gromde Lotte. ‘Ze wilden verdomme nooit alleen op de foto.’

‘Je had toch steeds degene die je er niet op wou hebben, eraf kunnen knippen of bij ’t afdrukken weg kunnen laten?’

‘Heb ik een enkele keer gedaan, maar meestal ging ’t niet, meestal verpestte je dan de compositie van de foto.’

‘Och, kijk toch eens, de gravin als tijgerin; wat kijkt ze nijdig!’

‘Zie de graaf niet over ’t hoofd,’ zei Lotte ironisch.

‘De graaf... Abel... die is niet geweest,’ zei ik verbaasd. ‘Die heeft me de kop gek gezeurd om je telefoonnummer. Als ik nou iemand hier verwacht had... Zou Leonora ’t hem verboden hebben? Dankzij jou is hij totaal de kluts kwijt. Ach, die arme stakker.’

‘Welja, schuif ’t mij maar in de schoenen,’ zei Lotte.

‘Toen je daar was om hun foto te maken, heb je en passant ook de scheltopoesik gekiekt. Weet je dat die foto alle kranten heeft gehaald?’

‘Natuurlijk weet ik dat! Zelden zo geboft. Elke keer als ze die foto afdrukken, krijg ik honderd euro op m’n giro.’

Ik sloeg kalm een bladzijde om, en zag mezelf op de rechterbladzijde staan, en ook wie er links stond.

‘Jezus nog aan toe.’

‘Niet vloeken, je bent hier in de kerk.’

‘Ja, maar moet je zien...’ zei ik hees, en ik legde m’n hand op de foto van mezelf. Die had ze dus, vlak voordat ze met dat springerige, loshangende haar als Roodkapje in mijn tuin was opgedoken, stiekem gemaakt.

‘Je legt je hand erop,’ zei ze. ‘Niet goed?’

‘Rotzak.’

‘Foei, dat zeg je niet tegen een meisje.’

Daar liep ik, met mijn zeis over mijn schouder, en Anders vlak achter mij, in de richting van het schuin door de bomen neervallende zonlicht. Op de bladzijde ertegenover stond Sirena. Het was de foto waarbij Lotte had gezegd: ‘Stel je voor dat je op de rand van een zwembad staat en erin wil duiken.’ Het leek alsof ze klaarstond om mij innig te omhelzen, en het leek alsof ik recht op haar uitgestrekte armen toeliep.

‘Rotzak,’ zei ik weer.

‘Bedenk eens wat anders,’ zei Lotte. Ze pakte haar wijnglas op, zette het weer neer zonder een slok te nemen.

‘Ga je mee naar Atjeh?’

‘Mee naar Atjeh?’ vroeg ik verbouwereerd.

Yes. Zonet haalde ik m’n vader aan: “samen op een prentje, liefde aan een endje,” en toen zei jij dat je daar geen enkel bezwaar tegen zou hebben. Dus ik herhaal: ga je mee naar Atjeh?’

‘Wat heeft Atjeh met liefde aan een endje te maken?’

‘Alles. Mijn hele familie komt daar vandaan.’

‘Hoe komt ’t dan dat je Weeda heet? Da’s toch geen Atjehse naam?’

‘Ooit was er één Nederlandse voorvader,’ zei ze korzelig, ‘maar doet dat ertoe? Er is daar nu oorlog. Ik wil erheen om foto’s te maken, zodat iedereen met eigen ogen kan zien wat de Indonesische regering aanricht. Mijn foto’s zouden enorm aan kracht winnen als ze ondersteund werden door een vlammende tekst. Jij kunt goed schrijven, jij zou zo’n tekst kunnen maken. Ga mee.’

In één teug dronk ik mijn wijn op. Ik zei sullig: ‘Ik kan Anders toch niet in de steek laten.’

‘Hij kan z’n hondje niet in de steek laten,’ hoonde Lotte. ‘De wereld staat in brand, maar meneer kan z’n hondje niet in de steek laten. Waar dus de vraag uit volgt: wat moet ik mij voorstellen bij die liefde waar jij geen enkel bezwaar tegen zou hebben?’

Terwijl ik zat te peinzen over een waardig en passend antwoord, kwam de dominee aanlopen met de wijnfles.

‘Zal ik jullie nog eens bijvullen?’ vroeg ze.

‘Doe dat,’ zei Lotte.

Zonder iets te zeggen dronken Lotte en ik onze wijn op. Toen mijn glas leeg was, zei ik: ‘Laat me er rustig een paar dagen over denken.’

‘Bespaar je die moeite,’ zei Lotte ironisch. ‘Ik weet het antwoord al.’ Ze richtte zich tot de dominee, zei laconiek: ‘Hij wil niet met me mee om de oorlog in Atjeh aan de kaak te stellen.’

‘Vind je ’t vreemd? Daar zou ik ook huizenhoog tegen opzien. Waar nog bij komt: wie moet ik dan inschakelen als organist bij onze trouw- en rouwdiensten?’

Lotte gaf geen antwoord, maar drukte mij een blaadje in handen en:

‘Alsjeblieft. Hier staat een gironummer op. Met mij mee daarheen is misschien veel gevraagd, maar maak dan tenminste wat geld over voor het verzet in Atjeh.’

‘Zal ik doen,’ zei ik schuldbewust.

Lotte stond op. ‘Ik ga er maar eens vandoor,’ zei ze en ze liep zonder ons aan te kijken snel de kerk uit.