Haydn

Op een zondagmiddag eind februari begaven Anders en ik ons naar de goudkustvilla. Hoewel het ’s nachts nog had gevroren, gloeide de zon op mijn huid.

Toen wij langs de Jongeheer liepen, mompelde ik tegen Anders: ‘Dit is gekkenwerk, ik weet niks van slangen af, maar ja, ik heb beloofd dat ik een keer zou komen, en ’t is zulk prachtig weer, dus laten we dan in godsnaam maar eens gaan kijken.’

Anders kwispelde.

‘Akkoord,’ zei ik, ‘je hebt gelijk, die slang levert een excuus om bij Leonora binnen te dringen, maar we gaan daverend op ons bek. Veel verder dan dat ’t een of andere ring- of pijlslang is, zal ik niet komen.’

We liepen door een van de Paus-slopjes, en bereikten spoedig het vorstelijke logies van de Balkanslang. Voorzichtig opende ik het hek in de ligusterhaag.

‘Als ’t echt een gevaarlijke slang was,’ zei ik tegen Anders, ‘had die kleinzoon allang een dodelijke knauw gekregen. Niets aan de hand dus.’

Toch was ik er niet gerust op toen ik de koperen belknop uittrok. Een deur zwaaide open.

‘O, hemeltje lief, wat ben ik blij dat ik u zie, u komt als geroepen,’ zei de gravin. ‘Dat enge beest is vanmorgen ontsnapt. Hij ligt in elkaar gerold op een stoel in de tuinkamer. Vlak naast de tafel waar z’n terrarium op staat. Misschien dat u er iets op weet om hem daar weer in te krijgen.’

Ze ging me voor naar de woonkamer. De newfoundlander lag op een kleedje voor een open haard. Hij rees dadelijk op toen hij Anders ontwaarde. Z’n zwiepende staart raakte telkens een haardscherm, dat liefelijk rinkelde. Anders vond blijkbaar dat ze iets moest terugdoen. Ook zij kwispelde verwoed en raakte daarbij steeds met een lichte, droge tik de poot van een Bechstein.

‘Het is een toestand,’ zei de oude man.

‘Had dan ook beter opgelet,’ beet de vrouw hem toe.

‘Ja, my fault, no doubt.

‘Kijk,’ zei de vrouw, ‘daar ligt hij’, en ze liep naar een deur met glazen ruitjes en wees in de aangrenzende kamer. Langs de Bechsteinvleugel, manshoge potplanten en een zwaar eikenhouten bankstel stapte ik naar de deur en keek de kamer in. Op een eenvoudige keukenstoel met gevlochten zitting lag een opmerkelijk forse slang naar ons te kijken.

‘Nogal een kanjer,’ zei ik.

‘Ja,’ zei de gravin, ‘vindt u ook niet dat ’t gekkenwerk is om ons met zo’n beest op te schepen?’

‘Ach, hou toch op,’ zei de graaf, ‘dat weten we nu wel.’

‘Het is jammer dat hij opgerold ligt,’ zei ik, ‘het zou een toornslang of pijlslang kunnen zijn, maar ’t is vrij moeilijk te zien.’

‘Zijn die giftig?’ vroeg de vrouw.

‘Toornslangen en pijlslangen behoren tot de ringslangachtigen. Alle ringslangen hebben gifklieren, maar daar kunnen ze ons weinig kwaad mee doen. Het enige is... een toornslang, die heet zo omdat hij enorm agressief kan zijn. Als je er een vinger naar uitsteekt, vliegen ze je al aan. Hoe heeft uw kleinzoon het voor elkaar gekregen zo’n agressieveling op te pakken en mee te nemen? Is hij nooit gebeten?’

‘Nee,’ zei de oude man, ‘het joch is nooit gebeten. Integendeel, slangemans schijnt juist een uitzonderlijk lief beestje te zijn.’

‘Lief beestje!’ hoonde de vrouw.

Ik tuurde naar de kastanjebruine slang. Loom richtte hij zich op. Met twee helderbruine oogjes keek hij me scherp aan. Dat verbaasde mij. Een slang die je vrijpostig aankeek – heel ongebruikelijk. Toen bewoog hij zijn kop lichtjes heen en weer. Hij ging verliggen. Een wonderlijk, vertrouwd geknisper klonk op.

‘Maar... maar...’ stamelde ik, want zowel die subtiele kopbewegingen als dat zonderlinge geknisper plus die heldere, pientere oogjes kwamen mij bekend voor. Toen zag ik de glanzende ringachtige schubben en de messcherpe vouw in zijn zijde, en wist ik, mede dankzij de informatie over z’n land van herkomst, vrijwel zeker waarmee ik van doen had. Toch moest ik mij zelf duchtig voorhouden dat ‘lef’ en ‘laf’ maar één letter schelen voordat ik durfde te vragen: ‘Zou ik hem van dichtbij mogen zien?’

‘Dan moet u de tuinkamer in,’ zei de vrouw.

Zou ik dat doen? Ik keek de gravin aan. Ik schatte haar ongeveer net zo oud als ik. Toch was ze verbazend aantrekkelijk. Ze had prachtige, vochtig glanzende lippen. Bovendien was ze prettig groot. Bij het kussen zou ik niet hoeven bukken. Een onzinnige gedachte, maar een die roekeloze overmoed veroorzaakte. Onvervaard stapte ik door de deur. Anders wilde mij volgen, maar ik hield haar tegen. Beter geen watervlugge terriër met een sterk ontwikkeld jachtinstinct in één vertrek met een glasslang. Anders ging rechtop staan tegen de deur en keek me hevig kwispelend na toen ik op de glasslang afliep. Het was of ik dertig jaar terugstapte in de tijd. Het dier dat daar lag leek als twee druppels water op die andere goedmoedige glasslang die altijd als hij mij ontwaarde met een knisperend geruis van verschuivende schubben en met wijd geopende pretoogjes pijlsnel op mij af kwam kruipen omdat hij dacht dat ik hem pasgeboren ratjes kwam aanreiken.

‘Ben jij net zo aardig als je soortgenoot?’ vroeg ik.

Voorzichtig pakte ik hem vlak achter de kop op en zette hem terug in het terrarium. Met de glasplaat die daar blijkbaar voor bedoeld was, dekte ik het terrarium af. Achter mij zwaaide de deur open. Anders rende op mij af, sprong tegen de tafel op en blafte luid.

‘Hou op.’ Ik tilde haar op en liep terug naar de woonkamer.

‘Ongelofelijk,’ zei de oude man.

‘Welnee,’ zei ik. ‘Het spijt me voor uw kleinzoon, maar dit is geen echte slang, dit is een glasslang, een scheltopoesik.’

‘Een wat? Bent u serieus of... of...’

‘Dit is een pantserhazelworm, een pootloze hagedis... dat ik dat weet, komt enkel doordat ik vroeger bevriend was met een jaargenoot die thuis ook zo’n scheltopoesik hield. In de woonkamer kroop hij vrij rond. Als twee druppels water leek hij op deze glasslang. Hij was zelfs nog iets groter. Als je hem voor ’t eerst op je af zag komen, schrok je je te pletter. Toen ik onderzoek deed aan ratten, had ik altijd pasgeboren ratjes over. Die bracht ik dan naar de scheltopoesik. Hij was er dol op. Hij kon een nest jonge ratjes op; hij schrokte ze weg als kaasblokjes.’

‘Een scheltopoesik,’ zei de oude man. Aan zijn intonatie kon ik horen dat hij nog steeds dacht dat ik hem beduvelde.

‘Gelooft u me niet?’

‘Scheltopoesik,’ zei hij sceptisch, ‘dat klinkt als een fantasie-naam uit een sprookje.’

‘In Joegoslavië wordt hij blavor genoemd. Klinkt dat beter, minder sprookjesachtig?’

‘Blavor,’ proefde hij bedachtzaam.

‘Ik loop even terug naar huis,’ zei ik, ‘ik haal deel zes van Het leven der dieren van Grzimek, daar staat een plaatje van hem in en een verhaal over z’n leefwijze.’

Even later liepen Anders en ik in het onwerkelijke zonlicht van zo’n namiddag in februari waarop het voorjaar om de hoek gluurt, naar huis. Met Grzimek vi onder de arm kwamen we terug. Toen ik voor de oude man de passage over de scheltopoesik had opgezocht en hij zijn bril opzette, vroeg ik of ik de Bechstein mocht proberen.

‘Maar natuurlijk,’ zei de oude man.

Nadat ik enkele akkoorden had aangeslagen, speelde ik, verrukt over de sonore bassen, het begin van een van de skazki van Nicolai Medtner, opus 51 nummer 3. Vanuit de keuken kwam na de slotnoot de vrouw aanrennen. Ze neuriede het tertsenmelodietje van Medtner, zei: ‘O, wat een verrukkelijke muziek, speelt u alstublieft nog wat.’

‘Dit is zowat het enige wat ik uit m’n hoofd ken.’

‘O, maar we hebben bladmuziek, ligt hierachter, in een kastje. Wacht, ik pak het voor u.’

Ze legde een stapeltje oeroude, ouderwets gekafte boeken op de Bechstein. Toen ik voorzichtig een boek oppakte, bladderde het donkerbruine kaftpapier af. Zodra ik het boek opende, vielen er broos geworden stukjes van de bladzijden uit. Het waren – ik had het kunnen weten, want overal waar een beetje pianogespeeld wordt, prijkt dat het eerst op de lessenaar – sonates van Haydn. Op les had ik ze bijna allemaal gespeeld, dus durfde ik het aan om de achtste uit de eerste band in te zetten.

Na vijf maten riep de oude man verrukt: ‘Die speelde m’n moeder ook altijd!’

‘O, dan speel ik een andere,’ zei ik, en ik stopte.

‘Nee,’ zei hij, ‘alsjeblieft niet, ’t is zo leuk om deze weer te horen en u speelt net als m’n moeder, net zo...’

Amateuristisch, dacht ik. Maar ik zei niets, speelde de verrukkelijke sonate en dacht: die Haydn, zo’n fantastische componist, en wat een godsgeschenk dat het niet zo nauw luistert als bij Mozart. Je kunt je best een foutje veroorloven.

Een poosje later mocht ik, onder het genot van een glas rode wijn, op mijn gemak van het wondermooie uitzicht over de Parousieplassen genieten. Hollandser kon het niet. Water, eilandjes aan de overzijde, een fragiel molentje, een spits torentje aan de horizon, elzen, wilgen, geel riet, en een paar aalscholvers, die zo steels voorbijvlogen dat het leek alsof ze incognito waren.

We overlegden over het dieet van de scheltopoesik. De oude man zei: ‘Ik las net dat zo’n beestje ’t liefst huisjesslakken eet. Ik geef hem elke dag gehaktballetjes. Zou dat ook goed zijn?’

‘Als hij niks anders had, hield mijn jaargenoot hem daar ook op.’

Toen Leonora was weggelopen om een nieuwe fles wijn te halen, boog de graaf zich conspiratief naar me toe en vroeg zacht: ‘Al iets naders te weten gekomen over Lotje?’

‘Ik heb haar gemaild,’ zei ik, ‘maar ze reageert niet.’

‘Jammer, ik wou haar vragen om m’n kleinkinderen te fotograferen.’

Ik keek hem aan en zag een glinstering in zijn ogen. Ik had het liefst gezegd: ‘Kleinkinderen fotograferen? Maak dat een ander wijs.’

Op een dag in maart schuifelde en gleed ik met Anders na een winterse bui over smeltende hagelstenen naar de bakker. Toen ik de bakkerij verliet, stond ik opeens oog in oog met Leonora. Ze keek me aan en ik zag weer die witte knokkels, de capuchon die bijna haar hele prachtige hoofd aan het gezicht onttrok. Haastig en schichtig zei ze: ‘Komt u alstublieft gauw weer eens langs, 1 Samuel 16 vers 23.’ Onderweg naar huis, rustig naast Anders voorstappend over de hagelstenen die onder mijn schoenzolen vrolijk vergruizelden, dacht ik: wat raar, wie voegt nu iemand een bijbeltekst toe? En wat staat daar? Op de Kapelaan wist ik bijna zeker dat ze had gerefereerd aan David, die met zijn harpspel de boze geest van Saul bezweert. En inderdaad, 1 Samuel 16 vers 23 luidde: ‘En het geschiedde als de geest Gods over Saul was, zo nam David de harp, en speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem.’

Met mijn amateuristische pianospel zou ik een boze geest bezworen hebben? Van haar echtgenoot die van Lotje getikt was? Als mijn onbeholpen spel een boze geest de deur uit had gewerkt, leek het effectiever om een opname van de sonates van Haydn in de cd-speler te leggen.

Een dag of tien later sloeg, terwijl ik achter mijn computer zat, Anders opeens aan. Ik haastte mij naar het raam. Over het grind kwam Leonora op hoge hakken aanstrompelen. Ik opende de voordeur.

‘Ik wou u niet storen,’ zei ze, ‘ik wou alleen maar even een brief bij u in de bus doen.’ Ze overhandigde mij een envelop. ‘Ik wou u vragen me te helpen. M’n schoondochter wil dat enge beest voorlopig niet terug. Ze zegt: “na onze verhuizing”, maar dat is een smoesje. En Jochem wil ’m ook niet meer. “Omdat ’t geen echte slang is,” zegt dat schaap. Ik ben zo bang dat we dat enge beest nooit meer kwijtraken. M’n man geniet ervan dat hij iedereen met die griezel doodschrik kan aanjagen. Straks ben ik al m’n vriendinnen kwijt. Die durven niet meer te komen.’

Met haar prachtige ogen keek ze me recht aan. ‘Als u... u kunt misschien iets tegen m’n man zeggen waardoor hij inziet dat hij die naarling beter de deur uit kan doen.’ Toen vermande ze zich, ze rechtte haar rug. ‘Kom gauw weer eens spelen, dat doet m’n man zo goed. Omdat uw spel ’m aan z’n moeder herinnert, denk ik.’

Op de Acolietenlaan liep ik met Anders later die dag in het uur tussen hond en wolf haar man tegen het lijf. Hij kuierde daar met zijn newfoundlander.

‘En? Wanneer komt u... kom je... zullen we voortaan “je” zeggen? Ik heet Abel... wanneer kom je weer Haydn op de Bechstein spelen?’

‘Voor een habbekrats koopt u... koop je van het label Naxos of bij ’t Kruidvat alle sonates van Haydn gespeeld door iemand die het duizendmaal beter kan dan ik.’

‘Ja, maar niet op het vleugeltje van mijn moeder.’

Ik was uit het veld geslagen door dat antwoord en zegde toe dat ik binnenkort langs zou komen.

‘Binnenkort,’ zei hij korzelig, ‘loop toch meteen even mee. Dan speel je een poosje en drinken we een glaasje wijn, waarom niet?’

Op weg naar zijn villa, zei hij: ‘Nog niets gehoord zeker?’

‘U bedoelt van Lotte.’

‘Inderdaad.’

‘Nee,’ zei ik, ‘helaas niet. Je kunt haar mailen, maar ze mailt niet terug. Voortvarend, eigenaardig meisje.’

‘Zeg dat wel. En beeld- en beeldschoon.’

‘Beetje te klein, beetje te tenger,’ zei ik om hem uit zijn tent te lokken.

‘Onzin,’ zei hij scherp, ‘juist omdat ze zo fragiel oogt en zo breekbaar lijkt, en toch reuze snedig weerwerk levert, juist daarom...’

‘...heeft ze onze hoofden op hol gebracht.’

‘Zeg alsjeblieft niks als Noor erbij is. Die denkt dat ik... ach, dat is natuurlijk allemaal onzin, op mijn leeftijd... maar ’t is toch beter als ze niks over dat Maleise prinsesje hoort.’