Moordenaarslaan

Mijn hond kuiert het liefst over de Acolietenlaan. Daar snuift zij bij de wortels van de linden de verrukkelijkste geuren op. Omdat ik graag een pittig tempo aanhoud, heb ik met haar afgesproken: als je aan lindewortels gesnuffeld hebt, laten wij de volgende linde links liggen. Toch schiet je zelfs dan niet op. Vandaar dat wij op zo’n wondermooie lentemorgen langzaam een opstootje naderden. Het zachte geritsel van het jonge lindeblad werd overstemd door de zwaarmoedige sirene van een ambulance. In de voorjaarsbries stierf het geluid weg. Even meende ik dat er, daar waar de Acolietenlaan eindigt en de Kapelaan begint, een ongeluk was gebeurd, maar dichterbij komend zag ik tussen het lichte groen van christusdoorns en kardinaalshoeden een vrouw op een keukentrapje balanceren. Ze torende hoog uit boven een forse vrouw die op een taboeret zat. Omdat ik beide vrouwen op de rug keek en trap en taboeret voor perspectivische vertekening zorgden, ontging mij aanvankelijk dat het de Maxizuster en de Minizuster betrof. Deze nonnen zijn onafscheidelijk. Een reuzin en een dwergje hebben elkaar in het klooster gevonden. Wat een vondst om ze daar, bij wijze van Umwertung aller Werte, op trap en taboeret te plaatsen.

‘Waarom zit u hier?’ vroeg ik aan de Maxizuster.

‘Zo meteen worden we op de foto gezet,’ zei ze trots. ‘Het meisje is even teruggelopen naar haar auto. Ze had haar belichtingsmeter vergeten.’

‘We gaan erop,’ lispelde het dwergnonnetje.

‘Steun toch met je hand op m’n schouder,’ zei de Maxizuster, ‘straks val je nog.’

‘Wat een dwaas idee om u beiden...’ begon ik.

‘Op alle foto’s,’ viel de Maxizuster mij in de rede, ‘ben ik groot en oogt Benedictina klein. Nu is het eindelijk eens andersom.’

In haar lange bruinzwarte jas kwam Lotte aanrennen. Weer die hoog opfladderende jaspanden!

‘Dag,’ zei ze, ‘mooi helder voorjaarslicht! Toen ik vanmorgen opstond, dacht ik: vandaag moet ik in Monward beslist een paar foto’s maken.’

‘Hoeveel heb je er al?’

‘Een stuk of twintig. Als ik de zusters genomen heb, wil ik weer rondlopen. Wie weet wat ik tegenkom. Heb je soms zin om mee te lopen? Ik wou je namelijk iets vragen. ’

‘Anders en ik zijn op weg naar het moordenaarslaantje.’

‘Zoals gewoonlijk. Stil plekje zeker? Ben je daar als meisje alleen met een man wel veilig? Want op zo’n eng laantje zie je natuurlijk geen kip. Heb ik vast niets aan, maar... wacht, laat ik eerst de zusters nemen. Ben ik even mee bezig. Kun je zolang wachten?’

‘Ondertussen lopen wij een rondje.’

‘Als ik eerder klaar ben, wacht ik wel.’

Toen de hond en ik terugkeerden op de kruising, stond ze al te wachten. We liepen tussen het prille voorjaarsgroen in de richting van de ruigten waarachter het moordenaarslaantje schuilgaat.

‘Onlangs kwamen die Maxi- en Minizuster,’ vertelde ik, ‘bij mij aan de deur. De Maxizuster zei: “Wij hebben gehoord dat u een seksboek geschreven hebt waar de hele wereld over spreekt. Dat boek willen wij beslist niet lezen, maar nu heeft onze hovenier gisteren gezegd dat u nog een ander boek hebt geschreven, een boek met innige meditaties, gebeden en vrome overwegingen. Dat boek zouden Benedictina en ik zo graag willen inkijken. Kunt u ons daar misschien aan helpen?” De Maxizuster keek me zo trouwhartig aan dat ik het niet over m’n hart kon verkrijgen om te zeggen: “Zusters, het is vandaag 1 april, jullie hovenier heeft jullie erin geluisd.” Dus ik zei alleen maar: “Er is vast sprake van een misverstand. Zo’n boek heb ik helaas niet geschreven.” Waarop de Maxizuster zei: “Misschien kunt u dat alsnog doen.”

“Nou, nee...”

“Ach, toe, de mensheid smacht ernaar.”

“Ik zal ’t overwegen,” zei ik om ervan af te zijn.

“Doen hoor,” zei de Maxizuster, en de Minizuster viel haar bij en vroeg toen: “Maar hebt u dan misschien een bidprentje voor ons? Dat we toch niet voor niets hierheen zijn gekomen.”

Zo’n bidprentje kon ik natuurlijk net zomin leveren als innige gebeden en vrome meditaties, dus moesten ze met lege handen heen. Maar bijna altijd als ik de zusters tegenkom, vragen ze of ’t boek met de gebeden en meditaties al verschenen is.’

‘Ik heb ze er nu niet naar horen vragen,’ zei Lotte.

‘Ze waren te opgewonden vanwege die foto.’

Voor ik mijn zin had afgerond, riep ze: ‘Die man daar op dat pleintje, wie is dat?’

‘Onze plaatselijke mollenvanger.’

‘O, die moet in m’n boek,’ zei ze en ze wapperde op hem af.

‘Nu meteen?’ hoorde ik hem vragen.

‘Nee, met klemmen en mollen.’

‘Die mollen moet ik dan eerst vangen.’

‘O, dat geeft niet, ik heb de tijd.’

‘Eind volgende week misschien. Ik garandeer niks, maar...’

‘Ik zoek u op. Waar woont u?’

‘Da’s knap lastig te vinden. Hoe moet ik dat nou uitleggen? Wacht, die boekschrijver weet waar ik woon, misschien wil die je de weg wel wijzen.’

‘Ik zal ’t hem vragen. Volgende week vrijdag? Tien uur?’

‘Da’s afgesproken.’

Nadat ik haar had beloofd dat ik haar naar het adres van de mollenvanger zou gidsen, vervolgden we onze tocht. ‘Dus zo doe je dat? Je stapt domweg op je slachtoffers af...’ zei ik.

‘Is daar iets tegen?’

‘Mij lijkt dat je ze omzichtiger zou moeten benaderen. Eerst een brief. Of per telefoon.’

‘Niks van. Op een brief reageren ze niet. Bel je op, dan houden ze de boot af. Stap je op ze af, dan zeggen ze meteen ja.’

‘Ook alleen maar omdat je zo’n allemachtig leuk meisje bent.’

‘Hoe oud schat je mij?’

‘Ik denk: vierentwintig.’

‘Wat knap! De cijfers zijn goed, maar de volgorde niet.’

‘Ben je al tweeënveertig? Nee, nee...’

‘Dus hou op over leuk meisje. Wat ik je wil vragen is: zou je een voorwoord bij mijn boek willen schrijven?’

‘Ik? Een voorwoord? Hoe kom je daar nou bij?’

‘Ik ben in je boek begonnen, ik snap er geen bal van, maar je kunt leuk schrijven. Vooral over die beestjes met vijf seksen.’

‘Beestjes? Eencelligen! Paddestoelen!’

‘Weet ik veel, maar zeg eens: wil je dat doen? Schrijf je een voorwoord?’

‘Krijg ik dan inspraak? Mag ik dan een lijstje indienen van de Monwarders die ik er graag in wil hebben?’

‘Dat mag, maar ik behoud me ’t recht voor iemand te weigeren.’

‘Ik begrijp niet dat ’t zo nauw luistert. Dat domineetje...’

‘... in haar algenblauwe togaatje. Daar gaan we weer.’

‘Goed, laat zitten, maar de gravin...’

‘Wie?’

‘De gravin die aan de goudkust woont. Wacht, als we hier afslaan en straks nog eens, kunnen we langs haar huis lopen. Vaak is ze in haar voortuin bezig of kun je haar door een gat in de ligusterhaag in haar keuken rond zien stappen.’

‘Is het een echte gravin?’

‘Nee, maar omdat ik niet weet hoe ze heet noem ik haar altijd in gedachten Almaviva, naar de gravin uit Le Nozze di Figaro van Mozart.’

Show mij die Alva.’

We sloegen af, liepen over de Heeroombaan. Lotte keek naar het gedicht op de blinde muur van restaurant Rome.

‘Vinden ze ’t hier ook nodig om de muren van versjes te voorzien?’

‘Het is het enige muurgedicht in ’t hele dorp,’ zei ik vergoelijkend en ik kon niet nalaten om het, terwijl we alweer verder liepen te citeren:

‘De goe de goe gedachten,

ze komen binst de Messe mij;

de goe de goe gedachten,

’t is Jezus zelf, Hij zendt ze mij:

de goe de goe gedachten,

’t is honingraat, ’t is zalf voor mij,

de goe de goe gedachten!’

‘Ken jij dat uit je hoofd?’ vroeg Lotte verbaasd.

‘Gezelles twee laatste regels zijn helaas niet sterk,’ zei ik onverstoorbaar, ‘en ik vind dat, en daar is op die muur ruimte genoeg voor, de slotregel uit het eerste antwoord van ‘Zondag 30’ van de Heidelbergse catechismus erbij zou moeten staan: “Alzo is de Paapse mis in de grond anders niet dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij.” ’

‘Als je een beetje lef had had je dat allang diep in de nacht met een fijn verfkwastje erbij gezet.’

‘En dan er nog bij: “Mis. Het woord zelf is raak!” ’

We sloegen nogmaals af, liepen even langs de voortuin van de gravin. Met haar rug naar ons toe lag ze op haar knieën, ze was blauw-gele violen in een van haar borders aan het planten.

Lotte wierp een blik op haar en fluisterde: ‘Het spijt me, die niet.’

Vanuit de villa stapte haar echtgenoot het bordes op. Wankelend als een wichelroedeloper daalde hij de treden van het bordes af. Voorzichtig stapte hij in de richting van de violen.

‘Die man... is dat de graaf?’

‘Als zij gravin is, moet hij wel graaf zijn.’

‘Het is eerder een markies. Wat een imponerende man. Tien tegen één is ’t zo’n kerel die alleen maar met z’n vrouw op de foto wil. So what, desnoods kan ik haar eraf knippen.’

We liepen verder.

‘Wie staat er nog meer op jouw lijstje?’ vroeg ze.

‘De bazin van de beautysalon.’

‘Komen we daar langs op weg naar ’t moordenaarslaantje?’

‘Als we een kleine omweg maken.’

‘Dan doen we dat.’

Aangeland bij de beautysalon tuurde ze door de grote etalageruit naar binnen.

‘Ik zie een gespierde negerin. Is dat de vrouw die je bedoelt?’

‘Ja, ze komt uit Somalië. Dat wil zeggen, haar ouders kwamen daar vandaan. Voorzover ik weet is ze zelf in Nederland geboren.’

‘Wat een reuzin. Daar kunnen twee vrouwen van mijn type uit.’

‘Nee, niet waar, zo fors is ze niet.’

‘Het spijt me voor je, ik geloof niet dat die in mijn boek past.’

‘Da’s discriminatie.’

‘Daar heeft ’t niks mee te maken. Ze is niet echt. Het is vast een Somaliër die zich tot vrouw heeft laten ombouwen.’

‘Hoe kom je daarbij?’

‘Al wat vrouwelijk heet, maar waar geen vrouw mee geboren wordt, heeft dit mens overgeaccentueerd. Da’s typerend voor travestieten en transseksuelen. Heipaalhakken, vuistbijloorbellen, regenboogogen, siliconenlippen, dievenklauwnagels. En moet je zien, Tina Turner-haar. Wedden dat dat een pruik is.’

‘Ze is hier in ’t dorp veruit de opvallendste verschijning. ’t Zou iedereen verbazen als ze in je boek ontbrak.’

‘Als ik jou er een plezier mee doe, wil ik haar wel fotograferen. Maar of ze dan ook in mijn boek... zo niet, dan krijg jij als dank voor ’t voorwoord die foto, kun je die boven je bed hangen... en nu snel door naar jouw moordenaarslaantje. Waarom heet het zo?

‘Ooit heeft daar een kanunnik een misdienaartje, nadat hij het schaap geschonden had, met een lunula de schedel ingeslagen en vervolgens met een collaar gewurgd.’

Toen we een minuut of tien later, achter de kinderboerderij langs, het smalle, kronkelende koolaspaadje bereikten dat naar een breed boezemwater leidt, vroeg ze achterdochtig: ‘Is dit het moordenaarslaantje?’

‘Wis en zeker. En ’t is hier in ’t dorp ook de enige vindplaats van genadekruid en beekpunge. Zie je al die blauwe bloemetjes, daar langs de waterkant? Da’s beekpunge. D’r is, althans in Nederland, nauwelijks een mooier plantje te vinden.’

‘Vlij je neer.’

‘Wou je me hier fotograferen? Kom ik ook in je boek?’

‘Dat denk ik niet. Hoogstens een piepklein inzetportretje bij ’t voorwoord.’

‘Da’s al meer dan waar ik op had durven hopen,’ zei ik gekscherend. En ik neuriede steels een wijsje.

‘Wat zing je daar?’ vroeg ze streng.

‘ “Ein liebliche Blume am Ufer ihm blüht” uit het liedje Geheimnis van Hermann Goetz.’

‘Zegt me niks,’ zei ze. ‘Wie was Goetz?’

‘Een componist uit de negentiende eeuw. Is jong gestorven. Speel je toevallig piano?’

‘Nee.’

‘Jammer, ik zoek al jaren een partner om zijn juweelsonate voor piano vierhandig mee te spelen.’

Op de terugweg kwamen we bij de kinderboerderij de plebaan tegen. Met zijn vollemaansgezicht en zijn ouderwetse bril met zwart reuzenmontuur leek hij op een witneushuzaaraap.

‘Wie is dat? O, die wil ik in mijn boek,’ zei Lotte.

‘Allicht,’ zei ik. ‘Dat is de plebaan, dat is een steunpilaar van de kerk en een steunpilaar van de gemeenteraad en van al wat er verder in het dorp ook maar pilaarbaar is.’

Breed glimlachend poseerde de plebaan even later bij de ingang van de kinderboerderij.