Molly
Die avond stemde ik voor het eerst in mijn leven af op Twee Vandaag. Had ik dat maar niet gedaan. Na de uitzending zat ik als een zombie op de bank, terwijl Anders gulzig het zweet van m’n voorhoofd likte. Wat de Twee Vandaag-kijkers te zien kregen, was een eerbiedwaardige, smetteloos in driedelig grijs geklede doctor Snemek achter een imposant bureau. Telkens had hij, met dreigend rollende r’s, ‘verbijsterend gevaarlijke zandadder’ laten opklinken.
Na zijn fluwelen basstem klonk wat ik zei alsof ik vals een piccolo bespeelde. Daarbij kwam dat ik eruitzag als een gepensionneerde Pe Pastinakel. Tussen mijn schamele bonenstokken en het danig vergelende blad stond ik, terwijl mijn handen onophoudelijk zenuwachtig over mijn vale, slobberende spijkerbroek en mijn rafelige t-shirt streken, erbij alsof ik mijn rug kromde om zweepslagen af te weren. Wat een weirdo. En die weirdo kneep, omdat hij tegen de zon in moest kijken, zijn ogen half dicht en zag er daardoor uit als een Chinese gangster die aan een mank besje haar pincode had ontfutseld. En zoals ik uitbracht dat ik gratis bij de rouwdiensten orgel wou spelen. Met een valse, malicieuze grijns op mijn gezicht. Alsof ik mij daarop innig verheugde.
Het werd tijd om Anders uit te laten. Met een bezwaard hart sloop ik de deur uit, half en half verwachtend dat enkele dorpsgenoten jouwend en met zwaar over het grind knarsende laarzen op mijn erf heen en weer zouden lopen. Het bleek doodstil, en die gulle zon scheen alsof er niets aan de hand was. Gelukkig kon ik via een achterweggetje langs een bollenveld naar een stil, halfverwilderd parkje lopen, met een kinderboerderij middenin. Daar schurkten alleen smartelijk mekkerende geitjes tegen de hekken. En overal woekerden manshoge hagen van harige wilgenroosjes. In geval van nood kon ik makkelijk daarachter wegduiken.
De ervaring leert dat je tegenslagen het best peripatetisch kunt verwerken. Kalmpjes voortkuierend werd ik rustiger. Alleen demente bejaarden keken naar Twee Vandaag, het zou zo’n vaart niet lopen. Ik rondde de kinderboerderij, kwam niemand tegen. Pas toen ik via tegelpaadjes in de immense achtertuin van Mariagaarde slinks naar huis probeerde terug te sluipen, kruiste mijn pad dat van een dorpsgenoot die twee krijgshaftige snorren cultiveerde op de plaats waar bij gewone stervelingen de wenkbrauwen zitten.
‘U hier? U was net nog op de buis,’ gromde hij.
‘Was vanmorgen opgenomen,’ zei ik losjes.
‘U durft heel wat te zeggen.’
‘Ach.’
‘Ze moesten u... Ik verzeker u, dit muisje krijgt nog een héél lang staartje. Orgelspelen om niet, godallemachtig!’
Anders begon te grommen en ontblootte zijn snijtandjes.
Verbaasd keek meneer Wenkbrauwsnor mijn hondje aan en zei laatdunkend: ‘Zo, zo, ’t lijkt erop alsof dat mormel alvast met het orgelspel begint.’ Waarna hij, nog eenmaal omkijkend, zich snel verwijderde.
Anders en ik liepen vlug de andere kant op en bereikten het smalle grindpad dat naar ons huis voert. Ik wilde opgelucht ademhalen, maar zag toen Molly aankomen. Die was kennelijk aan de deur geweest en liep nu mijn erf af. Toen ze Anders en mij zag, bleef ze staan wachten.
‘O,’ zei ze zodra we haar bereikt hadden, ‘daarom was je niet thuis. Je liet de hond uit.’
‘Had ik dat maar niet gedaan, dan was mij een reprimande van meneer Wenkbrauwsnor bespaard gebleven.’
Vragend keek ze me aan.
‘Die man met die enorme wenkbrauwsnorren. Die gepensioneerde piloot.’
‘O, je bedoelt Zoltan Woudsluys. Die heeft voor me geposeerd. Heeft hij je een reprimande gegeven? Over Twee Vandaag?’
Ik knikte schuldbewust.
‘Ik vond je juist zo aandoenlijk. Zoals je daar stond, tussen die bonenstaken... ik dacht: ik moet even naar ’m toe; ik ga ’m een beetje opbeuren.’
Ze deed haar best zo betoverend mogelijk te glimlachen. Helaas had ze een oud zwart vestje aan over zo’n fluttig gebloemd jurkje, dat niet bepaald camoufleerde hoe mollig Molly was. En een briesje woei een geur aan alsof, om met Dickens te spreken, een fee na een bezoek aan een wijnkelder gehikt had.
‘Mag ik je... nee, ik moet ’t anders zeggen. Weet je, toen ik je zo zag op de buis... Je bent best een mooie man, maar je weet niet hoe je je moet kleden. Had een geruit overhemd aangetrokken, dat staat meteen al veel beter dan zo’n oud t-shirt. En die slobberende spijkerbroek... Hoe krijg je ’t voor elkaar om een spijkerbroek te laten slobberen. Hé, die broek heb je trouwens nog steeds aan; zo ga je toch niet op televisie?’
‘Ze kwamen onverhoeds m’n erf op, en ik heb er niet aan gedacht om even iets anders aan te trekken.’
‘Jammer dat ik niet in de buurt was.’
Ze haalde diep adem, wilde iets gaan zeggen, deed een stap mijn richting uit, haalde weer diep adem en zei toen zo snel dat ze haast struikelde over haar woorden: ‘Zal ik je eens iets zeggen? Jij hebt een vrouw nodig. Alleen, da’s echt niks voor jou. Je loopt erbij voor schobberdebonk. Niemand die op je kleren let. Ze zien er daarom voddig en slonzig uit. En je schoenen, kijk je schoenen eens. Ik wil wedden dat ze al weken niet gepoetst zijn. Zou ’t nou...’
En opnieuw slurpte ze een gigantische hoeveelheid lucht naar binnen, zuchtte en stootte die lucht ook weer uit. Ze vermande zich en zei strenger dan zo-even: ‘Jij hebt een vrouw nodig.’
Toen glimlachte ze betoverend. Al haar wodkamoed mobiliserend, prevelde ze: ‘Zou ’t geen goed idee zijn als wij samen... jouw vrouw is ervandoor en ik ben ook sinds enige tijd alleen. Als wij eens... We zouden ’t allicht kunnen proberen, jij en ik. Waarom niet? Ik kan lekker koken, m’n varkenshaasjes zijn wereldberoemd.’
‘Ik eet geen vlees,’ zei ik bits. ‘De bio-industrie verfoei ik tot in ’t diepst van m’n ziel. Zeven miljoen varkens hebben ze een jaar of twee terug geruimd om een virus te bestrijden, terwijl er nota bene een voortreffelijk vaccin op de markt is. Alleen dat al, zo’n varkensholocaust, zo’n verbijsterende misdaad.’
‘Ben ik met je eens. Ik haal m’n vlees altijd bij de scharrelslager. Ik wil ook niks te maken hebben met de bio-industrie.’
‘Het is nog veel beter om helemaal geen vlees te eten.’
‘Meen je dat echt... als dat een punt is... daar komen we samen zeker uit. Dan bak ik quiches voor jou, daar ben ik ook goed in. Jij en ik, ik zie ’t echt voor me. Jij vindt mij toch ook... Jij had ’t over een Zweeds spreekwoord...’
Akelig laag kwam een viermotorige Boeing over. Meestal word ik woedend als zo’n gierend monster griezelig laag over de bomen aan komt daveren, maar nu gaf dat verpletterende lawaai mij respijt. Zeker, ik had een Zweeds spreekwoord aangehaald: ‘Een man wil een magere vrouw om mee uit, maar een dikke vrouw om mee naar bed te gaan.’ Daaruit had Molly, via de omweg van wishful thinking, opgemaakt dat ik met haar naar bed wilde. Zo voorzichtig als je toch moest zijn met wat je achteloos liet vallen, zelfs als er maar terloops gezinspeeld werd op minnehandel.
Terwijl het dreunende lawaai de lucht vulde, had ik alle tijd om haar goed te bekijken. Onbetwist een reuze aardig gezicht. Mooie donkere ogen; stevige, volle, vlezige lippen, en daaronder een kin met een parmantig gleufje. En zo’n volle, weelderige haarbos waar je met je hand in woelen kon. Natuurlijk, ze was halverwege de veertig, dat was goed te zien, en ze oogde nogal vadsig. Maar mannen genoeg die ’t dolgraag met haar zouden willen doen. Hoe spijtig nu dat ik, terwijl ze zich doodgemoedereerd kwam aanbieden, daar niet bij hoorde. Was ze zo wanhopig? Waren er, als je eenmaal op leeftijd was gekomen, zo weinig mannen over om een keuze uit te maken? Akkoord, weduwnaars waren schaars, maar het wemelde immers van gescheiden mannen. Waarom uitgerekend mij, dacht ik, waarom wil ze mij hebben? Omdat mij schamele roem en duiten zijn aangewaaid vanwege m’n Roekeloze buiteling? Die lui van de televisie hadden er duidelijk geen flauw idee van gehad dat ik de schrijver daarvan was, dus zo beroemd of zelfs maar bekend was ik niet. Het vliegtuiglawaai stierf weg.
‘Kun je fluiten?’ vroeg ik.
‘Fluiten? Hoe fluiten? Wat fluiten?’
‘Gewoon fluiten’, en ik floot wat mij voor de lippen kwam: een paar maten uit ‘Geheimnis’ van Goetz.
‘O, bedoel je dat,’ zei ze, en ze tuitte haar lippen. Er klonk iets wat leek op het sissen van boter in een braadpan.
We schoten allebei in de lach, en daar misbruik van makend, zei ik gekscherend: ‘Zie je wel, dat wordt niks.’
‘Waarom niet? We kunnen ’t toch een poosje proberen? We hoeven niet meteen samen te gaan wonen. Latten vind ik ook best. Een proeftijdje, hoe denk je daarover? In bed ben ik leuk hoor, echt reuze leuk.’
‘Ik niet. Ik kan er niks van. Ik ben een lousy lover. Ik heb veel te veel haast. Voor de liefde moet je attent en rustig en geduldig zijn. Maar die tijd gun ik mezelf niet. Lig ik met iemand in bed, dan popel ik van ongeduld om eruit te gaan. Net als bij een film. Dan denk ik ook altijd na een kwartier: mag ’t licht weer aan.’
‘Is daarom je vrouw bij je weggegaan?’
‘Nee, daarom niet,’ zei ik stug.
‘O, sorry, dat had ik niet moeten vragen, dat is blijkbaar een teer punt.’
‘Ik vind je erg aardig, maar ’t is tot op heden niet bij me opgekomen...’
‘Zou je er eens over na willen denken? Ondertussen ga ik thuis flink oefenen.’
‘Waarop?’ vroeg ik verbaasd.
‘Fluiten, natuurlijk, sukkeltje. Ik weet nog goed dat m’n vader vroeger altijd zei: “Meisjes die fluiten, krijgen jongens met duiten.” Had ik nou maar beter naar ’m geluisterd.’
Ze begon weg te lopen over het pad, maar kwam toen opeens terug. ‘Als je maar weet dat je die Leonora nooit zult krijgen. Ten eerste heeft ze al iemand en ten tweede... Nee hoor, die krijg je nooit, nooit en nooit, als je dat maar weet.’
‘Hoe kom je erbij dat ik...’
‘Je loopt daar de deur plat.’
Weer kwam er akelig laag zo’n viermotorig monster over. Het leek of het leven daaronder tot stilstand kwam. Wij stonden versteend op het pad. Zodra het gieren van de motoren draaglijker proporties had aangenomen, riep ze: ‘Ooit nog wat van dat gansje gehoord?’
‘Van wie?’
‘Van dat magere scharminkel, die flutfotografe waar jij als een baksteen voor viel.’
‘Nee. Voorzover ik weet heeft ze vorig jaar een paar maanden driftig gefotografeerd en in ’t najaar heb ik nog een voorwoordje geschreven voor haar boek, maar daarna heb ik er niets meer over gehoord.’
‘Voorwoordje geschreven! Verdomme! Zo’n stom wicht, zo’n gansje...’
‘Heeft ze jou gefotografeerd?’
‘Ja. In m’n atelier. Met m’n naakten.’
‘Vreemd dat zo’n project dan...’
‘Ach, maar dat was toch meteen duidelijk. Ik wist direct, dat wordt een doodgeboren kindje.’
‘Moet jij zeggen. Wanneer exposeer jij die geruchtmakende naakten?’
‘Binnenkort,’ zei ze nijdig, en met driftig hamerende stappen liep ze op weinig elegante, vervaarlijk klepperende houten sandalen het pad af.