Lotte
‘Kleed je maar uit.’
‘Helemaal?’
‘Geen vragen stellen waarop je het antwoord weet.’
‘Waar laat ik m’n kleren?’
‘Leg ze over een stoel.’
‘Ik geloof niet dat ik hier een stoel zie.’
‘Nou dat weer. Gooi ze op de vensterbank. Wat wil je drinken? Koffie?’
‘Ik drink nooit koffie. Heb je thee?’
‘Kruidenthee? Jasmijn? Munt? Groene thee?’
‘Echte thee graag.’
‘Earl Grey?’
‘Daar kregen piloten tijdens nachtvluchten hartritmestoornissen van.’
‘Dan heb ik alleen nog Westminster van de Aldi in de aanbieding.’
‘Klinkt goed.’
Molly zette een keteltje op een gaspit.
‘Hoeveel heb je er al gehad?’ vroeg ik.
‘Eh... laat eens kijken, elf geloof ik, jij bent de twaalfde. Hoor eens, echt alles uit... mooi zo. Alle mensen, hoe kom jij op jouw leeftijd aan zo’n goed figuur? Nog geen spoor van een buikje. Hoe kan dat? Jij bent toch al vijfenvijftig plus?’
‘Min of meer.’
‘Ik snap er niks van. Die andere elf... allemaal flink opgebold onder het middenrif, en jij... hoe doe je dat? Lijn je voortdurend?’
‘Nee, wie gaat lijnen, zal verkwijnen. Lijnen verfijnt de listen van het lijf om vet vast te houden als je weer normaal eet. Wie lijnt, wordt lijvig.’
‘Wat moet je dan?’
‘Houd je aan mijn stelregel: overal mag ik in bijten, mits ik daarvan flink ga schijten.’
‘Zou dat bij mij ook helpen?’
‘Ja, niets ontberen, maar laxeren.’
‘Op rijm vermageren!’
‘Precies. Eet met mate koolhydraten! Korte metten met de vetten.’
‘Dat spreekt vanzelf. Nog meer advies?’
‘Label wat je wegschrokt met doorlopers.’
‘Met wat?’
‘Mondkost waarvan je aan de reutel gaat.’
‘Zoals?’
‘Roggebrood, rauwkost, mango’s, kiwi’s, tomaten en vooral peulvruchten. Tovermiddelen! Sojaboontjes, linzen, erwten, kapucijners, garbanzo’s.’
‘En dan kun je verder snoepen en drinken naar hartelust?’
‘Ben je helemaal gek! Snoepen is sowieso ondenkbaar.’
‘Maar net zei je: overal mag ik van snoepen, mits ik daarvan flink ga poepen.’
‘Ik had ’t niet over snoepen, ik had ’t over bijten. Snoepen en drinken... alcohol is een van de grootste dikmakers. Bier is barbaars. Behalve een buikje krijg je daar ook borsten van. Per dag hoogstens twee glaasjes rode wijn.’
‘Getver, wat een streng regime.’
‘Het is maar waar je voor kiest.’
‘Laxeren, lariekoek! Jij bent zo mager omdat je constant in beweging bent. Elke dag zie ik je fietsen. Elke dag wandel je een paar keer met je hond het hele dorp rond, je hakt je eigen hout, je spit je tuintje, je wiedt, je schoffelt...’
‘Zeker, niets pleit tegen veel bewegen, ’t is minstens zo belangrijk als laxeren. Veel bewegen strekt tot zegen.’
‘Dan maar meer sporten. Liever fitness dan dun afgaan.’
‘Denk aan wat ze in Zweden zeggen: een man wil een magere vrouw om mee uit, maar een mollige vrouw om mee naar bed te gaan.’
Nijdig snuivend schonk ze kokend water in een theepot. Ik tuurde naar buiten. Het was het weer van Emily Brontë. Hevig ruisende groene bomen. Een stevige westenwind. Voortijlende, helderwitte wolken. Geweldig gedein en gegolf van kamgras en kropaar in de montere bries. Terwijl ik daar stond, poedelnaakt, en zij in de weer was met de theepot, huiverde ik. Om de kou te bezweren zei ik: ‘Gisteravond las ik in Home Is Where the Wind Blows van Fred Hoyle zo’n grappig verhaal. Een ambtenaar in een dorp in Wyoming krijgt van de regering de vraag voorgelegd: “What is the death rate – het sterftecijfer in uw dorp?” Die ambtenaar tobt daar een paar nachten over. Death rate? Wat bedoelen ze daarmee? Na een paar dagen laat hij Washington trots weten: “Ons sterftecijfer hier is hetzelfde als overal elders. Per inwoner altijd maar één overlijden.” ’
Waarom lachte ze niet? Ze keek me misprijzend aan. ‘Zo te zien kun je geen moment stilstaan. Ben je zo slecht op je gemak?’
‘Het is “rûzich waar”, zoals de Friezen zeggen. Toen ik nog biologieles gaf, zaten m’n pupillen ook geen moment stil als ’t zo hard woei.’
‘Toch zou ik graag zien dat je niet bewoog. Is er iets waarmee ik je rustig krijg? Een kalm muziekje?’
‘Waar denk je dan aan?’
‘Weet ik veel waar jij van houdt. Was je vroeger van de Beatles of van de Stones?’
‘Van geen van beide.’
‘Van Elvis dan?’
In plaats van te antwoorden, vroeg ik: ‘Heb je misschien ook legitieme muziek.’
Vragend keek ze me aan.
‘Iets van Mozart,’ verduidelijkte ik, ‘of desnoods van Mahler.’
‘O, klassiek! Laatst kreeg ik een doos bij ’t Kruidvat. Zal ik daar iets uit opzetten?’
Ze pakte de doos. Hij was nog geseald. Ze probeerde het plastic eraf te trekken. Dat lukte haar niet. Ze nam een stanleymes, haalde daarmee fel uit. Het plastic knetterde en reflecteerde zonlicht zodat ik even verblind werd. Ze trok het cellofaan eraf, deed een greep in de doos en liep met een cd naar een speler.
Zoals dat daar klonk, in die lichte ruimte, met uitzicht op vredig grazende schapen in onstuimig grasland.
‘Schubert, strijkkwartet in d klein,’ mompelde ik, en ik had er min of meer vrede mee dat ik daar naakt stond en mij door haar had laten overhalen te poseren. Ze zette een beker thee voor me neer, ging toen achter een schuin omhoog staande tekentafel zitten en keek me aan alsof ik een boomstronk was.
‘Voor ik begin eerst graag even een cv’tje. Om onder het portret te zetten. Dicteer maar.’
‘Geboren in de hongerwinter. Opleiding: bewaarschool, klompenschool, lyceum, studie biologie. Na militaire dienst jarenlang staflid van de afdeling Evolutionaire en Ecologische Wetenschappen. Op wachtgeld gezet toen die afdeling werd wegbezuinigd. Burgerlijke staat: gehuwd, maar echtgenote is ervandoor gegaan met beste vriend.’
‘Kinderen?’
‘Geen kinderen.’
Ze schreef het op, begon toen te schetsen. Halverwege het tweede deel, daar waar Schubert deemoedig uitpakt met triolen, richtte ze zich op en zei: ‘Wat komt daar aan?’
Ik keerde mij naar het venster. Over het grindpad fladderden de lange panden van een bruinzwarte leren jas.
‘Het lijkt wel een cape,’ zei ze. ‘Waar komt die opeens vandaan gevlogen?’
‘Volgens mij zit er iemand in.’
‘Welnee, het is een losse jas, kijk maar, de panden klapperen als vleugels.’
‘Zo’n zware jas kan toch nooit zo lang in de lucht blijven?’
‘Ook niet als ’t zo hard waait?’
‘Het is slecht te zien van tweehoog, maar volgens mij...’
‘Ik loop even naar beneden.’
Op de houten wenteltrappen roffelden haar voeten. Een deur sloeg, toen hoorde ik vrouwenstemmen. Weer die voetstappen op de houten trap. Geen moment kwam bij me op dat Molly degene die blijkbaar met haar meekwam, het atelier in zou loodsen, dus ik bleef rustig staan. De deur van het atelier zwaaide echter open, Molly stapte binnen en achter haar verscheen, afgebiesd met een lange paarsblauwe sjaal, de bruinzwarte jas.
‘Schrik niet,’ zei Molly over haar schouder, ‘ik was aan ’t werk, dit is m’n model.’
‘Voor je project?’
‘Zeker. Doe even je jas uit, wil je thee?’
‘Graag.’
Het meisje dat uit de lange leren jas stapte als een slang die vervelde, keek naar me alsof ’t niks bijzonders was dat ik naakt bij het venster stond. Ze zei tegen Molly: ‘Ik kom vanwege jouw project. Ik wou met je overleggen. Dat je niet denkt dat ik op jouw akker wil ploegen.’
‘Wat ben jij dan van plan?’
‘In ons dorp heb ik de tweehonderd markantste inwoners gefotografeerd. Daar is een boek van gemaakt. Dat is nogal een succes geworden. Iedereen daar wou ’t aanschaffen. Ze stuurden ’t zelfs naar familie overzee. Zo’n boek voorziet in een behoefte. Nu hebben ze me gevraagd of ik ook zo’n boek wil maken van de tweehonderd bijzonderste mensen van dit pareldorpje. Maar jij bent al bezig...’
‘Ik fotografeer niet. Ik teken. Ik zie niet in... ga even zitten.’
‘Ik zie hier geen stoelen.’
‘O nee, da’s waar ook. Een bekende klacht. We kunnen op de vensterbank zitten. Schuif die broek maar op. Of misschien kan ’t model een en ander even aantrekken.’
Zo snel mogelijk schoot ik in mijn kleren. Dat luchtte op. Nu kon ik tenminste het donkere meisje, dat, gestoken in een citroengeel truitje en dito broek, als een sijsje uit die bruinzwarte jas te voorschijn was gekomen, beter bekijken. De Schepper was voor zijn doen geweldig uit zijn slof geschoten. Onwaarschijnlijk tenger was ze. Overvloedig, gitzwart haar dat in een lange vlecht onverbiddelijk naar de bilnaad werd geleid. Minstens vijftig procent genen uit de gordel van smaragd. Ze oogde als een meisje van amper duizend weken, maar met zulke griezelig gracieuze Balineesjes of Celebeesjes kun je je enorm vergissen.
Ze roerde kalm in haar van suiker voorziene thee, zei: ‘Ik wil echt vermijden dat je denkt dat ik je de loef af wil...’
‘Wees toch gerust, kiek wie je kieken wilt, ’t zal mijn project niet bijten, ik heb nu zo’n man of twaalf op ’t doek staan. In totaal moet ’t een serie van twintig worden. Het is al een oud idee van me. Vroeger moesten we op de academie altijd model tekenen. Steevast waren ’t jonge, ranke meisjes. Nooit eens oude kerels met bierbuiken. Dus toen dacht ik... nu hangen ze hier mettertijd allemaal in Galerie Rozenhoed.’
‘Die twintig fotografeer ik dan in ieder geval niet.’
‘Waarom zou je?’
‘Dan is er geen overlap.’
‘Toe nou, jij maakt een foto, ik een naakt, da’s totaal iets anders. Doe het gerust, ’t zijn stuk voor stuk karakteristieke koppen, je zou jezelf tekortdoen als je juist die mafkezen zou laten schieten. M’n model hier, die moet je beslist nemen. Hij is wereldberoemd geworden met z’n boek over seks.’
‘Is hij...’
‘Ja, hij is de schrijver van De roekeloze buiteling.’
‘Ik heb ervan gehoord.’
‘Wie niet? Maar heb je ’t ook gelezen?’
‘Ik ben niet zo’n lezer.’
‘Ik heb ’t ook niet gelezen. Kom jochie, vertel ons eens in je eigen woorden wat erin staat.’
‘Klonen is de makkelijkste en simpelste manier om je te reproduceren. Seksuele reproductie verslindt energie, is reuze ingewikkeld. Waarom dan seks? Het is een roekeloze buiteling, een wanhopige noodsprong van de natuur om via een snel systeem van genenuitwisseling het hoofd te bieden aan predatoren, parasieten en prionen.’
Twee paar ogen staarden me aan alsof ik Russisch sprak.
‘Alle organismen,’ verduidelijkte ik, ‘worden geteisterd door parasieten, bacillen, virussen en prionen. Zie je die schapen daar die zo vredig in de voorjaarswind lopen te grazen?’
Beide dames wierpen door het ateliervenster een verschrikte blik op de merino’s van boer Heemskerk.
‘Zie je dat er op bijna elke schapenrug een ekster mee rijdt? Weet je waarom? In al die schapenvachten krioelen wormen. De eksters pikken de parasieten eruit. Het parasitisme heeft de evolutie versneld via seksuele reproductie.’
‘Ik snap er geen snars van,’ zei Molly, ‘maar al is seks dan een noodsprong, ik zou ’t niet graag missen.’
‘Eén lange hindernisbaan vol valkuilen,’ zei ik, ‘vooral als je verliefder bent dan de ander. Die heeft ’t dan voor ’t zeggen. Wie het meeste mint, heeft de minste macht.’
Met beide handen omklemde het Celebeesje haar theebeker; ze staarde naar de schapen. Molly vroeg haar: ‘En? Zou jij buiten seks kunnen?’
‘Ach, wat je moeiteloos meepikt, kun je makkelijk missen.’
Onstuimig schudde de voorjaarswind de jonge boombladeren. De trompetnarcissen en judaspenningen kromden hun groene stelen in de stevige bries.
Molly vroeg: ‘Heb je misschien dat eerste fotoboek bij je?’
‘Ja.’
‘Mag ik het eens zien?’
Het Celebeesje opende haar zwarte tas, haalde er een vrij dun, maar groot formaat boekwerk uit.
Molly griste het uit haar handen, bladerde het razendsnel door, zei toen achteloos: ‘Wil jij ’t ook zien?’, en drukte het mij in handen voordat ik had kunnen antwoorden. Ook ik was geneigd het boek vluchtig door te bladeren, maar na een drietal bladzijden vertraagde ik. Dit Celebeesje – Lotte Weeda, zoals het omslag onder de titel Belichtingsijver vermeldde – was een fenomeen. Ze had die dorpelingen betrapt. Het gros op zelfingenomenheid, sommigen op verlegenheid. Het leek net of ze van elke geportretteerde de ware aard had proberen te grijpen. Het meest werd ik getroffen door een foto van een vrouw van middelbare leeftijd. Vlak bij een straathoek draalde ze onder een brandende lantaarn. Ze was schuin van opzij genomen. Ze droeg een weinig flatteuze bril, net zo’n kreukelige regenjas als Humphrey Bogart in Casablanca, en zo’n plastic regenkapje waar de messcherpe vouwen nog in zitten en dat zelfs Catherine Deneuve haar sex-appeal zou ontnemen. En toch stond die vrouw erbij alsof ze cantate 84 van Bach neuriede: ‘Ich bin vergnügt mit meinem Glücke.’ Ondanks het feit dat ze het duidelijk koud had en ieder moment oplossen kon in die druilerige novemberregen, leek ze zielsgelukkig.
‘Waarom hebt u die vrouw op een straathoek gefotografeerd?’ vroeg ik.
‘Zeg toch “jij”,’ zei Lotte.
‘Als jij ook “jij” tegen mij zegt.’
‘Da’s goed. Die vrouw wou zelf op die straathoek staan, daar had ze als kind met haar tol en haar knikkers gespeeld.’
‘Maar ze ziet eruit alsof ze op ieder moment de hoek om kan gaan, en alsof ze daar vrede mee heeft.’
‘Een dag of drie nadat ik haar gefotografeerd had, is ze ’t hoekje om gegaan.’
‘Was ze ziek?’
‘Nee, toen ik haar fotografeerde, was er niets aan de hand. Ze is zomaar opeens doodgebleven. Ze voelde zich niet lekker, is op de divan gaan liggen, en een halfuurtje later was ze voorgoed vertrokken.’
‘Het lijkt haast of je dat op jouw foto ziet aankomen. Het is net een beeld uit een film. Even talmt die vrouw bij de straathoek. Loopt de film verder, dan gaat ze de hoek om.’
Ik gaf haar het boek terug. ‘Je maakt prachtige foto’s.’
‘Je mag m’n boek houden,’ zei ze.
‘We kunnen misschien ruilen, ik heb mijn Buiteling niet bij me, maar als je hier weer bent, loop dan even bij me aan.’
‘Da’s goed, en dan ga ik nu maar weer.’
‘Moeten we een lijstje voor je maken van de markantste mensen uit dit dorp?’ vroeg Molly.
‘Nee, hoeft niet, ik ga hier rondlopen en dan zie ik zelf wie ik wil nemen.’
Met behulp van haar lange jas transformeerde ze zich weer tot een reusachtige roek. Ze zei: ‘Ik kom er wel uit’, en stapte de overloop op. Toen ze de deur achter zich had dichtgeslagen, zei Molly: ‘Wat een stom wicht. Alsof ’t mij bijt dat zij foto’s maakt.’
‘Toch netjes om jou dit even te melden.’
‘Ach,’ zei ze korzelig, ‘wat denkt ze wel? Dat ik er last van heb als zij zo’n stom boek maakt? Mijn project is totaal anders.’
‘Ze maakt magnifieke foto’s.’
‘Toe nou. Jij vond dat gansje mooi, maar daarom zijn haar foto’s dat nog niet. Kleed je uit, verdomme!’