De sprong
De bladeren van de platanen en elzen dwarrelden omlaag toen ik op de Soutanestraat bij de Seminariepoel in gezelschap van een vriendje het spionnetje zag slenteren. Ik stak mijn hand op, maar hij groette niet terug, stak snel dwars langs de Jongeheer het grote Epistelveld over en kwam in een sukkeldrafje op mij af.
‘Die meneer,’ zei hij buiten adem, en keek me aan alsof mij duidelijk moest zijn wie hij bedoelde.
‘Wie bedoel je?’
‘Die lange meneer met het witte haar.’
‘Meneer Gras?’
‘Die meneer is gisteren in het Diep gesprongen.’
‘Gras? Gisteren? En toen?’
‘Ze hebben ’m er weer uit gehaald. Hij ligt nu in het ziekenhuis.’
‘Waar? Het Universitair Medisch Centrum?’
‘Weet ik niet.’
Het lag op mijn tong om te zeggen: ‘Als je verspieder wilt worden, moet je zorgen dat je op zo’n simpele vraag antwoord kunt geven’, maar het kind keek mij zo eigenaardig bevreesd aan dat ik alleen maar zei: ‘Dank je wel.’
Nog steeds met die eigenaardige, schuwe, bangige blik keek het joch naar mij op.
‘Waarom was die meneer zo bang voor u?’
‘Hoe kom je daarbij?’
‘Hij schrok zo toen hij u zag.’
‘Daar moet je niks achter zoeken. Dat is theater.’
Het kind keek alsof hij dat laatste zinnetje niet begreep, maar ik vond het te zwaar dat te verduidelijken, en volstond met een brede grijns. Waarop het kind dankzij de kracht der sympathische inductie, die overigens het sterkst werkt als je waterlanders aanschouwt, een onzekere glimlach produceerde.
‘Tot ziens,’ zei ik.
Hij knikte en holde langs de Jongeheer naar het vriendje, dat bij de poel op hem stond te wachten.
Samen met Anders was ik op weg naar het bos van Monstrans om daar onder de eeuwenoude eiken te dwalen, maar zo’n bizar bericht diende ik te verifiëren. Ik liep over de Soutanestraat terug naar de Kruisherenweg. Bij de hervormde pastorie duwde ik het hek open en liep ik, net als Anton Wachter met mijn voeten zwaar de aarde rakend zodat het kiezel knarste, in de richting van de voordeur. Ik zag Maria zitten in een zijkamertje. Zou ik daar, vroeg ik mij af, ergens naakt op een muur hangen?
Dankzij de knarsende kiezelsteentjes hoorde Maria, die zat te telefoneren, mij aankomen. Snel beëindigde ze het gesprek. Ze liep de voorkamer uit, ik hoorde haar voetstappen in de hal, de voordeur zwaaide open, en met haar oogleden knipperend tegen de lage oktoberzon die haar opeens midden in het gezicht scheen, stond ze hulpeloos op het bordes. Toen hield ze haar hand boven haar ogen.
‘Is het waar? Is Taeke van de brug in het Drievuldigheidsdiep gesprongen?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Wil je even verder komen?’
‘Nee, ik wou alleen maar even ’t bericht verifiëren. Ik dacht: jij zult het allicht weten.’
‘Gisteravond ben ik bij hem langs geweest. Hij is er slecht aan toe. Hij heeft veel water in z’n longen gekregen. Toen hij uit het Diep gehaald werd, was hij al bewusteloos.’
‘Het kan toch geen zelfmoordpoging zijn? Hij is zo bang om dood te gaan.’
‘Dat zeg je, maar hij zou echt de eerste niet zijn die zelfmoord pleegt uit angst voor de dood.’
‘Zei hij daar iets over, gisteravond?’
‘Toen ik daar binnenliep, was hij nog amper bij bewustzijn. Nog zwaar aan ’t infuus. Lijkbleek. Ik heb niets uit hem gekregen. Kan jij... zou jij...’
Ik stapte op het bordes, mij afvragend waarom ik dat niet eerder had gedaan. Mijn schaduw viel over haar heen, zodat ze niet met haar gezicht in de volle zon stond en ze haar hand niet boven haar ogen hoefde te houden.
‘Dank je wel,’ zei ze. ‘Zou jij straks bij hem op bezoek willen gaan? Vanavond kan ik absoluut niet. En hij ligt daar maar en er is geen sterveling die zich zijn lot aantrekt. Gisteren is er behalve ik niemand langs geweest. Op z’n zus na, die zwaar dement is, woont z’n hele familie in Friesland, en hier in ’t dorp heeft hij sinds Abels dood geen enkele vriend meer. Toe, ga jij vanavond...’
‘Mij best, maar hij schrikt als hij mij ziet. Daarnet nog zei... ach, dat doet er niet toe. Hij deinst altijd terug als hij mij op straat ziet, en ook al heeft z’n malle ontsteltenis iets theatraals, toch denk ik dat hij mij als een handlanger ziet van Lotte.’
‘Ach, dat stomme boek... zet dat nu maar eens uit je hoofd. Over die foto’s hoor je echt niemand meer.’
‘Nee, want zowat iedereen die erin staat, is dood.’
‘Lottes boek, lief organistje, is niet zijn, maar jouw probleem. Bij hem speelt iets anders, daar ben ik zeker van.’
‘Hij heeft hier nota bene een verontrustenconclaaf belegd.’
‘Ach ja, natuurlijk, maar toch... Toe, ga bij hem langs. Hij ligt in ’t umc, afdeling Oncologie, je loopt daar naar binnen en neemt de lift naar de hoogste etage, kamer 825.’
‘Afdeling Oncologie?’ vroeg ik verbaasd.
‘Daar hoef je niks achter te zoeken, ze hadden nergens anders plaats.’
‘Tijdens ’t bezoekuur naar zo’n ziekenhuis... ik knijp ’m altijd dat ze mij er ook meteen willen houden.’
‘Dat stomme boek... jij bent bang voor ziekte, voor dood. Als je ’t niet voor hem wilt doen, dan maar voor mij. Voor mij wil je ’t toch wel doen?’
Ze keek me aan, en ik stond daar op dat lichtblauwe, hardstenen bordes, Anders blafte en ik hervond mezelf.
‘Je hoort het, Anders wil weer eens verder. Akkoord, vanavond zal ik als jouw remplaçant naar ’t umc gaan.’
Dus fietste ik op die stille oktoberavond, terwijl het begon te schemeren, naar het umc. Ik stapte langs de portier, en schreed in de richting van de liften. Niemand schonk aandacht aan mij. Wie kwaad wil, kan probeemloos met een pistool in zijn binnenzak of zelfs een kneedbom in een plastic tasje een ziekenhuis binnenwandelen. Zelfs Beethoven, die in 1826, toen hij zijn neef Karl in het ziekenhuis wilde bezoeken, bij de ingang werd tegengehouden omdat zijn kleren er haveloos uitzagen, had ongetwijfeld ongehinderd kunnen doorlopen.
Met de lift steeg ik naar de hoogste verdieping. Daar aangekomen volgde ik, voortstappend over uitgestorven gangetjes, de bordjes ‘Oncologie’. Warempel, daar was kamer 825. Ik duwde de op een kier staande deur open en sloop naar binnen. Dicht bij het grote venster lag Taeke Gras met gesloten ogen in bed. Het andere bed in de kamer was leeg. Ik liep naar het grote venster. Het uitzicht over de wijde wereld was wonderbaarlijk. Aan de hemel hingen vlokkige schapenwolkjes die van onderop door de zon belicht werden. De zon zelf hing bloedrood en kolossaal vlak boven de horizon. Op zo’n moment beginnen in mijn brein psalmregels rond te buitelen. ‘Het ruime hemelrond vertelt, met blijden mond, Gods eer en heerlijkheid; de heldre lucht en ’t zwerk verkondigen Zijn werk, en prijzen Zijn beleid.’ Er zijn toch ook gedichten van Nijhoff met wolkenluchten? Enfin, ik stond daar en neuriede zachtjes psalm 19 en dacht: Gras slaapt, die maak ik niet wakker, niks waar een mens zo van opknapt als van een tovertukje. Langzaam schuifelde ik, het uitzicht savourerend, achterwaarts naar de deur. Bijna was ik op de gang toen Gras één spookdieroog opende en mij daarmee fixeerde. Z’n tweede oog ging open en zijn spierwitte kuif rees een beetje. Hij zei hol: ‘Verschrikkelijk.’ Met een klap kwam zijn hoofd neer op het ziekenhuiskussen.
Ik schrok zo dat ik versteend als een zoutpilaar in de deuropening stond. Een verpleegster drentelde over de gang achter mij langs en zei: ‘Gaat u maar naar binnen, meneer.’ Ze gaf mij een klein duwtje. Ik stapte de kamer in, de schapenwolkjes waren bloedrood.
‘Is het waar dat ook de plebaan heen is gegaan?’ vroeg Gras.
‘Ja, die schijnt ’m stiekem gesmeerd te zijn. Net als trouwens de mollenvanger.’
‘Ja, dat Klaas... dat wist ik al. Wolno, ik ben zowat zover, maar wat een verrassing. Waaraan dank ik dat u omziet naar mij in mijn earmoed?’
‘De dominee. Ze heeft me bezworen dat ik bij u langs moest gaan, ik zou zelf nooit... Ik heb die psalm van het toegenegen oor gevonden.’
‘Zozo, dus u bent hierheen gekomen om mij dat te vertellen! Dat is aardich van u. Zou mij een beetje oerein willen setten? Zou u dat kessen uit dat andere bed achter mijn rug willen sette?’
‘Maar natuurlijk, dan kunt u ook naar die schitterende wolkjes kijken, wat een uitzicht heeft u hier...’
‘Ja, da’s swiid bytiden.’
Nadat ik hem met behulp van een extra kussen overeind had gekregen, zaten we een poosje zonder iets te zeggen naar de vlokkige schapenwolkjes te kijken, die langzaam grauwblauw verkleurden.
‘Je toeft hier al aardig dicht bij de himel,’ zei hij na een poosje.
‘De dominee is gisteren geweest. Toen lag u nog aan ’t infuus. Het gaat blijkbaar alweer een stuk beter. Dus zo dicht bij de hemel...’
‘O, jawel,’ zei hij, ‘it is útlet met Taeke Gras. In dit bed zeg ik ’t leven vaarwel. Lêstendeis las ik weer eens, wat ik ook al eens van een bergbeklimmer heb gehoord die tûzen meter naar beneden tuimelde, en wiens val in de zachte snie half werd gebroken en die toen op de schuine helling op z’n rug it libben weer ingleed: dat je, als je bijna doodgaat, maar nog net door de lytste mesk van het grote net heen bent geglûpt, daarna veel minder binaud blijkt voor de dood. Dus toen ik dat weer las, en mij die bergbeklimmer herinnerde, dacht ik: natuurlijk, dat is de oplossing. Ik weet nog dat ik ’m jaren terug freeslik kneep toen ze mij voor ’t eerst moesten operearje. Alleen al weimeitsje... die narcose, ik zag ertegenop als tegen hingje. Maar de tweede keer... je weet precies hoe ’t gaat en dat ’t allemaal freeslik meevalt, zelfs weimeitsje, of juist weimeitsje, één zo’n prikje en je zinkt weg in slaap. Is dat nou alles? Ga je voor ’t eerst dood, dan zie je daar ook freeslik tegen op. De tweede keer is ’t lang zo erg niet. De derde keer is ’t routine.’
Hij sloot even zijn ogen, trok zijn rechterhand onder het witte ziekenhuisdekbed vandaan en legde die hand toen op mijn arm. Hij opende zijn ogen.
‘Dus wat deed die sljochte Gras? Die sprong vanaf de brug ’t diepe Diep in. Swimme kan ik niet, dus ’t leek me dat ik op sa’n foet en niet zo stiekem als de plebaan zowat voor de eerste keer dood zou gaan... ’t scheelde warempel niet veel. Ik ben eraf gesprongen terwijl er op de brug en ook langs ’t Drievuldigheidsdiep overal mensen liepen. Ik dacht: die halen me er wel uit. Maar niks hoor, ze bleven allemaal staan kijken, en ik maar schreeuwen. Wat was dat ellindig wetter kâld, wat viel me dat tegen. Dat was wat ik de hele tijd dacht, als dat wetter maar niet zo kâld was... en rillerig was ik ook nog toen ik hier in bed bijkwam, o, wat had ik ’t kâld. ’t Zal erbij horen dat je ’t koud hebt, zo koud dat je denkt: dan kan ik maar beter dood zijn.’
‘Hoe komt u erbij dat u in dit bed ’t leven vaarwel zult zeggen?’
‘Ik heb prostaatkanker,’ zei Gras, ‘en ’t is al overal heen uitgezaaid. ’t Zit in m’n lever, in m’n nieren, in m’n kop, ’t zit in m’n hele liif.’
Hij klopte speels met zijn witte rechterhand op mijn arm.
‘Ik weet nog zo goed dat ik ’t van de dokter te horen kreeg. Sljochtweis hinne, ’s morgens op ’t spreekuur. Haast tussen neus en lippen door. “O ja, Gras, en ook nog even dit: u had last met plassen, we hebben ’t onderzocht hoor, ’t is iets wat nogal vaak voorkomt, ’t is uw prostaat, d’r zit een gezwelletje in. Ja, ’t is helaas kwaadaardig, maar op uw leeftijd groeit ’t niet zo snel meer...” Dus dan ga je naar buiten en is alles in één klap folslein anders geworden en durf je niet meer naar huis, blijf je in je grote nood op de strjitte rondzwalken... en wie kwam ik toen tegen, wie... je mag één keer raden.’
‘De dominee.’
‘Foei, dat dyt my út ’e hannen. Denk eens goed na. Wie liep ik toen tegen ’t liif?’
‘Ik zou ’t echt niet weten.’
‘Wolno fuort, dan zal Gras ’t zelf maar sizzen: ik kwam u tegen, samen met dat byldmoaie jiffertje en dat jiffertje steekt de strjitte over en vraagt of ze me op portret mag setten voor haar boek... alsof ze aan me zag hoe kommerlik ik eraantoe was.’
Hij zuchtte, zakte weg in zijn bed.
‘Enig idee waar dat byldmoaie jiffertje heden is?’
‘Voorzover ik weet zit ze in Atjeh.’
‘Och ja, als je graag mensen op portret set die meikoarten dood zullen gaan, kun je bij zo’n oarlochje te gastgean.’
Hij richtte zich wat hoger op in zijn bed en wees met gestrekte arm naar de donkerblauwe avondhemel.
‘Als bern dacht ik: Taeke, jij hoeft niet dood te gaan, jou haalt de Here God later naar de hemel met hynder en koets, net als Elia... daar moet ik steeds maar aan denken als ik hier naar die lumiche luchten kijk. ’t Zit er niet in, zo’n koets, nee, nee, ’t zit er niet in. Ik heb er ook niet naar geleefd om zo door de Here God thús gehaald te worden. Sietze heeft altijd gezegd: “Jij bent d’r een van ’t wederhorig kroost.” ’
‘Da’s nog zo slecht niet, er staat in een van de psalmen: “opdat zelfs ’t wederhorig kroost altijd bij U zou wonen.” ’
‘Hoe komt ’t dat u al die psalmen zo bêst kent?’
‘Op de bewaarschool moest je op maandagmorgen het psalmversje opzeggen dat je had opgekregen om uit je hoofd te leren. Maar ik was zo klein dat ik, als je bijvoorbeeld opkreeg psalm 87 vers 3: “De Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht”, dacht dat je drie versjes van zo’n psalm uit je hoofd moest leren. Dus van psalm 87 leerde ik dan de eerste drie versjes uit het hoofd. Ik weet nog dat ik opkreeg: psalm 68 vers 10, “Geloofd zij God met diepst ontzag”, en ik maar zwoegen op al die lange coupletten daarvoor... och ja, die zilverwitte duif en Bazans hemelhoge berg, en Gods wagens boven ’t luchtig zwerk. Verrek, volgens mij is dat die psalm van ’t wederhorig kroost – hoe gaat ’t ook weer:
Gods wagens, boven ’t luchtig zwerk,
Zijn tien- en tienmaal duizend sterk;
Verdubbeld in getalen;
Bij hen is Zijne majesteit,
Een Sinaï in heiligheid,
Omringd van bliksemstralen;
Gij voert ten hemel op, vol eer;
De kerker werd Uw buit, o Heer’.
Gij zaagt Uw strijd bekronen
Met gaven, tot der menschen troost;
Opdat zelfs ’t wederhoorig kroost
Altijd bij U zou wonen.
‘Ik sta paf,’ zei Gras, ‘ik ken al die psalmen niet... ik...’
‘Kun je toch zien hoe ’t gaat, u begint erover dat u als kind met paard en wagen naar de hemel wou, en op de harde schijf in mijn brein wordt meteen die psalm over Gods wagens boven ’t luchtig zwerk naar boven gehaald. Die psalmen... ’t is iets ongelofelijks. De hele dag door zoemen er regels door mijn hoofd.’
‘Bij mij niet. Ik heb die versjes nooit zo goed geleerd en ik ben er blij om. Kom je vandaag de dag in de kerk, dan heb je er niks meer aan als je al die versjes kent, want ze zingen andere lietsjes.’
‘Ja.’ De tranen sprongen in mijn ogen. ‘Debiele snertzooi op alzheimerwijsjes uit dat kloteliedboek voor de kerken.’
‘Wolno, wat ik ervan had ferstean is dat u er oer en oer los van was... Ja, ja, eenmaal met je kieuwen klemvast in dat steekhaam, nooit meer eruit.’