Wolf
Zodra zij naar Maarsbergen was afgereisd en hij naar de Middellandse Zee, daalde de temperatuur. Koude nachten, kille dagen – ik liep soms in mijn winterjas naar hun villa. Steeds dacht ik, als ik op weg naar hun voordeur langs het gazon en de uitgebloeide prikneuzen en verflenste rozen liep: hoe zou het gaan met de scheltopoesik? En dan mompelde ik: ‘Het wordt te koud, hij moet naar binnen.’ Vooral ’s nachts koelde hij te veel af, tenzij hij een plekje met rottende, broeiende bladcompost had gevonden, waaronder hij als een egeltje in winterslaap kon wegschuilen als onder een dikke deken.
Ik haalde het terrarium uit de bijkeuken en zette het naast het rozenperkje. Misschien dat hij, op zoek naar een beschut hoekje, er ’s nachts in wilde klimmen. Hij wilde dat niet, want niets wees er, als ik ’s morgens haar planten kwam vertroetelen, op dat hij daar de nacht had doorgebracht.
Wat te doen? Systematisch de tuin doorzoeken? Een lap grond van een halve hectare met hydrangeastruiken, ligusterhagen, rozenperkjes, klimop als bodembedekker, elzen en esdoorns en kastanjes met half blootliggende wortelgestellen, waartussen hij overal kon wegschuilen. Halve dagen bracht ik door in hun tuin met onkruid wieden, afgevallen blad verzamelen, struiken snoeiend; alsmaar hopend dat hij te voorschijn zou komen. Maar hoe grondig ik ook als onbezoldigd hovenier te werk ging, nooit zag ik hem, nooit hoorde ik hem ritselen.
Op de buis kondigde de parmantigste weerman een hogedrukgebied aan met ‘temperaturen die nog even zomerse waarden zullen aantippen’, zoals hij vol bravoure meedeelde. Ik begreep: dit is mijn laatste kans. Nu wordt hij, als hij al die tijd ergens rillend onder een hoopje bladeren heeft liggen vegeteren, actief.
En het werd warm, opmerkelijk warm zelfs. Maar van de scheltopoesik geen spoor. Op een nacht dreef ik weg onder een laken, van slapen was geen sprake, en vanaf een uur of vier bulderden charter-Boeings. Ik ging mijn bed uit, liep over de donkere dammetjes naar de villa en arriveerde bij het hazengrauwen. Ik opende het tuinhek, liep het grindpad op en zag hem, wachtend op de eerste zonnestralen, midden op het gazon liggen. Hij hoorde mij komen, en weergaloos snel kroop hij met grote kronkels weg. Ik begon te rennen, had hem ingehaald toen hij het rozenperkje had bereikt. Hij schoot weg, maar ik kon nog net een stuk staart grijpen. Wat was hij sterk! Hij wist zich warempel los te rukken uit mijn greep, maar ik zag het afgevallen blad waaronder hij zijn weg kronkelend vervolgde, bewegen alsof er een windhoosje overheen streek. Ik greep in het blad, had hem vast achter de kop, en die kop verscheen zoals je, na het aanzetten van een fontein, het water rechtop omhoog ziet komen. Hij knikte zijn kop om en beet me zo gemeen in mijn duim dat ik hem van schrik losliet. Waarop hij, vanuit het afgevallen bladerdek opdoemend als een onderzeeër die bovenkomt in schuimende golven, pijlsnel open en bloot over het gazon in kaarsrechte lijn en kronkelgalop naar zijn terrarium vloog en daarin zo schielijk verdween dat ik dacht dat hij erlangs was geflitst. Maar hij lag er wel degelijk in. Met mijn linkerhand schoof ik de glasplaat over het terrarium, en slaakte een diepe zucht.
Gelukkig heeft zo’n scheltopoesik een besjesgebit met stompe tanden. Mijn duim bloedde duchtig, maar van diepe wondjes was geen sprake. Ik zoog het bloed op. Schaafwondjes, meer niet. Toch was ik geschokt. Ik was warempel gebeten. De scheltopoesik van mijn jaargenoot had dat nooit gedaan. Van alle ratten die ik in handen had gehad, was er zo zelden een bij geweest die zijn snijtanden in mijn vingers had gezet, dat ik me de beten amper herinneren kon. Maar werd ik bij hoge uitzondering gebeten, dan was ik altijd diep gegriefd geweest. Ik neem aan dat ieder mens dat heeft. Toch heb ik nooit studies gelezen over de reacties van mensen op dierenbeten. Opvallend is ook dat mensen elkaar zelden bijten, terwijl dat verbluffend effectief kan zijn. Bijt een belager onverhoeds het puntje van zijn neus af en je zult zien: die is meteen uitgeschakeld, die heeft alleen nog aandacht voor het bloed dat uit zijn neuspunt gutst. Toch hoor je hoogst zelden dat slachtoffers zich aldus verweren. Onlangs heeft iemand die door een krokodil werd gegrepen, het dier in zijn neus gebeten. En ziedaar, de krokodil liet z’n slachtoffer meteen los.
In de keuken zette ik een flinke pot thee. In een tuinstoel naast het terrarium slurpte ik even later gulzig het ene kopje thee na het andere naar binnen, alsmaar kijkend naar de scheltopoesik, die mij met zijn heldere oogjes op zijn beurt nieuwsgierig lag op te nemen.
‘Ik neem je mee,’ zei ik tegen hem. ‘Ik heb een groot lek aquarium en daar maak ik een terrarium van, voor de winter. Laat ik je hier, dan heeft Leonora niet alleen de pest in, maar wordt het mij ongetwijfeld aangerekend dat ik je heb gevangen. Ik geloof niet dat ik bij haar veel kans maak, maar ik wil ’t beetje goodwill dat ik heb, niet bederven. Nee, je komt lekker bij mij overwinteren. Dat hoeft niemand te weten. In de zomer kun je dan bij mij slakken verdelgen. Lijkt je dat iets? Of moet ik je volgend voorjaar naar Kroatië laten remigreren? Op de een of andere manier moet ik dan van die Jochem te weten zien te komen waar hij je gevangen heeft. ’t Liefst laat ik je terugzetten of zet ik je desnoods zelf terug op ’t plekje waar ze je gegrepen hebben. Tenslotte ben je een dier, en dieren zijn nu eenmaal honkvast. Het is misdadig om een dier uit z’n eigen omgeving te rukken en door half Europa mee te zeulen. Maar ja, zoals mensen met dieren omgaan... In feite gaat dat alle verstand te boven, niets blijft jullie dankzij homo sapiens bespaard. Homo sapiens? Homo dierenbeul zou beter zijn.’
Na die toespraak was mijn volle kop thee flink afgekoeld. In één lange teug kon ik hem leegdrinken.
Ik liep, terwijl de eerste lage zonnestralen het dorp overgoten met een rood waas, welgemoed naar huis. Ik richtte het oude aquarium in, en begaf mij met een grote plastic tas naar de villa.
Zodra ik het tuinhek opende zag ik een welgedane sigarenroker zitten. Nota bene pal naast het terrarium in de lage tuinstoel waar ik zelf net nog gezeten had. Aarzelend liep ik op hem af.
‘Bent u oom Wim?’ vroeg ik.
‘Ik ben oom Wim. Wie bent u als ik vragen mag?’
‘De plantenverzorger,’ zei ik.
‘Aha, dus u kunt mij erin laten, mooi zo. Maar vertelt u mij eerst eens: welk addergebroed huist hier?’
Hij tikte op het terrarium.
‘Dat is een scheltopoesik.’
‘Scheltopoesik? Nooit van gehoord. Gevaarlijk?’
‘Volstrekt ongevaarlijk.’
‘Schadelijk?’
‘Nee, uiterst nuttig. Eet kevers, torren, veenmollen, slakken, muizen, kortom, al wat het op de oogst heeft voorzien.’
‘Kijk aan, alweer een geschenk van de schepper aan de mensheid, waar ik nog geen weet van had.’ Hij trok tevreden aan zijn sigaar. Met een reusachtige blauwe rookwolk verduisterde hij de septemberzon. Hij stond op.
‘Wilt u mij erin laten? En denkt u dat u mij, als u alle planten van een mild voetbad hebt voorzien, onder het genot van een kop koffie, nadere mededelingen kunt doen over de splijtzwam?’
‘U bedoelt?’
‘M’n broer, m’n schoonzus, hun huwelijk. Zelfs op de Antillen hoorde ik aan de telefoonstem van Leonora dat er iets aan schort, en al heb ik mij getroost met de gedachte: amantium irae amoris integratio est, toch vroeg ik mij af: wat is er aan de hand?’
‘Uw broer is er sinds enige tijd vast van overtuigd dat zijn kinderen niet van hem zijn.’
‘De kinderen uit z’n tweede huwelijk?’
‘Nee, ook die uit z’n eerste huwelijk. Toen z’n oudste zoon dat te horen kreeg, zei hij: “Dan zijn we van oom Wim”,’ zei ik plagerig.
Omdat hij blijkbaar te diep inhaleerde, verslikte de oude man zich in zijn sigarenrook. Of beet hij misschien een puntje van zijn sigaar af en kwam dat in het verkeerde keelgat terecht? Hoe dan ook, hij hoestte als een karrenpaard. Ik klopte op zijn rug, en er stegen blauwe rookwolken uit hem op, alsof hij in brand stond. Hij zeeg achterover in de ligstoel.
Wat moest ik concluderen uit deze vertoning. Dat hij inderdaad de vader was van de twee zonen uit het eerste huwelijk?
Hij herstelde zich snel, klopte kalm de as van zijn sigaar, keek me olijk aan en zei een beetje spottend: ‘Nu denkt u natuurlijk: dat kon best eens waar zijn.’
‘Nee, want op kraamvisite zei hij tegen z’n zoon: “Die is niet van jou, die is van je roodharige vriend.” ’
‘Ongelofelijk... en hij is niet op andere gedachten te brengen?’
‘Tot op heden is dat niet gelukt. Waarschijnlijk zal dat ook niet lukken. Er lijkt sprake van een authentieke waan, en wanen, daar is geen kruid tegen gewassen.’
‘Geloof ik niet, geen kwaal zo kwaad of God schaft raad.’
‘Op die raad wacht Leonora anders nog steeds.’
‘Een dna-test zou uitsluitsel kunnen geven.’
‘Zei z’n zoon ook, maar dat wil hij absoluut niet.’
‘Misschien dat ik... als jochie nam hij alles van me aan.’
‘Dat zou fantastisch zijn, Leonora ist bestimmt am Ende, die overweegt weg te gaan. Dat hij haar onophoudelijk uitmaakte voor slet en stoephoer en nog zo een en ander heeft ze geslikt, maar ze kan niet verdragen dat ze geslagen wordt.’
‘Is het bij god zo erg? Abeltje, m’n broertje, ik kan ’t bijna niet geloven.’
Hij tikte meer as van zijn sigaar op het gazon, stond nogmaals op.
‘Wat ons te doen staat is duidelijk. We moeten hem met z’n eigen wapens verslaan,’ zei hij conspiratief.
Ik liet hem de villa in, gaf de planten water, zette voor hem koffie en voor mezelf thee, waarna we de gerezen problemen nogmaals doornamen. Ik vertelde hem over de scheltopoesik, over diens schaduwbestaan als komkommerslang en over de vriendinnen van Leonora die hij weggepest had.
‘Ik wou hem nu meenemen. Bij mij kan hij rustig in een terrarium sluimeren, wordt hij niet ingezet als vriendinnenverschrikker en krijgt hij dagelijks een diner van naaktslakken. ’t Zou kunnen dat Abel hem terug wil hebben, dus als u omwille van Leonora...’
‘Mij best. Van mij zal hij niks horen. Ondertussen zal ik er eens over nadenken hoe ik hem op andere gedachten kan brengen.’
‘Dat zal niet meevallen.’
‘Ach, wie een wolf wil verschalken, moet met hem meehuilen.’