Nieuwjaar
Op nieuwjaarsdag liet ik voor dag en dauw Anders uit. Het was vrijwel windstil. In het westen hing een kolossale maan tussen langgerekte wolkensluiers. Anders en ik liepen langs de Rabobank. In de border deponeerde zij een termijndepositootje. We sloegen af naar de doodstille Dorpsstraat. Bij de uitspanning Kloosterlust werden wij gepasseerd door een fietser. Anders versnelde haar pas, ik volgde. Ik mompelde een nieuwjaarsgroet. De fietser reageerde niet. Hoewel het gezicht van de fietser schuilging onder een capuchon met brede bontrand, herkende ik de zwijgende verschijning. Het was de gravin.
Waarom fietste ze daar zo vroeg? Aan het einde van de Dorpsstraat sloeg ze af naar links. Was ze van plan over de smalle brug naar het eilandje Eeuwenleed te rijden? Wat ging ze daar op nieuwjaarsochtend uitspoken? In de bocht zag ik haar gekromde rug verdwijnen. Het was behoorlijk koud, een graad of vier, schatte ik. Ze droeg geen handschoenen.
‘Even flink de pas erin,’ zei ik tegen Anders. We renden naar het punt waar ze was afgeslagen. Nooit eerder had ik haar zien fietsen. Nu leek het alsof ze zich bij elke pedaaltred moest vermannen om verder te gaan. Op de lange, smalle brug naar het eiland Eeuwenleed zag ik haar silhouet traag voortrijden. Onweerstaanbaar drong de gedachte zich aan mij op: ze rijdt naar de waterkant, smijt haar fiets in het riet en loopt doodgemoedereerd het Drievuldigheidsdiep in.
‘Zullen we ook naar Eeuwenleed gaan?’ vroeg ik Anders. We kuierden over de smalle brug. We trokken het hele eiland over. De gravin was nergens te zien. Ook haar fiets troffen wij niet aan. Aan de oever van de plas keek ik uit over de vredig kabbelende golfjes. Stak er misschien nog een fietsbel of traag ronddraaiende trapper boven de waterlijn uit? Ik bleef turen tot Anders ongeduldig werd.
‘Kun je nog?’ vroeg ik toen we op het vasteland waren. ‘Zullen we even langs haar huis lopen om te zien of alles daar in orde is?’
Toen we langs de villa liepen, zag ik licht branden in de keuken. Verder was er niets te zien; geen vrouw, geen fiets, geen andere mensen.
Begin februari was ik op een dag met mijn blauwe hakbijltje elzenstammetjes van hun zijtakken aan het ontdoen. Een oude man kwam behoedzaam aanlopen over het grindpad. Hij was goed ingepakt. Een dikke duffel. Een grote bontmuts. Ik herkende hem niet. Pas toen hij zei: ‘Waarde dorpsgenoot, mag ik u iets vragen?’, wist ik dat ik de graaf voor me had.
‘Vraagt u maar,’ zei ik.
‘M’n kleinzoon is bezeten van slangen. Deze zomer heeft hij er in Kroatië één gevangen.’
‘Waar alles kapotgeschoten is?’ vroeg ik verbaasd.
‘Ja, hij was daar met de hele familie op vakantie.’
‘Waarom daar? Nu, terwijl...’
‘M’n kinderen gaan daar al sinds jaar en dag heen. Door die snertoorlog kon het een tijdlang niet, maar nu ’t daar min of meer vrede is, hebben ze de draad weer opgepakt.’
Hij zweeg even, keek naar de reusachtige stapel elzenstammetjes aan mijn voeten en zei: ‘Een boel werk.’
‘Nogal.’
‘Goed, waar was ik gebleven,’ zei hij, ‘ja, die slang... die moest en zou mee, en nu floreert dat beestje al een paar maanden in een groot terrarium. Voordat m’n kleinzoon weer naar school ging, vroeg hij: “Opa, wil jij op m’n slang passen?”, dus nu staat dat terrarium bij ons in huis. Ja, ja, Noor, m’n vrouw is er niet blij mee... die is als de dood voor slangen. Enfin, om kort te gaan, mijn vraag is of u zo vriendelijk wilt zijn een blik op die slang te werpen.’
‘Een blik op die slang?’ vroeg ik verbaasd.
‘Als u binnenkort eens langsloopt met uw hondje.’
‘U hebt toch een newfoundlander? Die stort zich meteen op mijn beestje.’
‘Geen sprake van, onze hond is stokoud en zo’n goedsul.’
‘Maar akelig groot.’
‘Net zo lief als hij groot is. Nee, daar hoeft u echt niet bang voor te zijn.’
‘Wat zou u ermee opschieten als ik die slang bekijk?’
‘U bent bioloog, u weet misschien welke slang ’t is en of hij giftig is.’
‘In de reptielen ben ik slecht thuis,’ zei ik.
‘U weet allicht meer dan wij.’
‘Maar als uw kleinzoon zo’n slangengek is, zal hij er toch ook wel iets van weten?’
‘Ja, maar deze slang... Hij heeft hem al aan allerlei andere slangengekken laten zien, maar niemand weet wat het is. Als m’n kleinzoon straks weer voor de deur staat, lijkt het me zo aardig tegen hem te kunnen zeggen: “Dit is...” – ja, ik zeg maar wat – “een regenboogadder.” Plus dat het voor Noor een hele geruststelling zou zijn als ze zou weten dat het geen gifslang is.’
‘Hoe groot is hij?’
‘Om en nabij één meter.’
‘Allemachtig! Wie neemt er nu zo’n grote slang mee als je niet eens weet welke soort het is? Dat vind ik onverantwoord.’
‘Dat zegt Noor ook, maar ach, zo’n knulletje, u weet hoe dat gaat.’
‘Hoe ziet hij eruit? Gevlekt? Donker?’
‘Nee, z’n rug is egaal bruin en z’n buikje is heldergeel.’
Met zijn rechtervoet draaide hij een kuiltje in het grind, en zei toen: ‘En nog iets anders. Die fotograaf... dat meisje...’
‘O, het fotogravinnetje,’ zei ik, ‘Lotte.’
‘Precies, Lotje, u hebt met haar door ’t dorp rondgelopen, u had nogal contact met haar, weet u misschien hoe ik haar bereiken kan?’
‘Ik heb alleen een e-mailadres.’
‘E-mailadres? Daar heb ik niks aan. Ik ben nog een man van de oude stempel.’
‘Ik kan haar mailen en vragen om een adres en telefoonnummer. Als ik ’t weet, reik ik ’t aan, dan kan ik meteen een blik op die slang werpen.’
Toen hij weg was, las ik in deel zes van Het leven der dieren van Grzimek het hoofdstuk over slangen door. Wat voor slangen heb je op de Balkan? Ringslangen, adders, esculaapslangen, vierstreepslangen, luipaardslangen, toornslangen. Zou het de Balkantoornslang zijn of de pijlslang? Het was vast de pijlslang, bovenzijde bruin, onderzijde geel. De adder was donker en gevlekt. Die zouden die slangengekken meteen herkend hebben.
En zou de gravin op nieuwjaarsdag ontdaan naar Eeuwenleed zijn gefietst omdat ze een slang te logeren had gekregen? Ze heette dus Noor. Was dat de afkorting van Leonora? Beethoven in plaats van Mozart?