Logeerbed
Op een dag in november voerde ik de scheltopoesik, toen er op het raam werd getikt. Ik zag een bontrand om de witte vlek van een gezicht heen.
‘Wat was jij aan het doen?’ vroeg Leonora, toen ik haar via de keukendeur binnenliet.
‘Ik bood de scheltopoesik een naaktslak aan.’
‘Heb jij...?’ zei ze stomverbaasd.
‘Ja, ’t is me gelukt om hem te vangen toen ik voor je planten zorgde en ik heb hem maar meegenomen. ’t Leek me beter om niks tegen je man te zeggen. Anders had hij hem opgeëist en hem misschien weer ingezet als vriendinnenverschrikker. Of vind je dat ik hem...’
‘O nee, maar toch moet ik even slikken. Je had allicht met mij kunnen overleggen... kom, wat zeur ik.’
‘Sinds de scheltopoesik hier huist ben ik je maar een keer of drie op straat tegengekomen, ’t is er niet van gekomen om je...’
‘Smoesjes,’ zei ze korzelig, ‘maar ik neem je niks kwalijk. ’t Is goed zo, je wou me uit de wind houden. ’t Is alleen de vraag of iemand achter z’n rug om uit de wind gehouden wil worden. Enfin, wat doet het er ook toe.’
‘Wat zie je er prachtig uit,’ zei ik.
‘Ik troost mezelf met mooie kleren.’
‘Lig je dan nog steeds onder vuur?’
‘Sinds Wim bij ons woont, gaat ’t beter. Hij houdt zich in als Wim in de buurt is. Maar ja, als die weg is, gooit hij meteen alle remmen los. Dan maak ik me zo snel mogelijk uit de voeten. Maar soms... bah, ik wil niet zeuren. Waar ik voor kwam is om je iets te vragen, maar eerst wil ik je vertellen dat er een dna-test is gedaan. En daaruit is zonneklaar gebleken dat al z’n kroost inderdaad van hem is, dus nu heeft hij geen been meer om op te staan, alleen...’
‘Zo’n test? Heeft hij daarin toegestemd?’
‘Da’s Wim z’n verdienste. Die zei op een avond zomaar langs z’n neus weg: “Abeltje, ’t is ellendig om d’r over te beginnen, maar ’t moet er nu toch maar eens uit: we zijn niet van dezelfde vader.”
“Wat bazel je?” zei m’n man meteen spinnijdig.
“Nee, we zijn niet van dezelfde vader. Moeder is indertijd vreemdgegaan, jij bent d’r een van notaris Zielstra en ik ben d’r een van heeroom, die altijd met pa kwam schaken.”
M’n man werd witheet. Ziedend. Schreeuwde tegen Wim dat hij de nagedachtenis van z’n moeder bezoedelde. Maar Wim bleef onverstoorbaar herhalen: “we zijn niet van dezelfde vader”, en hij er steeds fel tegenin, totdat Wim ten slotte zei: “Waarom laten we niet zo’n dna-test doen, dan weten we ’t zeker.”
“Nergens voor nodig, pure geldverspilling.”
“Ik leg d’r ’t geld voor op tafel, ’t kost maar zeshonderdvijftig euro.”
Dus toen zijn ze na een paar dagen bakkeleien naar onze huisdokter gegaan, en die heeft ze weer doorverwezen naar een specialist. Wim heeft ook die vier tests van de kinderen betaald, en toen kon hij hem dus zwart op wit geven... Maar ja, hij wou d’r niet aan, brulde dat Wim de dokter had omgekocht, waarop Wim weer zei dat hij d’r ook niks van begreep omdat hij d’r toch absoluut zeker van was dat ze niet van dezelfde vader waren... ja, Wim had direct al tegen me gezegd dat hij Abel met z’n eigen wapens wilde verslaan.’
‘Zei hij tegen mij ook.’
‘Kun je toch zien... Ja, Wim heeft op zo’n jezuïetenschool gezeten, of weet ik hoe je dat noemen moet.’
‘Internaat? Ach, wat doet ’t ertoe. Je man zingt nu misschien een toontje lager.’
‘Als dat eens waar was! Weet je wat hij me steeds toebijt als Wim niet in de buurt is: “Denk maar niet dat je van alle blaam gezuiverd bent omdat die kinderen dan, als die rotlui van ’t ziekenhuis me tenminste niet belazerd hebben, toevallig van mij zijn. Vanaf ’t begin van ons huwelijk ben je vreemdgegaan, heb je ’t met elke vent aangelegd die je tegenkwam.” Dan komen de namen, ’t is ongelofelijk. Hij heeft een waslijst in z’n hoofd, herinnert zich kerels van wie ik ’t bestaan straal vergeten was... tandartsen, pompbediendes, kelners, kruideniers, onderwijzers van de kinderen, je kan ’t zo gek niet bedenken. Je wordt er kotsmisselijk van. Maar ’t ergste is dat hij nu ook steeds beweert dat ik ’t met kerels hier uit het dorp aanleg. Met... met... noem maar op. Ik word er af en toe zo beroerd van dat ik de laatste tijd denk: ’t zou verdomme je verdiende loon zijn als ik ’t echt eens deed. Maar ja, ik ben altijd een braaf meisje geweest. Was ik maar zo’n asfaltfee.’
Ze zweeg even, en keek me aan met die schelmse grijns die ik zo goed had leren kennen.
‘Weet je wat eigenaardig is? Wie hij ook opnoemt, jou nooit.’
‘Hij zal er allicht van uitgaan dat je met zo’n kale, knoestige gnoom natuurlijk nooit wat begint.’
‘Hij noemt anders namen... of wou je beweren dat die bleke, pafferige plebaan die altijd op zo’n opoefiets met twee klapperende kunstgebitten door het dorp rammelt, geen knoestige gnoom is?’
‘Denkt hij dat jij ’t met de plebaan...?’
‘Ja, dus waarom hij jou niet noemt... hij denkt, geloof ik, dat jij al net zo verkikkerd bent op dat sprietje met haar reuzenstatief als hij. ’t Zou trouwens best eens waar kunnen zijn. Ik heb van een vriendin gehoord dat ze je nog nooit zo gelukkig heeft zien kijken als toen jij die middag naast haar zat te signeren. Mij best, maar hoe dan ook, ’t betekent misschien dat hij niet zo gauw zal denken dat ik, als ik ’s nachts opeens de benen moet nemen... Dus daarom wou ik je vragen... nee, eerst moet ik je nog vertellen: zelfs z’n broer verdenkt hij, dus die wil nu zo snel mogelijk naar Mariagaarde, en wat moet ik in vredesnaam beginnen als Wim weg is?’
‘Weer naar Maarsbergen misschien? Of naar een van je kinderen.’
‘Ja, maar als ik midden in de nacht... je had ’t er laatst over dat je nog een logeerbed...’
‘Wou je hierheen?’
‘Alleen maar om tijdelijk even onder dak te zijn. Als hier nu een blijf-van-mijn-lijf-huis was... maar ja, dat hebben we hier niet en ik weet zo gauw geen andere oplossing. Ik zou natuurlijk in de auto kunnen springen en naar een van m’n kinderen kunnen rijden, maar ze wonen allebei zo ver weg.’
Ze duwde een lokje terug in haar fraaie kapsel.
‘Stel dat hij m’n slaapkamerdeur forceert... Ik heb zo’n rolladder gekocht. Die ligt onder m’n bed. Ik heb er al mee geoefend. Als hij aan m’n deur begint te rammelen, kan ik al buiten zijn eer hij binnen is, en als ik dan bij jou... God, wat een toestand, je zult me zien aankomen, midden in de nacht. Lig je te maffen, sta ik ineens op je ruiten te bonken.’
‘Ik zal de achterdeur openlaten. Voor inbraak hoef ik niet bang te zijn, de dieven gaan altijd naar de goudkustvilla’s. Ik zal je wijzen waar ’t logeerbed staat. Misschien dat Anders aanslaat, maar die slaapt voor. Tien tegen één kun je hier ongehoord en ongezien naar binnen. En al zou ik wakker worden, ik slaap zo weer in, maak je daar vooral geen zorgen over.’
‘Misschien is ’t allemaal zwaar overdreven, maar voor ’t geval dat. Als midden in de nacht dat krantenvliegtuig overkomt, wordt hij wakker en kan hij...’ Ze zweeg, ze probeerde te glimlachen. ‘Wat een toestand.’
‘Ach, je moet maar bedenken: things are never so bad they can’t be worse.’