Hoofdstuk 22

 

 

 

Romola. Alweer.

Het allerergst is de afschuwelijk bedrogen uitdrukking op Victoires gezicht, en op dat van haar zussen. Ze kijken zo gekwetst. Verslagen zelfs. Zag ik er ook zo uit toen ik dacht dat Paul mijn vader iets had aangedaan?

Victoire komt overeind, wankel en onzeker. ‘Romy… wat ben je –’

‘Je kunt dit straks allemaal aan jouw versie van mij uitleggen,’ snauwt Romola. ‘Maar ik denk dat je wel weet voor wie ik kom.’

Ze is hier om Booswicht te bevrijden.

Paul, Theo en ik wisselen een blik uit. Met zijn drieën plus de zeven andere klonen in deze kamer zouden we Romola makkelijk de baas moeten kunnen, als ze tenminste niet dat zwarte pistool in haar handen zou houden. Dat betekent dat iedere poging om haar te ontwapenen dodelijk zou kunnen zijn, en als een van de kogels een kloon raakt, zou Romola twee Marguerites kunnen doden door één keer de trekker over te halen.

Theo laat verslagen zijn schouders hangen. Maar Paul…

In Pauls ogen fonkelt het ijskoude vuur dat ik in het verleden zo bedreigend vond. Is dit de woede die hij sowieso gevoeld zou hebben, of is het een bewijs van zijn versplintering? Zijn aanleg voor geweld diep in zijn binnenste is weer op scherp gezet en zou elk moment kunnen ontploffen.

Maar nu ben ik bijna net zo kwaad als hij, daar heb ik geen versplintering voor nodig. Het is gekmakend om Victoire te moeten aanwijzen en te zeggen: ‘Jouw Marguerite is… bij haar. Slapend, maar veilig en wel.’

‘Prima.’ Romola gebaart naar de stoel waar Victoire een paar seconden geleden nog op zat. ‘Toe maar. Ga zitten. Ik regel het verder wel.’

‘Gaat dit over de kwade geest?’ vraagt Victoire.

Ik knik.

Ze wendt zich tot Romola, nog steeds verbijsterd en gekwetst. ‘Romy, waarom doe je dit?’

‘Ik ben niet “jouw” Romy. Ik kom uit een dimensie met geavanceerdere technologie en realistischere prioriteiten.’

‘Jullie verwoesten miljarden levens om er één te redden,’ zegt Paul. Hoewel hij zijn stem gedempt houdt, zindert zijn woede vlak onder de oppervlakte. ‘Dat zijn verknipte prioriteiten. Corrupte. Zeker geen realistische.’

Romy haalt haar schouders op. ‘In alle eerlijkheid, ik begrijp je punt wel. Maar over alle andere werelden in het multiversum kunnen heersen? Dat spreekt me meer aan.’ Haar ogen staan kil wanneer ze naar Victoire kijkt. ‘Waarom zit zij nog niet?’

‘Doe het,’ zeg ik tegen Victoire, de andere versie van mij met de schrammen en blauwe plekken, die ik haar eerder op de avond heb bezorgd. ‘Er is geen andere manier.’

Bevend gaat Victoire op de stoel zitten.

De andere twee klonen leunen naar voren, alsof ze Romola zullen bestormen zo gauw Victoire ook maar iets van pijn zal voelen, pistool of geen pistool. Roekeloosheid blijkt helaas een karaktereigenschap te zijn die velen van ons gemeen hebben.

Ga haar niet te lijf, denk ik bij mezelf terwijl ik de blik van de anderen probeer te vangen. Waren klonen nou maar onderling telepathisch, dan kon ik duidelijk maken hoe vreselijk gevaarlijk dit is. Dan zouden ze niets stoms doen…

…maar die kans krijgen ze niet eens, want Paul stormt als eerste op Romola af.

Als hij zich boven op haar stort, zodat ze allebei tegen de muur klappen, slaken we allemaal een kreet. Hij is zo’n boom van een vent, dat de tackel ongehoord wreed zou zijn als Romola geen pistool in haar handen had. Maar zelfs wanneer ze op de grond smakt, laat ze haar wapen nog niet vallen. Romola schopt zich bij hem vandaan, schuift over de vloer, en heeft de tegenwoordigheid van geest om niet op Paul te richten, maar op mij.

‘Ik doe het echt,’ zegt ze haastig, zonder een blik op Paul te werpen, een paar passen van haar verwijderd. Haar ogen focussen zich op haar doelwit, en blijkbaar is dat het midden van mijn borst. ‘Daag me niet uit. Ik vermoord haar.’

Paul zegt niets. In plaats daarvan grijpt hij een vleesmes uit het messenblok. Het lemmet glinstert in het licht. De andere aanwezigen in de kamer happen naar adem, maar Romola kijkt nog altijd niet op. Paul staat dichtbij genoeg, in de perfecte positie zelfs, om het mes met een zwaai te laten neerkomen en haar schedel open te splijten.

Niet doen. Ik word bevangen door doodsangst. Niet om mezelf, ook al houdt Romola me met vaste hand onder schot. Ze realiseert zich niet wat Paul zou kunnen doen. Ze zou niet eens de tijd hebben om het te beseffen voordat hij haar het zwijgen op had gelegd of hij haar had gedood.

Maar als Paul Romola op deze manier vermoordt, in koelen bloede, heeft hij zich overgegeven aan de duisternis in zijn binnenste. De schade van zijn versplintering zal compleet zijn, al was het alleen maar omdat hij nooit meer zal geloven dat hij ooit iets anders zou kunnen zijn dan een moordenaar.

Ik kan niets zeggen. Niets doen. Dit is een gevecht dat Paul zelf moet leveren.

Hij staart op haar neer, zijn gezicht van haat verwrongen in een uitdrukking die ik nauwelijks herken. Zijn hand klemt zich vaster om het handvat van het vleesmes, en zijn knokkels worden wit. In hem zie ik alle dreiging die ik me van de zoon van een Russische maffialeider herinner. Alle roekeloosheid van de Paul uit de Cambridge-dimensie, die in een opwelling van woede en onoplettendheid mijn arm voor het leven verminkte. En ik zie een hard, bitter trekje dat alleen aan mijn Paul toebehoort.

O god, hij gaat het doen. Hij gaat haar vermoorden.

Op dat moment kijkt Romola op en ziet ze wat hij van plan is. Ze vertrekt geen spier.

‘Ik heb jouw Marguerite in mijn vizier.’ Haar arm is geen millimeter van zijn plaats geweken. ‘Zodra je naar me uithaalt, schiet ik. Zij zal eerder dood zijn dan ik.’

Woede golft over Pauls gezicht, een lelijke grimas die maakt dat ik me afvraag of hij Romola evengoed tegen de grond zal slaan. Maar hij doet een stap naar achteren en legt het mes neer.

Zou hij haar echt vermoord hebben? We zullen het nooit weten.

Nu Paul niet langer een acuut gevaar vormt, gaat Romola rechtop zitten, haar oorspronkelijke plan hervattend. Met haar vrije hand vist ze een tweede Vuurvogel om haar hals tevoorschijn. Ze was dus overal op voorbereid.

Theo zegt: ‘Waar heb jij in Singapore een pistool weten te bemachtigen?’

‘Politieagenten dragen ze bij zich,’ legt Romola uit, terwijl ze Victoire de Vuurvogel toegooit, die het ding met trillende vingers omdoet.

De andere Marguerites hebben zich in een hoekje verzameld, stil en bleek, wetend dat ze niets kunnen doen. Alleen maar toekijken.

‘Vreemd wel. De agent in kwestie had duidelijk totaal niet verwacht dat hij zou worden aangevallen.’

‘Ik geloof dat je hier de doodstraf kunt krijgen voor het roken van een joint.’ Theo haalt gefrustreerd zijn handen door zijn stekeltjeshaar. ‘Misschien valt het voor wiet wel mee, maar een politieagent aanvallen… Je begrijpt natuurlijk wel dat de Romola uit dit universum daar waarschijnlijk voor geëxecuteerd zal worden.’

Ze haalt haar schouders op. ‘Niet mijn probleem.’

‘Je bent nog steeds alleen maar het boodschappenmeisje,’ probeer ik. ‘Je bent hier om de Marguerite uit jullie wereld op te halen. Niet om de klus zelf te klaren.’

‘In de Rome-dimensie had ik je anders goed te grazen, of niet soms?’ kaatst Romola terug.

Opnieuw zie ik de gesmolten hel van de laatste ogenblikken van dat universum pijnlijk helder voor me. ‘Voor het geval je het niet had gemerkt: ik ben er nog, levend en wel. Dat kun je niet zeggen over Conley of Theo in de Triad-dimensie, of wel soms?’

‘We zijn een perfecte reiziger kwijtgeraakt, maar we kunnen altijd een nieuwe maken. Jij bent niet zo onmisbaar als ze allemaal lijken te denken. Deze kamer lijkt me daar het bewijs van. Oneindig veel kopieën, en toch ben je nog altijd niet genoeg, Marguerite. Niet genoeg voor je ouders, niet genoeg voor wie dan ook.’

Romola, die mijn spelletje doorziet, probeert terug te slaan. Alleen lukt dat haar niet. Ondanks al mijn twijfels en onzekerheden heb ik nooit het gevoel gehad dat mijn ouders niet van me hielden, of dat ik hun liefde niet verdiende. Pas in de afgelopen dagen, sinds ik me heb gerealiseerd hoe dat minderwaardigheidsgevoel altijd aan Booswicht heeft geknaagd – en aan Paul – ben ik er echt van doordrongen geraakt dat een gebrek aan liefde iemand vanbinnen helemaal kapot kan maken.

Als je weet dat er van je gehouden wordt, als je het diep in je hart wéét, zal er iets heel kostbaars in je binnenste altijd veilig zijn. Heb je die liefde niet, of heb je er geen weet van, dan ben je kwetsbaar. Onbeschermd. Blootgesteld aan alle hardheid en akeligheid van de wereld.

‘Je begrijpt nog niet eens half zoveel als je zelf denkt,’ zeg ik tegen Romola.

‘En toch lijk ik meer te begrijpen dan jij.’ Met die woorden buigt Romola zich voorover en activeert ze Victoires Vuurvogel om haar een reminder te geven.

De schok zelf is niet zichtbaar, Victoires pijn wel. Ze wordt door elkaar geschud op haar stoel, draait zich met een ruk om… en zit vervolgens doodstil.

Booswicht is terug.

‘Leuk geprobeerd.’ Haar glimlach is scherp als de scherf van een kapotte spiegel. ‘Maar zoals gewoonlijk niet goed genoeg.’

Meteen gaat Booswichts hand naar haar Vuurvogel, en Romola doet hetzelfde. De medaillons lijken in het niets op te lossen, en Victoire en Romola blijven allebei achter met een stomverbaasde blik in hun ogen.

In opperste verwarring doet Romola een paar stappen achteruit. Ze hapt geschokt naar adem bij het zien van het pistool in haar eigen hand. ‘Wat is hier gebeurd?’

‘Romy?’ zegt Victoire. ‘Ben je weer jezelf?’

Paul doet een stap naar voren en neemt voorzichtig het pistool uit Romola’s hand, zonder ook maar een spoor van de moordlustige woede die hem een paar seconden geleden bijna had verteerd. ‘Ga zitten. We leggen het later wel uit.’

‘Wie is dat?’ zegt oorlogsdimensie vanuit de hoek waar ze samen met de anderen is weggedoken. ‘Ik heb haar van mijn leven nog nooit gezien.’

‘Ze heet Romola Harrington,’ antwoordt maffiadimensie. Ze ziet er bleker en misselijker uit dan alle anderen in de kamer. ‘In mijn universum werkt ze voor Wyatt Conley.’

‘Hier ook,’ zegt een van de klonen die haar bezoeker uit een andere dimensie al kwijt is – Elodie, geloof ik. ‘Conley financiert het klonenonderzoek van pap en mam. Romy is een van zijn assistentes, dus ze woont hier en doet de PR, geldzaken, dat soort dingen.’

‘En ze is een van onze vriendinnen.’ Victoire gaat naast de zeer verwarde Romola staan in een demonstratie van solidariteit. ‘Ze zou ons nooit kwaad doen.’

‘De mijne ook niet,’ zegt maffiadimensie.

‘Te gek. Dan hebben jullie veel leukere Romola’s gekregen dan wij. Misschien zou je de jouwe kunnen vragen ons uit de brand te helpen als je teruggaat naar de maffiadimensie?’ Mijn frustratie maakt me sarcastisch. ‘Sorry. Het is gewoon… Zodra we één dreiging uit de Thuisbasis hebben uitgeschakeld, komt er een andere voor in de plaats. Ik weet niet wat we moeten doen.’

‘We houden ons aan het plan.’ Paul probeert logisch en zelfverzekerd te klinken, alsof hij gewoon verstandige dingen wil zeggen. Toch kijkt hij niemand aan en blijft hij steelse blikken werpen op het vleesmes waarmee hij Romola bijna had bewerkt. ‘Onze eigen dimensies beschermen, blijven samenwerken, en snel weer door. De volgende wereld is belangrijk –’

‘Ik ga er wel heen,’ zeg ik. Tot nu toe heb ik Booswicht steeds op de voet gevolgd. Nu Paul mijn Vuurvogel zodanig heeft ingesteld, dat ik nieuwe richtingen kan inslaan in plaats van alleen maar achter haar aan te hobbelen, kan ik haar misschien eindelijk een stap voor zijn. ‘Nu meteen. Zolang ik haar daar weg kan houden, zal die dimensie veilig zijn, totdat jij me daar kunt ontmoeten.’

Paul doet zijn mond open om iets te zeggen, en dan weer dicht. Hij wilde vast gaan tegensputteren.

Ik ben hem voor. ‘Ik bedoel, jij, of wie me daar ook maar kan bereiken. Wie er in die dimensie ook maar het dichtst bij me is.’

Want ik weet niets over deze volgende wereld. Waar ik er eens van uitging dat Paul en ik elkaar altijd zouden kunnen vinden, weet ik nu dat het multiversum een miljoen verschillende manieren kent om ons uiteen te drijven.

 

‘Oké,’ mompelde ik op een avond eind februari, toen Paul en ik gezellig samen op zijn studentenkamer naar zijn geliefde Rachmaninov lagen te luisteren. De pianonoten klaterden rondom ons neer als regendruppels op een ruit in een hevige storm. Een eindeloze waterval. ‘Dus je kunt het bestaan van het lot wiskundig aantonen.’

‘Ik hoop het. Zo niet, dan zijn mijn kansen op het succesvol verdedigen van mijn proefschrift niet al te best.’

‘O, maar je kunt het wel.’ Ik lag op mijn zij, Paul lag lepeltje-lepeltje tegen me aan. Zijn hand lag uitgespreid op mijn buik, en twee van zijn vingers raakten de blote huid tussen mijn topje en mijn spijkerbroek. ‘Je kunt dus naar deze wirwar van vergelijkingen kijken en erin lezen wat onze lotsbestemming is?’

‘Nee, dat dan weer niet.’ Paul kuste me in mijn nek, alsof hij zich wilde verontschuldigen omdat hij me had moeten corrigeren. ‘Ja, er zijn parallellen in de vergelijkingen die parallellen in de uitkomsten suggereren. Maar het is niet zo dat één getal me vertelt dat we gaan trouwen, of dat een ander getal me vertelt dat we elkaar nooit ontmoeten. Het zou een leven lang onderzoek en evaluatie vergen om zelfs maar te beginnen te snappen hoe je die bevindingen moet interpreteren.’

‘Verklaren jouw vergelijkingen waarom al die parallellen er zijn? Waarom Theo en jij in zoveel werelden samenwerken met mijn ouders, of waarom jij en ik elkaar telkens weer lijken te kunnen vinden?’

‘Ik zou alleen een theorie kunnen poneren.’

Dankzij de opvoeding van mijn ouders en hun hele stal aan doctoraalstudenten ben ik inmiddels gewend aan het jargon. Ik glimlachte inwendig en zei: ‘Oké, poneer maar een eind weg.’

‘Heb je weleens Pringles gegeten?’

Het was zo’n volstrekt onlogische opmerking dat ik eerst dacht dat ik hem verkeerd had verstaan. ‘Pringles? Van die chips, bedoel je?’

‘Ja,’ zei hij ernstig. ‘Die zijn lekker.’

‘Ik weet het. Ik heb weleens Pringles gegeten. Ik bedoel, duh. Maar dit is de eerste keer dat iemand ze gebruikt in de context van een kosmologische theorie.’

Paul omhelsde me nog steviger. ‘Ze moeten allemaal dezelfde vorm hebben om in de koker te passen. Als ze te onregelmatig waren, zou je ze niet op elkaar kunnen stapelen.’

‘Je bedoelt… dimensies zijn als chips in een koker.’ Het begon me te dagen, iets wat ofwel een doorbraak was, of het bewijs dat ik veel te lang met natuurkundigen had opgetrokken. ‘Ze moeten dezelfde vorm hebben, in ieder geval een beetje, anders zouden ze niet naast elkaar kunnen bestaan.’

‘Precies. Zie je wel, we maken nog wel een wetenschapper van jou.’

‘Dat mocht je willen.’

‘Nee, eigenlijk niet. Ik zou nooit willen dat je iemand anders was dan jezelf.’ Paul kuste me opnieuw in mijn nek, langzaam dit keer, zodat ik de warmte van zijn adem op mijn huid voelde. Ik pakte zijn hand en bracht die over mijn lichaam omhoog, hem uitnodigend om op onderzoek uit te gaan. Het leek alsof we ons eigen piepkleine universum van hitte en licht en liefde waren geworden, en niets anders nodig hadden…

 

En nu staan Paul en ik hier, met een verschrikkelijke, sombere spanning tussen ons in omdat hij niet langer het vertrouwen heeft dat ons lot ons samenbrengt.

Maar als hij niet meer gelooft in ons, wil ik op zijn minst dat hij in zichzelf gelooft.

Ik doe een stap opzij en hou mijn stem gedempt. ‘Je hebt een stap bij Romola vandaan gedaan, oké? Je dacht aan mij. De versplintering heeft je niet kapotgemaakt.’

‘Ik ben alleen maar gestopt omdat Romola jou bedreigde.’ Paul staart naar een lege hoek, opnieuw mijn blik ontwijkend. ‘Ik had bijna een moord gepleegd.’

‘Bijna telt niet! Je was sterk en je hebt je weten te beheersen. Je kunt deze strijd winnen.’

‘Maar het zal altijd een gevecht blijven. Altijd.’ Hij schudt zijn hoofd alsof hij op het punt staat een doodvonnis over iemand uit te spreken.

‘Dat je altijd kunt winnen.’ Ik leg een hand op zijn arm.

‘Misschien. Misschien ook niet.’ Hij doet een stap bij me vandaan. Zou deze doorbraak nog te vers zijn? Of zit zijn wanhoop zelfs nog dieper dan ik dacht?

Ook al wil ik nog zo graag dat het goed komt tussen Paul en mij, we hebben een multiversum te redden.

‘Je hebt de coördinaten voor deze belangrijke dimensie ingevoerd?’ Ik pak mijn Vuurvogel weer, vastbesloten om door te gaan. ‘Dus ik kan nu veilig vertrekken?’

‘Ik kom achter je aan zodra ik kan. Als ik dat kan,’ belooft Paul. Nog steeds ontmoet hij mijn ogen niet.

Groothertogin Margarita van Rusland slaat ons vol ontzetting gade. Ik zie dat ze dolgraag iets wil zeggen, maar ze is veel te welgemanierd om ooit tussenbeide te komen. Wat zal ze boos zijn dat ze mij hier mijn kans om met mijn Paul samen te zijn ziet verpesten nadat zij de hare zo tragisch is kwijtgeraakt.

Meteen moet ik denken aan luitenant Markov. De herinnering aan hem maakt me altijd aan het huilen, en ik kan het me niet veroorloven om in te storten. Dus ik kijk de kamer rond, naar mijn andere ikken, bezoekers uit andere dimensies en klonen uit deze wereld.

‘Dit zijn misschien niet de allerbeste omstandigheden, maar ik ben blij dat ik jullie allemaal heb leren kennen. Als ik al die levens zie die we zouden kunnen leiden, en alle verschillende manieren waarop dingen uitpakken…’

‘Het bewijst dat alles mogelijk is,’ zegt de groothertogin.

Ik knik naar haar en kijk dan weer naar Paul, die eindelijk mijn blik beantwoordt in de seconde voordat ik mijn knoppen indruk, en…

…ik wankel. Met een klap ben ik in een wereld beland waar ik momenteel boven op een heel hoge ladder sta. Ik weet op tijd mijn evenwicht terug te vinden, zodat een val op de tegelvloer me bespaard blijft. Toch ben ik bang. Want het enige wat ik over deze dimensie weet, is dat er ergens heel dichtbij zojuist een bom moet zijn ontploft.

De enige andere keer dat ik vlak bij een gigantische explosie ben geweest, was tijdens een luchtaanval in de oorlogsdimensie. Een van de gevechtsvliegtuigen liet een bom zo ongeveer boven op onze schuilplaats vallen, en daarna hoorde ik een paar minuten lang alleen maar een dof gebulder, bijna precies zoals het geluid dat nu in mijn oren weergalmt.

Was Booswicht hier dan toch eerder dan ik? Heeft ze een explosief tot ontploffing gebracht, wilde ze dat ik zou worden aangezien voor een terrorist? Maar ze heeft geen tijd gehad voor iets ingewikkelds, en bovendien… Ik ruik geen rook. Ik zie geen schade. Een paar mensen lopen over de tegelvloer onder mijn ladder door, allemaal in dezelfde richting, maar zonder enige haast. Hun kleren zien er min of meer modern uit, maar zijn een beetje kleurloos. Een afdekkleed zit onder de rode spetters, maar de druppels lijken meer op verf dan op bloed.

Hoe is het mogelijk dat niemand zich druk maakt om de bom? Ik kijk de andere kant uit en zie Pauls gezicht, levensgroot op de muur naast mijn schouder, de verf nog nat. Aan de ladder is een bak met blikken verf bevestigd, en ik besef dat ik een schort aanheb.

Vanuit mijn ooghoek zie ik beweging, en als ik naar beneden kijk, zie ik een man van middelbare leeftijd een kwast omhooghouden. Hij kijkt geïrriteerd. Er zit een blauwgrijze streep op een van zijn wangen. Ik moet een van mijn kwasten op hem hebben laten vallen, wat hem meer bezig lijkt te houden dan die vervloekte bom.

De man zwaait nog een keer naar me, gebarend dat ik naar beneden moet komen. Maar niet omdat hij me wil evacueren. Hij wil dat ik mijn kwast kom ophalen, zie ik.

Meestal probeer ik de belangrijkste aanwijzingen over een universum op eigen kracht in elkaar te puzzelen, maar dit keer zal ik wat hulp nodig hebben.

Dus ik zeg tegen de man beneden: ‘Wat is er aan de hand?’

Ik zeg het alleen niet met mijn eigen stem.

In plaats daarvan, automatisch en onbewust puttend uit de taalinformatie die diep in het brein van deze Marguerite is verankerd, antwoord ik in gebarentaal.

O. Ik ben doof.