Hoofdstuk 1

 

 

 

Ik kan niet ademhalen. Niet nadenken. Ik kan me alleen maar vastklampen aan deze kabel en staren naar de rivier minstens honderdtwintig meter onder me. Tussen mij en de dood staat niets, behalve een paar nylontouwen omklemd door handen die nu al glibberig zijn van het zweet.

Naar andere dimensies reizen kan eng zijn, maar ik ben nog nooit in zoiets angstaanjagends als dit terechtgekomen.

Paniek vertroebelt mijn gedachten en maakt alles surrealistisch. Mijn brein weigert te aanvaarden dat dit echt gebeurt, ook al rekt en trekt de realiteit aan mijn armen en spieren. Iedere kilo van mijn lichaamsgewicht doet mijn vingers verkrampen en vertelt me hoe prangend de situatie is. De lichten van de stad beneden in de diepte lijken zo ver weg, dat het net zo goed sterren zouden kunnen zijn. Desondanks roept mijn hoofd: dit is gewoon een nachtmerrie. Je beeldt je dingen in. Dit kan niet echt zijn…

Maar het Vuurvogel-medaillon om mijn nek gloeit nog na van mijn reis naar een andere wereld. Wat ik zie – het levensgevaar waarin ik verkeer – is zeker weten echt.

Dan realiseer ik me dat ik bungel onder een hovercraft, eentje die holografische advertenties tegen de schemerachtige hemel projecteert. Uiteindelijk weten mijn ogen zich lang genoeg op één detail van de metropool onder me scherp te stellen om de St. Paul’s Cathedral te onderscheiden, en daarachter een futuristische wolkenkrabber die er in mijn versie van Londen nooit was.

De Londen-dimensie. Ik ben terug in de Londen-dimensie, de eerste alternatieve dimensie waar ik ooit naartoe ben gereisd.

Blijkbaar is het ook de dimensie waar ik zal sterven.

‘Marguerite!’

Ik draai mijn hoofd en zie mijn tante Susannah, die uit een van de passagiersraampjes van het luchtschip hangt. Haar geblondeerde haar wappert om haar gezicht, gegrepen door dezelfde sterke windvlagen die aan mijn grijze jurk rukken, waardoor de wereld onder me mijn onbedekte lichaam kan zien. Niet dat het me iets kan schelen wie mijn kont ziet terwijl ik op het randje van de dood balanceer. Tante Susannahs ogen zijn wijd opengesperd, donkere mascarastrepen lopen samen met haar tranen over haar wangen naar beneden. Andere passagiers drommen om haar heen, drukken hun gezichten tegen de ramen van het luchtschip en staren met grote ogen naar het meisje dat elk moment het leven kan laten.

Oké, denk ik, en ik probeer rustiger te gaan ademen. Het enige wat ik hoef te doen, is weer aan boord klimmen. Zo ver is het niet. Ruim een meter omhoog, en dan nog zo’n zes meter over de buitenkant klauteren?

Maar zo simpel is het niet. Ik heb niet genoeg kracht in mijn bovenlichaam om zonder hulpmiddelen in het touw te klimmen, en de dichtstbijzijnde metalen steun bevindt zich buiten mijn bereik. Hoe ben ik hier überhaupt beland? De Marguerite uit dit universum moet uit een van de ramen van het luchtschip zijn gevallen en een touw hebben beetgegrepen om zichzelf te redden, en daarom bungel ik nu ruim honderd meter boven Londen…

Paniek neemt opnieuw bezit van me. Iedere centimeter tussen mij en de rivier lijkt steeds langer te worden. Duizeligheid giert door mijn lijf. Mijn spieren verslappen. Mijn greep op de touwen wordt onvast, wat me dichter bij de dood brengt.

O god, nee nee nee! Ik moet dit tot een goed einde brengen. Als ik haar niet red, zijn we allebei gedoemd.

Want als je in een andere dimensie bent en de andere versie van jezelf waarin je huist doodgaat, ga jij op precies hetzelfde moment ook dood.

Ik zou als de sodemieter kunnen maken dat ik wegkwam uit dit universum. Dankzij de uitvinding van mijn ouders, de Vuurvogel, bezit ik het vermogen om op ieder willekeurig moment naar een nieuwe dimensie te reizen. Dit lijkt een bijzonder gunstig tijdstip om eens een kijkje te gaan nemen in een andere realiteit, om het even welke. Maar als ik de Vuurvogel wil gebruiken, zal ik de knoppen moeten bedienen om uit deze dimensie te springen, en ik moet me met beide handen aan dit touw vastklampen om te voorkomen dat ik mijn dood tegemoet stort. Een beetje een impasse dus, zeg maar. Het luchtschip vliegt zo hoog, dat mijn lichaam bij het vallen een snelheid zou bereiken waarbij ik op slag dood zou zijn zodra ik het water raakte, alsof je op beton neerklapt.

‘Marguerite!’ roept een andere stem. Verbijsterd kijk ik omhoog, en ik zie Paul.

Wat doet hij op dit luchtschip? We kenden elkaar niet eens in dit universum!

Het kan me niet schelen waarom hij hier is. Het enige wat telt, is dát hij er is. Mijn liefde voor Paul Markov is een van de weinige constanten in het multiversum. Hij zou alles doen, zelfs zijn eigen leven op het spel zetten, als hij mij daarmee in veiligheid kon brengen. Als íémand me hieruit kan redden, is hij het wel.

Normaal gesproken red ik altijd mijn eigen hachje, maar dit, vandaag? Dit is foute boel.

‘Paul!’ schreeuw ik terug. ‘Help me, alsjeblieft!’

‘Ze gaan zo snel mogelijk landen!’ roept hij. De wind speelt door zijn donkere haar, en hij stapt voorzichtig naar buiten op het metalen frame voor de projectoren van het luchtschip, volkomen zeker van zichzelf. Hij doet in dit universum vast ook aan rots klimmen, want de hoogte laat hem volkomen koud. ‘Hou vol.’

En jawel, ik hoor dat het geluid van de motoren verandert. De propellers sturen nieuwe, geselende windvlagen. Onder mij komt Londen iets dichterbij, al is het nog steeds vooral een waas van lichtjes en troebele schemerkleuren: tinten donkerblauw, zwart en grijs. Mijn door adrenaline overspoelde brein weigert de vormen in de diepte nog langer te interpreteren; het lijkt wel alsof ik neerkijk op een kunstwerk van Jackson Pollock met allemaal krullen en vlekken en gemorste verf.

Ik stel me een schilderij van Pollock voor met een gigantische rode vlek in het midden. Bloedrood. Er zal niets anders van me overblijven als ik deze kabel loslaat.

Mijn vingers doen zo’n pijn. Mijn schouders. Mijn rug. Hoe graag ik me ook wil blijven vasthouden, ik zal het niet veel langer kunnen volhouden. Binnen een paar minuten zal ik mijn dood tegemoet storten.

Ondanks de kille windvlagen om me heen parelt er zweet op mijn gezicht. Ik proef het zout dat in mijn open, hijgende mond druppelt. Wanneer ik mijn greep probeer te verstevigen, schreeuwen de mensen op het luchtschip. Een van mijn zwarte schoenen glijdt van mijn voet en tuimelt uit het zicht.

‘Marguerite, nee!’ Tante Susannah klinkt alsof ze heeft staan gillen. ‘Je hoeft dit niet te doen, lieverd. Niet loslaten! We lossen het op, wat het ook is wat je dwarszit, ik zweer het. Blijf volhouden!’

Ik wil terug krijsen: ziet het eruit alsof ik nog meer aanmoediging nodig heb om te blijven volhouden? Maar dan dringt het tot me door wat mijn tante zojuist heeft gezegd. Je hoeft dit niet te doen.

Ze denkt dat ik zelfmoord wil plegen. En aangezien ik niet kan verzinnen hoe de Marguerite uit deze wereld anders in deze situatie verzeild kan zijn geraakt, denk ik… Ik denk dat tante Susannah gelijk heeft.

Maar het was niet de Marguerite uit deze wereld die zichzelf van het leven probeerde te beroven. Het was de andere. De slechte versie van mij, die voor Triad werkt, ook nu. Ze viel me in mijn eigen huis aan en ontsnapte toen naar deze dimensie. Maar nu pas, terwijl ik wanhopig naar adem hap en me met mijn allerlaatste krachten vastklamp, begrijp ik wat ze van plan is.

Ze probeert me te vermoorden.

Ze probeert me te vermoorden, in iedere wereld, overal.