33
Hij hield zich slapend. Ogen dicht, regelmatige ademhaling. Om niet in slaap te vallen maakte hij in gedachten rekensommen. Twaalf maal dertien plus zeventien. Negentien maal acht min drieëndertig. Na de veertiende som draaide hij zijn hoofd enkele centimeters naar rechts en keek door zijn oogharen. Chantal sliep.
Hij stapte voorzichtig uit bed, om daarna op zijn tenen de kamer uit te sluipen. Zonder onnodige bijgeluiden bereikte hij de zolderkamer. Hij drukte op de aan-uitknop. De computer kwam tot leven. Omdat het doodstil in huis was, klonk het gepruttel dat daarmee gepaard ging onevenredig luidruchtig.
Toen de computer aan was, voelde hij een lichte twijfel. Voor de laatste keer overdacht hij de voor- en nadelen van zijn besluit. De voordelen wonnen. Hij tikte het adres in. Een strand met palmbomen verscheen.
Ze lag in een modderbad. De smurrie voelde lauw en hard aan. Als cement. Ze kon zich niet bewegen. De donkere drab reikte tot haar nek. De rest van haar lichaam zat gevangen.
De kamer waarin ze zich bevond was een meter of tien breed en oneindig lang. In de verte stonden drie mensen met elkaar te praten. Ondanks de afstand herkende ze hen onmiddellijk. Sander droeg een gouden clownspak. Hij stond druk te gebaren. Naast hem stond Jeroen, in een wit gewaad. Hij keek en luisterde naar zijn hyperactieve zwager. Dorien was van top tot teen in het zwart gekleed. Ze streelde Jeroens haardos.
Ze wilde schreeuwen. Jeroen waarschuwen voor het gemanipuleer van Dorien en haar gulden hofnar. Haar stem weigerde. Elke noodkreet stierf een geluidloze dood in haar keel.
Ze spande haar spieren. Eruit, ze moest de modder van zich afwerpen en naar Jeroen rennen. Hem beschermen tegen zijn eigen familie. Samen konden ze hen aan. In zijn eentje was hij kansloos.
‘Lig je lekker?’
Ze draaide haar hoofd naar rechts. Twee meter naast haar lag Evelien in een soortgelijk modderbad. De glimlach om haar mondhoeken was hemels te noemen. ‘Het is heerlijk als alles voor je geregeld wordt.’
Haar lippen vormden woorden: haal me hieruit. De lieftallige blik van Evelien leek de stille noodkreet niet te bevatten.
‘Volgende maand gaan we naar Australië. Kangoeroes kijken. Dat zijn zulke lieve beestjes, zegt Sander.’
Ze schudde wild met haar hoofd om Eveliens aandacht te krijgen. Blijkbaar was dit onvoldoende. Op zoetsappige toon ging haar schoonzus verder. ‘Als we vrijen vindt Sander het lekker als ik stil blijf liggen. Morgenavond gaan we eten bij L’hiver de Toulon. The place to be , zegt Sander. Volgend jaar krijg ik een Renault cabriolet. Franse tweezitters zijn trendy, zegt Sander. We gaan ook nog op vakantie naar Finland. De hoofdstad is Helsinki, zegt Sander. Of was het soms Kopenhagen?’
Neeeeeeeee! De kreet galmde door haar hoofd. Zij was de enige die het hoorde. De lippen van Evelien gingen op en neer. Vormden normale woorden die uitmondden in krankzinnige frasen. Gelukkig had iemand de volumeknop naar de nulstand gedraaid.
De hel kende veel gezichten.
‘Hé, Tal, word eens wakker.’
Nog confuus van de warrige beelden opende ze haar ogen. Drie hartslagen later werd het haar duidelijk waar ze zich bevond. Nog slaapdronken grijnsde ze naar Jeroen. Onbewust gleed haar handpalm over het onderlaken. Het voelde vertrouwd aan.
‘Dat leek me een stevige nachtmerrie.’
Ze knikte. Toen zijn vingers wat plakkerig haar uit haar ogen streken, trok er een rilling langs haar rug.
‘Je bent ijskoud.’ Hij kroop naast haar. Terwijl hij zijn best deed om lichamelijk contact te vermijden, ging hij op zijn rug liggen. ‘Morgen gaan we boeken. Met een beetje geluk kunnen we volgend weekend al weg.’
Zijn woorden drongen keihard tot haar door. Ze reageerde als door een wesp gestoken. ‘Jij denkt toch niet dat ik in een bubbelbad op de Veluwe ga liggen terwijl jij in Maastricht wordt gemanipuleerd?’ Ze was klaarwakker, boos en vooral teleurgesteld. Die middag hadden ze het voorval uitgebreid besproken. De conclusie was dat Jeroen het perfect had opgepakt. Ze voelden zich sterker dan ooit met elkaar verbonden. Een echte eenheid. En nu dit...
‘Nee, Tal,’ zei hij droog. ‘We gaan terug naar Turkije. Je hebt me overtuigd.’