13
Chantal nam nog een slok van haar thee, pakte haar bord en liep ermee naar de keuken. ‘Ik fris me boven nog even op en ga dan naar mijn werk,’ zei ze op een zo achteloos mogelijke toon. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ze spoelde het bord en het kopje met de Franse slag af en telde daarna in gedachten af. Bij de derde tel was het al zover.
‘Chantal?’
‘Ja?’
‘Wil je even hier komen?’
Daar gaan we, dacht ze. Terwijl ze zich omdraaide en naar de huiskamer terugliep, nam ze zichzelf een heleboel dingen voor. Voet bij stuk houden, was daarvan de belangrijkste. Met een zelfverzekerde gezichtsuitdrukking keek ze Jeroen aan. ‘Wat is er, schat?’ Hoewel de woorden er vloeiend uitkwamen, voelde haar keel opeens als schuurpapier aan. Dit kwam hoofdzakelijk door de onverzoenlijke blik die Jeroen haar direct bij binnenkomst had geschonken. Sterk zijn, schoot het door haar heen. Sterk zijn, verdomme!
‘Dat zijn geen leuke geintjes, Tal. Doe eens een beetje volwassen, oké?’
Chantal voelde de woede vanuit haar binnenste naar haar hoofd stijgen. Dit was echt de omgekeerde wereld. En dan die blik die hij haar zond! Onverzoenlijkheid was veranderd in hooghartigheid. Hij, en niemand anders, had de wijsheid in pacht. Niet te geloven. De stem der redelijkheid in haar hoofd zei haar dat ze zich vooral billijk op moest blijven stellen en rustig blijven. ‘Ik ben gisteren toch duidelijk geweest, Jeroen? Vandaag ga ik het een paar uurtjes proberen. Lukt het niet, dan vertrek ik gewoon eerder.’
Jeroen frommelde nerveus met de vingers van zijn rechterhand in het linkerborstzakje van zijn overhemd. Hij viste er een pakje sigaretten uit en stak er eentje op. Hij inhaleerde diep. ‘Dus jij gaat vandaag weer aan het werk?’ sprak hij op een toontje dat suggereerde dat hij tegen een kind sprak dat eens flink de les moest worden gelezen. ‘En denk jij nou werkelijk dat ik het toesta dat jij jezelf in de komende uren onsterfelijk belachelijk gaat maken, Tal? Werken is volstrekt niet aan de orde. Wij zitten nog volop in een rouwproces, weet je wel? Als jij nu naar je werk gaat, dan beledig jij onze kinderen, mij, en bovenal jezelf.’
Ze ademde diep in door haar neus en blies geluidloos uit door haar mond. Alle goede voornemens leken uit protest tegen zoveel onredelijkheid uit haar poriën te vloeien. Elke zenuw in haar lichaam trok samen. Een inwendig spanningsveld bouwde zich in een razend tempo op. Klaar en gewillig om tot een gigantische verbale uitbarsting te komen die de tegenstander in één klap elke lust tot verdere discussie zou ontnemen. ‘De enige die hier van beledigen een sport heeft gemaakt ben jij, Jeroen.’ Ze verwonderde zich over zowel de milde tekst als de kalme manier waarop ze de zin uitsprak. De automatische piloot die de woorden had verstuurd, beschikte over stalen zenuwen.
‘Uit jouw reactie blijkt ook dat jij mij niet serieus neemt,’ ging Chantal verder. ‘Gisteravond heb ik je toch verteld dat ik vandaag weer aan het werk ging, nietwaar? Blijkbaar had jij het te druk met jouw boezemvriend Johnny Walker.’
Aan de reactie van Jeroen zag Chantal dat ze een gevoelige snaar had geraakt. De bekende zenuwtic onder zijn linkeroog speelde op en zijn handen begonnen licht te trillen. In stilte vervloekte ze zichzelf. Dit was geen eerlijke woordenwisseling. Enkel fysiek gezien waren er twee partijen. Mentaal was het twee tegen één. Jeroen was eveneens tegenstander van zichzelf.
‘Ah, ik zie dat de feministe in jou is opgestaan,’ snauwde Jeroen. Hij keek opeens fel uit zijn ogen en drukte zijn sigaret venijnig in de asbak uit. Hierna balde hij zijn rechterhand tot een vuist. ‘Nu moet jij eens heel goed naar mij luisteren, Chantal. Jij gaat niet naar je werk. Vandaag niet, morgen niet en ook volgende week niet. Wij zitten nog midden in een rouwproces. Aangezien jij daarbij geen passende verantwoordingen wilt nemen, dien ik nu op mijn strepen te gaan staan.’ Hij keek haar aan met gloeiende ogen die door een mysterieuze koorts leken bevangen. ‘Jij blijft vandaag gewoon thuis. Ik beveel het je.’
Enkele seconden heerste er in de huiskamer een stilte waarop een hoog voltage rustte. Uiterlijk onbewogen beantwoordde Chantal zijn bezeten blik. Tot aan de laatste zin had ze haar zelfbeheersing kunnen bewaren. De krachten die er nu echter vrijkwamen kon ze niet meer beteugelen. ‘Dus jij beveelt mij, Jeroen?’ zei ze met afgeknepen stem. ‘Laat ik jou dan voor eens en voor altijd duidelijk maken dat ik mij door niemand laat bevelen. En zeker niet door een waardeloze vent die zichzelf uitermate zielig vindt en daardoor zijn verdriet de godganse dag verdrinkt.’
Uit de blik die zij hem toezond sprak voornamelijk minachting. Haar wijsvinger priemde beschuldigend in zijn richting. Alle opgekropte woede en frustraties zochten en vonden een uitweg. Fysiek en verbaal. ‘De pijn en het schuldgevoel zullen nooit verdwijnen, Jeroen. Het zal hooguit met de loop der jaren minder worden. Dat betekent dus eigenlijk dat het rouwproces ons hele leven lang door zal gaan. Er is namelijk geen uur op de dag dat je niet aan je kinderen denkt.’
Ze haalde diep adem. ‘Het gaat er nu om hoe wij ons leven in gaan vullen. Proberen wij er nog iets van te maken, of gaan we de hele dag zielig doen en categorisch elk contact met de buitenwereld weigeren? Ik wil in elk geval het eerste. Dat ben ik namelijk aan Dennis en Max verschuldigd. Als ze ons in deze staat zouden zien, dan schaamden ze zich vast en zeker dood.’
Jeroen reageerde als door een adder gebeten. Hij stond razendsnel op en was met drie grote passen bij haar. Vlak voordat zij elkaar zouden raken, hield hij zijn pas abrupt in. Chantal schrok zichtbaar van zijn agressieve gedrag. Was het haar houding of de foute formulering van haar laatste zin die hem opeens zo razend maakte? vroeg ze zich in een halve seconde af. Voor een antwoord ontbrak de tijd, aangezien Jeroen ongegeneerd tegen haar ging schreeuwen. ‘Waag het niet om ooit nog op die manier over mijn kinderen te spreken, pokkenwijf!’ Dreigend hief hij zijn rechterhand op. ‘En nou opgesodemieterd, jij!’
Chantal reageerde instinctief. Ze schoot met een snelle beweging langs haar echtgenoot heen. Zonder verder om te kijken graaide ze haar handtas van de salontafel en opende de deur naar de gang. Toen ze haar jas van de kapstok pakte hoorde ze Jeroen vanuit de woonkamer tieren. ‘Ga maar gauw naar die makelaarsvriendjes van je. Probeer daar dan gelijk een slaapplaats voor vanavond te regelen, want hier kom jij er niet meer in. Misschien moet je er wel je benen wijd voor doen, maar ja, wat kan jou dat nou schelen. Iemand die zijn gezin kan verraden, kan ook de hoer spelen, nietwaar? Teringwijf dat jij d’r bent!’
Om de verschrikkelijke woorden een halt toe te roepen, smeet Chantal de voordeur achter zich dicht. Terwijl ze naar haar auto liep, vocht ze tegen de opkomende tranen. Ze voelde zich gelijktijdig slachtoffer en dader. Deze escalatie had ze niet voorzien en zeker niet gewild. Toch was het volledig uit de hand gelopen. Een stommiteit die ze geheel op haar eigen conto kon schrijven, aangezien Jeroens geestestoestand tegen ontoerekeningsvatbaar aan zat.
In de hoop dat hij de komende uren af zou koelen, startte ze de auto en reed weg.
Ruim vier uur na de hoogoplopende ruzie met haar man verliet Chantal met een voorzichtige glimlach op haar gezicht de makelaardij. De ochtend die zo slecht was begonnen, had een geweldig vervolg gekend. Vanaf het moment dat ze was binnengestapt, hadden haar collega’s haar fantastisch opgevangen.
Toen ze bij haar auto aankwam, draaide Chantal zich om en zwaaide naar Annemieke. De receptioniste zei haar met een brede armzwaai gedag en greep vervolgens naar de telefoon. Annemieke was de enige die zij vanaf de parkeerplaats kon zien. De burelen van de rest van haar collega’s bevonden zich aan de achterzijde van het pand.
Chantal stapte in en reed weg. De radio liet ze bewust uit. Omdat ze zich gelijktijdig opgelucht en vrolijk voelde, kwam de muziek vanuit haar binnenste. Tijdens het rijden neuriede ze het deuntje van het eerste liedje dat haar te binnen schoot.
Terwijl ze op een relaxte manier achter het stuur zat, liet ze het prettige gedeelte van deze ochtend passeren. Reeds vanaf het moment dat zij, best wel zenuwachtig, het pand was binnengekomen, hadden haar collega’s haar het gevoel gegeven dat ze nooit was weggeweest. Iedereen deed normaal, er werd gelachen en... niemand stelde vragen waarbij zij zich weleens ongemakkelijk zou kunnen voelen.
Natuurlijk werd de vraag ‘Hoe is het ermee?’ gesteld. Dit gebeurde echter terloops en fatsoenshalve. Haar antwoord was dat ook, waarmee de kous direct af was. Niemand ging er verder op door.
Het werk op zich was een makkie. Dossiers updaten, dingen die ze bij wijze van spreken met haar ogen dicht kon doen. Ze had een aan zekerheid grenzend vermoeden dat haar taken voor deze morgen door haar collega’s in scène waren gezet. Geen taart, bloemen en emotionele toestanden, maar gemakkelijk werk zodat ze rustig haar parttimejob weer op kon pakken. Dit hadden ze precies goed ingeschat, dacht Chantal. Klasse.
De omschakeling van werk naar de huiselijke situatie was lastig. De vriendelijke gezichten van kantoor moesten nu wijken voor het stuurse gelaat van Jeroen. Als hij tenminste thuis was. Het woord ‘als’ kwam enkele malen nadrukkelijk in een andere context bij haar op.
Ze parkeerde haar auto voor hun huis. Ze opende de voordeur en hing haar jas weg. Doordat het verder doodstil in huis was, hoorde ze hoe boven het water uit de douche stroomde. Op weg naar de keuken hield ze even stil bij het trapgat. ‘Ik ben thuis!’ Omdat er na enkele seconden geen reactie volgde, probeerde ze het nogmaals. ‘Jeroen?’
Chantal haalde haar schouders op. Misschien voelde Jeroen zich na zijn belachelijke gedrag van die morgen zo bezwaard dat hij nu fris en monter voor haar wilde verschijnen. ‘Ik hoop dat hij zijn mond met groene zeep heeft uitgespoeld,’ zei ze grijnzend tegen de inhoud van de koelkast. Hierna pakte ze een pak appelsap en schonk wat voor zichzelf in. Met het halfvolle glas in haar rechterhand liep ze direct door naar de woonkamer.
Om dit tijdstip was rtl 7 haar favoriete zender. Behalve het financiële nieuws kwamen er eveneens andere onderwerpen aan de beurt. Het balkje met de beursnoteringen dat onder aan het scherm liep nam ze voor lief. Van aandelen wist ze niets.
Met interesse keek ze naar de afschuwelijke beelden van een walvisjacht. Er werd gefilmd vanuit een helikopter, wat het geheel zowel authentieker als luguberder maakte. De voice-over meldde dat het hier om een illegale jacht ging van een Zuid-Koreaanse walvisvaarder. Helemaal spannend werd het toen een bemanningslid op de helikopter schoot. De piloot zwenkte het toestel, wat het einde van dit item betekende.
Toen de presentator overschakelde naar een gehucht in de provincie Groningen waar een wilde staking onder het personeel van een machinefabriek was uitgebroken, schudde Chantal met haar hoofd en klakte verontwaardigd met haar tong. De beelden van de weerzinwekkende walvisjacht stonden nog vers op haar netvlies.
Mensen zijn erger dan beesten, dacht ze. Ze doen echt alles voor geld, het is te walgelijk voor woorden. Ze dronk haar glas leeg en stond op om het bij te vullen. Ze vroeg zich af of die dorst soms door de kantoorlucht kwam. Ze haalde haar schouders op. De komende dagen zouden het uitwijzen, vroeger had zij er in elk geval nooit last van gehad. En mocht zij opeens door de lucht van de airco dorst krijgen, dan was dat niet meer dan jammer. De afwisseling op kantoor was haar namelijk prima bevallen. De droge lucht van een airco weerhield haar er echt niet van om de volgende dag weer naar het werk te gaan. O, nee. Al moest ze bij wijze van spreken kruipen: gaan deed ze.
Op het moment dat zij zich op de bank wilde laten ploffen, realiseerde Chantal zich dat zij geen gestommel op de bovenverdieping hoorde. Ze zette haar glas neer en liep naar het trapgat. In de tussenliggende seconden bedacht ze dat het toch wel een vreemd tijdstip was om te douchen. En nog wel zo lang... ‘Jeroen!’
Ze pakte de afstandsbediening en zette de televisie zachter. Vaag hoorde ze hoe in de badkamer de stralen tegen de kunststofbodem van de douche kletterden. Terwijl ze op het punt stond zich om te draaien en weer televisie te gaan kijken, kronkelde een onbehaaglijk gevoel door haar maag.
Waarom reageerde Jeroen niet? Was hij nog boos op haar?
Het nare gevoel veranderde in lichte paniek.
Misschien was hij uitgegleden en lag hij bewusteloos op de grond. Een elektrische schok gierde langs haar rug. Ze zag haar man in gedachten liggen. Hulpeloos, het water stroomde zijn mond binnen. Hij kreeg geen adem meer.
‘Nee!’
Er bestond opeens geen twijfel meer. Het was mis. Ze rende naar boven. Elke stap bracht haar twee treden dichter bij de overloop waaraan de badkamer lag. Zonder haar pas in te houden smeet Chantal de deur hiervan open. ‘Jeroen!’
Het silhouet achter de douchecabine voldeed aan het ergste scenario wat er sinds enkele tellen door haar hoofd spookte. Met een snelle ruk trok ze de harmonicadeur opzij. Twee hartslagen verder stokte haar adem. Wat zij voor zich zag vervulde haar met een mengelmoes van opluchting en ontreddering. Welke van de twee aan het langste eind zou trekken, was nu nog onduidelijk. Daarvoor was de eerste aanblik te heftig.
Jeroen was volledig gekleed en zat met opgetrokken knieën in de douchecabine. Hij neuriede zachtjes. Waarschijnlijk een liedje, al was dat moeilijk vast te stellen omdat de melodie ervan nogal onsamenhangend klonk. Zijn ogen waren wijd opengesperd. Hij keek recht voor zich uit, maar leek geen flauw benul van zijn omgeving te hebben.
‘Mijn god... Jeroen.’ Chantal was de schrik te boven en draaide de douchekraan dicht. Hoewel haar hart nog steeds sneller dan normaal klopte, voelde zij een bepaalde rust in haar lichaam en geest terugkeren.
Toen de straal ophield, ging zij op haar knieën tegenover haar man zitten. Terwijl Jeroen apathisch voor zich uit bleef staren, aaide ze zijn gezicht. ‘Het komt allemaal goed,’ fluisterde ze. ‘Dat beloof ik je.’
Een teken van herkenning bleef uit.