Epiloog
Het was een rustig middagmaal. Puc had de hele nacht en de volgende dag doorgeslapen, en was pas laat in de ochtend opgestaan. Hij voelde zich verdoofd en wist dat het volle gewicht van wat er gebeurd was pas over enkele dagen of zelfs weken tot hem door zou dringen. Hij was oud en wijs genoeg om te begrijpen dat de geest en het hart zich in hun eigen tempo herstelden, en dat ze zich zouden beziggehouden met wat hij had gedaan als ze daar klaar voor waren.
Caleb, zijn vrouw Marie en de jongens, Jommy, Tad en Zane, samen met Magnus en Miranda, waren stil, in de vertrouwde rust van een gezin dat gewoon blij was om bij elkaar te zijn. Het was bewolkt buiten, maar Puc vond het sombere weer wel passend.
Op een gegeven moment vroeg hij aan Miranda: 'Hoeveel Grootheden zijn er uiteindelijk doorgekomen?'
Miranda stopte even met kauwen en slikte toen. 'Ik geloof dat er eenenveertig door de scheuring naar de Academie zijn ontkomen, en nog eens honderd of zo door de scheuring naar de nieuwe wereld.'
'Ze zullen een naam moeten verzinnen voor die plek,' zei Jommy. 'Ze kunnen het niet maar steeds "de nieuwe wereld" blijven noemen, toch?'
Puc glimlachte. Hij was heel blij dat zijn drie pleegkleinzoons het hadden overleefd.
'En verder?' vroeg hij.
'Er is geen officiële telling,' antwoordde Miranda. 'Misschien zijn er tienduizend Tsurani door de scheuringen hierheen en door die andere naar LaReu gekomen. De meesten willen naar de nieuwe wereld, tot opluchting van de koning, denk ik, hoewel een paar wel in LaReu willen blijven. Een groot aantal mannen die onder Kaspar dienden, blijven bij hem in Novindus. Hij zal een indrukwekkend leger hebben als hij in dienst treedt bij de Maharadja van Muboya.'
'Zullen we ooit weten, vader, hoeveel?' begon Magnus. Puc schudde zijn hoofd. 'Er gestorven zijn? Nee, dat zullen we nooit weten.'
Hun beste schatting was dat iets meer dan twee miljoen Tsurani het naar de nieuwe wereld hadden gered, maar dat betekende dat voor iedereen die gered was, er vijf waren gestorven door toedoen van de Dasati of toen de planeet verdampte. Hij keek Miranda aan. 'En de Thuril?'
Miranda forceerde een glimlach. 'Kennelijk zijn ze wat praktischer ingesteld dan wij hadden verwacht. Schijnbaar is de overgrote meerderheid op tijd door de scheuring gekomen. Gezien hun cultuur zullen ze waarschijnlijk sneller aan hun nieuwe hoogvlakten wennen dan de Tsurani aan de rest van hun continent.'
'En de thuns?'
'Dat weet niemand. We zullen er iemand heen moeten sturen om te gaan kijken.'
Puc vroeg niet naar de cho-ja, want hij kende het antwoord al. Het bedroefde hem dat zo'n groots, buitenaards ras had besloten samen met hun wereld te sterven. Hij staarde lange tijd door het met regen bespatte raam naar buiten, nam een slok wijn en zei: 'Ik zal die kleine valsspeler missen.'
Caleb lachte. 'Niet bij het kaarten, hoor.'
'Of het dobbelen,' zei Jommy.
Puc zuchtte. 'Ik weet dat ik al bijna vijftig was voor ik hem leerde kennen,' zei Puc, 'maar ik heb het gevoel dat hij er gewoon altijd was.'
Miranda kneep in de hand van haar man. 'Dat is hij nog steeds, op een bepaalde manier.'
Puc tilde zijn kroes op. 'Op Nakur.'
'Nakur!' proostten ze allemaal.
'We zijn die dag twee goede vrienden kwijtgeraakt,' zei Jommy.
'Nakur was Eriks oudste nog levende vriend, wisten jullie dat?' vroeg Puc.
'Nee,' zei Jommy. 'Ik wed dat er mooie verhalen over die twee zijn.'
'Wel een paar, ja,' zei Puc, en hij stond op. 'Ik heb een paar dingetjes te doen in mijn werkkamer, en dan ga ik even rusten.' Toen de anderen ook opstonden, gebaarde hij dat ze konden blijven zitten. 'Ik ben moe, niet gewond. Eten jullie maar verder.'
Hij liep naar zijn werkkamer en deed de deur open. Achter zijn schrijftafel, in zijn stoel, zat een man met bruin haar.
'Banath!'
'Ja,' zei de God van de Dieven. 'Ik vond dat je het verdiende om nog één ding te weten. De Duistere is vernietigd, of zo vernietigd als een opperdrocht maar kan zijn. Hij is weer in de Leegte gesmeten, dus wat ons aangaat, is hij weg.'
'Hoe dan? Toch zeker niet .. .'
'Jouw trucje met de brandende planeet? Heel onverwacht, en ik geef toe dat ik onder de indruk was. Ik dacht dat je zou proberen een kloof in de aarde te openen, waardoor de Heilige Stad met opperdrocht en al in de vloeibare kern van de planeet zou zakken, of hem zou proberen te verzuipen op de bodem van de zee. Maar de hele wereld vergruizen was ... opmerkelijk.'
'Dus we zijn eindelijk veilig?' vroeg Puc.
Banath lachte. 'Dat nooit,' zei hij, en hij verdween.
Puc bleef staan en wenste dat hij middelen had om te weten of de God van de Leugenaars nu de waarheid had gezegd of niet. Toen zag hij het kistje staan. Hij liep ernaartoe, weifelde heel even en opende het. Er lag een schriftrol in. Zenuwachtig pakte hij het perkament op en rolde het uit.
Er stond een boodschap in zijn eigen handschrift op.
'Nou, goed, misschien verdien je het wel om twéé dingen te weten,' stond er. 'Jij hebt deze briefjes niet zelf geschreven en teruggestuurd door de tijd. Dat was ik.'
Er was ondertekend met 'Kalkin'.
Puc ging zitten en hield zijn lachen in.