15


Onderzoek

 

 

Puc verdween.  

Martuch had het verwacht, maar toch zette hij grote ogen op toen Puc zijn bezweringen begon. De beslissing om op zoek te gaan naar Nakur en Bek was al genomen toen ze nog meer verslagen hoorden over wat er was gebeurd op Kelewan. Agenten van de Witte gaven in de loop van de middag en avond steeds flarden informatie door. Op zichzelf bood elk van die fragmentjes slechts een glimp op de situatie, maar gecombineerd was het resultaat afgrijselijk.  

Er waren drie rijen aanvallers Kelewan binnengeleid door Doodspriesters van de Dasati die scheuringsachtige 'poorten' hadden gemaakt, waardoor per minuut tientallen Doodsridders naar binnen konden. Ze hadden zich gericht op drie locaties in de Heilige Stad: de raadzaal in het paleis, de vleugel waarin de Eerste Raadgever en alle andere ministers en hun assistenten waren ondergebracht, en het hart van het koopliedendistrict.  

Puc wist meteen dat de Dasati hun inlichtingen van Leso Varen hadden gekregen. De Dasati hadden ongetwijfeld ingezien dat het verstandig was om de leiding en de omringende bureaucratie te vernietigen, maar ze zouden zelf nooit aan een aanval op de kooplieden hebben gedacht. Er was in hun wereld niets wat ook maar in de verste verte leek op een koopliedenklasse, en het concept van het verstoren van de financiële basis van het keizerrijk was voor hen zo buitenissig dat het alleen maar van Varen had kunnen komen. Pucs hoofd liep om. Als hij kon ontdekken wie hier contact onderhield met Varen, dan kon hij wanneer hij terugkeerde - áls hij terugkeerde - die boosaardige slager vinden.  

'Dit is waanzin,' zei Martuch.

Puc lachte. Ineens merkte hij dat hij niet meer kon ophouden met lachen. Hirea en de twee Minderen die de Witte dienden, keken geschokt op bij het geluid dat schijnbaar uit het niets kwam. Het effect was dubbel verontrustend, want niet alleen was de bron van het geluid niet duidelijk, maar voor de Dasati was lachen nauw verbonden met pijn en sterfte.  

'Vader, wat is er?' vroeg Magnus, en Pucs gelach stokte.

'Neem me niet kwalijk,' zei Puc. Hij haalde diep adem en liet de lucht langzaam ontsnappen. 'Plotseling dacht ik aan de enormiteit van de klus die voor ons ligt, en toen Martuch het waanzin noemde... Alles wat we sinds de opkomst van Leso Varen hebben meegemaakt is niets dan waanzin geweest. Dus dacht ik: hoe gestoord moet wat we nu doen dan zijn, om te worden aangemerkt als waanzin tussen al die andere waanzin. Ik weet niet waarom ik dat grappig vond, maar goed.'

'Je bent gewoon moe, vader,' zei Magnus.

'Dat zijn we allemaal.'

'Ik zie er de humor niet van in,' merkte Hirea op. Hij had rustig gezeten, maar stond nu op. 'Als je dit moet doen om je vrienden te bereiken, kunnen we maar beter opschieten. Het zal niet lang meer duren voordat onze aanwezigheid in de buurt van de enclave van de paleiswacht wordt opgemerkt.' Zonder nog een woord te zeggen, beklom hij de ladder naar het valluik. Hij duwde de klep omhoog en keek rond, om zich ervan te vergewissen dat er niemand in dat deel van het bos was voor hij naar boven ging.

Puc en Magnus volgden, en Magnus liet het Martuch weten toen hij van de ladder was gestapt. De strijder en de twee Minderen volgden, en toen iedereen bovengronds was, werd het luik weer gesloten.

Het was avond, maar er was in de stad zoveel gaande dat twee ruiters die reden alsof ze met dringende zaken bezig waren amper zouden worden opgemerkt. Martuch had erop aangedrongen dat ze voor zonsopgang het paleis weer uit moesten zijn. Hij had Puc duidelijke instructies gegeven voor hoe hij de meest waarschijnlijke plek kon bereiken waar hij Nakur en Bek zou kunnen vinden: de barakken van de rekruten.  

Puc en Magnus stegen achter de twee strijders op en grepen zich stevig vast toen de strijdvarnins onrustig werden van het extra gewicht op hun rug. Martuch en Hirea zetten er flink de pas in, want twee ruiters midden in een zogenaamd verlaten boomgaard op deze tijd van de dag zouden ongewenste belangstelling kunnen wekken.  

Ze gingen snel richting de eerste tunnel naar de stad zelf, en het leek erop dat niemand hun voorbijgaan opmerkte. Snel verplaatsten ze zich over drukke boulevards, hoewel die minder vol waren dan gebruikelijk. De recente Grote Selectie had zijn tol geëist. Hoewel de dood een constante aanwezigheid was in het Dasatileven, hing er een sfeer van anticipatie en onrust in de lucht, alsof de Selectie op een of andere manier nog maar een voorteken was van nog meer naderende moeilijkheden.  

Toen ze pas in deze wereld waren, had Puc gezien dat veel Doodsridders 's avonds de deur uitgingen zonder bepantsering, dat ze gemakkelijk zittende mantels droegen en reden op minder temperamentvolle rijdieren dan strijdvarnins. Er waren ook meer Dasativrouwen op straat te zien geweest, die zich vrij van de ene plek naar de andere begaven, van plaatsen waar voedsel en drank konden worden betrokken, zoiets als de Midkemiaanse herbergen of restaurants, naar plekken die waren voorbehouden aan Minderen van een bepaalde vakgroep, dat wat bij de Dasati doorging voor winkels. Maar vanavond waren er nauwelijks vrouwen te zien en was er geen man op straat zonder bepantsering, op de Minderen die de Doodsridders volgden na.  

Hij zag geen enkele andere Doodspriester of Hiërofant. Iedereen was druk, en dat was nog een teken dat er iets belangrijks te gebeuren stond. Puc wist niet of het duidde op de voorbereidingen voor de invasie van Kelewan - hoewel hij dacht dat de leiders van de grote huizen en genootschappen ongetwijfeld enige tijd zouden krijgen om aan te monsteren  - of misschien nog een Selectie, voor het geval de Duistere weer doodsmagie nodig had om nog meer poorten te maken.  

Toen ze de wijk bereikten waarvan de ingang het dichtst bij de barakken lag waar Bek en Nakur mogelijk waren ondergebracht, hielden Martuch en Hirea hun varnins in. Martuch sprak zonder achterom te kijken: 'We volgen achterafstraten rondom de wijk en komen hier bij zonsopgang terug. Als jullie kunnen, laat je dan zien. Dan stoppen wij alsof jullie aan ons toebehoren en kunnen jullie ons volgen. Zo niet, dan wachten we. Spreek ons aan als je kunt, en laat ons weten wat je nodig hebt. Als we jullie niet kunnen vinden...' Hij maakte zijn gedachte niet af, maar Puc wist wat hij bedoelde.  

'Als we jullie niet kunnen vinden,' zei hij zachtjes, 'vinden we zelf onze weg wel terug naar het Bos.'

'Veel geluk,' zei Hirea.

'Jullie ook,' antwoordde Puc.

Toen de twee ruiters vertrokken waren, vroeg Puc: 'Magnus?'  

'Hier, vader,' klonk een stem rechts van hem. Magnus raakte hem aan.

'We moeten dicht bij de muur blijven. Als zelfs een Mindere ons maar aanraakt, zijn we erbij.'

Ze haastten zich de tunnel in, langs een reeks gesloten deuren en ramen met gordijnen ervoor.  

'Het lijkt erop dat iedereen uit het zicht blijft,' zei Magnus zachtjes.

'Dat is gunstig voor ons,' antwoordde zijn vader.

Ze schuifelden door de lange gang. Hij was zo breed dat zes ruiters er schouder aan schouder doorheen zouden kunnen rijden, maar hij was verlaten. Puc was bezorgd dat het misschien zo stil was dat iemand hen zou horen langskomen, maar hij zette door. Er waren nergens wachters te zien, en dat leek vreemd, maar toen herinnerde Puc zich dat hij hier niet te maken had met menselijke heersers. Zelfs de keizers van Tsuranuanni of Groot Kesh waren in de loop van de eeuwen geconfronteerd met zowel ambitieuze edelen en bedreigingen van binnenuit als met vijanden van over de grenzen. Maar hier eiste de tekarana bijna universele gehoorzaamheid, met als enige uitzondering de Witte; zo'n minderheid dat het voor de bevolking van het keizerrijk van de Dasati niet meer dan een mythe was. Als de overgrote meerderheid van de mannelijke leden van de bevolking onder de wapens is gebracht en op het fanatieke af loyaal is, wordt beveiliging een bijzaak.  

Martuch had hem duidelijk uitgelegd hoe ze bij de barakken van de nieuwe rekruten konden komen, en al snel kwamen ze bij de eerste slaapzaal aan. Toen ze eenmaal de deur door waren, beseften ze hoe enorm hun taak was, want aan weerszijden van het middenpad waar ze stonden, bevonden zich honderden veldbedden met slapende jonge Dasati erin. Hoe moesten ze Bek vinden?  

Overal door de ruimte verspreid lagen Minderen op matjes op de vloer te slapen, waardoor het heel riskant zou zijn om tussen de veldbedden door te lopen. Er was een pad langs de buitenrand van de ruimte, dat ze snel en geruisloos volgden, maar in de eerste zaal zagen ze niemand die leek op de jonge strijder of Nakur.

Ze liepen door een tweede zaal, en een derde, maar nog altijd zagen ze geen spoor van Bek of Nakur. Verschillende keren bewogen jonge slapende Doodsridders zich, maar Puc merkte op dat de Dasati niet snurkten en ook niet veel schenen te bewegen in hun slaap. Ze sliepen allemaal op hun rug en hoewel er wel enige variatie in slaaphoudingen was, sliep niemand op zijn zij of op zijn buik. Puc vroeg zich af of het misschien een overlevingsstrategie was: niet bewegen in je slaap verkleint de kans dat een roofdier je ontdekt, of misschien kon de slaper zo sneller reageren als hij werd aangevallen. Hij wist het niet, maar hij vond die bijna uniforme slaaphouding vreemd verontrustend.  

In de vierde zaal zat het ze eindelijk mee. In een hoek zagen ze Bek op zijn veldbed zitten. Nakur zat op de vloer en sprak zachtjes tegen hem. Toen ze naderden, hoorde Puc hem zeggen: 'Binnenkort gaan er dingen veranderen, en je hebt een heleboel te doen in een korte tijd.'  

'Ja, Nakur. Ik begrijp het,' fluisterde Bek.

'Mooi,' antwoordde Nakur. 'Ik kan misschien niet altijd bij je zijn, dus moet ik zeker weten dat je ook als ik er niet ben precies weet wat je moet doen.'

'Ik begrijp het,' herhaalde de jonge strijder.

'Mooi zo. Ga nu slapen. Ik moet met Puc en Magnus praten.'  

Bek ging in dezelfde houding liggen als alle andere Dasati-strijders, en Nakur draaide zich om en keek recht naar Puc en Magnus. 'Ik vroeg me al af waar jullie bleven.'  

Puc, die nog altijd onzichtbaar was, vroeg: 'Hoe...?'

'Later,' zei Nakur terwijl hij opstond. 'Maak mij ook onzichtbaar. Als ze me zien rondzwerven, doden ze me. Ik moet jullie iets laten zien.'  

Weldra was Nakur even onzichtbaar als Puc en Magnus. 'We moeten door die linkerdeur daar, en dan door de gang naar rechts,' fluisterde hij. 'Ik wijs de weg wel als we op een kruising komen.'

Hij liep geruisloos de barak uit en toen ze de deur door waren, zag Puc dat ze de laatste rekrutenbarak hadden verlaten. Nakur fluisterde, maar ze konden hem goed verstaan, want ook deze gang was leeg. 'Er staat binnenkort iets groots te gebeuren, Puc. Iedereen is doodsbang. Zelfs de Doodsridders. Ik weet niet waarom. Ik heb nog nooit angst gezien bij de Dasati. Ik bedoel, ik heb wel Minderen ineen zien krimpen, maar dat is evenzeer onderdeel van hun rol als werkelijke angst. Elke Mindere die denkt dat hij de kans heeft om een Doodsridder of Doodspriester te doden en zo status te verkrijgen, zou dat zonder aarzelen doen. Maar zelfs de Doodsridders kunnen hun ongerustheid amper verbergen.'  

'Ik voel het,' antwoordde Magnus. 'Ze zijn bang.'

Puc zuchtte diep. 'Ik vecht zelf ook al tegen een gevoel van onrust sinds we het Bos hebben verlaten.'

'Wij hebben allemaal een sterke geest,' antwoordde Nakur. 'Denk je eens in hoe het voor deze mensen moet zijn, die geen angst kennen.'

'Waar komt het vandaan?' vroeg Puc.

'Dat wil ik jullie laten zien.' Ze kwamen op een kruising van gangen aan en Nakur zei: 'Nu gaan we naar links, een heel eind door die gang. Ik ga rennen, en ik stel voor dat jullie dat ook doen. Als je bij het eind komt, weet je wel waar je moet zijn.'

'Wacht,' zei Magnus. 'Ik kan ons laten vliegen, als we laag blijven.'

Ze stegen op van de grond en vlogen snel door de gang. Puc hoopte dat de beheersing van zijn zoon goed genoeg was, want hij twijfelde er niet aan dat magische vaardigheden weinig zouden uithalen als ze tegen een stenen muur aan botsten.  

De gang was schijnbaar mijlenlang; in tegenstelling tot de andere was deze onverlicht. Puc was nu volledig afhankelijk van de verlichting vanaf de stenen, die onzichtbaar was voor het menselijk oog, maar waarin voor het oog van een Dasati een residu van vormen en texturen zichtbaar was. Hij zou die vaardigheid gaan missen, dacht hij, als hij weer thuis was... en hij voelde een plotselinge steek van pijn, een ongerustheid die hij nog niet eerder had ervaren.

Hij wist dat hij op een of andere manier weer thuis zou komen. Dat was hem beloofd door niemand minder dan de Godin van de Dood, want zij had zijn lot voorspeld, dat hij was gedoemd te blijven leven tot hij het doel had vervuld dat de goden voor hem in gedachten hadden. Dat lot omvatte ook dat hij iedereen van wie hij hield eerder zou moeten zien sterven. Hij zou thuiskomen, maar hij had geen idee of dat ook voor Magnus en Nakur gold.

'Jekunt nu vaart minderen,' zei Nakur. We zijn bijna aan het eind.'  

Ze kwamen aan het uiteinde van de heel lange gang, en Puc vermoedde dat ze meer dan twee mijl gevlogen hadden.

'Ik werd hier de vorige keer bijna gesnapt,' zei Nakur. 'Ik was niet onzichtbaar. Het is een truc waarvan je zou denken dat ik die inmiddels wel geleerd had. Ik heb me eruit weten te kletsen, zodat ze me niet doodden.'

Puc glimlachte en wenste dat hij die uitwisseling had kunnen horen, want hij twijfelde er niet aan dat de Dasati in kwestie even verward was geweest als een mens zodra Nakur eenmaal begon met een van zijn bedrieglijke trucjes. 'Daar moet je me een keer over vertellen.'

'Je kunt ons nu wel weer zichtbaar maken,' zei Nakur.

Puc liet de onzichtbaarheidsbezwering los.

'Waar zijn we?'

'Dit is een heel sluw en handig iets,' zei Nakur. Ze stonden op een platform. Puc voelde trillingen onder zijn voeten en hoorde een laag gezoem in de verte. 'Er komt zo een soort van wagen voorbij, en daar gaan we op mee. Snel zijn, want hij mindert geen vaart.'

'Wat...?' begon Magnus, net toen het toestel dat Nakur had beschreven verscheen.

Het leek op een wagen, omdat het een vlakke achterbak had en iets wat een bok kon zijn, maar het werd niet getrokken door dieren. Er stonden bankjes achter in de bak. 'Springen!' riep Nakur.

Ze sprongen en kwamen struikelend tussen de bankjes terecht.

'Het kost wat oefening, denk ik,' zei Nakur.

'Wat is dit?'

'Ik weet niet hoe ze het hier noemen, maar ik zie het maar als een heel grote kabelwagen.'

'Kabelwagen?' vroeg Magnus.

'Mijnwerkers gebruiken die,' vertelde zijn vader. 'Dolgan, de dwergenkoning in de Grijze Torens, heeft me erover verteld. We liepen door een oude mijn, en ik zag een oude kabelwagen in een zij tunnel staan.'

'Ik heb ze in Kesh gezien, in de koper- en tinmijnen,' zei Nakur. 'Ze hebben grote wielen zodat ze kunnen worden getrokken door muilezels. Ze laden ze vol erts en trekken ze uit de mijn. Ze hebben ook kleintjes, die ze met de hand duwen om de grote te vullen. Soms leggen ze houten paden aan.'

'Hoe werkt dat ding?'

'Er is een of ander groot toestel, een soort machine, misschien door water of iets anders aangedreven, dat een lang stuk touw in een grote lus rondtrekt. Als je lang genoeg aan boord blijft, eindig je waar je begonnen was.' Hij zweeg een ogenblik. 'Wacht even, er is daar verderop een plek waar we .. .' Voor hij zijn zin kon afmaken, voelden ze een harde ruk en maakte de kabelwagen plotseling meer vaart. 'Ik geloof dat er een toestel is dat de wagen van een langzaam touw naar een snel touw verplaatst. Er komt nog zo'n ruk als we aan het andere uiteinde weer vaart minderen.'  

'Wie heeft dit gebouwd? De Dasati?' vroeg Magnus. Puc begreep de vraag van zijn zoon. De bouwwerken op deze wereld en op Kosridi waren enorm, veel groter dan de mensen op Midkemia of Kelewan konden bouwen, ook al hadden die naar menselijke maatstaven ook behoorlijk indrukwekkende gebouwen neergezet. Maar de schaal van de bouwen de techniek op deze wereld vereiste dingen die ze hier hadden gezien: reusachtige deuren die bewogen op onbekende manieren en boogbruggen die mijlen overspanden en de verbeelding tartten. Niets van wat ze van de Dasati hadden gezien, gaf aan dat ze een grote bevolkingsgroep hadden met het talent en de vaardigheden om dergelijke constructies te bouwen, en ze hadden ook niets gezien van nieuwe bouwplaatsen of projecten. Het had er eerder alle schijn van dat deze samenleving stilstond, tot op het punt van stagnatie.  

'Waar gaan we naartoe?' vroeg Puc.

'Naar het hart van de waanzin,' antwoordde Nakur terwijl de kabelwagen zich door een enorme tunnel de duisternis in spoedde.

 

De tunnel leek eindeloos. Puc verloor zijn besef van tijd, hoewel hij er vrij zeker van was dat ze nog geen halfuur onderweg  

waren. Maar bij deze snelheid moesten ze minstens tien mijl verwijderd zijn van de plek waar ze aan boord waren gestapt. 'Hoe lang nog?'

'We zijn ongeveer halverwege. Daarom zei ik dat we moesten opschieten. En we kunnen niet blijven rondhangen op onze bestemming. Ik tenminste niet. Jij en Magnus kunnen zelf bepalen wat jullie doen als ik jullie dit heb laten zien. Ik moet terug voordat ze de rekruten wekken, voor het geval Bek iets gaat doen... nou, iets wat Bek zou kunnen uithalen.'  

Puc had al sinds ze naar het tweede bestaansniveau waren gekomen gemerkt dat Nakurs normaal zo vrolijke stemming zo goed als afwezig was. Hij was rustig, en Puc kon dat wel begrijpen: niet alleen waren de Dasati naar menselijke maatstaven een grimmig en bloeddorstig volk, maar hun concept van humor was bijna uitsluitend beperkt tot pijn en leed. En er was nog meer. In de afgelopen paar weken was een gevoel van wanhoop en angst toegenomen, en de houding en het gedrag van de mensen in de stad was aan het veranderen. Er ging minder volk in het donker de straat op, en markten die druk bezocht werden toen Puc pas op Omadrabar was, waren nu zo goed als verlaten. Groepen Minderen schuifelden door de schaduwen en krompen zichtbaar ineen als er Doodsridders langsreden. Doodspriesters en Hiërofanten waren bijna helemaal verdwenen uit het openbare leven, opgesloten in het zwarte hart van de tempel van de Duistere, bezig met voorbereidingen voor de volgende verschrikking die hun god in petto had.  

Martuch en Hirea waren nog stoïcijnser dan normaal en spraken amper, behalve als hun rechtstreeks een vraag werd gesteld. Puc had de indruk dat er normaal gesproken een soort opluchting volgde na een Grote Selectie, dat men relatief kalm was na het overleven ervan. Maar deze keer was er iets veranderd. Het gonsde van de geruchten in de stad, maar niemand wist echt wat er ging gebeuren, want zoiets als dit was nog nooit voorgekomen. Het verlies van twee legioenen van de tekarana was een ongehoord offer in de Dasatigeschiedenis.  

De kabelwagen bewoog rukkerig en vertraagde, en Nakur zei: 'We moeten er zo af.'

Ze stonden op en stapten allemaal af toen de kabelwagen langs een langwerpig platform reed. 'Deze kant op,' zei de kleine gokker.

Ze haastten zich door een volgende lange gang, en toen hield Nakur hen staande. 'Van hieraf ben ik verdwaald, en de enige reden waarom ik niet gedood werd, was omdat Bek zich netjes gedroeg in de trainingsbarakken en niemand merkte dat zijn Mindere er een dag niet was. Ik ben aan het zwerven gegaan en heb dat ding gevonden dat ik jullie wil laten zien. Maar nu jullie hier zijn, kunnen we er snel zijn.' Tegen Puc zei hij: je moet ons weer onzichtbaar maken.' Toen wendde hij zich tot Magnus. 'Jij moet ons omhoog laten vliegen, recht daar naar boven.' Hij wees de schemering boven hen in. 'Het is een heel eind omhoog. Dan gaan we die kant op' - hij wees recht vooruit - 'en dan moeten we omlaag, heel ver omlaag, naar een heel donkere plek. Ben je klaar?'  

'Ja,' zei Puc, en hij weefde zijn bezwering zodat ze alle drie onzichtbaar werden.

'Hou je vast,' zei Magnus, en Puc greep Nakur met zijn ene hand en zijn zoon met de andere. Ze stegen recht omhoog en gingen snel verder. Even later was er niets dan schemerduister onder en boven hen meer te zien.

'Hoe hoog is het hier?' vroeg Puc.

'Vijfenzeventig trappen, maar ik ben de tel kwijtgeraakt dus het kunnen er ook een paar meer of minder zijn.'

Ze kwamen op de hoogste verdieping aan en Nakur zei: 'Een stukje verder, over de daken.'

Magnus bracht hen tot boven het hoogste dak. De hemel boven hen was nog altijd verloren in de duisternis. 'Hoe groot is dit gebouw?' vroeg Magnus.

'Heel groot,' antwoordde Nakur. 'Ik heb wat trucjes gebruikt, en naar mijn beste schatting is het dak nog eens tweeduizend voet boven ons.'  

'Wie zou zoiets kunnen bouwen?' vroeg Puc.

'En hoe?' voegde Magnus eraan toe.

'Alleen de goden, denk ik,' antwoordde Nakur. 'Alleen de oude goden van de Dasati.'

Terugdenkend aan de Necropolis van de goden in Novindus, zei Puc: 'Misschien. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat sterfelijke wezens dit hebben gebouwd.'  

'Ik ook niet,' zei Nakur. 'En ik kan me best veel voorstellen.'

Ze vlogen over de uitgestrekte reeks ruimtes onder hen en kwamen uiteindelijk bij een enorme grot aan. 'Hoe groot, denk je?' vroeg Puc.

'Mijlen,' zei Nakur. 'Ze hebben een heftoestel dat ik een eindje hier vandaan aantrof, en het kostte me een hele tijd voor ik was waar wij naartoe gaan. Maar waar ik ook was, of wat voor trucjes ik ook gebruikte, ik kon de overkant niet zien. Het was net alsof ik op de oever van een grote baai stond. Ik zag de oever wel wegbuigen naar links en rechts maar dan verdwijnen in de mist, en ik kon niet voorbij de horizon kijken.'  

'Waar zijn we?' vroeg Magnus.

'Ah,' zei Nakur. 'Ik dacht dat je dat wel snapte. We zijn in de tempel van de Duistere zelf.' Zachtjes voegde hij eraan toe: 'Hij is daarbeneden.'

 

Ze suisden omlaag door een duisternis die leek op niets wat Puc ooit eerder had ervaren, want niet alleen was er geen licht, maar het leek wel alsof het leven zelf was weggesijpeld uit de structuur van de realiteit. Kort daarna zagen ze licht beneden zich, een kwaadaardige rood-oranje gloed met een klein randje groen eromheen. 'De god is daar beneden,' zei Nakur zachtjes, alsof hij bang was te worden gehoord.

'Maar ziet hij ons dan niet?' vroeg Magnus.

'Hij schijnt zijn eigen zorgen te hebben,' zei Nakur. 'Tenminste, de vorige keer toen ik hier was, lette hij niet op me.'  

Ze gingen verder omlaag tot ze midden in de rood-oranje gloed een vorm konden ontwaren. Van deze afstand leek het een grote zwarte massa, maar toen ze naderden, zagen ze het langs de randen golvend bewegen.

'Wat is dat?' fluisterde Magnus.

'Dat is de Duistere God,' antwoordde Nakur.

Puc stond paf. Hij had contact gehad met de goden op Midkemia, maar die hadden zich altijd gepresenteerd in een min of meer menselijke gestalte. Dit wezen leek in de verste verte niet op een mens of zelfs een Dasati.

Het was gigantisch, met gemak honderden meters in doorsnee, en de vorm ervan was moeilijk vast te pinnen omdat de omtrekken bleven bewegen, vloeiend en golvend, alsof het een soepele zak was met olie of water erin, maar trager bewegend dan vloeistof. Puc moest denken aan zijde die langzaam golft in de wind. Het oppervlak van het wezen had geen kleur, maar je kon het ook niet echt zwart noemen. Het leek meer een afwezigheid van kleur en licht, zonder de bijbehorende energieën die zichtbaar waren voor het Dasati-oog. Kwaadaardig, zo voelde het aan voor Puc, maar zelfs daarmee schreef hij er eigenlijk al te veel dynamiek en dimensie aan toe. Het was verstoken van wat dan ook dat hij zich kon herinneren ... op één keer na! Hij probeerde zich te ontworstelen aan een steek van angst die grensde aan paniek.  

De kop van het wezen was reusachtig, maar viel in het niet bij de enormiteit van de rest van zijn lichaam en rees ongeveer vier voet boven het lichaam uit op een soort van nek.

'Ergens daarbuiten,' zei Puc, 'heeft hij armen en benen.' Zijn stem had een klank die Magnus en Nakur nooit eerder hadden gehoord.

'Wat is er, vader?'

Puc keek wat nader naar de kop van het wezen, naar de twee felrode strepen gloeiend oranje licht in het zwarte masker. Rondom de kop, als een kroon, zweefden flakkerende rode vlammetjes. 'Ik ken hem,' zei hij.

'Hè?' vroeg Nakur. 'Hoe bedoel je, je kent hem?'

'Dat is geen god, Nakur, tenminste niet zoals wij dat soort dingen zien.'

'Wat is het dan?' vroeg Magnus.

'De Duistere God van de Dasati is niet afkomstig van dit bestaansniveau of van enig ander niveau dat wij kunnen begrijpen. De Duistere God van de Dasati is een wezen uit de Leegte. Dit is een opperdrocht.'  

'Wat?' vroeg Magnus, die hen wegleidde van de opperdrocht naar de rand van de enorme kuil. Er was weinig bekend over de drochten, maar hij had er voldoende over gehoord om te begrijpen waarom de stem van zijn vader geforceerd rustig klonk. Zijn vader was bang, en Magnus had dat nog nooit eerder meegemaakt. 'Wat doet hij hier?' vroeg hij, terwijl hij met moeite zijn eigen kalmte wist te bewaren.

'Ah,' zei Nakur. 'Dat verklaart veel.' Hij klonk verbazingwekkend onaangedaan over de onthulling. Magnus keek naar Nakur en zag dat de kleine gokker strak naar de opperdrocht tuurde en die bestudeerde terwijl ze door de kuil liepen.  

Ze voelden een vreemdsoortige hitte opstijgen, een hitte die zowel onnatuurlijk als onrustbarend was. Het rood-oranje licht van beneden leek te vloeien, alsof de opperdrocht in een enorm meer zat. Puc kreeg een verontrustend idee. 'Zie je die groene vlam over het oppervlak van de vloeistof dansen?'

'Ja,' antwoordde Nakur. 'Leven dat probeert te ontsnappen.'

'Kunnen wij léven zien?' vroeg Magnus.

'Ik heb het een keer eerder gezien, toen je moeder en ik Caelis hielpen de Levenssteen te vernietigen en alle zielen die erin opgesloten zaten te bevrijden.'

'Net als zoveel andere dingen die we als mensen niet kunnen zien, kunnen we dat wel met onze Dasati-ogen,' antwoordde Nakur. 'Deze monsterlijke entiteit leeft in een zee van gevangen leven. Hij is opgezwollen tot een enorm ... ding, vele malen groter dan hij oorspronkelijk had kunnen worden. Hij is volgevreten, als een vreetzak aan een feestmaal dat nooit eindigt, opgezwollen als een monsterlijke teek die eindeloos bloed uit een hond zuigt. Kijk!'  

Toen ze de rand van de reusachtige kuil bereikten, zagen ze dat er een ceremonie bezig was. Een dozijn Doodspriesters stond in twee rijen opgesteld, en daarachter stonden gewapende Doodsridders in oranje bepantsering. Puc nam aan dat het tempelwachters waren. Een lange rij schuifelende Minderen kwam langzaam naar de rand van de kuil, en toen ze daar aankwamen, gaf een priester hun een snelle zegening en werden ze over de rand geduwd. De Minderen vielen in de kolkende vloeistof, waarvan Puc nu begreep dat het voornamelijk bloed was, en zonken erin weg.  

Degenen die aarzelden, werden door Doodsridders opgetild en over de rand gesmeten. De meesten huilden of leken geschokt en gelaten, maar enkelen keken met grote ogen van paniek rond en sommigen probeerden te vluchten. Degenen die dat deden, werden gedood door de Doodsridders die achter de priesters stonden, en de lijken werden over de rand gerold.  

'Daar!' zei Nakur, en Puc keek waar hij naar wees. Een kleine verhoging, misschien voor een hoge ambtenaar of zelfs de tekarana, was gebouwd als plek om de eindeloze stroom offers te bekijken.  

'Magnus, kun je je deze plek goed genoeg herinneren om ons hier snel terug te krijgen als het moet?' vroeg Nakur.

'Ik denk dat het nu een beter idee is om ons hier snel wég te krijgen.'

'Dat ook,' fluisterde Nakur. 'Soms lijkt het wezen te slapen, maar ik wil liever niet nog een keer via die route naar binnen glippen. De vorige keer liep ik met een paar van die arme drommels die worden gevoerd aan dat monster mee, dus werd ik niet opgemerkt toen ik naar binnen kwam.'

'Hoe ben je dan ontkomen?' vroeg Puc.

'Met wat trucjes,' zei Nakur ontwijkend. 'Kom, we moeten terug: ik wil Bek niet te lang alleen laten.'

'Nakur, is Bek de Godendoder?'

'Misschien wel, misschien niet,' antwoordde de kleine gokker toen Magnus zichzelf en zijn twee metgezellen de lucht in liet zweven. 'Maar hij heeft een rol te spelen. Zodra ik er zeker van ben dat ik hem veilig kan achterlaten, moet ik op een paar plekken langs.'  

'Waar dan?' vroeg Puc.

'Er zijn overal in deze tempel ruimtes met schriftrollen en andere dingen waar niemand meer naar kijkt. Dit was ooit een groots volk, Puc. Indrukwekkend zelfs, en ik denk dat de Dasati wél zelf deze ongelooflijke gebouwen hebben neergezet. Dat betekent dat ze net zo waren als de Ipiliac. Veel van hun creatieve grootsheid verdween door de behoefte om te overleven tussen de verschillende bestaansniveaus. Hier richtten de Dasati al hun energie op bouwen, creëren, onderzoeken. Ze moeten ooit grote wetenschappers, dichters, kunstenaars, musici, genezers en technici hebben gehad. Ze moeten zelf bijna goden zijn geweest tot deze verschrikking naar hen toe kwam.'  

'Er is zoveel wat we misschien nooit zullen weten,' zei Puc. 'Hoe een wezen uit de Leegte in het hart van deze wereld terechtkwam .. .'

'Ga maar wat sneller, Magnus,' zei Nakur. 'De klok tikt.' 

Magnus voerde het tempo op, en al snel waren ze boven aan de enorme kuil. Toen ze de tunnel naar de kabelwagen afdaalden, zei Nakur: 'Wat Beks rol ook mag zijn, ik denk dat hij moet proberen het te doden.'  

'Maar je zei dat je niet wist of hij de Godendoder was,' zei Magnus.

'Nee, misschien niet, maar hij moet het toch proberen.'

'Hoe weet je dat, Nakur?' vroeg Puc.

De kleine gokker werd weer zichtbaar. 'Ik weet niet hoe ik dat weet, Puc. Ik weet veel dingen waarvan ik niet weet hóé ik ze weet. Het is gewoon zo. Nu kunnen we beter opschieten.'

Puc en Magnus werden ook zichtbaar, en Nakur haastte zich door de tunnel naar de kabelwagen. Vader en zoon wisselden een zwijgende vraag uit. Ze wisten allebei dat Puc Nakur niet zichtbaar had gemaakt. Dat had Nakur zelf gedaan.  

Puc haastte zich achter het vreemde mannetje aan en vroeg zich af of hij ooit de waarheid over hem zou weten.