8


Dreigementen

 

 

Miranda rende als een dolle.

Er was bijna onmiddellijk alarm geslagen, en ze had geschreeuw op de gang gehoord. Ze had uitgerust in de kamers die de keizer haar had toegewezen, wachtend tot ze zou worden opgeroepen naar de keizerlijke vertrekken in het paleis te komen voor een ontmoeting met het Hemelse Licht. Tientallen bedienden en keizerlijke wachters renden op het geschal van de krijgstrompet af. Het was een uniek signaal, want er bestond maar één zo'n zeldzame metalen trompet in het keizerrijk, en die werd gebruikt om de keizer te waarschuwen wanneer er gevaar dreigde.  

Miranda wist al dat er duistere magie gaande was: ze kreeg kippenvel en ze bespeurde een smerige geur in de lucht toen ze de ingang naar de keizerlijke vertrekken naderde. De enorme houten deuren zaten dicht, en tien wachters stonden tevergeefs op de oude, bewerkte panelen te bonzen. 'Opzij!' riep Miranda.  

Enkele soldaten aarzelden, maar de bedienden gingen allemaal aan de kant. Het zien van een zwarte mantel, al was hij niet zwart maar heel donkergrijs, en de gezaghebbende uitstraling van een magisch begaafde, appelleerden aan jaren van conditionering. Verscheidene van hen bogen hun hoofd en zeiden: 'Uw wil, Grootheid.'  

De soldaten volgden hun voorbeeld, en Miranda hief haar handen. Aangezien dit niet het moment was voor subtiliteit, richtte ze haar gedachten op de grote scharnieren en spoorde met haar wil het steen waarin ze gevat waren aan te veranderen in stof. Toen, met een kreet om haar gedachten richting te geven, stak ze haar hand uit alsof ze iets wegduwde. De lucht voor haar hand rimpelde terwijl de energie erdoorheen stroomde en de reusachtige deuren raakte als een onzichtbare stormram. Ze vielen naar achteren en sloegen met een dreun op de stenen vloer van de keizerlijke vertrekken. Voordat de echo was weggestorven, renden de soldaten al naar binnen.

Miranda wendde zich tot de bedienden. 'Blijf op afstand. Als jullie nodig zijn, worden jullie geroepen.'

Ze snelde achter de soldaten aan en had geen moeite hun doelwit te ontdekken. Een verzengende vlaag hitte spoelde over haar heen toen ze de lange gang naar de weelderige tuinen in liep. De soldaten voor haar hielden hun pas in toen ze de hitte voelden, maar verdub belden toen hun inspanning. Miranda hoorde geschreeuw en gegil voor zich terwijl ze zich naar het conflict haastte.  

Dit complex van vertrekken was het grootste in het paleis: een reeks aaneengeschakelde kamers waarin de keizerlijke familie en hun meest loyale begeleiders langere tijd konden wonen, gescheiden van de rest van de regering van het keizerrijk. Een prachtige tuin bevond zich bij de ingang van de residentie als je die naderde vanuit het midden van het paleis. Het was een oase van rust in een verder doorlopend drukke en lawaaiige gemeenschap, compleet met een enorme vijver omgeven door paviljoens met zijden gordijnen om de hitte van de dag in te kunnen ontvluchten. Nu stonden die kostbare stukken zijde in brand, mogelijk aangestoken door een verdwaalde magische energieschicht.  

Miranda nam de situatie snel in ogenschouw. Twee Doodspriesters van de Dasati lagen levenloos naast een fontein. Op een of andere manier waren ze opgedoken in de tuin van de keizer. De sporen van vernietiging rondom hen wezen erop dat ze zonder nadenken waren begonnen hun doodsbezweringen willekeurig om zich heen te werpen, naar elke mens die ze zagen. De Tsuranimagiër die bij de keizer was geweest, had meteen gereageerd met een stralende vuurbol, waarschijnlijk om de aftocht van de keizer te dekken of te voorkomen dat de Doodspriesters hem gemakkelijk zouden kunnen vinden. Hoe dan ook, het resultaat was een uitslaande brand, die zich snel door een fortuin aan zijde en kussens vrat. Miranda keek rond, haar zicht belemmerd door de rook en nasmeulende brandjes. Voor zover ze kon zien waren veel bedienden en keizerlijke wachters een vreselijke, pijnlijke dood gestorven. Geen van de lichamen was gekleed in keizerlijke kleuren, dus de keizer moest in een ander deel van het complex zijn. Miranda was opgelucht toen ze dat besefte.  

De keizer was jong en had geen vrouw, dus zijn leven werd beschouwd als dubbel zo kostbaar: als hij zonder troonopvolger overleed, zou het keizerrijk zonder heerser zitten, en de politieke chaos in zo'n onrustige tijd zou rampzalig zijn. Volgens Tsuranees gebruik werd er ten tijde van oorlog na het formele verbreken van het Rode Zegel op de grote deuren van de Tempel van de God van de Oorlog een heraut met de keizerlijke klaroen vlakbij gestationeerd, om eventueel gevaar voor het Hemelse Licht aan te kondigen. Er stond ook altijd een priester van de orde van Jastur op wacht bij de deur van de keizer.  

Miranda arriveerde net na de eerste golf keizerlijke wachters die het familie complex in waren gegaan, en was net op tijd om de machtige priester van Jastur zijn magische strijdhamer te zien gebruiken. Het ding vloog door de lucht en raakte een Doodspriester in zijn borst, waardoor die achterwaarts werd gelanceerd. Een fontein van oranje bloed barstte uit de borstkas van het wezen toen hij enkele meters over de stenen vloer schoof, bijna tot aan Miranda's voeten.  

Miranda probeerde zich verstaanbaar te maken boven het tumult. 'We hebben die andere levend nodig!'

Ze wist meteen dat haar oproep tevergeefs was, want Tsuranese soldaten, die hadden gezworen hun leven te geven voor hun keizer, stortten zich op de overgebleven Doodspriester en bedolven hem onder hun gewicht. Voor Miranda bij de massa lichamen was aangekomen, hadden ze hem al talloze keren doorboord met zwaardpunten en dolken. Ze zette haar ergernis over dingen die ze niet kon veranderen van zich af en draaide zich om. Daar stond een officier van de wacht, met een getrokken zwaard en besmeurd met oranje bloed. 'Waar is het Hemelse Licht?' wilde ze weten.  

'In zijn slaapkamer,' antwoordde de officier.

Miranda zag dat zijn huid blaren begon te vertonen waar het Dasatibloed hem had geraakt, en zei: 'Spoel dat af voordat het ernstige schade aanricht, slagleider.'

'Uw wil, Grootheid,' antwoordde hij. Hoewel ze geen officiële positie had binnen de Assemblee van Magiërs, was ze wel de vrouw van Milamber en een vertrouwelinge van de keizer, en dus stonden de traditionele Tsurani erop haar aan te spreken met die eretitel. Ze corrigeerde ze maar niet meer, want het had toch geen zin.

Ze haastte zich langs bedienden en wachters naar de ingang van de slaapkamer, die werd bewaakt door bewapende wachters. 'Het gevaar is geweken,' liet ze hun weten. 'Ik moet Zijne Majesteit spreken.'  

Een van hen gebaarde dat ze moest wachten. Hij liep naar binnen, en kwam even later naar buiten met de mededeling dat de keizer haar zou ontvangen. Ze was de deur al door voor hij uitgesproken was en trof de jonge heerser aan in zijn traditionele wapenrusting, helemaal van goud, met een oud metalen zwaard in de hand en klaar voor het gevecht. Iets aan zijn uitstraling en houding voorkwam dat hij er belachelijk uitzag. Hij leek in alles op een Tsuranese krijger, ondanks zijn beschermde leventje.  

Naast hem stond een slanke magiër die Manwahat heette en die kort naar Miranda knikte. Hij keek haar vragend aan. Ze knikte terug en voelde dat hij ergens onder dat onbewogen Tsuranese uiterlijk waarschijnlijk een zucht van verlichting slaakte. Hij was een jonge magiër, voor zover die er waren in de Assemblee, maar Miranda kende zijn reputatie: hij was nuchter en machtig. Zonder omhaal zei ze: 'Majesteit, u moet de Heilige Stad verlaten.'

De keizer knipperde met zijn ogen alsof hij haar niet begreep, maar toen veranderde zijn houding. Hij haalde diep adem en stopte zijn ceremoniële zwaard weg. 'Mag ik vragen waarom, Miranda? Ik krijg maar zelden bevelen.'  

Miranda begreep nu pas dat haar informaliteit ongeschikt was in een situatie waarin ze niet alleen waren. 'Mijn verontschuldigingen, Majesteit. Door mijn zorgen om uw welzijn vergat ik mezelf. Alleen Varen kan hier achter zitten. Vermomd als Wyntakata is hij tientallen keren in dit paleis geweest, en hij is de enige die zou weten hoe hij die Doodspriesters in uw privétuin moest krijgen.'  

'Doodspriesters?'

'Een aantal Doodspriesters van de Dasati zijn in uw tuin gematerialiseerd en hebben iedereen gedood die ze zagen.' Ze zweeg even en vervolgde toen: 'Het was een zelfmoordaanval, daar twijfel ik niet aan. Het interesseert Varen niet hoeveel Dasati er sterven, en zij zijn fanatiek in hun toewijding aan hun Duistere God.'

'Vertel me dan waarom ik mijn paleis moet verlaten,' zei de keizer.

'Als Wyntakata heeft Varen voldoende kennis van het paleis om u hier nogmaals aan te vallen. Hij weet dat de Hoge Raad, ondanks hun grote loyaliteit aan het keizerrijk, in verwarring zou worden gebracht door uw dood. Zonder duidelijke troonopvolger...'  

'Wordt het een strijd tussen mijn neven wie er na mij op de Gouden Troon plaats zal nemen,' voltooide keizer Sezu. 'Ja, dat is logisch. Maar waar moet ik dan naartoe?'

'Is Wyntakata weleens op uw landgoederen geweest, Majesteit?'  

'Dat weet ik niet zeker,' antwoordde de keizer. 'Misschien voordat ik de troon besteeg...'

'Niet zo lang geleden,' zei Miranda. Ze overpeinsde hoe lang het geleden was sinds Varens laatste schijnbare 'dood' tijdens zijn aanval op Tovenaarseiland. 'Alleen maar in het afgelopen jaar of zo.'

'Nee, niet dat ik weet,' zei de keizer. 'Ik zal mijn Eerste Raadgever navraag laten doen bij het huispersoneel.' Toen klaarde zijn gezicht op. 'Ik weet één plek die hij zeker niet heeft bezocht. De oude Acomalandgoederen ten zuiden van Sulan-Qu. Er woont al niemand meer sinds mijn grootvader de troon besteeg, maar we hebben de landerijen en gebouwen binnen het keizerlijk huis gehouden als heiligdom, een plaats van verering omdat het de geboortepIek was van de Vrouwe van het Keizerrijk. Ja, ik weet zeker dat hij daar nooit geweest is.'  

Ze knikte naar Manwahat, en de jonge magiër zei: 'Als het het Hemelse Licht behaagt, kan ik u en uw meest vertrouwde bedienden daar binnen enkele minuten naartoe brengen.' De keizer scheen te willen protesteren, maar de magiër voegde eraan toe: 'Anderen kunnen ervoor zorgen dat uw hofhouding snel volgt.' Hij knikte naar Miranda.

'Goed. Ik zal de Assemblee op de hoogte brengen, en als het moet, verplaatsen we de hele regeringszetel daar naartoe. Ik kan van daaraf even snel bevelen uitvaardigen, als de Grootheden ons helpen,' zei de jonge keizer.  

Manwahat knikte. 'Als u het wenst, Majesteit, wensen wij het ook.'

De keizer wendde zich tot een bediende. 'Verzoek de krijgsheer de Hoge Raad morgen bijeen te laten komen, dan zal ik instructies achterlaten over wat er moet gebeuren om ons voor te bereiden op de komende invasie.'  

De bediende maakte een buiging en haastte zich op weg.

Een paleisambtenaar arriveerde en liet de keizer weten dat de brand in het tuinpaviljoen was geblust. De keizer stuurde iedereen weg, maar vroeg Miranda om nog even te blijven. Toen ze alleen waren met de rest van de lijfwachten, viel het masker van kalmte van de keizer af en zag Miranda een heel boze jongeman voor zich staan. 'De oorlog is begonnen, hè?'

Miranda besloot tot een vertrouwelijk gebaar waar ze nog maar enkele uren eerder niet over zou hebben gepeinsd. Ze legde haar hand op de schouder van de keizer. De wachters in de kamer veranderden een klein beetje van houding, klaar om hun heerser te hulp te schieten als de buitenlandse vrouw van plan was hem iets aan te doen. 'Het is begonnen,' zei ze zachtjes. 'En het zal niet eindigen tot de Dasati volkomen zijn weggejaagd uit deze wereld en dit bestaansniveau, of tot Kelewan in brokken aan hun voeten ligt. U staat op het punt iets te doen wat geen enkele andere keizer ooit eerder heeft hoeven doen: elk huis in het keizerrijk onder de wapens roepen, de complete gewapende troepenmachten onder uw bevel scharen, want nog nooit in zijn tweeduizend jaar lange geschiedenis heeft het keizerrijk groter gevaar gelopen.'  

De woede bleef, maar de stem van de keizer klonk kalm. 'We zullen doen wat we moeten doen. We zijn Tsurani.'

Miranda hoopte maar dat het genoeg zou zijn. 'En de boodschap?' vroeg ze.  

De keizer staarde voor zich uit. 'Ik... Waar moeten we naartoe?'  

Miranda wist dat dit de kern van de zaak was. De cryptische boodschap uit de toekomst, waarin Puc de keizer opdroeg zich klaar te maken voor een evacuatie, liet een heleboel ruimte voor interpretatie. Maar de slechtst mogelijke betekenis, dat iedereen van deze wereld weg moest en niet alleen uit het keizerrijk, zou een kolossale onderneming betekenen. Er zouden honderd scheuringen moeten worden gemaakt en dag en nacht bestuurd, een taak die een uitdaging zou zijn voor de gehele Assemblee. Zelfs met de hulp van de Academie en Tovenaarseiland zou het een taak van ongekende proporties zijn. En dat terwijl er een oorlog gaande was met de gevaarlijkste vijanden waar ze ooit tegenover hadden gestaan? Miranda wist wat de keizer dacht: het was een onmogelijke keus.  

Bovendien hing zijn vraag nog altijd in de lucht: waar moesten ze naartoe? 

 

Miranda zag een opgeluchte blik op het gezicht van haar zoon verschijnen toen ze de werkkamer in liep die haar man achter in het huis had ingericht. Ze wenste dat ze kon glimlachen om die verheugde blik, maar ze wist dat ze hem moest teleurstellen: hij verwachtte dat ze hier was om hem van zijn taak te ontheffen.  

'Moeder,' zei hij terwijl hij opstond en haar op haar wang kuste.

'Caleb,' antwoordde ze, 'je lijkt wel met de dag ouder te worden.'

'Ik had geen idee hoe moeilijk het was om alle activiteiten van het Conclaaf te coördineren en ook nog eens het dagelijkse bestuur van de school te regelen.'  

'Waren er problemen?' vroeg ze, en ze ging zitten in de stoel achter het bureau waaruit hij zojuist was opgestaan.

'De school? Niet echt. Zoals vader had gezegd, weigeren we aanvragen van nieuwe studenten en richten we ons op de opleiding zodat onze magiërs klaar zijn om te helpen in de komende strijd, en iedereen werkt mee.'  

'En?' vroeg ze. Wat gaat er dan niet goed?'

'We hebben niets gehoord van Kaspars expeditie naar de Pieken van de Quor.'

'Wanneer had je van hem moeten horen?'

'Een paar dagen geleden.'

'Ik zou me pas zorgen gaan maken als hij meer dan een week te laat is,' zei ze. 'Wat was die missie ook alweer?'

Caleb kneep zijn donkere ogen tot spleetjes. Hij wist dat zijn moeder een bijna perfect geheugen voor details had, als ze de moeite nam die te bestuderen, en hij besefte dat ze zich dus kennelijk niet in de missie had verdiept omdat het een van de laatste was die Puc voor zijn vertrek naar de Dasatiwereld had goedgekeurd.

'Een van onze agenten in Vrijhaven had een boodschap onderschept tussen een smokkelaar en een onbekende bende plunderaars, van wie vader vermoedde dat ze ofwel voor ofwel met Leso Varen werkten.'

'Voor of met? Hij denkt dat ze ofwel onvrijwillige gedupeerden zijn, of vrijwillige handlangers?'  

'Zoiets,' zei Caleb. 'De westkust van de Pieken van de Quor, vooral een grote baai die de Kesanabaai heet, samen met een geschatte datum, werden uitdrukkelijk genoemd in die boodschap.'  

'En je vader rende natuurlijk meteen weg om uit te vissen waar dat allemaal om ging.'

Caleb knikte. 'Hij wilde ook een paar jongens uit verschillende groepen laten samenwerken, dus vroeg hij Nakur om met heer Erik te praten over zijn... nieuwelingen uit Krondor, en die hebben zich nu aangesloten bij enkele jongens uit Kesh en Roldem. Hij heeft Kaspar de leiding gegeven.'  

'Nou, je vader is al jaren nieuwsgierig naar de Pieken van de Quor,' gaf ze toe. 'We heb ben er niet veel over kunnen ontdekken, en we waren allebei te druk om er zelf naartoe te gaan en onderzoek te doen, dus ik begrijp zijn redenen wel.' Denkend aan de komende confrontatie met de Dasati voegde ze eraan toe: 'Hoewel zijn timing beter had gekund. Laat het me weten als je iets van Kaspar hoort. En neem nu de rest van de dag maar vrij.'  

Caleb fronste zijn voorhoofd. 'Alleen maar de rest van de dag?'

'Ja, want je gaat niet op jacht of wat je dan ook wilde doen. Ik weet zeker dat je vrouw er geen bezwaar tegen heeft als je nog een paar dagen thuisblijft... of een paar weken.' Calebs frons werd dieper. 'Ik blijf hier niet lang,' vervolgde Miranda. 'Ik heb veel te doen en ik moet bedenken hoe ik dat ga redden zonder je vader en Nakur.'

'Wat moet je dan doen?'

Miranda slaakte een zucht. 'De koningen van de Eilanden en Roldem en de keizer van Groot Kesh ervan overtuigen dat ze vluchtelingen uit Kelewan moeten opvangen als het zover komt.'

Caleb knipperde verbaasd met zijn ogen. 'Vluchtelingen? Overweeg je noodplannen?'

Caleb zag zijn moeder verpieteren voor zijn ogen. Al haar gebruikelijke kracht en vitaliteit scheen weg te ebben, en ze ging achterover zitten met een blik van verslagenheid die hij nog nooit eerder bij haar had gezien. Zachtjes zei ze: 'Nee. Geen noodplan. Een mogelijkheid.'

 

Puc zat zwijgend te kijken naar de gezichten van de anderen terwijl de zon onderging achter de westelijke horizon, die werd gevormd door een deel van de stadsmuur, zo enorm en zo ver weg dat het een verre bergrug leek in het avondlicht. Hij zat op een bankje waar, zo was hem verteld, Minderen die in het bos werkten hun middagmaal aten. De anderen zaten rondom de arbeiderskeet, het enige gebouw in het bos, afgeschermd van het zicht door honderden fruitbomen. Puc dacht dat het fruit een Dasati-appel was, hoewel de kleur meer geeloranje was dan rood of groen, het oppervlak lichtgevend glansde als je ze plukte, en het vruchtvlees dieppaars van kleur was.

Terwijl de zon verdween, draaide Macros zich om en zei: 'Het is afgelopen. De Grote Selectie is nu voorbij.' Met een diepe zucht ging hij naast Puc zitten. 'Het moorden zal nog een tijdje doorgaan. De gevechten stoppen niet meteen nadat de zon is ondergegaan, maar de strijders zullen zich nu eerder terugtrekken dan doorzetten, en degenen die zich verstoppen zullen langzaam te voorschijn komen. Vanavond begint de schoonmaak.'

Nakur stond een eindje achter Puc te kijken naar de vrede hier, waarvan iedereen wist dat het een illusie was. Veiligheid was bijna onbestaanbaar op deze wereld, maar eventjes zag hij diezelfde gedachte op het gezicht van de anderen: ooit was dit een rustige, mooie wereld geweest, met hardwerkende mensen die in veel opzichten net zo leefden als de mensen op Midkemia. Langzaam zei hij: 'Zo zou het moeten zijn.'  

'Ja,' zei Puc toen de zon verdwenen was en de hemel erboven veranderde in een onvoorstelbare uitbarsting van kleuren. De wolken in het westen reflecteerden een spectrum dat menselijke ogen nooit konden waarnemen. 'Hoe heeft het zover kunnen komen?'  

'De Duistere God,' zei Macros. Puc kon horen dat zijn ziekte meer van hem vergde dan eerder; de inspanningen van de afgelopen dag hadden hem tot aan de rand van de uitputting gebracht.

'Nee, het is meer,' zei Nakur.

Magnus kwam ook aanlopen. 'Hoe bedoel je?'

'Het kan niet aan slechts één plaatselijke god liggen, ook al is hij dan op deze wereld een soort Naamloze - een Hogere God - dat het evenwicht is verstoord. We weten wat er gebeurde toen de Naamloze probeerde te overheersen aan het begin van de Chaosoorlog op Midkemia: de overlevende Hogere en Lagere Goden zetten hun meningsverschillen aan de kant en werkten samen om hem naar een veilige plek te verbannen tot de orde en het evenwicht konden worden hersteld. Dat is hier niet gebeurd. De Duistere God was te veel voor de verzamelde macht van honderden andere Dasatigoden. Maar hoe?'  

'Geen honderden, maar duizenden,' zei Macros. 'We weten niet hoe. De geschiedenis uit die tijd is verloren gegaan.'

Puc knikte. 'De logica schrijft voor dat de Duistere God dit niet alleen kan hebben gedaan. Hij moet bondgenoten hebben gehad.'

'Wie dan?' vroeg Magnus. 'En wat is daarmee gebeurd?'

'Misschien heeft hij ze op het cruciale moment verraden, zodat alleen hij overbleef,' opperde Macros.

'Nee,' zei Nakur zachtjes, alsof hij bang was dat iemand hem zou horen. 'Er zouden hem te veel dingen moeten hebben meezitten. Het is te onwaarschijnlijk.' Hij glimlachte droevig.  

Puc knikte instemmend. Hij woog zijn woorden zorgvuldig af en keek Macros aan. 'Wat weet jij van het volgende bestaansniveau?'  

'Het derde bestaansniveau?'

Puc knikte.

'Niks, eigenlijk.'

'Het vierde?' vroeg Puc.

'Ook niks.'

'Het vijfde?'

Macros zuchtte. 'Ik heb een paar zeer pijnlijke maar hogelijk memorabele ogenblikken doorgebracht op het vijfde niveau. Toen je de scheuring naar het demonenrijk achter me sloot, zat ik vast in de klauwen van Maarg, de Demonenkoning. Ik gebruikte elk beetje kracht dat ik bezat en wist hem heel even te verdoven, en toen liet hij me los. Ik viel op wat ik aannam dat een stenen vloer was, in een of ander demonisch paleis. Alleen het aanraken daarvan deed al heel veel pijn. Ik kreeg maar een paar indrukken, en toen raakte ik bewusteloos. Ik neem aan dat Maarg me slechts enkele tellen later heeft gedood, want voor ik het wist stond ik voor Lims-Kragma te luisteren naar een litanie van...' Hij maakte zijn zin niet af.  

'Wat?' vroeg Puc.

'Tot dit ogenblik had ik geen herinnering aan... de tijd tussen mijn overlijden en mijn kindertijd hier.' Hij zweeg even. 'In feite had ik ook niet echt herinneringen aan een kindertijd. Eerder wat indrukken van een moeder en het Schuilgaan, en een zware reis naar...' Hij keek de anderen om beurten aan. 'Ik heb dat leven niet echt geleefd. Mijn herinneringen zijn... van iemand anders.'

Nakur knikte. 'Op een of andere manier heeft ze je in een ander lichaam gestopt.'

'Hoe lang is het geleden dat ik overleed, Puc?'

'Bijna veertig jaar.'

'Ik ben hier, voor zover ik me althans herinner, zo'n drieëndertig Midkemiaanse jaren.'  

'En wat is er met de rest gebeurd?' vroeg Magnus.

Macros liet langzaam zijn adem ontsnappen. 'Dat is een mysterie.'

'Niet echt,' zei Nakur. 'Wat is je vroegste herinnering, van dat je jou was, Macros, niet de Dasati die je dacht te zijn?'

'Elf jaar geleden liep ik na een zomerse rite naar huis en werd ik heel duizelig. Ik dook uit het zicht, bang dat iemand mijn zwakte zou zien...' Hij schudde zijn hoofd. 'Voordien was ik een Mindere, een kleine kledingfabrikant.'

'Een kleermaker,' zei Magnus.

'Ja,' bevestigde Macros.

'Maar in slechts elf jaar tijd heb je over de hele planeet het verzet weten te bundelen tegen de Duistere God en heb je duizenden volgelingen weten te vergaren,' zei Puc.

Macros deed zijn ogen dicht. 'De Witte bestaat al een stuk langer dan ik...'

'Wie was er Tuinier voordat jij dat werd?' vroeg Magnus.

Macros leek verward, onzeker. 'Ik... dat weet ik niet.' Zijn schouders gingen omlaag toen hij met een verontruste blik ineen zakte. 'Ik werd wakker bij een stenen muur, een beetje zoals die je hier ziet. Ik had enorme hoofdpijn en strompelde terug naar het hutje waar ik... waar dit lichaam woonde.' Hij keek Nakur in zijn ogen. 'Ik ben niet herboren, hè?'

Nakur schudde langzaam zijn hoofd. 'Ik weet het niet zeker, maar ik denk van niet. Ik denk dat de goden van onze thuiswereld op een of andere manier jouw geest in een ander lichaam hebben gestopt. Ik vermoed dat je daarom ook ziek bent.'  

'Stervende,' corrigeerde Macros.

'Wie was Tuinier voordat jij dat werd?' herhaalde Magnus.

Nu keek Macros oprecht verontrust. 'Ik weet het niet,' zei hij nog eens. 'Ik weet ook niet wie dat wel zou kunnen weten,' voegde hij er zachtjes aan toe. 'Niemand hier, waarschijnlijk. Misschien Martuch, Hirea, of Narueen, of misschien weten...'

'Wat?' vroeg Puc.

'De Bloedheksen. Als iemand het weet, dan zijn zij het.'

Nakur stond op alsof hij meteen wilde vertrekken. 'Dan moeten we het ze vragen.'

Puc was het met hem eens.

'Maar we moeten...' begon Macros.

Voor het eerst sinds Puc Macros de Zwarte op Tovenaarseiland had ontmoet - toen Puc nog maar een eenvoudige schildknaap aan het hof van heer Borric in Schreiborg was - zag hij verwarring en onzekerheid op Macros' gezicht. 'Nakur heeft gelijk. We staan voor de gevaarlijkste onderneming die ooit is geprobeerd op deze, of misschien wel elke wereld. Er bestaat een wezen dat zichzelf de Duistere God van de Dasati noemt, en dat niet alleen deze wereld in gevaar brengt, maar nog talloze andere. En wij gaan hem tegenhouden.

Ik ben niet van plan overhaast aan zo'n onderneming te beginnen en het leven van mezelf, mijn vrienden en mijn zoon te vergooien alleen omdat iemand anders wil dat wij de hersenloze pionnen uithangen. Ik wil weten wie er werkelijk voor dit alles verantwoordelijk is.'  

'We moeten weten wie er vóór jou de Witte leidde,' zei Magnus.  

'Ik...' begon Macros, maar toen aarzelde hij. Hij schudde zijn hoofd. 'Ik vertrok uit mijn huis, in een wijk van de stad niet al te ver hiervandaan, en ik ging over de Sterrenbrug naar een andere wereld. Mathusia. Van daaraf reisde ik naar... een plek. Ik weet niet meer waar het was, maar toen ik er aankwam, werd ik verwacht!'

'Wat was dat voor een plek?' vroeg Nakur.

'Een enclave van de Bloedheksen,' zei Macros zachtjes.

'Dan moeten we degene spreken die de leiding heeft over de Zusterorde van Bloedheksen.'

'Vrouwe Narueen?' vroeg Magnus.

'Nee,' zei Nakur. 'Ze is belangrijk, maar ze heeft niet de leiding.'

'Hoe weet je dat?' vroeg Puc.

'Omdat degene die de leiding heeft geen kinderen krijgt. Dan zou ze zich moeten Schuilhouden en het risico lopen te worden gedood door jagende Bloedridders. Degene die de leiding heeft, is op een veilige plek en laat anderen de risico's nemen.'  

'Vader heeft de leiding over het Conclaaf, maar hij neemt zelf ook wel degelijk risico's.'

Nakur grijnsde, en zelfs op dat onechte buitenaardse gezicht was het zijn eigen glimlach. 'Je vader is soms niet de verstandigste man die ik ken, maar op onze wereld is het maar zelden zo dat telkens als je de deur uit stapt, alles en iedereen probeert je te vermoorden.'  

'Zelden,' stemde Puc droogjes in.

'Waar zijn de leiders van de Bloedheksen, Macros?' vroeg Nakur.

'Aan de andere kant van deze wereld, in een verborgen vallei van een bergketen die de Skellar-tok heet.'

'Dan kunnen we maar beter gaan,' zei Nakur. 'Als we de Minderen niet meenemen, kunnen we sneller reizen.'

Macros lachte. 'Eén extra nacht zal niet uitmaken. Ik moet rusten, en jullie ook, alhoewel niet zo dringend als ik. Bovendien moet ik hier blijven tot we horen wat er gebeurd is. Misschien ziet iemand anders mij als pion, maar ik ben nog altijd de leider van de Witte en ik moet mezelf ervan vergewissen dat mijn mensen veilig zijn en bereid om te dienen.'  

'Eén nacht,' stemde Puc toe. Hij keek om zich heen en zei: 'Hoewel ik wel eerder buiten heb overnacht, heb je ons vast niet naar dit bos gebracht om ons op de grond te laten slapen.'

Macros schudde lachend zijn hoofd. 'Nee. Er is daar een verborgen ingang naar een ondergrondse schuilplaats. Het is een beetje... primitief, maar het voldoet wel voor een nachtje.' Hij ging ze voor naar de arbeiderskeet en opende de deur. Binnen stonden twee Minderen te wachten - allebei gewapend, wat ongebruikelijk was voor hun rang - en Macros gebaarde dat ze opzij moesten stappen. Hij wuifde met zijn hand en Puc voelde magie samenballen in de lucht. Drie vloerplanken trilden en verdwenen, en plotseling leidde er een smalle trap omlaag in het schemerlicht. Macros wuifde nog eens met zijn hand, zodat er onder aan de trap licht werd ontstoken, en ze daalden af. Wat de twee bewakers boven van dit alles vonden bleef onuitgesproken, want ze wijdden zich zwijgend weer aan hun taak van het bewaken van alles in deze naamloze keet.