3
Opschudding
Puc keek naar de zon.
Hij verschoof zijn perceptie door het zichtbare spectrum naar de andere energietoestanden die hij nu kon herkennen. Hoe hij ook zijn best deed, hij kon niet de juiste woorden vinden om uit te drukken wat hij zag. Hij was nu twee weken op de thuiswereld van de Dasati, verstopt in een reeks kamers onder bescherming van Martuch, een Dasatistrijder en geheime volgeling van de Witte. Hij had van de kans gebruik gemaakt om zijn vermogens in dit rijk te verfijnen.
Nakur de Isalani, zijn metgezel en oude vriend, zat op een ander bankje in het tuintje en keek naar Puc. Zijn leerling, de vreemde jonge krijger Ralan Bek, was bij Martuch. Hij oefende zijn rol als protégé van Martuch en probeerde de subtiliteiten van het karakter van een Dasati-krijger onder de knie te krijgen.
Magnus, Pucs oudste zoon, zat op het bankje naast zijn vader, verloren in zijn eigen gedachten terwijl de drie magiërs hun missie overpeinsden. Hij vertrouwde zijn vader volkomen, maar hij had nog altijd geen idee waarom ze naar dit duistere rijk waren gekomen, naar een plek waar geen mens ooit was geweest, op zoek naar iets wat alleen zijn vader wist. Magnus herkende de dreiging die van de Dasati uitging, maar hij had geen idee wat ze hier in vredesnaam zouden kunnen bereiken, op een wereld die zo onvoorstelbaar ver van thuis lag. Al was afstand eigenlijk betekenisloos in discussies over waar ze waren. Er waren volop bewijzen dat deze wereld een identieke tweeling had in hun eigen heelal, misschien zelfs een wereld die Magnus kende, maar hoe ze ooit weer naar hun eigen niveau van de realiteit terug moesten komen, dat wist Magnus niet. Dit besef wakkerde de ongerustheid bij de jonge magiër aan; hij was, na zijn vader en moeder - en misschien Nakur -de machtigste beoefenaar van magie op de wereld Midkemia, en zou hen op een dag waarschijnlijk zelfs overstijgen. Maar ondanks al zijn vermogens, talenten en kennis had hij geen idee hoe ze moesten terugkeren. Hij had geprobeerd de aard van de magie te begrijpen die was ingezet om hen hier te krijgen. Delen ervan waren vertrouwd, leken op dingen die hij wist over het verplaatsen van het lichaam van de ene plek naar de andere en deden hem ook denken aan scheuringsmagie, maar hoe het allemaal samenkwam, dat snapte Magnus niet. Martuch had gezegd dat het één kant uit een eenvoudige overgang was, maar hij was vaag geweest over de details.
Hoezeer Magnus zich ook voorhield dat hij de afvallige Dasati moest vertrouwen, diep vanbinnen had hij twijfels. Hoewel ze min of meer gelijksoortige belangen schenen te dienen, waren hun doelstellingen niet helemaal gelijk, en Magnus twijfelde er niet aan dat Martuch de behoeften van zijn eigen volk voorrang zou geven boven het leven van de vier mensen van Midkemia.
Nu kwam de andere reden van Magnus' onrust het tuintje in. Het was, als hij kon geloven wat zijn vader hem had verteld, zijn grootvader, de legendarische Macros de Zwarte. De man die voor hem stond, was echter niet menselijk, maar Dasati. En toch had hij herinneringen die alleen konden toebehoren aan Macros, sprak hij vloeiend de Koningstaal, Tsuranees, Keshisch en nog een aantal andere talen van Midkemia en Kelewan, en bewees hij op veel manieren dat hij de geest had van een mens van Magnus' thuiswereld. Maar de hele kwestie van Macros' aanwezigheid op deze wereld, in deze vorm, gaf aanleiding tot bijzonder verontrustende vraagstukken. Hoewel Magnus het niet liet merken, was hij hang.
Macros was meestal afwezig geweest sinds Puc en de anderen waren gearriveerd, en Puc en hij hadden steeds maar eventjes tijd gehad om met elkaar te praten. De lange Dasati knikte begroetend en kwam voor Puc en Magnus staan. 'Mag ik gaan zitten?' vroeg hij.
Magnus knikte en schoof op om ruimte te maken voor de Dasatimagiër.
'Zelfs na een paar weken duizelt het me nog altijd,' zei Puc. 'Ik besef wel dat je... veranderd bent, maar ik kan ook zien dat je nog altijd jezelf bent.' Hij bekeek het gezicht van de Dasati die naast hem zat aandachtig. 'Ik ben behoorlijk geduldig geweest. Dat moet je toch met me eens zijn.' Hij keek naar zijn twee metgezellen. 'We begrijpen uit wat we links en rechts gehoord hebben dat je de leider bent van een groep die doorlopend in gevaar is, en dat je vele verantwoordelijkheden hebt. Maar je bent nu hier, dus wil je ons, aangezien we deze tijd nu hebben, niet het hele verhaal vertellen?'
Nakur stond op van zijn bankje en ging voor Puc op de grond zitten. 'Hoezeer ik ook hou van een goed verhaal, het zou handiger zijn als je ons deze keer alleen de waarheid vertelde, Macros.'
Macros glimlachte. 'Misschien was liegen wel mijn grootste zonde. Destijds .. .' Hij wendde zijn blik af alsof hij een pijnlijke herinnering herleefde en haalde diep adem. 'Het is zoveel jaren geleden, vrienden. Ik was een arrogant man die weigerde voldoende op anderen te vertrouwen om ze de eenvoudige - of i n sommige gevallen niet zo eenvoudige - waarheid te vertellen en ze de keus te laten wat ze ermee wilden doen.
Ik heb mensen gemanipuleerd met leugens, zodat ik ervoor kon zorgen...' Hij schudde zijn hoofd. 'Ijdelheid was ook een zonde van me, geef ik toe. Ik was zo zelfverzekerd toen ik... toen ik jong was, toen ik nog mens was.' Hij maakte een vaag handgebaar. 'Deze ervaring heeft me nederigheid geleerd, Puc.' Hij keek Magnus aan. 'Ik heb een volwassen kleinzoon, en ik heb alle dagen van zijn leven gemist.'
'Je hebt er twee,' zei Magnus. 'Ik heb nog een broertje.'
'Caleb,' antwoordde Macros. 'Ik weet het.'
Puc had nog altijd moeite met het buitenaardse uiterlijk van de magiër en moest zijn geest dwingen te accepteren wat zijn ogen zagen. Zodra hij die verbazing voorbij was, bleef er nog een andere kwestie over: dat de man die voor hem zat Macros de Zwarte was, de vader van zijn vrouw.
Zoals hij zojuist openlijk had toegegeven, was hij iemand die mensen had gebruikt zoals een ander gereedschap zou gebruiken en had hij schaamteloos gelogen als hem dat uitkwam. Hij had mensen zonder hun medeweten in gevaar gebracht, en hij had keuzes voor anderen gemaakt die hadden geleid tot pijn, leed en de dood. Daarom was het lastig hem te vertrouwen. Aan de andere kant, Puc had Macros zien sterven terwijl hij anderen verdedigde tegen Maarg, de Demonenkoning. Dat was de hoogste daad van zelfopoffering geweest, en het had bijna zeker Midkemia gered van verschrikkingen waarbij de Slangenoorlog slechts een mild voorproefje zou hebben geleken. Maarg had bijna zeker de hele wereld vernietigd als hij er voldoende tijd voor had gekregen.
Macros sprak op kalme toon: 'De tijd van dubbelhartigheid is voorbij.' Hij keek naar Magnus en legde zijn hand zachtjes tegen diens wang. 'Ik ben in dit lichaam jonger dan jij,' zei hij met een bittere glimlach. 'Hoewel ik honderden jaren aan herinneringen heb, ben ik volgens de tijdmeting van de Dasati nog maar dertig.' Hij nam zijn hand weg van Magnus' gezicht. 'Je hebt de ogen van je moeder.'
Magnus knikte een beetje. Macros' blik ging van zijn kleinzoon naar Nakur en vervolgens naar Puc.
'Begin bij het begin,' zei Puc.
Macros lachte. 'In dit verhaal was het begin mijn einde. Zoals ik jullie verteld heb, ben ik gedood door Maarg, de Demonenkoning.' Hij keek naar de tuin, starend in de verte, gericht op een herinnering. 'Toen ik stierf...' Hij sloot zijn ogen. 'Het is soms moeilijk het me voor de geest te halen ... Hoe langer ik leef als Dasati, hoe ... verder weg mijn menselijke herinneringen zijn, vooral de gevoelens.' Hij keek zijn kleinzoon Magnus aan. 'Vergeef me, jongen, maar de familiebanden die ik zou moeten voelen, zijn er niet.' Hij sloeg zijn ogen neer. 'Ik heb nog niet eens naar je moeder gevraagd, hè?'
'Eigenlijk wel,' zei Magnus.
Macros knikte. 'Dan vrees ik dat mijn geheugen snel achteruit aan het gaan is. Ironisch genoeg, voor iemand die meer dan negenhonderd jaar heeft geleefd, lijkt het erop dat ik stervende ben.'
Puc was geschokt. 'Stervende?'
'Een ziekte, zeldzaam bij de Dasati, maar niet ongehoord.
Als iemand buiten onze groep en onze Zorgers het zou vermoeden, zou ik meteen worden gedood voor mijn zwakte. De menselijke ouderdomskwaaltjes zijn de Dasati onbekend. Als je ogen achteruitgaan of je geheugen begint te falen, word je zonder pardon gedood.'
'Is er iets...' begon Magnus.
'Nee, niets,' zei Macros. 'Deze cultuur draait om de dood, niet om het leven. Narueen zei dat de Bloedheksen in hun enclave misschien iets kunnen doen, maar die is op een ander continent en de tijd dringt enorm.' Hij glimlachte. 'Bovendien is de dood, als je al eens overleden bent, nauwelijks iets om te vrezen, nietwaar? En ik wil graag zien wat de goden deze keer voor me in petto hebben.' Hij grimaste een beetje toen hij zijn gewicht verplaatste. 'Nee, de dood is gemakkelijk. Sterven, dat is het moeilijkste.' Hij keek om zich heen. 'Zoals ik al zei, mijn geheugen schijnt me in de steek te laten, dus ik zal jullie vertellen wat jullie weten moeten, en dan zullen we zien of we een gezamenlijk doel kunnen dienen.' Macros keek Nakur aan. 'De gokker. Degene die me om de tuin heeft geleid! Nu weet ik het weer.'
Nakur glimlachte. 'Ik heb je verteld hoe, toen je bijkwam uit je oprijzen naar het godendom.'
'Ja... je had me een setje kaarten toegestopt!' Macros leek geamuseerd om de herinnering. Toen kneep hij zijn ogen tot spleetjes en keek Nakur onderzoekend aan. 'Jij bent meer dan je lijkt, mijn vriend.' Hij wees met zijn duim naar Martuchs huis. 'Net als je jonge vriend. Hij heeft iets gevaarlijks in zich, iets heel gevaarlijks.'
'Weet ik,' zei Nakur. 'Ik denk dat Ralan Bek een klein splintertje bevat van de Naamloze.'
Macros overpeinsde dit even. 'In mijn omgang met de goden en godinnen ben ik iets gaan begrijpen van zowel hun vermogens als hun beperkingen. Wat weten jullie?'
Nakur keek Puc aan.
'Wij denken dat de goden natuurlijke wezens zijn, in veel opzichten gedefinieerd door de vorm van de menselijke aanbidding. Als wij geloven dat de god van het vuur een krijger met fakkels is, dan wordt hij dat ook,' antwoordde Puc.
'Precies,' zei Macros. 'Maar als mensen in een ander land zich dat wezen voorstellen als een vrouw met vlammende haren, dan is dat wat de godheid wordt.' Hij keek de anderen om beurten aan. 'In vroeger tijden hadden de Dasati een god of godin voor bijna elk aspect van de natuur. Ze hadden de belangrijke goden: de god van het vuur, de dood, de lucht, de natuur en de rest. Er waren zelfs een god en godin van de liefde, of althans de instinctieve drang van mannen en vrouwen om nageslacht op de wereld te zetten. Maar er waren zoveel lagere goden dat een wetenschapper al hoofdpijn zou krijgen als hij ze alleen maar in kaart moest brengen.
Er was een godin van huis en haard, een god van bomen, een god van het water, die op zijn beurt werd gediend door de god van de zee, er was een god van rivieren, een godin van golven, en nog eentje voor regen. Ze hadden een god voor het reizen, eentje voor bouwvakkers en nog een voor mensen die in ondergrondse mijnen werkten. Voor zover ik begrepen heb, stonden er op elke straathoek en langs alle wegen altaartjes, en daar werden offergaven achtergelaten door een vroom volk dat plichtsgetrouw aanwezig was bij alle voorgeschreven openbare erediensten, festivals en inzegeningen.' Hij haalde diep adem. 'De Dasati waren een ras van gelovigen met een plichtsgevoel waarbij een Tsuranese tempdnon zich zou schamen. Ze creëerden een pantheon van duizenden goden en godinnen, en elk had een eigen feestdag, zelfs als de viering alleen bestond uit het plaatsen van een bloem op een altaar of het heffen van het glas in naam van de god.
Het is belangrijk te onthouden dat die goden en godinnen even echt waren als de goden die je in Midkemia bent tegengekomen, ook al waren hun rijken maar piepklein. Ze hadden allemaal een vonk van het goddelijke in zich, zelfs al was hun mandaat enkel om iedere lente te zorgen voor mooie bloemen in het gras.' Hij wendde zich tot Puc. 'Wat heb je sinds onze vorige ontmoeting ontdekt over de Chaosoorlog?'
'Niet veel. Tomas heeft nog een paar herinneringen van Asschen-Sukar, en ik heb een paar boeken over mythen en legenden gevonden. Maar niet veel belangwekkends.'
'Luister dan goed,' zei Macros. Hij keek Nakur aan. 'De waarheid.'
Nakur knikte eenmaal nadrukkelijk, maar hij zei niets. Macros begon te vertellen. 'Voordat de mensheid op Midkemia kwam, waren er oude rassen, waarvan jullie er een aantal kennen, zoals de Valheru, die heersers over die wereld en meesters over de draken en elfen waren. Maar er bestonden ook andere rassen, waarvan de naam en aard al voor de opkomst van de mens verloren zijn gegaan.
Er was een ras van vliegers die hoog boven de hoogste bergen zweefden, en een ras van wezens die in de diepten van de oceaan woonden. Of ze vreedzaam of strijdlustig waren zullen we nooit weten, want ze zijn vernietigd door de Valheru.
Maar twee wezens stegen boven alle andere uit: Rathar, Heer van Orde, en Mythar, Heer van Chaos. Deze twee waren de Blinde Goden van het Begin, en de structuur van het heelal rondom hen was hun terrein. Rathar weefde de vezels van tijd en ruimte om tot orde, terwijl Mythar ze verscheurde, waarna Rathar ze weer weefde, steeds opnieuw. Eeuwen geleden was Midkemia in evenwicht, de spil van die specifieke streek in tijd en ruimte, en was alles goed, min of meer.'
Nakur grijnsde. 'Als je een wezen met ongekende macht was.'
'Ja, het was geen goede tijd om zwak te zijn, want de sterkste regeerde, en er bestond geen enkele gerechtigheid of genade,' antwoordde Macros. 'De Valheru waren veeleer een uitdrukking van die tijd dan dat ze boosaardig waren; je zou zelfs kunnen zeggen dat goed en kwaad in die tijd zinloze concepten waren.
Maar er veranderde iets. De orde in het heelal verschoof. Ik zou bijzonder graag weten waarom die verschuiving plaatsvond, maar die kennis is verloren geraakt. Alles werd op een fundamenteel vlak opnieuw geordend; het is onmogelijk te zeggen over hoeveel tijd dat plaatsvond, maar voor de rassen die destijds op Midkemia leefden, leek het resultaat van die herordening abrupt. Er verschenen, schijnbaar vanuit het niets, enorme scheuringen in ruimte en tijd, en plotseling kwamen er wezens die tot dan toe onbekend waren op Midkemia de wereld binnen: mensen, dwergen, reuzen, kobolden, trollen. En ook rassen die tijdelijk kwamen maar het niet volhielden.
Jarenlang woedde er oorlog in het heelal, en wij eenvoudige mensen...' Hij zweeg en lachte zachtjes. 'Jullie eenvoudige mensen konden er maar het kleinste stukje van bevatten. Onze kennis bestaat uit legenden, mythen en fabels. Daar zitten misschien flarden geschiedenis in, maar niemand weet dat echt zeker.'
Nakur lachte. 'Aangezien jij door de tijd kan reizen, had je behoorlijk eenvoudige methoden tot je beschikking om er meer over te ontdekken.'
Macros grijnsde. 'Dat zou je wel denken, hè? Maar de waarheid is dat ik niet langer het vermogen heb om door de tijd te reizen, tenminste niet zoals jij je dat voorstelt.' Hij keek Puc aan. 'Ik kan me nog herinneren toen jij en Tomas me kwamen opzoeken in de Tuin, aan de rand van de Eeuwige Stad.'
Puc herinnerde zich dat nog. Het was zijn eerste kennismaking met de Galerij der Werelden geweest.
'Als ik het vermogen had om door de tijd te reizen, dan zou ik nooit in de valstrik van de Pantathische slangenpriesters zijn getrapt, waardoor we achterwaarts door de tijd werden geslingerd.'
'Toch heb je me vele keren voorgedaan hoe ik het verloop van de tijd kan versnellen, tot we een punt bereikten waarop tijd geen betekenis meer had,' merkte Puc op.
'Dat is waar, en hoewel ik jóuw talenten in dat opzicht niet had, had ik ook niet de vaardigheid om de tijd te manipuleren, zoals de Pantathiërs.'
'In al onze ontmoetingen met de slangenpriesters,' zei Puc, 'vonden we ze slim maar bepaald niet briljant, en gevaarlijk in grote aantallen maar nooit afzonderlijk.' Hij peinsde even en voegde er toen aan toe: 'Ik heb er nooit bij stilgestaan dat die tijdval eigenlijk een spel van ongelooflijke complexiteit was en dat er vaardigheden voor nodig waren die zij niet bezaten. Ten minste één van die priesters was geïnspireerd.'
'Alles is te herleiden naar de Naamloze,' zei Nakur. 'Zoals hij Leso Varen heeft aangeraakt, moet hij dat ook hebben gedaan bij een Pantathische hogepriester. Daar zat de geïnspireerde genialiteit.'
Macros wuifde met zijn hand. 'Ja. Als ze allemaal zoveel talent hadden gehad, zou de oorlog heel anders zijn afgelopen, maar op één uitzondering na waren ze altijd hooguit irritant -'
'Irritant?' onderbrak Puc hem. 'In twee oorlogen zijn tienduizenden mensen omgekomen vanwege die irritánte lui.'
'Je begrijpt me verkeerd,' zei Macros. 'Ze creëerden chaos, maar zoals Nakur al zei, de Naamloze was de oorzaak van dat alles.'
Macros stond op, zette een stap en draaide zich naar hem om. 'Er is zoveel te vertellen, en ik weet niet goed waar ik moet beginnen.' Hij keek hen om beurten aan. 'Als jullie vragen hebben, kunnen jullie beter even wachten tot ik het volgende heb uitgelegd.' Hij zwaaide met zijn hand door de lucht en er verscheen een bol; een illusie die Puc meteen herkende, want hij had dergelijke dingen gebruikt om studenten te onderwijzen aan de Assemblee op Kelewan, de Academie in Sterrewerf en op Tovenaarseiland.
'Stel je voor dat deze bol alles is wat er kan bestaan,' zei Macros. 'Omgeven door de leegte, vertegenwoordigt dit alles wat we kunnen begrijpen.' Hij wuifde met zijn hand, en nu was de bol gestreept in grijstinten, van een bijna zwarte band onderaan tot een bijna witte bovenaan. 'Elke laag vertegenwoordigt een niveau van de werkelijkheid, waarbij de middelste die van ons is... die van jullie,' corrigeerde hij zichzelf. 'Zoals jullie hebben opgemerkt is Kosridi fysiek gelijk aan Midkemia, net zoals deze wereld lijkt op Kelewan.'
'Kelewan?' zei Puc. 'Daar had ik geen idee van.'
Macros knikte. Jullie zitten in een tuin die zich ruwweg in het midden van de grote zaal van het keizerlijk paleis in de heilige stad Kentosani bevindt, als ik me de Tsuranese geografie goed herinner. Er bestaat een affiniteit tussen fysieke creaties die ik niet beweer te begrijpen. Je kunt zelfs zeggen dat er maar één fysieke expressie is en dat de niveaus overlappingen zijn, spirituele rijken die eigenlijk op dezelfde plek bestaan. Het is allemaal heel ingewikkeld, grenzend aan de abstracte debatten die normaal alleen te volgen zijn voor studenten van natuur-filosofie. Maar ik begrijp wel waarom jullie niet herkennen dat Omadrabar analoog is aan Kelewan, omdat deze wereld al veel langer bewoond wordt door de Dasati dan Kelewan het thuis is van de mensen.
Als je je op heel grote hoogte zou bevinden, zou je opmerken dat de zeeën er bekend uitzien, maar dat een veel groter deel van deze wereld bebouwd is.' Hij zweeg even. 'Wisten jullie dat de Dasati, door de manier waarop ze gewassen verbouwen, gedwongen zijn geweest enorme agrarische enclaves in de steden op te nemen om de bevolking te kunnen voeden?'
Macros haalde zijn schouders op. 'Genoeg uitgeweid. Deze niveaus of lagen van de realiteit zijn al stabiel sinds ... nou, ik neem aan sinds het begin van de geschiedenis, en ze zijn onveranderd gebleven.' Hij wuifde met zijn hand, en plotseling verscheen er een vervorming, alsof iemand van onderaf een lange naald door de bol had gestoken waardoor een klein stukje van elke laag omhoog hoog en door de laag erboven liep. 'Toen gebeurde er iets wat ik maar de Verstoring zal noemen.' Puc keek zijn metgezellen aan, maar hij zweeg.
Macros vervolgde: 'Net als de oorzaak van de opschudding die de mensheid naar Midkemia bracht, zullen we de oorzaak van de Verstoring wel nooit kennen.'
Nakur grijnsde. 'Zijn ze hetzelfde?'
Macros fronste als een geërgerde leermeester. 'Als je dat ontdekt, zou ik het ook graag willen weten. Deze Verstoring is een... onbalans, een opwaartse druk vanuit het laagste naar het hoogste niveau van de realiteit. Net zoals de Dasati proberen zich te manifesteren in ons... jullie rijk, zo proberen de wezens van het derde niveau op te stijgen naar dit niveau.'
'Je beschrijft een ramp op onvoorstelbare schaal,' fluisterde Puc.
Macros knikte. 'Ja, mijn vriend. De hele structuur van het heelal wordt verscheurd, en we moeten daar iets tegen doen voordat het erger wordt.'
'Hoe dan?' vroeg Magnus zachtjes.
Macros zuchtte, een heel menselijk geluid komend van een Dasati. 'Ik heb geen werkelijke kennis, alleen maar intuïtie, en zelfs die is niet... overtuigend.' Hij wuifde nog eens met zijn hand en de bol verdween. 'De Chaos oorlog schijnt een poging te zijn geweest om het evenwicht te herstellen in de gehele realiteit, van het hoogste tot het laagste niveau. We kunnen alleen maar speculeren over wat er gebeurde op de andere realiteitsniveaus, maar ik vermoed dat het evenwicht werd hersteld, anders zou de crisis die ons te wachten staat nog catastrofaler zijn. We hebben geen bewijzen gezien van enige interactie tussen jullie niveau, waar ik ook ooit in leefde, en dat erboven, de eerste hemel.'
'Omdat de Naamloze gevangen zit?' opperde Nakur.
'Waarschijnlijk,' zei Macros. 'Dus de chaos komt vanuit de lagere niveaus. Zijne Duisterheid, de Duistere God van de Dasati, is zo machtig dat eventuele bedreigingen van onderaf in zijn rijk bijna zeker zijn opgelost.'
'Mag ik wat vragen?' zei Magnus.
'Wat is er?' vroeg zijn grootvader, die amper zijn ongeduld over de onderbreking kon verbergen.
'Waarom hier? Waarom Kelewan en Midkemia?'
Macros zweeg even en zei toen: 'Dat is best een goeie vraag.' Hij glimlachte. 'Ik vermoed dat er ergens een zwakke plek moet zijn, of meerdere, waar de inbreuken van het ene niveau naar het volgende zich het eerst manifesteren, analoog aan de eerste Tsuranischeuring naar Midkemia, in de Grijze Torens.
Denk eraan, de goden van elk niveau zijn locale uitdrukkingen van een veel grotere entiteit, die meerdere universums overspant. De Naamloze is een manifestatie van het kwaad op een onvoorstelbare schaal, een schaal die het gehele universum overspant waarin Midkemia ligt. Een universum van miljarden werelden met talloze wezens erop, waar velen zich een beeld hebben gevormd van dat kwaad, waardoor het een veelheid aan verschijningsvormen heeft. Maar we kunnen met enige zekerheid stellen dat net zoals de Naamloze beperkt was tot Midkemia, hij dat ook op veel andere plekken was, als resultaat van het conflict dat leek te draaien om die wereld.
Ik vermoed dat hoe verder je wegging van Midkemia, hoe minder waarschijnlijk het werd dat de geschiedenis van de Chaos oorlog ongewijzigd bleef. Denk nog maar eens aan die bol van daarnet. Als jullie je aan de uiteinden ervan bevonden, zou de orde van de niveaus normaal lijken, onveranderd. Maar als je op het punt van indringen was, zou je je te midden van chaos bevinden.'
'Dat is een overtuigend argument,' zei Puc. 'Maar wat ik wil weten, is hoe dit op ons van toepassing is, op onze aanwezigheid hier.'
Macros knikte en glimlachte. 'Naar het hart van de zaak.' Hij keek Puc recht aan. 'De Naamloze zit gevangen, maar zoals je hebt gezien is hij niet zonder invloed en zelfs enige macht, al wordt die beperkt door de andere overlevende Hogere Goden, de Regelaars.
Hij stelt het indringen van "onderaf" door de Duistere God van de Dasati niet op prijs. Hij werkt zoveel mogelijk samen met de andere goden van Midkemia om de orde weer te herstellen.'
'Wil je zeggen dat wij voor de Naamloze werken?' vroeg Nakur.
'In zekere zin wel,' antwoordde Macros. 'Ik geloof dat we uiteindelijk allemaal een rol spelen in de plannen van de Naamloze.'
'En die plannen zijn?' vroeg Nakur.
Macros' gezicht werd grimmiger. 'Ik denk dat we getuige zijn van een worsteling tussen goden, vrienden. En ik denk dat wij in zekere zin de wapens zijn.'
'Wapens?' herhaalde Magnus. 'Wij zijn alleen maar drie magiërs en een ... ?' Hij keek naar Nakur.
'Bek is misschien een wapen. Er is weinig natuurlijks aan hem.'
'Er bestaat een profetie,' zei Macros. 'Een Dasatiheer zal rebelleren tegen de tekarana en de weg vrijmaken voor de Godendoder.'
'Denk je dat Bek...' begon Puc.
'Het wapen is,' zei Nakur. 'Dat is bijna zeker.'
'Ik weet niet of hij het wapen is.' Macros hoestte. Puc zag zijn borstkas zich spannen terwijl hij de hoestkriebel probeerde te onderdrukken. Toen Macros uitgehoest was, zei hij: 'Zelfs de allerlaagste hier zou me aanvallen als hij zo'n duidelijk teken van zwakte zag.'
Er haastte zich een bediende naar hen toe, en even later volgde er een strijder in de kleding van de Sadharin. 'Meester,' zei de dienaar. 'Er is -'
De soldaat onderbrak hem. 'Nieuws van Martuch. U moet vluchten. Binnen een uur komt de aankondiging vanuit het paleis. Bij zonsondergang begint er een Grote Selectie.'
Macros richtte zich op, zijn verzwakte lichaam onderwerpend aan zijn wilskracht. 'Je weet wat je moet doen,' zei hij tegen de dienaar. 'Neem alleen mee wat je nodig hebt en breng onze mensen naar het dichtstbijzijnde toevluchtsoord.'
'Meester,' zei de bediende, die zijn hoofd boog en wegrende.
Tegen de soldaat zei Macros: 'Ga terug naar Martuch en zeg dat ik hem zo snel mogelijk wil ontmoeten bij het Bos van Delmat-Ama. Als het kan, laat hem dan Valko meebrengen, en alle anderen die hij nuttig acht. Het is bijna tijd, denk ik.'
De jonge krijger knikte respectvol en haastte zich op weg. 'Goden, laat ze het alsjeblieft overleven,' mompelde Macros in zichzelf.
'Wat is er?' vroeg Puc.
'Pak je spullen,' zei Macros. 'We vertrekken zo direct. De tekarana heeft opdracht gegeven tot een Grote Selectie, en bij zonsondergang heeft iedereen binnen het Dasatirijk toestemming om te doden wie ze willen. Alle wapenstilstanden zijn ongeldig, alle bondgenootschappen zijn terzijde geschoven, en moord is de wil van Zijne Duisterheid.'
'Wat betekent dat?' vroeg Magnus.
Macros keek verontrust. 'Het betekent dat de Duistere God honger heeft. Het betekent dat de gebruikelijke slachting onder zijn onderdanen niet voldoende is om hem te voeden. Ik vrees dat het betekent dat hij klaar is voor zijn invasie in het volgende bestaansniveau.'
Puc, Nakur en Magnus keken elkaar aan. 'En wat doen we met Bek?' vroeg Nakur.
'Hij redt zich wel bij Martuch,' antwoordde Macros. 'Ergens is hij meer een Dasati dan elke echte Doodsridder die ik ken. De komende dag en nacht zal hij zich waarschijnlijk beter vermaken dan ooit. Ik hoop alleen dat hij Martuch laat leven.'
'Waarom zou hij hem doden?' vroeg Puc.
'Er zijn geen bondgenoten of vrienden, behalve afspraken die ter plekke worden gemaakt. Martuch en de andere Heren van de Langradin hebben vast veilige huizen en voorzorgsmaatregelen in de buurt van het Grote Huis van de Langradin, al is het maar uit gewoonte. Maar voor de meeste gewone mensen is het vanavond een bloederig gokspel, en de beloning is overleven. Voor iedereen die zich in leven weet te houden tussen zonsondergang vanavond en zonsopgang morgen, is daarna de normale orde weer van kracht. Het zijn misschien bloedige regels, maar het zijn in ieder geval regels. Alleen voor die ene nacht gelden er geen regels. Als je iets wilt hebben wat je buurman toebehoort, pak je het. Als je nog een appeltje te schillen hebt met iemand die normaal te goed beschermd wordt, is dit het moment. Of als je alleen maar ambitieus bent en de dood van een paar hoger geplaatsten in je eigen groepering, je eigen strijdgenootschap of zelfs je eigen familie zou je goed uitkomen, dan slijp je de wapens. Elk sterfgeval wordt gezien als een geschenk aan Zijne Duisterheid, en elke moord als een zegening.
Groepen Doodspriesters en Hiërofanten bevolken de straten in elk dorp en elke stad. Iedereen is prooi. Groepen plunderaars trekken over het platteland. Iedereen die dat kan, zal zich verstoppen en alle deuren en ramen barricaderen, of een toevluchtsoord opzoeken. Wij echter moeten op pad, proberen een boerendorpje te bereiken dat een dag rijden ten zuiden van de stad ligt, en het zal ons al het grootste deel van de nacht en dag kosten om de buitenrand van de stad te bereiken.' Hij keek hen om beurten aan. 'Ik vrees niet echt voor onze veiligheid. Ieder van ons zou voldoende vaardig moeten zijn om ons te beschermen tegen iedereen die we onderweg tegenkomen.'
'Maar je bent bang voor ontdekking,' zei Nakur.
'Ja,' antwoordde Macros. 'Want als ons bestaan bekend wordt bij degenen die weten wat ik ben, of die zouden kunnen raden wie jullie zijn, dan zal de hele macht van het rijk, elk middel van de tekarana en de Duistere God, worden ingezet om ons te vernietigen.'
'Laten we dan maar gaan,' zei Puc.
Macros glimlachte. 'Ja, laten we maar gaan. En als jullie nog ruimte hebben voor gebed na alles wat jullie hebben gezien, dan is dit wel het goeie moment.'