10


Oproep

 

 

Bek zat onder het bloed.  

'Stop!' schreeuwde Martuch, zijn mentor in het strijdgenootschap van de Sadharin.  

De jongeman die was vermomd als Doodsridder stond te trillen van woede, met grote ogen en zijn zwaard geheven terwijl hij speurde naar een volgende vijand om te doden. Martuch, Valko en zes andere leden van de Witte stonden in een halve cirkel achter Ralan Bek, stuk voor stuk ook besmeurd met bloed. De Doodsridders die in het geheim de vijanden van de Duistere dienden, waren meegesleept in de Grote Selectie net als elke andere Dasati met een zwaard, maar niemand, zelfs niet de meest ervaren strijder, had ooit gezien waar ze zojuist getuige van waren geweest.  

Een groep van misschien vijfendertig jonge Doodsridders was over een boulevard gereden en gestuit op een enclave van Minderen die te vroeg na zonsondergang te voorschijn waren gekomen. Terwijl de stad baadde in de oranje gloed van de zonsondergang, waren de brede straten het decor geworden van een slachtpartij.

Voordat Martuch zijn groep kon opdragen de groep Minderen te omzeilen, had Bek zijn varnin aangespoord, rijdend alsof hij in het zadel geboren was. Voor de jonge Doodsridders het wisten, was hij al bij ze en had hij er zes gedood. Hij was snel als een bezetene en doodde er nog eens acht voordat de anderen hem konden inhalen. 

'Ze zijn allemaal dood,' zei Martuch.

Beks ogen brandden met een innerlijk licht waar zelfs de in de strijd geharde Dasati bang van werd. 'Kom, we zoeken er nog meer op!'

'Nee,' zei Valko. 'De Selectie is afgelopen.' Hij keek naar de vijftien lijken die op straat verspreid lagen. 'Deze... hadden niet moeten sterven.' Hij leek verscheurd tussen zijn Dasati-afkomst die genoot van de slachting, en zijn pas ontdekte respect voor het leven waardoor hij dit een verspilling van potentieel vond. 'De Selectie was al afgelopen voordat dit begon.'  

Martuch keek naar de anderen. 'Beroof de lijken. Als we dat niet doen, trekken we ongewilde aandacht. We kunnen beter worden aangezien voor struikrovers dan voor ketters.'

Valko's groepsleden ontdeden de lijken snel van trofeeën en lieten ze toen op straat liggen zodat de Minderen ze konden opruimen. Terwijl ze hun buit vastbonden achter de zadels van hun varnins, kwam er een groep ruiters een hoek aan het eind van de lange straat om en naderde hen. Valko's gezelschap nam zonder daartoe bevel te krijgen gevechtsposities in, want hoewel de Selectie dan officieel afgelopen was, zou Bek niet de enige strijder zijn die in vervoering was geraakt door het bloedvergieten en door wilde gaan met de slachting.  

Toen de groep naderde, zei Martuch: 'Laat de wapens zakken.'  

De naderende ruiters waren zes Tempeldoodsridders in de paleiskleuren van de tekarana. Ze begeleidden twee Hiërofanten, de priesters die ervoor dienden te zorgen dat iedereen in het rijk de Duistere kwam aanbidden. In de oudheid waren ze misschien de verspreiders van zijn woord, maar sinds Zijne Duisterheid de alleenheerschappij had, waren er geen evangelische missies meer nodig, en nu waren ze hoofdzakelijk op zoek naar ketterij en traden ze op als spionnen voor de tekarana.  

'Zijne Duisterheid zij geprezen!' zei de leider.

Allen bogen even het hoofd en herhaalden zijn kreet. De andere priester nam snel de lijken op de grond in ogenschouw: 'Hoeveel leden van jullie groep liggen hier?' vroeg hij.

Martuch sprak op rustige toon: 'Geen enkele.'

'O nee?' vroeg de eerste priester. 'Ik tel vijfendertig dode strijders en nog eens half zoveel Minderen, maar jullie hebben ze slechts met jullie negenen naar Zijne Duisterheid gestuurd?'

'We hadden het voordeel van de verrassing,' zei Valko.

Zonder dat het ook maar een beetje pocherig klonk, zei Bek kalmpjes: 'Ik had er al zes gedood voor ze wisten dat we er waren. Terwijl ze zich op mij richtten, stierven er nog twee, en toen kwamen mijn metgezellen vanuit een andere richting aan. De verwarring heeft ons gediend...'

'En dit waren jonge, amper bebloede strijders,' voegde Hirea eraan toe. 'Ik ben meester Hirea van de Gesel, en ik heb iedereen hier opgeleid, ook heer Valko van de Camareen. Dit zijn mijn allerbeste studenten, en deze... dingen,' zei hij met minachting ten opzichte van de doden, 'waren amper beter dan Minderen. Het was een koud kunstje. Eigenlijk was er weinig glorie aan te behalen.'  

'Jij bent van de Gesel, maar je rijdt met de heer van de Camareen, die als ik me niet vergis van de Sadharin is. Klopt dat?' vroeg de eerste priester.

'Ik logeerde bij heer Valko toen de oproep voor de Selectie kwam. Het leek me verstandig om in zijn gezelschap te blijven en niet het risico te nemen naar mijn eigen enclave terug te keren.'

Met een blik recht in de ogen van de jonge heerser van de Camareen, vroeg de tweede priester: 'En jij hebt hem laten leven?'

'Hij was mijn leermeester,' antwoordde Valko. 'De Gesel en de Sadharin rijden al vele jaren samen; we hebben de zwaarden al niet meer gekruist sinds de tijd van mijn grootvader. We hebben vele banden.' Zijn stem gaf aan dat hij klaar was met dit onderwerp, en zijn opstandige blik daagde de twee priesters uit om met gevaar voor eigen leven door te gaan met deze ondervraging.

De politiek van de genootschappen werd traditioneel door de priesters van de Duistere genegeerd, maar erg langdurige bondgenootschappen werden vaak met argwaan bekeken, want de kunst van het besturen van zo'n moorddadige bevolking lag erin te zorgen dat afzonderlijke groeperingen niet te veel macht kregen. De twee priesters wisten maar al te goed wie de potentiële bedreigingen voor de orde vormden, en hoewel de Gesel en de Sadharin allebei geëerde genootschappen waren, waren ze niet bijzonder machtig of invloedrijk, vooral niet op Omadrabar. Ze waren misschien iets om rekening mee te houden op Kosridi, maar hier op de hoofdwereld van het keizerrijk van de Dasati waren ze gewoon een stel provinciale strijdgenootschappen.  

De tweede priester keek Bek onderzoekend aan. 'Ben jij van de Gesel of van de Sadharin?'

Bek keek omlaag en besefte dat het insigne dat Martuch hem had gegeven, losgeraakt was tijdens de strijd. Voor hij antwoord kon geven, zei Martuch: 'Hij is bij mij in dienst. Hij is Sadharin.'

De eerste priester trok belangstellend zijn wenkbrauwen op. 'Een student? Uit zijn houding en de vele doden aan zijn voeten zou ik hebben afgeleid dat hij minstens een meester onder je rangen was, of zelfs een kapitein.'  

'Hij is veelbelovend,' zei Hirea achteloos. 'Maar onder degenen die ik onderwijs, is hij gewoon een student.'  

De eerste priester peinsde even. 'Dan vind je het vast niet erg als hij je zijde verlaat.' Wijzend naar Ralan vroeg hij: 'Hoe is je naam?'

'Ik ben Bek,' zei de mens die was vermomd als Dasatistrijder.  

'Bek,' herhaalde de Hiërofant, 'je bent opgeroepen!'

Heel even keken Valko en Martuch elkaar aan. Ze voelden beiden de neiging om aan te vallen, te voorkomen dat de dienaren van de Duistere Bek zouden meenemen, maar ze wisten ook dat hoewel de Hiërofanten niet zulke machtige magie beheersten als de Doodspriesters, deze twee in hun eentje Valko's groep aankonden.  

'Je moet met ze meegaan,' zei Martuch. Zachtjes, zodat alleen Bek hem kon verstaan, voegde hij eraan toe: 'Verraad jezelf niet. We zullen voor het eind van de dag contact met je opnemen. Ga nu.'  

Bek stopte zijn zwaard weg en wendde zich tot de priester. 'Opgeroepen?'

'De tekarana heeft altijd behoefte aan buitengewone strijders. De opleiding is zwaar en veel veeleisender dan wat je hebt meegemaakt onder je oude leermeester,' - hij benadrukte het woord 'oud' op een manier die hem zijn leven had gekost als hij niet beschermd werd door een magiër en een dozijn tempelwachters - 'en als je het overleeft, verdien je een plek in de beveiliging van de meest loyale dienaar van de Duistere, in zijn persoonlijke wacht.'  

'Als je je op een bijzondere manier onderscheidt,' zei de andere priester, 'dan word je misschien uitgekozen voor zijn allernobelste orde, de talnoy.'

Bek grijnsde. 'Wordt daarbij gemoord?'

'Altijd,' antwoordde de eerste priester met een grijns als die van Bek. 'De Selectie van vandaag was nog maar een voorproefje. Binnenkort wordt er een waar banket van slachting voor de gelovigen aangericht.'  

'Dan kom ik met jullie mee,' zei de met bloed besmeurde jongeman. Hij klom op zijn varnin, draaide het dier bij en reed mee met de wachters die de priesters volgden.

Terwijl ze over de boulevard wegreden en de eerste tekenen van het normale leven weer zichtbaar werden in dit deel van de stad, vroeg Valko aan Martuch: 'Wat doen we nu?'

'Zo snel mogelijk naar het Bos van Delmat-Ama om te praten met de Tuinier,' antwoordde Martuch. Tegen de anderen schreeuwde hij: 'We rijden uit!'  

Ze stegen op en verplaatsten zich snel door een stad die bezaaid lag met stervenden en doden.

 

De begroeting was ingetogen. Aan beide zijden moesten er te veel vragen worden gesteld en beantwoord om een nonchalant gesprek mogelijk te maken. Het onderkomen was net als Macros had beschreven: groot maar simpel. Er stonden veldbedden langs de muren van een lange ruimte, misschien ooit een ondergrondse graanopslag of zelfs een soort barak, en verder waren er een tafel en een stapel waterkruiken achterin, maar geen gemakken. Twee lantaarns verspreidden een schamel licht, al stelde Pucs nieuwe zicht hem in staat warmte te zien.  

Martuch, Valko en Hirea waren met Macros en zijn metgezellen meegegaan naar de schuilplaats, terwijl de andere dienaren van de Witte boven bleven om ervoor te zorgen dat niemand beneden werd gestoord. Vooral Nakur leek verontrust over het nieuws dat Bek was meegenomen door de Hiërofanten. 'Waarom denk je dat hij is meegenomen?' vroeg hij aan Martuch.  

Martuch haalde zijn schouders op, een van zijn zeer weinige menselijke gebaren waar Puc telkens weer van opkeek. 'Om een aantal redenen, maar niets waardoor ik denk dat ze een idee hebben van zijn ware aard. Als dat zo was, dan zouden er geen twee geestelijken zijn gekomen maar twintig, en geen dozijn wachters maar honderd. En dan zou er niet over gepraat zijn.'

'Ze zouden meteen hebben aangevallen,' zei Nakur. 'Maar welke van die mogelijke aanleidingen lijkt je het redelijkst?'

'Redelijk?' Weer leek de oude Dasatistrijder heel menselijk in zijn twijfel. 'Er is bijna geen rede meer over in ons land, Nakur. Maar als je me vraagt om het meest waarschijnlijke: Bek is sterker geworden sinds hij hier is. Hij lijkt niet langer alleen maar op een sterke jonge strijder.'

'Martuch heeft gelijk,' voegde Valko eraan toe. 'Hij straalt kracht uit. Hij heeft de houding van een geboren edele, de zoon van een groot huis, en zijn kracht is overduidelijk. De dag dat ik jullie ontmoette, zou ik niet hebben geaarzeld om hem te doden als ik daar reden toe had gehad. Vandaag zou zelfs de sterkste onder ons ras aarzelen voordat hij Bek zou uitdagen. Hij spéélt niet langer meer de rol van een Dasati. Hij is Dasati, tot in de kern van zijn wezen.'

'Als hij werkelijk mijn student was, zou ik zeggen dat hij de gevaarlijkste was die ik ooit had onderwezen,' zei Hirea. 'Als ik hem in de oefenarena tegenover me had, zou ik vrezen voor mijn hoofd.'

'Dan moet ik naar hem toe,' zei Nakur. 'Hebben jullie middelen?'  

Martuch knikte. 'We hebben agenten in het paleis, en ik ken er ook anderen die het niet vreemd zullen vinden dat ik daar ben. Als zijn mentor mag ik afscheid van hem nemen.'

'En ik, als zijn leermeester, ook,' voegde Hirea eraan toe. 'Maar zodra hij begint aan zijn opleiding voor de persoonlijke wacht van de tekarana, is hij onbereikbaar. Als we hem nog willen spreken, moet het vandaag gebeuren.'

Nakur knikte en stond op. 'Dan moeten we nu gaan. Want als ik hem niet kan bereiken om hem te vertellen wat hij moet doen, zijn al onze plannen voor niks geweest.'

'Nakur kan de rol van een Mindere wel spelen,' zei Puc.  

'Een dienaar van de familie, alleen meegekomen om spullen te dragen, verder niet,' antwoordde Martuch. 'Hij zal veel minder aandacht trekken dan wanneer er een derde strijder meekomt om afscheid te nemen van een gewone student.'  

'Ik zal met je meegaan naar de Bergen van Skellar-tok,' zei Valko tegen Puc.

Puc keek Macros aan, die knikte. 'Liefst zo snel mogelijk,' zei de voormalig menselijke magiër. Hij zag er echt niet goed uit.

Alsof hij zich bewust was van Pucs vaststelling, zei Macros: 'Ik vrees dat ik niet meer lang te gaan heb.'

Hirea was zichtbaar onthutst toen hij dat hoorde. 'Vanwege de dienst die we hebben gedeeld en de genegenheid die ik voor je koester als mijn leider, waarschuw ik je dat je zoiets nooit buiten deze ruimte moet herhalen. Het kost me al mijn wilskracht om je niet te doden vanwege je zwakte.'  

Valko vertoonde ook tekenen van een innerlijk conflict. 'Ja, dat is wijze raad.'

Alleen Martuch leek onverstoord. 'Het zit te diep in ons bloed, vrees ik. Maar ik hoop nog altijd dat we onze schepping kunnen redden.'

'Dan moeten we allemaal gaan; zei Puc. Hij wendde zich tot Magnus. 'Jij draagt ons weer, en ik zal ons verborgen houden. Maar deze keer reizen we niet alleen over een stad, maar gaan we de halve wereld over, dus bereid je voor, jongen.'

Magnus knikte ernstig.

'Ik zal eraan werken ons uit het zicht te houden, maar we hebben inderdaad een lange weg te gaan; zei Macros. 'Het zal geen snelle reis zijn. Ik hoop alleen dat we de nodige kennis kunnen vergaren voordat de Duistere zijn bedoelingen kenbaar maakt.'  

'Dan moeten we opschieten; zei Puc. Tegen Nakur zei hij: 'Ik hoop dat ik je snel weer terugzie, oude vriend.'

Nakur grijnsde door zijn masker van ongerustheid heen. 'Als de goden het willen, zal het gebeuren. Hou je goed.'

'Jij ook,' zei Puc. Hij wendde zich tot Martuch. 'Ga jij maar eerst, dan komen wij snel daarna, maar wij blijven uit het zicht.'

Martuch knikte en draaide zich zonder nog iets te zeggen om. Hij leidde zijn metgezellen de houten trap naar boven op. Puc overwoog Valko te zeggen dat hij niet bang moest worden van hun onzichtbaarheid of het vliegen, maar bedacht zich. Valko was Dasati, en zelfs als hij doodsbang was zou hij een dergelijke zwakte niet tonen. Bovendien had Puc geen tijd om zich bezig te houden met een gekrenkte jonge Dasatiheer. Hij zei alleen: 'Leg je hand om Magnus' middel en laat niet los, want je zult hem niet meer kunnen zien.' Toen maakte Puc iedereen in zijn gezelschap onzichtbaar.

Ze liepen langzaam de trap op achter Hirea aan, en de Minderen die beneden bleven, sloten het valluik. De ochtendzon klom nu naar het hoogste punt, en Puc voelde Magnus' bezwering hen allen snel optillen. Magnus vroeg: 'Welke kant op?'  

'Eerst naar het westen, vele uren lang, en als we dan stoppen om te rusten, zal ik je de volgende richting geven; antwoordde Macros. 'We zullen de halve wereld zien voor we er zijn. Spaar nu je krachten en laten we zo snel mogelijk op weg gaan.'

Magnus richtte zijn volledige wil erop om de groep zo snel mogelijk voort te bewegen, en al snel zoefden ze door de hemel van Omadrabar als de snelste havik thuis. Toch wist Puc dat het een lange, zware tocht zou worden, en hij hoopte dat ze tijd genoeg hadden om het kwaad te voorkomen dat werd beraamd in een diepe grot niet al te ver van waar ze vlogen. Niet voor het eerst vroeg hij zich af of zijn keuzes volkomen waanzinnig waren, want hij kon wat hij tot dusver had gedaan niet eens echt een plan noemen. Het was meer een paniekreactie op een afschrikwekkende bedreiging, en hij moest vertrouwen op zijn eigen intelligentie, de talenten van zijn zoon en Nakur, en een zeer verontrustende jongeman die werd bezeten door iets veel ergers dan waanzin. En een reeks raadselachtige briefjes van zichzelf uit de toekomst. Puc hield zijn aandacht erop gericht iedereen onzichtbaar te houden, maar ergens wenste hij dat hij kon bidden. In deze buitenaardse hemel vroeg hij zich echter af tot wie hij dan moest bidden.  

 

Nakur hield zijn ogen volgzaam neergeslagen, zoals hem was opgedragen sinds ze waren aangekomen in het Dasatirijk. Hij keek alleen af en toe op om zich ervan te vergewissen dat hij zijn 'meesters', Martuch en Hirea, niet kwijtraakte. Hij hield ook nauwlettend in het oog hoe dit deel van het Grote Paleis was ingedeeld. Het gebouw was enorm. In een stad op een schaal waarbij alle menselijke bouwsels verbleekten, was dit paleis de kroon op alle excessen. Het had de drie metgezellen minder dan een uur gekost om de ingang te bereiken vanuit hun schuilplaats in het Bos van Delmat-Ama, maar van daaraf was het nog bijna een halve dag rijden door de straten in het paleis district, en tot nu toe hadden ze alleen nog maar de buitenste doolhoven bereikt. Over minder dan een uur zou de zon ondergaan. Voor zover ze konden, gaven de twee Dasati-strijders Nakur informatie over dit monsterlijke bouwwerk.  

Het Grote Paleis, onderkomen van de heerser van het keizerrijk van de Dasati, besloeg meer ruimte dan de hele stad Kentosani op de Tsuranese thuiswereld Kelewan, en in die stad woonden al meer dan een miljoen mensen. Meer dan twee miljoen Dasati woonden op het paleis terrein, en vijf miljoen in de centrale hoofdstad. Nakur besefte dat de schattingen van hoeveel Doodsridders de tekarana tegen het eerste bestaansniveau ten strijde kon laten trekken veel te laag waren. Macros had het over twee miljoen Doodsridders gehad, maar Nakur was ervan overtuigd dat hij niet verwachtte dat de Duistere elke Dasatistrijder van de Twaalf Werelden zou oproepen en inzetten ... Er klopte iets niet. Zodra ze een toegang naar het eerste bestaansniveau hadden gemaakt, op Kelewan of Midkemia of een andere wereld, zouden enorme aantallen werelden in gevaar zijn. Maar zelfs voor deze god was dat een schetsmatig en eenvoudig plan.  

De geslepen gokker woog elk stukje bewijs mee dat hij kon ontwaren, ofwel door zijn eigen observaties of uit wat anderen hadden gezegd, tegen hem of terwijl hij ze afluisterde. Hij kwam nu tot een onontkoombare conclusie: de Dasati waren onverslaanbaar voor de legers van alle landen op Midkemia en Kelewan samen. In het beste geval konden ze die vertragen. En in het slechtste geval zouden de Dasati alle tegenstand terzijde vegen alsof ze vochten tegen kinderen met speelgoedwapens.  

Nakur concludeerde dat wat Puc ook ontdekte over de geschiedenis van deze wereld, welke onthullingen er ook gedaan werden als hij de leiders van de Bloedheksen vond, wat de ware aard van Macros ook was - en hij had ernstige twijfels of die wel was wat hij scheen te zijn - kortom, wat ieder van hen ook ontdekte, er was maar één oplossing voor de komende crisis: de vernietiging van de Duistere God.  

Terwijl Nakur die conclusie overwoog, nam hij de eerdere acties van de Duistere in ogenschouw en begon er iets op te doemen: een gevoel voor het ware doel achter de schijnbaar zinloze slachting en vernietiging. Er zat een plan achter, een patroon dat zich ontvouwde, en het tergde hem dat hij bijna begreep wat het was.

Hoe dieper ze het paleis in gingen, hoe vaster Nakur ervan overtuigd raakte dat er iets bijzonder boosaardigs bestond in het hart van deze samenleving. Hun kunst - voor zover ze die hadden - was niets meer dan een verwrongen viering van hun duistere religie. Het was hem sinds het binnenkomen van het tweede bestaansniveau opgevallen dat hij niets had gezien wat leek op versiering of kunst, behalve op de Dasati zelf. Ze hadden wel een soort uitdrukking van schoonheid - zodra je gewend was aan hun uiterlijk, waren ze een heel fraai ras, vond hij - maar er hingen geen schilderijen of tapijten aan de muren en er was geen variatie in kleur van de gebouwen of de wegwijzers. Een deel hiervan lag ongetwijfeld aan het feit dat de Dasati een heel andere kleurwaarneming hadden dan mensen: ze zagen dieper dan rood en hoger dan violet, net als bepaalde wezens in het eerste bestaansniveau, en ze konden warmte zien, waardoor ze 's nachts dodelijk gevaarlijke vechters waren.  

Pas toen ze in het paleis waren, zag Nakur iets wat leek op hogere kunsten, en hier was dat in de vorm van afschrikwekkende muurschilderingen van moordpartijen, martelingen, terechtstellingen en slachtingen ter meerdere glorie van de Duistere God. Als de muurschilderingen al een verhalend aspect bezaten, kon Nakur dat niet onderscheiden, maar hij vermoedde wel dat deze specifieke werken te maken hadden met een of andere grote overwinning uit het verleden.  

Op verschillende plekken tijdens hun tocht, terwijl Nakur Martuch en Hirea volgde, zag hij iets wat een aspect leek te zijn van de Duistere God zelf. Hij leek te zijn afgebeeld als een schimmige aanwezigheid, zonder gelaatstrekken of aankleding. Gezien de levendigheid van de rest van de onderwerpen in de schildering vond Nakur dat vreemd. De strijders werden met gestileerde accuratesse afgebeeld, hun hoofden meer dan levensgroot om hun oude hoofdtooien te tonen, elk met een unieke stijl, sindsdien vervangen door de insignes die ze op hun borstplaat droegen. De zwaarden waren ook anders, net als de vaandels en banieren. De slachtoffers waren opgestapeld als brandhout na te zijn geofferd aan Zijne Duisterheid.  

Op andere muurschilderingen waren lange rijen gevangenen afgebeeld die naar een enorme kuil werden geleid en daarin werden gegooid: nog meer offers voor de Duistere. Toen ze hun bestemming naderden, zag Nakur dat de thema's van de muurschilderingen meer op de strijdkunsten toegespitst waren: sterke strijders in dienst van de Duistere, geleid door de tekarana en zijn karana die triomfeerden over een verscheidenheid aan buitenaardse rassen.  

Hier waren niet alleen maar triomfen afgebeeld, dacht Nakur. Hij was sinds hij Puc kende op vele werelden en in bijna elke beschaving op Midkemia geweest, en had een hoop krijgsgenootschappen leren kennen, waaronder enkele buitengewoon strijdlustige, maar nergens had hij gezien dat lijden en pijn zo werden verheerlijkt als hier. Het was precies zoals Kaspar hem had verteld toen hij zijn visioen in het Paviljoen van de Goden beschreef, toen Kalkin - ook wel Banath, de God van de Dieven genoemd - hem voor het eerst de Dasati toonde. Dit volk vond pijn en leed amusant. Nog nooit was Nakur een meer verstoorde blik op leven en dood tegengekomen.  

Nee, verbeterde hij zichzelf toen ze hun bestemming naderden. Er was wél een gemeenschappelijk thema. Alle leven bestond uit leed en leidde tot de dood, en de enige vraag was of je zou lijden of leed zou veroorzaken. Toen, bij de deuropening naar de Strijderszaal, zag hij één afwijkende afbeelding. Een Mindere in de kleding van een genezer, die in een klein hoekje van een schildering een beker water aanbood aan een lijdend slachtoffer. Het was vreemd, bijna terloops, maar toch op een of andere manier belangrijk, dacht de kleine gokker.  

Terwijl hij zich haastte om niet achterop te raken, viel zijn blik op een ander detail: een klein tekentje onder de gestalte van de Mindere, bijna onzichtbaar als je niet heel aandachtig naar de schildering keek. Bijna bleef hij even stilstaan. Het was een symbool dat redelijkerwijs niet had horen te bestaan in dit heelal, laat staan dat het op deze muur stond. Toen zette Nakur zijn verbazing van zich af, want hij besefte dat als hij uit zijn rol viel, zijn leven snel ten einde zou zijn.

De zaal die ze binnengingen was groot en functioneel, zonder enige versiering op de muren. Massieve grijszwarte stenen fonkelden van de energie die al bijna gewoon was geworden voor Nakur, hoewel hij nog altijd moeite had om in woorden te beschrijven wat hij zag. Op een reeks banken zaten twaalf jongemannen te wachten tot ze werden geroepen. Rondom hen liepen strijders, vaders, leermeesters en wapenbroeders, allemaal om de jonge strijders geluk te wensen en ze aan te sporen de huizen en genootschappen te eren waar ze uit waren voortgekomen. Er was niets te zien op hun gezichten wat Nakur spijt zou noemen, eerder trots omdat een van de hunnen was geselecteerd om de tekarana te dienen.  

Bek zat alleen op een bankje vlak bij de achterste muur, zo ver van de anderen vandaan dat een kort gesprek niet zou kunnen worden afgeluisterd. Nakur keek rond in de ruimte en zag dat een paar jonge strijders die voor de tekarana waren gerekruteerd, werden begeleid door Minderen. 'Kunnen ze een bediende meenemen?' vroeg Nakur.

Hirea keek hem scherp aan. 'Ja, maar je overweegt toch niet om-'

'Jawel,' onderbrak Nakur hem. 'Ik moet wel.'

Verdere discussie werd in de kiem gesmoord door de aankomst van een Doodspriester, begeleid door twee paleiswachters. 'Ik herken de insignes van de Gesel en de Sadharin.' Hij keek neer op Bek en vervolgde: 'Jij draagt geen insigne. Tot welk genootschap behoor jij?'  

Voordat Bek antwoord kon geven, zei Martuch: 'Hij is mijn dienaar, Bek genaamd.'

'Sadharin. Welk huis?'

Nu begaven ze zich op glad ijs, want ze hadden nooit voorzien dat de bezoekende mensen zo grondig zouden worden ondervraagd. 'Langorin,' antwoordde Martuch.  

De wenkbrauwen van de Doodspriester kwamen een stukje omhoog. 'Je naam?'

'Martuch,' antwoordde hij, zijn hoofd buigend in een eerbiedig gebaar dat zo klein was dat het grensde aan onbeschoftheid.  

'Je bent zelfs hier bekend, Martuch van de Langorin. Is dit je zoon?'

'Nee,' antwoordde Martuch snel. 'Hij komt uit een Mindere familie.'

Nakur vroeg zich af of dit misschien een plan van Martuch was om Bek weggestuurd te krijgen.

De priester leek verward; zowel nieuwsgierig als argwanend. 'Hoe is dat mogelijk?'

Martuch keek Bek heel nadrukkelijk aan om hem te laten weten dat hij zich dit verhaal goed moest inprenten. Nakur wist dat Bek soms nogal impulsief leek, soms zelfs bijna simpel, maar hij was allesbehalve dom. Hij was moorddadig en bloeddorstig en hij genoot van het leed van anderen, maar hij was geen stommeling. Een snelle blik tussen Bek en Nakur informeerde de kleine gokker dat Bek met Martuch mee zou praten. 'Ik heb hem gevonden tijdens een jacht. Hij was opgejaagd door een van mijn jongste dienaren, de zoon van een van mijn meest vertrouwde oude metgezellen, en Bek had hem uit het zadel getrokken, zijn zwaard afgepakt en hem gedood.'  

'Indrukwekkend,' zei de Doodspriester, en zijn gezichtsuitdrukking veranderde.  

'Dat was nog niet alles, bij lange na niet. Tegen de tijd dat ik bij het gevecht aankwam, had hij met zijn gestolen zwaard nog een Doodsridder gedood en een andere ernstig verwond. Hij stond daar, opstandig en zonder een spoor van angst, en daagde mij en de anderen uit om naar hem toe te komen en te sterven. Ik wist op dat moment dat ik hem in dienst moest nemen, hem moest opleiden voor een bijzondere rol. Nu begrijp ik waarom het lot die dag besliste dat ik hem in huis moest nemen; de Duistere heeft hem geselecteerd voor een hogere roeping.'  

'Kennelijk,' zei de Doodspriester. Hij maakte een bijna onzichtbare handbeweging, en de wachter die het dichtst bij Bek stond, kwam in beweging. Zijn hand schoot naar het gevest van zijn zwaard, dat hij in één beweging ontblootte en met een wijde zwaai op Beks nek af liet suizen. Maar voordat de kling hem bereikte, was Bek net voldoende naar rechts geschoven om zijn eigen zwaard te trekken en toe te slaan. Terwijl het zwaard van de paleiswachter door niets dan lucht hakte, dreef Bek zijn eigen kling door de maag van de man, dwars door zijn bepantsering en zijn lichaam heen, zodat de punt uit zijn rug stak. Martuch en Hirea stapten achteruit om zelf hun zwaard te trekken terwijl Nakur afstand nam, voorlopig genegeerd, maar klaar om zichzelf en Bek te verdedigen met alle 'trucs' die mogelijk nodig waren.

Tot ieders verrassing riep de Doodspriester: 'Stop!' De tweede paleiswachter was klaar om aan te vallen, maar hij bleef staan.

Bek grijnsde naar de Doodspriester. 'Een test?' 

'Indrukwekkend,' herhaalde de Doodspriester. Hij keek Martuch aan. Je zou niet het eerste hoofd van een familie zijn die de prestaties van een opgeroepen strijder aandikt om plaatsvervangende glorie voor zijn huis en genootschap te behalen. Ik vond het verhaal dat je vertelde niet bepaald geloofwaardig, maar nu...' Hij keek naar Bek, die met gemak zijn zwaard uit het lijk van de wachter trok, en voegde eraan toe: 'Ik geloof nu dat deze jongeman, met een zwaard dat hij nog nooit had gehanteerd, twee -'  

'Drie,' onderbrak Martuch hem. 'De gewonde strijder stierf korte tijd later.'

'...drie van je Doodsridders heeft gedood.' Hij wendde zich tot Bek. 'Sta op.'

Bek gehoorzaamde. Op het bankje was hij al indrukwekkend geweest, maar nu was dat helemaal het geval, want zijn Dasativermomming had hem misschien nog wel langer en dreigender gemaakt dan zijn menselijke gestalte. 'Het was een meer dan eerlijke ruil,' zei Martuch. 'Hij staat gelijk aan een dozijn mannen.'  

'Deze zal snel in rang opklimmen, denk ik,' zei de Doodspriester. Hij keek naar Nakur. 'Is dit Beks Zorger?'  

'Ja,' zei Martuch. 'Ik heb hem dat ding enige tijd geleden gegeven.'

'Kom met mij mee,' zei de Doodspriester tegen Bek, en Nakur liep zwijgend achter de jongeman aan.

Instilte stuurde Nakur een kort gebedje naar welke goedgunstige god er toevallig op dat moment luisterde. Hij keek snel even over zijn schouder naar Martuch en Hirea, en volgde toen zijn vreemde jonge metgezel het hart van het kwaad in.  

 

Puc was bijna uitgeput toen ze eindelijk landden. Een onvoorziene bijkomstigheid van hun gekozen reismethode was een bijzonder fel soort roofvogel dat betere ogen had dan de meeste andere. Een bijna rampzalige aanval enkele honderden voet boven een andere wijk van de stad had hem bijna de controle doen verliezen, en nog geen uur na vertrek waren ze allemaal op het nippertje aan de dood ontsnapt. Hij en Macros vernietigden samen de zwerm gevleugelde moordenaars, terwijl Magnus voorkwam dat ze te pletter vielen.  

Sinds die eerste ontmoeting had Puc zijn onzichtbaarheidsbezwering moeten bijstellen om nog meer van het spectrum af te dekken dan het oog van een Dasati kon zien en op een of andere manier de wezens die joegen op warmte om de tuin te leiden. Hij had zijn enorme vermogens aangewend om de mystieke maskering op te roepen, letterlijk met kunst-en vliegwerk, maar daardoor was hij wel bijna uitgeput toen ze op hun uiteindelijke bestemming aankwamen.  

Valko had de tocht ondergaan met een stoïcisme waar een Tsurani jaloers op zou zijn, vond Puc. Als je de term 'sympathiek' al kon toepassen op een jonge Dasatistrijder, dan was Valko dat. Hij had maar twee keer gerept over zijn bijna onbeheersbare verlangen om hen te vermoorden, maar daarbij had hij ook aangegeven hoe moeilijk hij het had met de nieuwe concepten en het achterlaten van zijn oude normen. Dat was veel meer dan een Dasati normaal gesproken over zijn persoonlijkheid zou onthullen, vermoedde Puc. Op een heel buitenaardse manier was het bewonderenswaardig.  

Ze kwamen aan bij een bergfort dat bijna onzichtbaar was voor alles behalve de krachtigste schouwmagie, maar Puc bespeurde het meteen toen ze naderden. Misschien kwam het door de manipulaties die hij al bijna een volle dag bestuurde terwijl ze de halve wereld over waren gereisd. Macros liet een hoorbaar opgeluchte zucht klinken toen ze de grond raakten en zei: 'Ik had jouw lasten niet, Puc, maar ik vrees dat mijn gestel een stuk minder robuust is dan vroeger.'

'Is het gevaarlijk om deze enclave te naderen?' vroeg Magnus, die ondanks zijn inspanningen van de afgelopen lange dag nog betrekkelijk fris leek. Puc stond te kijken van het uithoudingsvermogen van zijn zoon.  

'Zeker,' zei Macros. 'We kunnen maar beter hier wachten tot ze naar ons toe komen.'

Ze wachtten bijna een uur, en toen kondigde een rimpeling in de lucht rondom de onzichtbare muur eindelijk de aankomst van vier jonge vrouwen aan. Puc vermoedde dat ze ofwel tot de sterkste Bloedheksen behoorden, of degenen waren die ze het minst zouden missen als Pucs groep vijandig bleek.

'Jullie zijn hier ongenood,' zei de leider, een knappe jonge Dasati-vrouw die lang was voor haar ras. Haar houding was anders dan die van de anderen, dus Puc vermoedde dat zij hier de leider was.

Valko sprak als eerste. 'Ik ben Valko, heer van de Camareen, zoon van Narueen.'

Die naam was aanleiding tot een reactie, maar voordat de vrouw kon antwoorden, nam Macros het woord. 'En ik ben de Tuinier. We hebben veel te bespreken.'

De leider knikte. 'Inderdaad. Jullie moeten allemaal met ons meekomen.' Ze staarde een tijdje indringend naar Valko, draaide zich om en liep weg. De andere drie stapten opzij om aan te geven dat Puc en zijn metgezellen de lange jonge Bloedheks moesten volgen.  

Toen ze aan de rand kwamen van een schijnbaar verlaten open plek, voelde Puc een magische energiepuls en verscheen er plotseling een ommuurd fort. Hij besefte dat ze over de grens van een enorme illusie waren gestapt, die voorbijgangers zou bedotten tot ze er feitelijk contact mee maakten. Hij vermoedde ook dat iemand die dat onuitgenodigd deed nare verrassingen te wachten stonden.  

De enclave was oeroud, wist Puc meteen. Het had dat aanzien van stenen die honderden, misschien wel duizenden jaren eerder op hun plek waren gezet, glad afgesleten en naadloos door de eindeloze streling van wind en regen. Hoeken die ooit scherp waren geweest, waren nu afgerond, en een slijtspoor in het steen gaf aan dat talloze voeten van de poort naar de ingang van het hoofdgebouw waren gelopen.  

Dit was het eerste Dasati-gebouw dat Puc had gezien dat geen deel uitmaakte van een uitgestrekt stadscentrum. Het was gewoon een vesting. Het leek in veel opzichten op vestingen die je ook aantrof in de bergen van het Koninkrijk der Eilanden: een vierkant stenen gebouw met een ronde toren in het midden, om uitzicht te bieden op de bergpassen eronder waardoor uitkijkposten al uren van tevoren werden gewaarschuwd voor naderende vijanden.  

Binnen voelde Puc vibraties die wezen op veel meer dan enkel vrouwen die druk bezig waren met hun dagelijkse taken, en in de verte hoorde hij de onmiskenbare geluiden van kinderen. En ze lachten!  

De lange vrouw draaide zich om. 'Jullie moeten hier even wachten.' Tegen Valko zei ze: 'En jij moet je zwaard afdoen en aan haar geven.' Ze wees naar een andere jonge Bloedheks.

'Waarom?' vroeg de jonge Doodsridder opstandig. Hij had zijn zwaard met moeite verkregen, en het vertegenwoordigde veel van wat hij was en wat hij had doorstaan.

'Omdat hier mensen zijn die willen dat je ongewapend bent,' antwoordde Macros. 'Alsjeblieft.'

'Alsjeblieft' was een woord dat maar zelden werd gebruikt in de Dasaticultuur, meestal alleen als iemand smeekte voor zijn leven. In deze context was het een eenvoudig verzoek, maar wel een sterk verzoek. Valko deed zijn riem en schede af en gaf ze aan de jonge vrouw;

De leider van de vier Dasati-vrouwen vertrok en liet hen achter bij de andere drie begeleiders. De gang waarin ze stonden, was precies wat Puc zou verwachten van een eenvoudig fort: een korte gang die een andere gang met twee deuren kruiste, één aan elk uiteinde, zodat er een kale muur tegenover de hoofdingang lag. In vroeger tijden, als de hoofdingang werd geforceerd, zouden vijanden een korte route hebben naar de dood die hen opwachtte. Toen Puc omhoog keek, zag hij de moordgalerij erboven, waar men pijlen, schichten, stenen en kokende teer of olie van omlaag kon gooien. Aan weerszijden van de gang waren enorme deuren, ongetwijfeld voorzien van reusachtige balken en versterkt om alles behalve de allerstevigste rammen te weerstaan. Puc kon alleen maar speculeren, maar hij vermoedde dat dit fort nog nooit met succes was belegerd.  

In tegenstelling tot de andere Dasati-gebouwen waarin hij was geweest, waren hier de muren versierd. Er hingen oude banieren, zo te zien; mogelijk insignes uit de oudheid, emblemen van huizen of genootschappen die allang verdwenen waren. Puc wist het niet. Een ervan zag er echter vagelijk bekend uit, en zijn blik bleef er steeds naar terugkeren. Het was simpel, een rood vlak met een wit symbool in het midden. De vorm ervan was bijna herkenbaar, een enkele verticale streep die bovenaan naar rechts afboog en bijna helemaal terugliep naar de verticale lijn. Onder dat punt was een korte kruiselingse streep aangebracht, en daaronder nog een langere. Waarom dacht hij dat symbool te herkennen?  

Drie vrouwen kwamen terug met de jonge vrouw die Puc en zijn metgezellen had begroet. De drie jongere vrouwen die bij Pucs groep hadden gewacht, vertrokken nu.

Puc bestudeerde de drie aangekomen Bloedheksen. Ze waren allemaal ouder en straalden een sterk gevoel van kracht uit. De oudste van hen zei: 'Wie is de Tuinier?'  

Macros stapte naar voren. 'Ik.'

De oudste Bloedheks keek hem een tijdje aan. 'Nee, dat ben je niet. Maar ik weet wie je wel bent.'

'Wie ben ik dan?'

'Jij bent iets heel anders, en het kan even tijd kosten om het uit te leggen, maar je wordt verwacht.' Ze keek naar zijn drie metgezellen. 'Hen hadden we echter niet verwacht.' Ze wees naar Valko. 'Vooral hem niet.'

'Vrouwe, we zijn van heel ver gekomen,' zei Puc.

Ze tuurde aandachtig naar hem, en Puc wist dat hij werd bekeken met meer dan zicht alleen, zelfs met meer dan het krachtige Dasatizicht. Er was magie in het spel. Hij zag haar ogen groot worden. 'Ach, ja. Nu zie ik het. Kom, we bieden jullie gemak en verfrissingen, en dan is er veel te bespreken.'

Ze leidde Macros door de grote deuren links van hen, en Puc en Magnus volgden. 'Vader, iets hier is anders. Iets aan die vrouwen,' zei Magnus.

Puc knikte. 'Ik voel het ook. Ze zijn niet waanzinnig.'

De jonge vrouw die hen buiten had begroet, ging naast Valko lopen. 'Jij moet met mij mee.'

'Waar naartoe?' vroeg hij met een mengeling van argwaan en opstandigheid.

'Er gebeurt je niks,' zei ze. 'Die anderen moeten veel bespreken; sommige dingen daarvan gaan jou aan, en sommige daarvan hoor je zodra het nodig is. Ik wil met je praten over dingen die zij niet hoeven weten. Het is nodig. Bovendien wil ik je graag beter leren kennen.'  

'Hoezo?' vroeg hij met stijgende argwaan.

Ze glimlachte, en het was een heel andere glimlach dan die verleidelijke en manipulatieve uitdrukkingen die hij verwachtte van een jonge vrouw in gesprek met de machtige jonge heerser van een belangrijke familie. 'Omdat ik al heel je leven over je hoor, Valko. Ik ben je zus, Luryn. Narueen is ook mijn moeder.'  

Valko was sprakeloos terwijl zijn zus hem het hart van het fort van de Bloedheksen in leidde.