6
Slachting
Magnus dook achter de muur.
Drie mensen en drie Minderen krompen ineen achter het lage muurtje, meer een afscheiding dan een barrière. Een van de Doodsridders wendde zijn varnin - een kruising tussen een grote hagedis en een paard - en kwam op hun schuilplaats af. Puc dook ook achter de muur en kwam naast Magnus terecht.
Hij riskeerde ontdekking door er even overheen te kijken zodat hij een beter zicht had op een punt achter de naderende ruiters en een bezwering kon gebruiken, hopend dat die hier op Omadrabar net zo zou werken als in zijn eigen wereld. Hij had zo lang geoefend op het aanpassen van de magie dat het nu onder deze buitenaardse omstandigheden bijna even instinctief ging als thuis. Meestal schatte hij de situatie goed in, maar soms kreeg hij onverwachte resultaten.
Deze keer ging alles naar wens, en de ruiters keken om toen er plotseling commotie achter hen uitbrak. Op enige afstand verscheen een bijzonder fraaie illusie: vrouwen en kinderen die precies de andere kant op vluchtten dan waar Puc en zijn metgezellen zich verstopten. De Doodsridders reageerden zoals het ware Dasati betaamde, brulden hun strijdkreten en zetten de achtervolging in.
Puc gebaarde dat iedereen moest wachten tot de Doodsridders op veilige afstand waren. Bij de meeste confrontaties met kleine groepen gewapende mannen - of Dasati in dit geval - had Puc weinig zorgen om zijn eigen veiligheid. Hij kon zich gemakkelijk ontdoen van de tien ruiters die nu achter de luchtspiegeling aan joegen. Maar hij wilde niet onnodig levens van Dasati eisen, zelfs niet van degenen die vastbesloten waren elk lid van zijn ras te vermoorden. Ze werden immers bestuurd door duistere krachten die ze zelf niet in de hand hadden. En hij wist dat vannacht niet zomaar een circus van willekeurige slachting was, maar een ceremonie die op de hele planeet plaatsvond, een enorm ritueel van bloed, en dat elke dode meer kracht verleende aan Zijne Duisterheid. Zelfs als hij de Duistere God maar zes levens kon ontzeggen, zou Puc dat zonder aarzelen doen.
Puc dacht na over die godheid, die oppergod van het kwaad. Door wat hij in de loop der jaren had geleerd over de aard van de goden op Midkemia, wist hij dat dit het lot was dat zijn eigen wereld te wachten stond als de Naamloze overwon. Toch was die zorg veel minder dringend dan te voorkomen dat Zijne Duisterheid Pucs eigen bestaansniveau zou bereiken. Als hij kon helpen bij de vernietiging van deze Duistere God van de Dasati, zou hij zowel de Dasati redden als alle mensen op Midkemia en Kelewan.
Puc wist dat ze maar een beetje tijd hadden gewonnen, dat de Doodsridders snel zouden beseffen dat ze misleid waren en zouden terugkeren. Hij wilde een confrontatie liever uit de weg gaan, als het kon. Bovendien wilde hij wanhopig graag voorkomen dat hun ware aard zou worden ontdekt. Als hij magie gebruikte om de Doodsridders te vernietigen, zou hij ervoor moeten zorgen dat niemand, ook geen eventuele Minderen die zich in de buurt hadden verstopt, over hun aanwezigheid kon praten. Hij, Macros, Magnus en Nakur konden samen een waar leger van Doodsridders op afstand houden en er duizenden ombrengen als het moest. Maar hoewel ze elk best opkonden tegen twee of drie Doodspriesters of Hiërofanten, konden zelfs zij een aanval van twintig of meer strijders - die vastberaden waren hen af te slachten en die zelf niet bang waren om dood te gaan - niet afslaan. In zijn jaren bij de Tsurani had Puc alles geleerd wat hij weten wilde over het gevaar van vijanden die bereid waren te sterven voor hun zaak.
Nakur gebaarde dat de kust veilig was, en de vluchtelingen haastten zich over een pad in de buurt van de weg. Ze bevonden zich nog altijd binnen de grenzen van de grote stad, maar waren in een van de mijlengrote open enclaves die raions werden genoemd, bestuursdistricten gewijd aan de landbouw binnen de stad zelf, die onder afzonderlijk beheer stonden. Macros had niet de tijd genomen de subtiele details van het stadsbestuur van de Dasati uit te leggen, maar hij had Puc de indruk gegeven dat hoewel raions onder normale omstandigheden minder gevaarlijke omgevingen waren dan de rest van de stad, dit geen normale omstandigheden waren.
Aangezien de buitengrenzen van de raions zich binnen de stad zelf bevonden, waren de meeste veel voorkomende wilde dieren al jaren geleden gevangen, maar dat betekende niet dat er geen andere gevaren waren. Nachtvliegers, die niet veel voorkwamen in dit gebied, werden toch af en toe gezien, en nu en dan vonden grotere landzoogdieren op een of andere manier een weg naar binnen. Bovendien was vannacht elke Dasati die niet bij hen was hun vijand. Groepen Minderen die normaal gesproken niet eens zouden overwegen zich agressief te gedragen, zwierven over de kleinere wegen en maakten gebruik van de zeldzame gelegenheid te proeven van de Dasatilust naar geweld. Een onhandige Doodsridder die zijn genootschapsbroeders kwijtraakte, kon heel goed het slachtoffer worden van degenen die normaal leefden of stierven afhankelijk van zijn grillen. Zelfs heren van grote huizen omringden zich nu uitsluitend met hun meest loyale en vertrouwde volgelingen.
Tijdens een Grote Selectie eiste de Duistere God dat de zwakken moesten sterven. Elke Dasati die niet wist te overleven, was per definitie zwak en moest badend in bloed en vuur worden overhandigd aan Zijne Duisterheid.
Ze renden over een pad dat net breed genoeg was voor een kar, en Puc keek doorlopend over zijn schouder om te zien of ze werden gevolgd. Terwijl ze zich over het smalle laantje haastten, bijna een mijl rondom aan het zicht onttrokken door een hoog soort graangewas dat sellabok heette, begon de hemel boven hen lichter te worden. 'Wacht!' riep Puc plotseling uit.
De anderen draaiden zich om, en Puc liet er zachtjes op volgen: 'Luister.'
De zeer vroege ochtend was stil en ze hoorden alleen de geluiden van nachtdieren. Toen gaf een kreet in de verte aan waar de Doodsridders die ze eerder hadden gezien zich bevonden. 'Hoe ver nog?' vroeg Puc aan Macros.
'Nog twee uur als we geen vertraging oplopen, dan zijn we buiten het gebied dat bekendstaat als Camlad. Dan moeten we besluiten of we langs de buitenranden van de stad gaan, wat een paar uur extra reizen betekent, of dwars door het hart van de wijk. Dat laatste heeft mijn voorkeur, maar het is ook veel gevaarlijker.'
'Hoezo?' vroeg Nakur.
'De grootste aantallen doden zijn gevallen in de eerste uren na aanvang van de Grote Selectie,' zei Macros. Hij was meer buiten adem dan gebruikelijk, en Puc besefte dat zijn ziekte zich begon te manifesteren, waarschijnlijk ten gevolge van de inspanningen van de afgelopen nacht. 'Om het in Dasati-termen te zeggen: de domme, zwakke en overhaaste mensen worden binnen enkele uren omgebracht. Er zijn valstrikken dichtgeklapt en gevechten uitgebroken. Dan, na een rustige periode van een uurtje of twee, gaan de meer roekeloze en brutale mensen met elkaar op de vuist. Die Doodsridders die we net hebben ontlopen, zaten al onder het bloed, waarschijnlijk door een ontmoeting met een gelijksoortige groep die ze hadden verslagen.
Degenen die nog over zijn, zijn gevaarlijke, taaie moordenaars op zoek naar prooi. De bloeddorst is nu op zijn hoogtepunt, en dat zal de hele ochtend nog zo blijven. Later op de dag,' voegde hij er zachtjes aan toe, 'zal het rustiger worden, als zelfs de meest bloeddorstige moordenaars de zonsondergang voelen naderen en beseffen dat alleen hun eigen soort nog daarbuiten is, met andere woorden: anderen die goed zijn in doden of even goed in zich verstoppen. Op dat moment zal iedereen zich schuilhouden en wachten op de zonsondergang; iedereen die door enig deel van de stad reist, is dan een gemakkelijk doelwit voor een hinderlaag. Dus dat betekent dat we eerst door Camlad moeten zien te komen, en dat we dan voor noen in de volgende raion moeten zijn. Zodra we de stad uit zijn, is het nog maar enkele uren lopen naar het Bos van Delmat-Ama. De Witte heeft het bos en het grootste deel van het district eromheen volledig in handen; daar zijn we veilig en kunnen we afwachten wat deze laatste slachtpartij betekent.'
'Wat denk jij dat het betekent?' vroeg Magnus.
Macros zweeg een tijdje nadenkend. 'Dit is nog maar het begin,' zei hij uiteindelijk. 'Zijne Duisterheid is een inhalige god. Hij eist bloed, maar als hij grote honger heeft, is dat meestal een aankondiging voor een grote verandering.' De Dasati die ooit mens was, zuchtte. 'Ik kan me niet voorstellen dat een invasie in een hoger bestaansniveau gemakkelijk is, zelfs voor een god. Misschien is hij van plan zijn leger te volgen.' Hij keek de anderen om beurten aan. 'Kom, we kunnen dit verder bespreken als we eenmaal het Bos van Delmat-Ama hebben bereikt.'
Als één man draaiden zij en de drie bedienden zich om en haastten zich verder over het pad, terwijl de hemel in het oosten lichter werd door de naderende zonsopgang.
De open akkers van de raion kwamen ten einde toen ze een brede boulevard bereikten, die aan de overkant werd begrensd door een schijnbaar eindeloze muur van gebouwen van soms wel tien of twaalf verdiepingen hoog. 'Daar. Rechts is een bediendetunnel,' zei Macros. Hij keek om zich heen. 'Laat je niet in de luren leggen door de stilte. Er zijn ogen achter ieder venster en messen verstopt in elke hand. Op dit moment proberen minstens een dozijn Minderen te bepalen hoe gevaarlijk we zijn - zijn we brutaal en krachtig, of dom en zwak - en wat hun kansen bij een hinderlaag zouden zijn. We moeten voorzichtig verder gaan. Als we Camlad eenmaal door zijn, komen we bij het Bos van Delmat-Ama.'
'Stelde je niet voor om langs de buitenrand van dit gebied te gaan?' vroeg Nakur.
Macros liep door. 'We hebben te veel tijd verloren.' Ze hadden zich sinds middernacht drie keer moeten verstoppen, eenmaal meer dan een uur lang, om confrontaties met de Dasati uit de weg te gaan.
'Wordt er vandaag veel magie gebruikt?' vroeg Magnus.
Macros weifelde. 'Hoe bedoel je?'
'Nou, tot dusver hebben we onze krachten verborgen gehouden om niet opgemerkt te worden.'
'Ja,' zei Macros. 'We hadden iedereen kunnen vernietigen die we tegenkwamen, maar op deze wereld gebruiken alleen Doodspriesters magie - of eigenlijk alleen zij die daarvoor toestemming hebben van Zijne Duisterheid - en onbekende magiegebruikers zouden zeker de aandacht trekken.'
'Maar als er Doodspriesters en Hiërofanten bij de rondtrekkende bendes zijn, zou de aanwezigheid van magie zelf amper opvallen.'
'Wat ben je van plan?' vroeg Puc.
Magnus' gezicht was, hoewel het dat van een Dasati was, nog altijd een open boek voor zijn vader. In tegenstelling tot zijn moeder was Magnus er goed in zijn gevoelens binnen te houden, soms nog beter dan zijn vader, maar als zijn frustratie een bepaald punt bereikte, waren zijn stem en gezicht voor Puc goed te peilen. Magnus was nu gefrustreerd.
'Ik wil niet voorstellen dat we onze vermomming afwerpen en rustig de wijk in wandelen om iedereen uit te schakelen die we aantreffen. Dat zou dom zijn. Maar kunnen we onze vaardigheden niet gebruiken om onzichtbaar over deze waanzin heen te vliegen?'
Macros lachte. 'De jongen is wijzer dan zowel zijn vader als zijn grootvader. Het was nooit bij me opgekomen om onzichtbaarheid en vliegen te combineren...'
'Omdat geen enkele magiër die we kennen dat allebei tegelijk kan,' voltooide Nakur. Hij grijnsde, en die vertrouwde blik, al was het op een buitenaards gezicht, gaf iedereen moed. 'Maar we hebben hier meer dan één magiër.'
'Ik kan ons allemaal optillen,' zei Magnus, wijzend naar de drie andere magiërs en de drie Mindere bedienden, die doodsbang leken bij het idee om te vliegen.
'Ik kan ons afschermen van magische detectie,' zei Macros.
'En ik zal ervoor zorgen dat niemand ons ziet,' voltooide Puc.
Na een korte discussie over hoe ze dit kunststukje zouden volbrengen, spraken de twee oudere magiërs hun bezweringen uit en begon Magnus aan die van hem.
Al snel was iedereen onzichtbaar, maar de stemmen die uit het niets kwamen wezen erop dat de drie bedienden deze ervaring niet zomaar zwijgend konden ondergaan. Puc besefte dat het nogal schokkend voor ze moest zijn om te worden opgetild door onzichtbare krachten en boven de grond te zweven.
Macros wees Magnus de beste route, en vervolgens suisden ze over de stad. Puc vond het opwindend om omlaag te kijken, vanwege het nieuwtje en vanwege het uitzicht; hij kon zich de laatste keer niet herinneren dat hij had gevlogen zonder zijn eigen vermogens te hoeven aanspreken. Die ervaring vond hij niet zo fijn, want hij was naderhand altijd moe en kreeg een lichte hoofdpijn. Maar zijn zoon deed nu al het werk, en hij was vrij om gewoon te genieten van de tocht. Macros had het zwaarder: hij moest zich doorlopend concentreren op het detecteren van schouwende magie en die zo snel mogelijk tegengaan, maar nu Pucs bezwering om hen onzichtbaar te maken in werking was getreden, had hij zelf niets meer te doen.
Het tafereel onder hem maakte Puc duidelijk hoe buitenaards de Dasati waren. Hij had vele plaatsen op zowel Midkemia als Kelewan zijn thuis genoemd en was op een dozijn werelden geweest met intelligente wezens die zowel in uiterlijk als aard exotisch waren, maar het vreemdste ras dat hij tot dusverre was tegengekomen, leek nog meer verwant aan hem dan dit volk.
De stad strekte zich mijlenver in alle richtingen uit. Het moest een ongelooflijke inspanning zijn geweest om die... dingen te bouwen. Hij kon het geen gebouwen noemen, want ze waren allemaal met elkaar verbonden en leken allemaal uit één stuk te bestaan. Hij was ervan overtuigd dat er in de loop van eeuwen delen aan waren toegevoegd, maar dan wel op zo'n manier dat alles naadloos in elkaar overging, eindeloos lang. Wat volkomen ontbrak, waren de vele varianten van bouwstijlen die je zelfs in de meest homogene culturen vond. Zelfs de Tsurani, die hun stadsgebouwen bijna allemaal wit schilderden, pasten een grote verscheidenheid aan muurschilderingen en gelukssymbolen toe. Maar hier... Overal waar hij keek, zag hij gebouwen van steen en donkergrijze of zwarte deuropeningen die bijna allemaal identiek waren. De enige afwisseling zat in het spel van de subtiele energieën door de stenen, die onzichtbaar zou zijn voor het menselijk oog. Als je wat beter keek, zag je glinsterende tinten warm rood, diepe, trillende vleugen paars en fonkelende glinsteringen die leken op kleine weerspiegelingen van het zonlicht op paarlemoer, slechts eventjes zichtbaar en dan weer vervagend. Puc dacht dat dergelijke details prachtig zouden zijn als de omgeving niet zo grimmig was geweest. Verder was de architectuur van de Dasati bijzonder formeel. Naast elke deuropening waren zes ramen aangebracht, met om de vier deuren een tunnel naar het hart van het gebouw: Boven de straat was elke verdieping voorzien van een opgang en een galerij met een balustrade, en dat ontwerp werd steeds herhaald. De monotonie werd alleen doorbroken door enorme, aan elkaar verbonden muren met brede boulevards erop, als wegen honderden voet boven de grond, waar veel van het transport en de handel van de Dasati-samenleving van afhankelijk was.
Tussen de gebouwen lagen open pleinen of parkjes. Elke open ruimte, of het nu een park was, een jachtterrein, een landbouwraion of een markt, was aan alle kanten mijlen lang. Maar zelfs die terreinen, zo zag Puc toen ze hoger stegen, waren identiek geplaatst en gevormd.
'Die Dasati zijn niet bepaald origineel,' merkte hij op.
'Dat is niet helemaal waar,' zei Macros, 'maar ze hebben wel een duidelijke neiging om aan iets vast te houden als ze eenmaal concluderen dat het nuttig is. Zo dicht opeengepakt als de bevolking in het stadscentrum woont, vormen deze parken en landbouwdistricten een efficiënt systeem om goederen naar de markt te vervoeren.
De enige andere omgeving die je hier ziet, is langs de kust van de oceanen. De zee laat zich veel minder makkelijk vormen dan het land, dus moest men compromissen sluiten. Maar zelfs in de kuststeden is het duidelijk dat men het ontwerp van hier heeft geprobeerd te herhalen. Ze hebben er bruggen en netwerken van enorme vlotten, die ze hebben gebouwd door pilaren diep in de zeebodem te drijven.'
'Waarom?' vroeg Nakur. 'Niet dat ik geen prijs stel op een goed ontwerp, maar je moet inspelen op veranderende omstandigheden.'
'De Dasati niet,' zei Magnus. 'Als hun ontwerp niet past bij de omstandigheden, passen ze de omstandigheden aan.'
Puc was er verbaasd over hoe ontspannen zijn zoon klonk. Hij wist dat hij zelf nooit zo ontspannen zou zijn geweest als hij iedereen moest laten vliegen. Magnus was nog relatief jong voor een magiër en zijn krachten begonnen zich nog maar pas te manifesteren, maar nu al was hij in staat tot dingen die zijn ouders moeite zouden kosten.
Puc dacht weer terug aan die vreselijke dag, zoveel jaren geleden, toen hij voor Lims-Kragma stond na zijn idiote poging om de demon Jakan te verslaan, en de vreselijke keus die ze hem had geboden. Hij mocht terugkeren naar de levenden om de taken te voltooien die een ongenadig lot en de goden hem hadden gesteld, maar in ruil voor dat respijt van de dood zou hij een prijs moeten betalen. Hij zou iedereen van wie hij hield eerder moeten zien sterven dan hij.
Het was al moeilijk genoeg als oude mensen overleden. Hij herinnerde zich het verlies van zijn eerste leermeester Kulgan, vader Tully, later prins Arutha en zijn goede vriend Laurie. De voortijdige sterfgevallen waren moeilijker te aanvaarden dan wanneer mensen door het grillige lot sneuvelden in een oorlog. Maar niets had hem kunnen voorbereiden op het voortijdige verlies van zijn kinderen. Hij was er al twee kwijtgeraakt: Wiliam, die was gesneuveld op de muren van Krondor tijdens de aanval van het leger van de Smaragden Koningin, en zijn adoptie dochter Gamina, in diezelfde strijd gesneuveld samen met haar man, hertog Robert. Maar ze hadden allebei een mooileven gehad, en Gamina had haar kleinkinderen nog gekend.
Puc dacht treurig aan de verre familie die hij had, mensen die hij amper kende. Hoe zat het met zijn achterkleinkinderen? Zouden die ook eerder overlijden dan hij?
Nakur onderbrak zijn overpeinzingen. 'Wat isdat?'
Enkele tellen later zag Puc wat 'dat' was. In de verte, tegen het licht van de opgaande zon, rees een zwarte zuil op van iets wat leek op rook, maar toen ze dichterbij kwamen, zag Puc dat het geen rook was. Het was een soort energie, en hoewel die bestond uit rokerige flarden, steeg hij niet op maar werd hij juist omlaag getrokken.
'We moeten opschieten,' zei Macros.
'Wat is dat?' vroeg Nakur nog eens.
'De Tempel van het Zwarte Hart,' antwoordde Macros. 'Het heilige der heiligdommen op deze wereld. Het is de ingang naar het domein van de Duistere God.'
'Wat zijn dat voor energieën?' vroeg Puc.
'Leven,' zei Macros. 'Gezien jullie ongebruikelijke perspectief in dit rijk kunnen jullie het zien, net als ik, maar voor de gemiddelde Dasati, zelfs voor de Doodspriesters en Hiërofanten, is de lucht boven de tempel helder. Jullie zien de levensenergie van duizenden gesneuvelden naar die monsterlijke god stromen. Hij voedt zich ermee. Hij wordt er sterker van.'
'Waarvoor?' vroeg Magnus.
'Daar moeten we achter zien te komen,' zei Macros. 'Stuur ons naar rechts, in de richting van dat flikkerende licht in het zuidoosten. Die spiegeling is een meer in de volgende raion, en daarachter ligt het Bos van Delmat-Ama. Daar zullen we informatie verzamelen, beoordelen wat er gebeurd is en proberen enige logica in deze waanzin te ontdekken.'
Puc hield zijn mond, maar hij vroeg zich af of er wel logica te ontdekken viel in waanzin. Terwijl hij daaraan dacht, vroeg hij zich af hoe de jacht op Leso Varen op Kelewan verliep, en even verlangde hij naar nieuws van Miranda. Zou hij ooit nog van haar horen? Hij zette die duistere overpeinzingen van zich af en richtte zijn aandacht erop onzichtbaar te blijven voor de duizenden Dasati die zich beneden verstopten.
Ze suisden verder in de richting waarin Macros had gewezen, tot ze zich weer boven een reeks parken en tempels bevonden. De parken lagen bijna allemaal op lage daken, slechts vier of vijf verdiepingen boven de grond, niet boven op de hoogste gebouwenblokken. Als er een gebouw in het midden van zo'n parkje stond, met hoge spitsen en koepeltorens erop, was het een tempel voor Zijne Duisterheid.
De parken waren in een patroon aangelegd, zag Puc van bovenaf. De gebouwen vormden een kruis, en de parken bezetten de resterende ruimte van een groot vierkant: de noordwestelijke, zuidwestelijke, zuidoostelijke en noordoostelijke hoek. Het meest noordelijke gebouw was enorm, zelfs naar de overdreven maatstaven van de Dasati. Een reusachtige fundering ondersteunde zes pilaren, en in het midden rees de hoogste toren van alle op.
'Kijk toch eens hoe groot dat ding is,' zei Nakur.
'En daar komt nog meer levensenergie vandaan,' zei Macros, terwijl hij wees.
Puc zag dat er duizenden kleine kringeltjes zwarte levensenergie weglekten uit de top van de hoogste toren en teruggezogen werden naar de enorme inlaat die ze eerder hadden gezien.
'Diep onder dit gebouw, tientallen verdiepingen onder dit plein, bevinden zich uitgestrekte moordruimtes,' vertelde Macros. 'Hoewel er vandaag chaos woedt, wordt daar op bepaalde feestdagen ritueel geslacht. Zijne Duisterheid heeft kennelijk een doorlopende toevoer nodig van levens energie, en dus heeft hij de Dasati aangezet tot die afschuwelijke praktijken.'
'Hoe kunnen ze dat als ras overleven?' vroeg Magnus.
'In het verleden,' antwoordde zijn grootvader, 'door andere werelden te overheersen. De zes werelden werden ooit bevolkt door andere intelligente wezens, en de Dasati hebben die stuk voor stuk aan het zwaard geregen of op het altaar gelegd en hun hart uit hun borst gesneden.
In de loop der eeuwen raakten de slachtoffers op, dus begonnen ze op elkaar te jagen en evolueerden ze naar de cultuur van moord en waanzin die je nu ziet.' Macros zweeg om zijn woorden tot de anderen te laten doordringen. Toen zei hij: 'De waarheid van wat er gebeurd is, is verborgen. De geschiedenis is zo ondergesneeuwd door dogma's dat de canon van de Duistere God en de geschiedenis nu één en dezelfde zijn. Alleen de Bloedheksen hebben enig idee van wat er in de loop van de eeuwen werkelijk is gebeurd, en hun archieven zijn in het beste geval onvolledig.'
'Hoe komt dat?' vroeg Nakur.
'Daar,' zei Macros tegen Puc, 'stuur ons naar die grote spits en er voorbij. Zo komen we bij het Bos.' Tegen Nakur zei hij: 'Eeuwenlang waren de Bloedheksen onderdeel van de religie van de Duistere God, hoewel ze bijna zeker al voor hem bestonden en toen dienaren van een godin van het leven of de natuur waren.
Maar hoewel de Zusterorde uiteindelijk inzag hoe zinloos een samenleving is die zo moorddadig is dat zelfs de eigen nakomelingen gevaar lopen, kwamen ze pas tot dat besef toen veel van de oude kennis al verloren was gegaan. Als ik meer tijd had om het te bestuderen...' Hij maakte zijn zin niet af.
Puc vermoedde dat Macros er slechter aan toe was dan hij toegaf. Hij leek gehaast in alles wat hij deed, en Puc kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de ontwikkelingen snel een keerpunt zouden bereiken.
Er kwam oorlog. Ofwel op Midkemia of op Kelewan, de tweeling van deze wereld. Het enige wat de start van een invasie naar het volgende niveau nog tegenhield, waren de voorbereidingen die werden getroffen voor de troepen van de Duistere God. Deze inzameling van energie moest de laatste voorbereiding voor zo'n invasie zijn.
Puc voelde de logische behoefte tot zo'n oorlog wel aan. Hij begon nu pas ideeën te krijgen over wat er ten grondslag lag aan het gestoorde gedrag van deze samenleving, maar het was hem duidelijk dat hier een broze homeostase bestond van sociale krachten die door hun eigen druk met elkaar verbonden waren: één klap uit een onvoorziene hoek zou de hele structuur ervan laten ineenstorten. Hoe snel deze samenleving zich herstelde van deze dag van grootschalige slachting zou heel veel inzicht opleveren, want iets gelijksoortigs zou in Midkemia een dorp, stad of zelfs een natie zeker op de knieën dwingen.
Puc begreep dat in elke menselijke cultuur te veel verstoring op ieder niveau, onder boeren en arbeiders, kooplieden en handelaars, het leger of de adel, ervoor zou zorgen dat de samenleving snel tot chaos verviel.
Het had het Westelijke Rijk bijna twintig jaar gekost om zich volledig te herstellen van de Slangenoorlog, en dan nog alleen maar omdat intelligente en getalenteerde mensen zich daarvoor hadden ingezet, ook leden van zijn eigen familie.
Puc richtte zijn aandacht op het park onder hem. Hij zag een groep gewapende Dasati - Minderen, aan hun kleding te zien - verstopt zitten in een ondiep slootje, door dicht struikgewas afgeschermd van alle kanten behalve boven. Ze zaten onder het bloed, waren uitgeput, en voor zover Puc kon zien terwijl hij over ze heen vloog, waren ze klaar met vechten en wachtten ze nu tot de dag voorbij was.
Toen ze de zuidwestelijke grens van het park bereikten, besefte Puc dat de verborgen Minderen deze dag waarschijnlijk niet zouden overleven, want een grote groep tot de tanden bewapende bereden Doodsridders en een stel Doodspriesters verzamelden zich op een plein, kennelijk van plan het gebied te doorzoeken. Puc wenste dat hij tussenbeide kon komen, maar wat zou het uithalen? En hoewel in de normale gang van de samenleving de Doodsridders vaker de roofdieren waren dan de Minderen, maakte dat die laatsten bij lange na niet minder bloeddorstig en moorddadig. Hij wist dat als ze de kans kregen, ze hem en zijn metgezellen zonder aarzelen zouden doden.
Puc besefte met een bitter gevoel dat hoewel hij zich de Tsuranese cultuur had eigengemaakt toen hij in zijn jeugd gevangen was op Kelewan, en zich had bekwaamd in het navigeren door de cultuurkronkels van vele andere buitenaardse samenlevingen, hij nooit helemaal in staat zou zijn de essentie van de Dasati te begrijpen. Net zoals hij zich niet kon voorstellen hoe mieren in een mierenhoop dachten, zelfs al kon hij hun sociale orde wel waarderen en begrijpen. Toen gaf hij bij zichzelf toe dat hij een betere kans had om mieren te begrijpen.
Ze vlogen verder over de stad, speurend naar potentiële dreigingen tussen de uniforme gebouwen. Maar er gebeurde tijdens de tocht niets, en na een lange vlucht in betrekkelijke stilte hoorden ze Macros zeggen: 'Daar, bij dat open terrein met het meertje.'
Magnus veranderde hun koers en bracht hen naar het beoogde doel. Ze daalden langzaam boven de stad af naar de rand van de raion en Macros zei: 'Dat gebouw daar, op het heuveltje.'
Het gebouw was bescheiden, maar net als alle andere Dasati-zaken werd het goed bewaakt. Het had een stevige muur met aan de binnenzijde een diepe greppel, die was voorzien van scherpe houten staken. 'Sommige roofdieren hier kunnen heel goed over muren springen. Je kunt ons het beste neerzetten achter die bomen, Magnus. Als we plotseling voor de voordeur opduiken, vliegen de pijlen ons om de oren voordat iemand ons herkent.'
Zijn kleinzoon deed wat hem werd opgedragen, en toen ze op de grond stonden liet Puc de onzichtbaarheidsbezwering wegvallen. De drie Minderen zwegen, zoals ze de hele weg al hadden gedaan, maar ze waren bleek - hun toch al grijze huid had nu de kleur van as - en hun gezichten onthulden hun opluchting omdat ze weer stevig met beide benen op de grond stonden. Macros zei tegen hen: 'Ga ons aankondigen, en probeer niet gedood te worden voordat je kunt zeggen wie je bent. Ik stel voor dat jullie op veilige afstand van de deur blijven.'
Toen ze wegliepen, voegde hij eraan toe: 'Het is waarschijnlijk een onnodige voorzorgsmaatregel, maar je weet het nooit. Wij hebben deze hele raion in handen, en als de tekarana zelf zijn persoonlijke legioen niet hiernaartoe gestuurd heeft, hebben onze manschappen dit gebied zeer waarschijnlijk rustig weten te houden.
Voordat we naar binnen gaan, moet ik jullie waarschuwen dat we heel weinig tijd hebben voor onze voorbereiding, en nog minder om te handelen. Er is iets monsterlijks gaande, anders zou er niet zijn opgeroepen tot een Grote Selectie. De gemiddelde Doodsridder of Mindere heeft weinig belangstelling voor geschiedenis, maar ik heb er zoveel mogelijk van boven water proberen te halen sinds ik mijn menselijke herinneringen terug heb.
Die enorme slachtingen zijn altijd alleen maar bevolen om twee redenen: om de sociale druk te verminderen en elk spoor van rebellie tegen de Duistere God en zijn dienaar de tekarana de kop in te drukken, of om het volk voor te bereiden op een invasie in een andere wereld. De laatste wereld die werd onderworpen door de Dasati was Kosridi, en dat was meer dan drie eeuwen geleden. Er is geen enkele oorspronkelijke levensvorm uit de tijd van voor de Dasati kwamen meer op die wereld over.'
'Denk je dat de Dasati klaarstaan om ons bestaansniveau binnen te dringen?' vroeg Magnus.
'Nog niet helemaal, maar wel binnenkort. Als alles gaat zoals ik vrees dat het zal gaan, zal de Duistere God binnen een maand oproepen tot de Grote Aanmonstering, en dan sluiten alle strijd-genootschappen zich op een vooraf bepaalde plek aan bij het leger van de karana en de tekarana. We hebben het dan over misschien wel twee miljoen Doodsridders en enkele honderdduizenden Doodspriesters. Nog eens vier miljoen ondersteunende Minderen zullen ze begeleiden. Denk eraan dat ze zes werelden hebben om troepen uit te putten.'
Pucs gezichtsuitdrukking bewees hoe geschokt hij over die aantallen was. 'We hebben in twaalf jaar tijd nooit tegenover meer dan twintigduizend Tsurani gestaan, Macros. En hoewel de Smaragden Koningin veertigduizend soldaten naar het koninkrijk stuurde, sneuvelde de helft daarvan op zee of in de slag om Krondor. Minder dan twintigduizend, verspreid over honderden mijlen Koninkrijksweg. En een derde van hun leger deserteerde al voor de slag bij de Nachtmerriekam.'
'Twee miljoen. Dat is veel,' zei Nakur.
Puc keek zijn vriend even aan om te zien of hij een grapje maakte, en zag dat het niet zo was. 'Weet je wat dit betekent?'
'Het betekent dat we moeten voorkomen dat ze die oorlog beginnen,' zei Nakur.
'Kunnen we dat?' vroeg Magnus.
'Dat,' zei zijn grootvader, 'is de grote vraag, hè?'
'Ik kan maar één manier bedenken om dat voor elkaar te krijgen,' zei Puc.
Macros knikte, alsof hij de gedachten van zijn schoonzoon kon lezen. 'De Duistere God doden voordat hij het bevel tot de invasie geeft.'