9
Ontdekkingen
Jim dook weg achter een rotsblok.
Niet voor het eerst sinds hij de elfen had achtergelaten, vervloekte hij zijn eigen stomheid. Tot nu toe was een van de dingen die hem zowel succesvol als gevaarlijk had gemaakt een optimisme dat grensde aan overmoed, een gevoel dat hij alles kon als hij zich er maar op richtte. Hij was gezegend met een bijna bovennatuurlijke mentale soepelheid en lichamelijke snelheid, en kon snel situaties inschatten en oordelen vellen die bijna altijd juist waren.
Maar die zeldzame momenten dat hij het niet bij het juiste eind had, waren degene die hem in de loop van de jaren bijna het leven hadden gekost. Deze keer was hij ervan overtuigd dat het zo'n soort moment zou worden als hij iets verkeerd deed.
Hij had de weg onthouden vanaf het strand naar het fort van de elfen en wist waar de schepen aan de andere kant van het schiereiland voor anker lagen. Hij had een wildspoor naar de bergen gezien, dat ze waren gepasseerd op weg naar Baranor en dat een goede route over de heuvel had geleken. Hij had zelfs in het maanlicht een opening tussen de pieken gezien, en voelde zich zeker over zijn keus. Zijn enige zorg tot op dat ogenblik waren andere achtervolgende elfen, hoewel hij betwijfelde of die er waren, of de wezens die op wolven reden, maar waar hij nog geen spoor van had gezien.
Tot hij bijna hun kamp in liep.
Hij dook ineen en verwachtte ieder moment teen alarmkreet te horen, maar toen er enige tijd verstreek zonder opschudding, gluurde hij om de rotsen heen.
De nachtmerrieachtige wezens zaten in een grote kring om een vuur, of iets wat min of meer een vuur was, want hoewel het brandde en licht en warmte uitstraalde, had het niet de bekende gele en witte vlammen van een kampvuur. Het had een buitenwereldse kleur: zilverachtig rood met flitsen blauw erin. Jim had de wolvenruiters alleen bij zonsondergang gezien, maar nu zag hij ze verlicht door dit vreemde vuur en dat was onthutsend, zelfs voor een man die van zichzelf vond dat hij immuun was voor verrassingen. De wezens leken qua vorm op mensen, met een hoofd, armen en benen, maar ze hadden geen gelaatstrekken en droegen, voor zover Jim kon zien, ook geen kleding. Hun huid leek te bestaan uit een steeds veranderende, rimpelende vloeiende structuur en kon eigenlijk niet echt een huid worden genoemd. Net zoals hij eerder al had gezien, steeg er af en toe een kringelt je rook van op. De wezens waar ze op reden, de 'wolven', lagen naast hen met uitgestoken tong te hijgen en waren ook buitenwerelds. Hun ogen gloeiden, en Jim wist door de eerste ontmoeting die hij met ze had gehad dat dat niet kwam door de weerkaatsing van het vuurlicht. Hun eigenaars zaten iets te eten, maar van deze afstand kon Jim niet zien wat het was. Toen smeet een van hen iets in een boog over het vuur naar een metgezel, en Jim besefte met een wee gevoel in zijn maag dat het een arm was. De arm van een mens, elf of kobold, dat kon hij niet bepalen, maar het was geen poot van een dier.
Jim schatte de afmetingen van het kamp in en probeerde te bepalen of hij eromheen kon. Er stonden hutten op een afstandje van het vuur, gemaakt van een materiaal dat hem even vreemd voorkwam als al het andere dat hij met die wezens associeerde. Ze waren rond, met platte daken, en zagen eruit alsof ze waren gemaakt van enorme schijven van een of andere gladde steensoort in plaats van van stof, leer of hout. Hij zag geen deuren of vensters, maar af en toe kwam er iemand door een muur naar buiten of ging erdoor naar binnen.
Het meest verontrustende aan het hele tafereel was de stilte. Er werd niet gepraat, niet gelachen, zelfs niet zwaar geademd. Hij wist dat ze geluid konden maken, want hij had hun gekrijs of strijdkreten eerder die dag gehoord, maar nu hing er alleen maar een onnatuurlijke stilte. Hoe ze ook communiceerden, het ging niet door middel van normale spraak.
Jim tuurde om zich heen op zoek naar de vliegende wezens die de elfen 'leegtespringers' noemden. Als die hier rondvlogen, wilde hij dat weten voordat hij probeerde om de nederzetting heen te komen.
Zo geruisloos als hij kon cirkelde hij om het kamp heen, zijn ogen open voor beweging die een onverwachte valstrik of ontmoeting kon verraden. Toen hij bijna tegenover de positie was waar hij was begonnen, zag hij iets staan wat alleen maar een kooi kon zijn, gemaakt van een zelfde soort materiaal als de hutten. Daarin bleken de vliegende wezens te zitten. Hij was een beetje opgelucht. Die buitenaardse wezens hadden ofwel heel veel zelfvertrouwen, of ze waren heel erg dom, want er stond geen wachtpost en er leken geen verdedigingen aangebracht. Als hij wist hoe hij ze kon doden, had Jim een aanval kunnen organiseren waarbij ze allemaal binnen enkele minuten vernietigd zouden zijn.
Hij bleef verder sluipen rond het kamp tot hij de helling erboven bereikte, en toen haastte hij zich over het pad naar wat hij hoopte dat een pas tussen de bergen door en een weg omlaag naar de wachtende schepen was.
De hemel in het oosten werd zichtbaar lichter en Jim wist dat de zon over minder dan een uur zou opkomen. Hij was opgelucht, want hij had gehurkt aan de oostkant van de pieken gezeten en niet zeker geweten langs welke weg hij omlaag moest. Het pad dat hij had gevolgd was door een opening in de heuvelkam gelopen, maar op de oostelijke helling was het snel smaller geworden, tot hij zeker wist dat hij het gevaar liep dood te vallen als hij niet wachtte tot hij meer kon zien. Hij bevond zich nog maar een klein stukje boven de boomgrens, en toen hij omlaag keek zag hij in het weinige licht van de ondergaande manen alleen maar een zee van boomtoppen. Hij wist dat daar beneden ergens een pad naar de kust moest zijn, maar nu was het dom om in het donker verder te gaan.
Geduld was iets wat Jim Dasher zich had aangeleerd, aangezien hij van nature neigde naar onbezonnenheid en overhaastheid, maar door de jaren heen had hij die kwaliteiten beteugeld en leren sturen. Nu was hij besluitvaardig en snel, maar niet zonder erbij na te denken. En op dit moment moest hij nadenken.
Als erfgenaam van een dienst aan de kroon en de burgers van Krondor had hij al op jonge leeftijd ontdekt dat je niet vaak voor het zeggen hebt wanneer je een moeilijke keuze moet maken. In het leven kwamen die dingen maar zelden op het juiste moment.
James Dasher Jameson was niet bepaald een bespiegelend man, maar er waren momenten waarop hij nadacht over zijn rol in het grotere geheel en zich afvroeg of hij ooit echt zou beseffen wat hij moest bereiken in het leven. Als jongen al was de kleinzoon van heer James, hertog van Rillanon, de meest vertrouwde raadgever van de koning, veelbelovend geweest. Hij was ook de achterneef van de man die leiding gaf aan de grootste scheepvaartonderneming op de Bitterzee, Dashel Jameson. Er was iets voorgevallen tussen de twee broers: ooit waren ze hecht, maar tegen de tijd dat Jim werd geboren waren ze al van elkaar vervreemd.
Jims vader, Dasher Jameson, heer Carlstone, was een van de beste bestuurders aan het hof van de koning geweest, en zijn moeder was vrouwe Rowella Montonowksy, een adellijke dochter van Roldem en een verre nicht van de koningin. In alle opzichten had Jim een kind van privilege en verfijning moeten zijn geweest.
Aan de universiteit in Roldem had men in hem al snel een van de meest veelbelovende studenten gezien. Ze hadden verwacht dat hij zou opbloeien tot wetenschapper. In plaats daarvan had hij de straten van Roldem ontdekt, en ook de steegjes. Zijn leermeesters op de universiteit waren verslagen, want hoewel hij herhaaldelijk zonder toestemming afwezig was, blonk Jim altijd uit in zijn studies. Hij had een natuurlijke aanleg om iets slechts eenmaal te horen of te lezen en het dan perfect uit zijn hoofd te kennen, een gave voor logica en probleemoplossing waardoor wiskunde en de natuurwetenschappen simpel voor hem waren, en een vermogen tot abstractie en logica waardoor zelfs de saaiste filosofieën voor hem behapbaar waren. Kortom, hij was de perfecte student, als hij besloot aanwezig te zijn. De stokslagen die hij voor elke overtreding verdiende, lieten hem koud, en hij zag de striemen op zijn rug als prijs voor de vrijheid om te kunnen doen wat hij wilde. Uiteindelijk zagen de monniken die de leiding hadden aan de universiteit in dat hun inspanningen vruchteloos zouden zijn, en hadden ze de jongeman teruggestuurd naar zijn familie in Rillanon.
Zijn vader was vastberaden de roekeloze aard van zijn zoon te beteugelen en een hoveling van hem te maken, dus gaf hij hem een lage positie aan het hof van de koning. Jim was vaker niet dan wel op zijn post en verspilde zijn tijd in gokhuizen, herbergen en bordelen. Hij had een flair voor het gokken, waardoor hij een aardig inkomen verdiende boven op de toelage van zijn familie, en een voorliefde voor vrouwen van laag allooi, wat hem zijn aandeel aan knokpartijen had opgeleverd en hem meer dan eens in de stadsgevangenis had doen belanden. De positie van zijn vader had er telkens voor gezorgd dat hij werd vrijgelaten, hoewel de gevangenisdirecteur heer Carlstone had gewaarschuwd dat hij diens eigenzinnige zoon niet eeuwig zou kunnen beschermen.
Jims vader had alles in het werk gesteld om zijn zoon te overreden zijn lust naar de lagere kant van het leven te laten varen, waaronder het dreigement hem dienst te laten nemen in het leger van de koning als hij zijn platvloerse impulsen niet kon onderdrukken, maar het had allemaal niets uitgehaald. Uiteindelijk had zijn grootvader zich erin gemengd en hem naar Krondor gestuurd om te werken voor zijn oudoom, Jonathan Jameson, de zoon van Dashel. Jim paste zich aan zijn nieuwe omgeving aan alsof hij er geboren was, en hij ontdekte al snel dat hij aanleg had voor zaken. Hij besefte ook al snel dat er een bijzonder bedenkelijke relatie bestond tussen de vele bedrijven van zijn oudoom en een aantal criminele activiteiten in en rond Krondor. Aanvankelijk was het smokkel, toen sabotage van de ladingen van een concurrent of een handig getimede brand in hun pakhuis. Tegen de tijd dat Jim twintig was, leidde hij een bende in de haven, de Havenjongens, en zamelde hij geld in bij diverse kooplieden om zorg te dragen voor de veilige aankomst van goederen die op een of andere manier het koninklijke douanehuis omzeilden.
Een jaar later werd Jim midden in de nacht zijn huis uit gesleept door vier in het zwart geklede mannen. Hij had twee van hen uitgeschakeld voordat ze hem bewusteloos sloegen, en toen hij wakker werd bevond hij zich in de kerker van het paleis van de prins.
Na een koude nacht en een lange dag kreeg hij een bezoekje van heer Erik von Zwartheide, voormalig Ridder-Maarschalk van het Westen en momenteel gepensioneerd hertog van Krondor. De keus die hem was voorgelegd, was simpel: leer te houden van een beschouwend en solitair leven in een heel donkere en vochtige cel zonder ramen, of kom werken als agent voor de prins van Krondor.
Heer Erik maakte hem duidelijk dat zijn relatie tot de hertog van Rillanon hem niet zou redden van die keus; zijn grootvader zoueen vriendelijk briefje ontvangen van heer Erik waarin hij hem spijtig genoeg moest informeren dat zijn kleinzoon vermist werd en mogelijk het slachtoffer was geworden van een misdrijf. Pas twee jaar nadat Jim voor Erik was gaan werken, ontdekte hij dat alles het idee van zijn grootvader was geweest en dat zijn oudoom ook bij het complot betrokken was.
Maar tegen die tijd was Jim al diep genesteld in de intrige en politiek van de natie, een agent voor de koning die werkte in de donkerste stegen, op de daken en in de riolen van de steden in het Westen. Aan iedereen die hij ontmoette, stelde hij zich ofwel voor als James Dasher Jameson, enig zoon van heer Carlstone van Rillanon, kleinzoon van de hertog, of als Jim Dasher, lid van de Snaken, de schijnbaar slordig - maar eigenlijk heel goed - georganiseerde criminele onderwereld van de stad.
Toen hij op zijn zevenentwintigste bij het Conclaaf werd gehaald, was hij een geoefende dief, huurmoordenaar en spion voor de kroon, een van de beste agenten ervan en misschien wel de gevaarlijkste niet-magiër in het koninkrijk. Jim gaf niets om zijn reputatie en was er zelfs niet eens helemaal van op de hoogte, maar hij was wel trots op de dingen die hij goed deed. Want hier, in het diepst van de nacht nu hij alleen was met zichzelf, begreep hij zichzelf pas echt: hij was de achter-achterkleinzoon van Robbie de Hand, de meest legendarische dief in de geschiedenis van de Snaken. Ooit was Robbie een straatschoffie, een bediende van prins Arutha, raadgever van koningen en prinsen, maar toen hij stierf was hij de machtigste hertog in het koninkrijk. Jim was minder duidelijk over zijn eigen ambities. Hij had niet de wens hertog te worden; hij hield te veel van avontuur om de hele dag in een paleis te zitten vergaderen. Hij genoot van intrige, van het doden, het sluipen door schaduwen, van sneller te zijn dan de tegenstander, meer geluk te hebben dan de kerel die hem probeerde te vermoorden, intelligenter te zijn dan de vijand. Hij genoot van het constante gevoel van gevaar en de ongelooflijke voldoening die hij kreeg van zijn missies. Aan het eind van zo'n missie verlangde hij naar een warm bad en schone lakens, het gezelschap van gewillige vrouwen, wijn en een maaltijd, maar na een paar dagen wilde hij niets liever dan terug naar de stegen, geruisloos over daken rennen of waden door riolen, met één hand op zijn mes, klaar voor een hinderlaag die ongetwijfeld om de volgende hoek lag.
Maar er waren momenten, zoals nu, koud en alleen in het donker boven op een afgelegen bergrug, dat hij zichzelf voor gek verklaarde. Hij mompelde in zichzelf: 'Niemand bij zijn volle verstand zou zo willen 1even.'
Maar hij wist dat hij het wel wilde en zelfs nodig had. Hij had het verhaal van Jimmyhand verzonnen als afleidingsmanoeuvre, een manier waardoor zijn relatie tot Robbie de Hand uit Krondor een schijnbaar valse bewering leek, om zo te voorkomen dat men zou vermoeden dat hij inderdaad de achter-achterkleinzoon van die beroemde figuur was en dus van adel. Er waren nog altijd te veel mensen die de kleinzoon van heer James van Rillanon in verband konden brengen met zijn eigen grootvader, de legendarische voormalige dief die edele werd, heer Robert van Krondor.
Nee, gaf Jim in zichzelf toe, hij hield van dit leven, zelfs van het bloedige werk, want hij wist dat hij deel uitmaakte van iets groots en hij was ervan overtuigd dat elke man die hij gedood had dat had verdiend. Het gevoel dat hij iets diende wat belangrijker was dan zijn eigen kleinzielige verlangens, had hem ontdaan van iets wat weinig meer was geweest dan een verzameling overhaaste impulsen, een genotzuchtig verlangen naar gevaar en spanning, en dat omgevormd tot iets nuttigs, soms zelfs nobels. Daarin had Jim een evenwicht in zijn leven gevonden.
Toen was de situatie veranderd en had hij gevoelens gekregen die nieuw voor hem waren. Hij had een vrouw leren kennen.
Terwijl hij boven op die richel in een ver land zat, wachtend tot de zon zou opkomen zodat hij veilig omlaag kon gaan naar waar de schepen voor anker lagen, in water dat wemelde van de haaien, om een groep magiërs te vertellen over wezens vanuit de diepste krochten van de hel en een groep elfen waar niemand ooit van had gehoord, kon hij alleen maar denken: zou hij Michele ooit weer terugzien?
De zon begon de oostelijke hemel te verlichten en de massieve duisternis onder hem begon zich op te delen in herkenbare vormen. Hij zette de gedachten aan zijn nieuwe liefde, en zijn doorlopende bezorgdheid dat om iemand geven misschien wel het slechtste idee was dat hij ooit had gehad, opzij en keek diep in de duisternis. Eerst tartten de nog altijd ondoordringbare schaduwen zijn zicht, maar na een tijdje begon hij een weg omlaag te onderscheiden. Dat wat er aanvankelijk had uitgezien als een stroompje gevormd door smeltwater of regen, zag er veelbelovend uit, en hij liep ernaartoe. Toen hij het begin van het greppeltje bereikt had, besloot hij langzaam omlaag te klauteren en bad hij in stilte tot Banath, God van de Dieven, die ook werd beschouwd als de God van de Tegenspoed. Als er ooit een onderneming was die zo genoemd kon worden, dan was het deze, dacht Jim Dasher.
Het was al laat in de middag tegen de tijd dat hij de kliffen boven het afgesproken strand bereikte. Hij keek de helling af en vroeg zich nog maar eens af hoe een stadsjongen zoals hij een afdaling kon overwegen waar een berggeit nog bang van zou worden. Er was geen eenvoudige weg omlaag, hoewel er beslist een snelle was, bedacht hij droog.
Hij liep heen en weer over het smalle klif en vond niets nuttigs, draaide zich om en speurde met zijn blik zijn route naar de bovenzijde van de rotsen af. Hij zou waarschijnlijk uren omhoog moeten klimmen naar waar misschien een andere weg omlaag te vinden was, en zelfs dan was er geen garantie dat de afdaling daar gemakkelijker zou zijn. Hij zou dan waarschijnlijk nog een nacht op de berghelling moeten doorstaan, en inmiddels had hij dorst en was hij uitgehongerd. Met een bitter soort vermaak dacht hij terug aan een oplichter die hij eens had ontmoet in een taveerne in Krondor, waar de man wachtte op zijn overtocht naar Elarial in Kesh. Hij had geprobeerd Jim een 'magische mantel' te verkopen die, zo beweerde hij, de drager in staat stelde van het hoogste gebouw af te springen en dan zoetjes naar de grond te zweven. Het was een behoorlijk sluwe zwendel, want als de idioot die de mantel gekocht had probeerde hem te gebruiken, zou hij ofwel dood zijn, of in bed liggen met te veel gebroken botten om de achtervolging in te zetten, en zou de oplichter veilig in Groot Kesh zijn. Maar O, wat wenste hij dat het waar was geweest en dat hij nu zo'n mantel had.
Jim bleef zoeken naar inspiratie, want hij verheugde zich niet op een klim terug naar de andere route. Hij besloot nog één keer over het klif te wandelen voordat hij dat deed. Hij liep noordwaarts tot hij een rotspunt bereikte waardoor hij niet verder kon, keek omlaag en zag honderd voet beneden zich golven op de rotsen breken. Geen slechte duik, dacht hij, als het water diep genoeg was en er niet overal rotsen lagen.
Hij liep terug richting het zuiden, af en toe kijkend naar de drie wachtende schepen, wensend dat hij ze op een of andere manier kon laten weten dat hij hierboven was. Niet dat dat verder iets zou uitmaken, behalve als een van de bemanningsleden had leren vliegen en hem zou komen halen of hierheen zou vliegen met een touw.
Een touw? Hij keek om zich heen. Als hij een touw had, waar zou hij dat dan aan vastbinden? Hij liep naar een stevige boom die het slachtoffer was geworden van kliferosie. De boom was naar voren gezakt vanaf de rand van het klif en doodgegaan omdat de wortels blootlagen. Maar de droge stam zat nog altijd stevig verankerd in de rotsige bodem, en toen Jim er hard tegen duwde, gaf de boom niet mee. Die zou zijn gewicht wel dragen. Had hij maar een touw.
Toen hij omlaag keek, zag hij dat de boom over een spleet in het klif hing, met een richel ongeveer twintig voet lager, en dat er op die richel ook een paar boompjes stonden. Hij wenste dat hij vanaf zijn huidige uitkijkpunt kon inschatten hoe hoog die bomen waren. Hij rende over het klif, enkele keren achterom kijkend, en kwam uiteindelijk bij een bocht waar hij een beter uitzicht had. Jim zag dat de bomen die het dichtst bij de rand van dat richeltje stonden zich ongeveer dertig voet onder het klif waar hij op stond bevonden, en hoofdrekende snel. Hij kon zich laten zakken tot hij boven de bomen hing, en dan zouden zijn voeten niet meer dan twintig voet boven de richel en maar tien voet boven de bomen moeten zijn.
Goden, overpeinsde hij zwijgend, waar drijft de wanhoop me toe? Hij besefte dat als hij eenmaal op die richel was, de kansen om weer terug te klimmen naar zijn huidige positie praktisch nul waren, maar dat zette hij uit zijn hoofd: hij moest zo snel mogelijk naar dat schip. Hij liep vlug naar de plek waar hij op de dode boom kon klimmen en zocht naar de meest veelbelovend uitziende boom onder hem om in te springen. Ze zagen er allemaal ruig uit, een soort dennenbomen of sparren - hij wist het niet, en het kon hem ook niet schelen - en hij had iets groots nodig om zich aan vast te grijpen, of althans stevig genoeg om zijn val te breken. Builen en schrammen deerden hem niet, maar gebroken botten zouden een pijnlijke en langzame dood betekenen.
Hij schuifelde heen en weer tot hij recht boven de uitgekozen boom hing en liet los. Het was een val van minder dan twaalf voet, maar het voelde aan als honderd toen hij in de bovenste takken terechtkwam. Zoals verwacht liep hij schrammen op doordat een paar takken afbraken, maar hij greep zich stevig vast aan een grotere en brak zijn val. Hij bleef even zitten om op adem te komen en klom toen langs de stam naar beneden. Zodra hij aan de rand van het richeltje stond, vroeg hij zich af wat er in vredesnaam in hem gevaren was. Het was nog eens zo'n dertig voet omlaag naar het zand, maar er staken zoveel stenen en rotsen uit op dat hij niet zeker wist hoe diep dat zand was. Hij speurde naar iets wat in de verste verte op houvast voor zijn handen en voeten leek en voelde de moed in zijn schoenen zakken; de klifwand hier was weggesleten door de getijden en hij bevond zich op een overhangende rots. Hij woog zijn opties af en besefte dat hij die niet had: hij moest hier af zien te komen, hoe groot het risico ook was.
Hij wenste weer dat hij een touw had. Toen corrigeerde hij zichzelf en besloot dat als hij dan toch een wens te verspillen had, hij maar beter kon wensen dat hij al in Krondor was - in het appartement dat hij bewoonde als James Jameson in plaats van de hut die hij gebruikte in zijn rol van de Snaak Jim Dasher _ gewassen, uitgerust, aangekleed en in het gezelschap van vrouwe Michele de Frachette, dochter van de graaf van Montagren en, zo hoopte hij, de moeder van zijn toekomstige kinderen.
Het ging harder waaien en hij zag de voor anker liggende schepen lichtjes schommelen toen de golven hoger werden. Ach, hoe moest hij daar toch komen? Hij keek weer omlaag. Hij was iets meer dan zes voet lang, dus als hij aan zijn handen aan de richel ging hangen betekende een val vierentwintig voet omlaag naar het zand. Nog altijd genoeg om botten te breken en niet meer naar het schip te kunnen komen. Als hij die afstand met maar twee meter kon bekorten...
Hij trok zijn laarzen uit en gooide ze op het zand beneden. Toen deed hij zijn riem af en zijn broek uit, en daarna zijn hemd. Hij werkte snel, zodat hij het al achter de rug had voor hij zich kon bedenken. Hij bond zijn riem om de boom die het dichtst bij de rand van de richel stond, een mager ding dat amper in staat leek zijn eigen gewicht te dragen, laat staan dat van Jim. Toch hoefde het maar eventjes te houden. Toen bond hij een broekspijp aan de riem, met een zo goed mogelijke knoop, en zijn hemdsmouw aan de andere pijp. Hij gooide de rest van het hemd over de rand en keek omlaag. Het provisorische touw van kleding had hem de twee meter gegeven die hij nodig had.
Zonder aarzelen rolde hij zich op zijn buik en negeerde de krassende stenen en de pijn van de verwondingen die hij al had opgelopen door in de boomtakken te belanden. Hij schoof kronkelend achteruit, hopend dat niemand op het schip hem in deze toestand zou zien. Toen zette hij zich af en ging snel hand over hand langs zijn broek en hemd omlaag. Hij voelde een lichte ruk en besefte dat de boom het begaf. Hij ging zo snel omlaag als hij kon en wachtte onder aan zijn touw; Toen hij stilhield, hoorde hij boven zich hout kraken.
Met een kreet liet hij los, zijn knieën buigend om de schok van de inslag op te vangen. Hij viel op het zand en stootte zijn hoofd tegen een steen, waardoor het hem even zwart voor de ogen werd. Toen rolde hij zich om en keek op, en zag dat de boom zo meteen op hem zou vallen. Jim Dasher rolde verder en raakte nog wat meer stenen terwijl hij probeerde te voorkomen dat hij zou worden geplet door het boompje dat hij net van de richel boven zich had ontworteld. Hij hoorde de boom krakend de grond raken.
Liggend op het zand, beurs en met suizende oren van de klap, drong het plotseling tot hem door: hij was op het strand! Hij krabbelde overeind en wist uiteindelijk op te staan, ondanks zijn bonzende hoofd en zijn wazige zicht. Hij bleef een minuut lang bewegingloos staan en deed zijn best om niet te vallen. Zijn maag protesteerde en hij voelde zich een tijdje misselijk, maar toen haalde hij langzaam, diep adem. Hij wist dat de klap op zijn hoofd zijn fitheid zou aantasten. Hij moest een vuur maken om de kapitein van de Koningin van de Soldana's te waarschuwen, zodat die zo snel mogelijk een sloep zou sturen om hem op te halen.
Jim Dashers kleren zaten vast verankerd onder de boom die hem bijna had verpletterd. Hij schepte zand weg en ontdekte dat zijn broek stevig vastzat tussen de boom en stenen. Zijn hemd scheurde toen hij het lostrok, en hij kon zijn riem niet vinden. Zijn laarzen lagen een eindje verderop, dus liep hij erheen en trok ze aan. Hij voelde zich belachelijk in zijn gescheurde hemd, ondergoed en laarzen, maar zuchtte gelaten. Hij had zijn riem nodig: er zat een zakje in waar een stukje vuursteen in verstopt zat. De riemgesp had een stalen tong, en die twee samen kon hij gebruiken om een vuur te maken. Hij zou waarschijnlijk wel een stukje vuursteen in de buurt kunnen vinden, maar staal zou hij niet aantreffen.
Toen hij nog eens naar de drie schepen keek, waren die plotseling twee keer zo ver weg als hij had gedacht toen hij ze voor het eerst zag. Dat kwam doordat hij wist dat hij er nu naartoe zou moeten zwemmen.
De wind zou er in ieder geval voor zorgen dat het water in beweging bleef en hem verbergen voor eventuele vijanden, dacht hij terwijl hij zijn laarzen weer uittrok. Meewarig gooide hij ze aan de kant; het waren fijne laarzen, en het was een hoop werk om echt goede nieuwe laarzen er oud en waardeloos uit te laten zien. Gezien de wind en het schuim dat van het klotsende water kwam, vroeg hij zich af of dat de haaien misschien op afstand zou houden. Hij hoopte het maar, vooral vanwege de vele schrammen die hij had opgelopen. Nou, dacht hij toen hij de branding in waadde, hij zou er snel genoeg achter komen.
Jim werd voor de moeite bijna onthoofd met een korvijnagel toen hij tegen het ankertouw op klom. De matroos die hij had verrast, was samen met de rest van de bemanning gewaarschuwd op zijn hoede te zijn voor een verrassingsaanval.
'Je had nooit zo dichtbij mogen komen, kerel,' zei hij toen hij de omver gekegelde matroos van het dek overeind hielp. 'Ik heb een buil op mijn kop, en ik ben een beetje van slag.'
De matroos herkende Jim als een lid van de groep die aan land was gestuurd met generaal Kaspar, maar hij leek nog altijd bereid om te vechten. 'Waar is de kapitein?' vroeg Jim, om verdere meningsverschillen voor te zijn.
'Die komt eraan,' zei een andere zeeman terwijl de hele dekbemanning kwam gapen naar de drijfnatte man die alleen een hemd en onderbroek droeg.
'Wat hebben we hier?' vroeg de stuurman. 'Een deserteur?'
'Niet echt,' zei Jim, en hij voegde er langzaam 'meneer' aan toe terwijl hij zich weer schikte in zijn rol van gewone dief. 'Ik heb nieuws voor de kapitein.'
'Zeg het mij maar, dan geef ik het wel door,' zei de stuurman.
'Dat is niet nodig,' zei de kapitein die zich een weg baande door de massa zeelui. 'Ga weer aan het werk!' droeg hij ze op, en de matrozen liepen weg. 'Ik neem deze man wel over, Yost,' zei de kapitein tegen de stuurman.
Yost leek te aarzelen, maar hij knikte en zei alleen maar: 'Jawel, schipper.'
'Volg mij,' zei de kapitein, een zeer ervaren en loyaal lid van de koninklijke marine van Roldem die William Gregson heette. Net als elke andere zeeman van de kleine flottielje droeg hij geen uniform en leek hij voor een onoplettende toeschouwer gewoon een koopvaardijkapitein, maar evenals elke andere man aan boord van de drie schepen was hij tot in zijn tenen een marineman.
Eenmaal in de beslotenheid van zijn hut vroeg Gregson: 'Wat is er voor nieuws, heer James?'
'Mijn hoofd bonst,' zei Jim, die ging zitten zonder op toestemming te wachten. 'Ik ben tegen een rots geknald toen ik van dat klif daar af kwam. Hebt u daar iets voor?'
De kapitein liep naar zijn zeekist en haalde er een flesje met een kurk uit. Hij haalde twee glaasjes te voorschijn en vulde ze allebei. 'Medicinale brandewijn,' zei hij, en hij gaf Jim een glas. 'Wat is er gebeurd? U zou niet met de haaien zwemmen als er geen problemen waren.'
'Klopt,' zei Jim. 'Kaspar en de anderen zijn gevangengenomen.'
'Door wie?'
'Elfen, maar geen elfen zoals ik ooit heb gezien. Ik heb een heleboel te melden, maar aangezien ik zo snel mogelijk weer weg moet, zult u moeten wachten tot u het van hogerhand hoort.'
De kapitein, zijn gezicht gelooid door jaren op het halfdek, zei: 'Bemoei je met je eigen zaken, dus?'
'Zoiets, kapitein.'
'Hoe snel is snel? Vrouwe Jessie is ons snelste schip.'
'Een schip is niet snel genoeg. Ik heb dat toestel nodig dat ik u had gevraagd voor me te bewaren.'
De kapitein keerde terug naar zijn kist, maakte hem open en haalde er een gouden bol uit. 'Ik vroeg me al af wat dat was.'
'Iets wat me sneller naar mijn bestemming zal brengen dan het snelste schip in de vloot. Ik wil alleen nog één ding vragen, voor ik hem gebruik.'
'Wat dan?'
'Ik heb een broek nodig.'
De kapitein kon zijn lachen amper inhouden. Hij liep naar zijn kledingkast en haalde er een broek uit die er iets te groot uitzag, maar die wel zou voldoen. 'Laarzen?' bood hij aan.
'Ik denk dat die van u me niet passen.'
De kapitein haalde een ander paar, maar die waren te klein. 'Ik vind onderweg wel iets,' zei Jim. Hij hield de bol omhoog, zei: 'Nou, tot ziens dan, kapitein,' en drukte een schakelaar op de zijkant van het toestel in.
Voordat de kapitein antwoord kon geven, was Jim weg. Alleen een lichte inzuiging van lucht bewees dat hij er even daarvoor nog was geweest. Tegen de lege hut zei de kapitein: 'Hoe moet ik dat nou uitleggen?'
Het was het holst van de nacht op Tovenaarseiland toen Jim verscheen. Dit was zijn eerste bezoek aan het huis van de legendarische Zwarte Tovenaar, Puc. Jim was zich ervan bewust dat hij een soort verre verwantschap had met de magiër, aangezien Pucs adoptiedochter Gamina de vrouw was van heer James, maar Jim vermoedde dat hij amper het eerste lid was van 'die kant van de familie' die zijn voorouder niet kende.
Hij was in een kleine kamer aangekomen die bestemd was voor bezoekers, waar een student post had gevat om er een oogje op te houden. Toch sprong de student van schrik op toen Jim materialiseerde. Uiteindelijk herstelde de jongeman zich en zei: 'Wacht hier. Ik zal iemand gaan halen.'
Jim wist wel beter dan te protesteren, want hij had heldere instructies gekregen van zijn oudoom en heer Erik dat als hij ooit het toestel gebruikte, hij moest doen wat hem gezegd werd als hij eenmaal op het eiland was.
Jim hoefde niet lang te wachten. Een vorstelijk uitziende vrouw, die kennelijk net wakker was, kwam mee terug met de student. Ze keek hem onderzoekend aan. 'Wie ben jij?'
Hij maakte een slechts licht spottende hoffelijke buiging. 'Ik ben James Jameson, kleinzoon van de hertog van Rillanon. En met wie heb ik het genoegen?'
'Ik ben Miranda,' antwoordde de vrouw; 'Kom mee. Je zou hier niet zijn als de situatie het niet rechtvaardigde. Ik heb van je gehoord, Jim Dasher, en wat ik heb gehoord, was goed: we hebben in een tijd als deze geniepige rotzakken aan onze kant nodig.'
Jim wist niet zeker of het een compliment was, maar hij besloot het maar zo op te vatten. Miranda leidde hem door een lange reeks gangen. 'De meeste faculteitsleden en studenten liggen te slapen, uiteraard. Ik moet je echter waarschuwen: als de zon opkomt, zie je mogelijk... mensen zoals je nog nooit eerder hebt gezien. Probeer niet naar ze te staren.'
'Na wat ik de afgelopen twee dagen heb gezien, vrouwe, denk ik niet dat iets me nog kan verbazen.'
Ze ging een kamer binnen die duidelijk een soort werkvertrek was, en beduidde hem plaats te nemen in een stoel bij de schrijftafel. 'Begin maar eens te vertellen over de afgelopen twee dagen, dan.'
Jim gaf een bondig en nauwkeurig verslag, waarna Miranda zei: 'We hebben al te maken met een waanzinnige vijand.' Ze trommelde gefrustreerd met haar vingers op het tafelblad. 'En nu dit.'
Jim zei niets en wachtte tot ze hem zou vertellen wat er nu moest gebeuren. Na een tijdje vroeg ze: 'Wat denk jij dat we nu zouden moeten doen, Jim Dasher?'
Jim aarzelde even voor hij antwoordde, 'Ten eerste heb ik een paar passende laarzen en een broek nodig. Dan moet u doen wat nodig is met die... wezens, maar we moeten ook Kaspar en de mannen bevrijden van die elfen. Zij hebben ook een zekere waanzin over zich, of in ieder geval een soort wanhoop. Kaspar zegt dat ze aan het uitsterven zijn, en dat ben ik met hem eens. Er waren daar misschien een half dozijn kinderen en maar een stuk of tien vrouwen. Minder dan honderd elfen in totaal. Dat fort bood ooit onderkomen aan vier of vijf keer zoveel leden van hun volk.'
'Als mijn man hier was...' begon Miranda. Toen zuchtte ze. 'Maar hij is er niet.' Ze keek Jim onderzoekend aan. 'We zijn een beetje onderbezet op het moment. Mijn man en twee anderen die waarschijnlijk met meer gemak hiermee om zouden gaan, zijn afwezig en ik heb geen idee wanneer ze terugkomen. Er zijn hier andere magiërs die talent hebben en kunnen helpen bij het inschatten van die wezens die je in de bergen zag, Maar ik weet niet zeker wat we aan moeten met de elfen die Kaspar gevangen hebben genomen.'
'Kunt u me naar Elvandar krijgen?' vroeg Jim.
'Ik kan je er in de buurt krijgen. Niemand gaat onuitgenodigd Elvandar binnen.'
'Ik ben er eerder geweest.'
'Echt waar?' vroeg ze verbaasd. 'Wanneer?'
'Een paar jaar geleden, op verzoek van heer Erik, ongeveer rond de tijd dat men me de waarheid ging vertellen over het Conclaaf.'
'Ik begrijp het,' zei Miranda. 'Dan zullen we je naar de grens van Elvandar brengen.' Ze kneep haar ogen tot spleetjes. 'Je ziet eruit alsof je wel iets te eten kunt gebruiken.'
Hij knikte. 'Heel graag. Ik heb al meer dan een dag niets gegeten of gedronken.'
Miranda stond op. 'Ik loop wel even met je mee naar de keuken.'
Hij volgde haar de gang door, een tuin in en toen een volgende gang door. Hij besefte dat deze gebouwen de vorm hadden van veel villa's in Queg, in grote vierkanten met een tuin in het midden.
'Ben je hier voor het eerst?' vroeg Miranda.
'Ja,' antwoordde Jim. 'Ik geloof dat u wel bekend bent met de informatieverstrekking aan nieuwe rekruten van het Conclaaf.'
'Bij stukjes en beetjes, wanneer nodig,' zei ze.
'Wanneer nodig, ja. Zo zei heer Erik het ook.' Hij grinnikte. 'Ik geef toe dat ik stomverbaasd was toen ik voor het eerst van het Conclaaf hoorde, maar nu begrijp ik zoveel meer.'
'Dan ben je een uitzondering, James Jameson... of is het Jim Dasher? Want hoe meer ik weet, hoe minder ik ervan begrijp.'
'Ik ben Jim Dasher als ik niet in de paleizen van Krondor, Rillanon of Roldem ben, vrouwe. En ik zal dan maar toegeven aan uw grotere wijsheid, want ik ben zo ijdel te denken dat ik een heleboel kan afleiden uit een klein beetje informatie.'
'Een nuttige eigenschap, en een van de redenen waarom je bent gerekruteerd.'
'Ah, ik dacht dat het misschien vanwege mijn familie was.'
'Je familie?' vroeg Miranda. 'Ik zal je eens wat vertellen over je familie.'
Ze ging hem voor, een grote keuken in waar twee jongemannen bezig waren met het bakken van het dagelijkse brood. Miranda gebaarde dat Jim de voorraadkast in kon gaan om uit te zoeken wat hij wilde eten. Hij haalde er een half brood van de vorige dag uit, wat harde kaas, twee appels en een kan met een soort bier erin. Toen greep hij een soeplepel die aan de zijkant van de wateremmer hing en leste zijn dorst. Na drie grote soeplepels vol, zei Miranda: 'Waarom vroeg je niet om water als je zo'n dorst had?'
'Ik heb mezelf aangeleerd dingen zoals honger en dorst een tijdje te negeren, en het leek me belangrijker om eerst te vertellen wat ik wist.'
'Goden,' zei Miranda lachend. 'Je reputatie is terecht, Jim Dasher. Ik denk niet dat het ons einde had betekend als je de tijd had genomen om een beker water te drinken. Ga nu maar eten, dan zal ik je vertellen over je familie.'
Jim sneed wat brood en kaas af en nam van beide een hap, en toen viel hij aan op de eerste appel.
'Zoals je weet, ben je verre familie van mijn man... En nee, je kunt me maar beter geen oma gaan noemen, anders sta ik niet in voor je leven!' zei ze voor hij commentaar kon leveren. 'Je over-overgrootvader Robert van Krondor stierf voordat het Conclaaf werd opgericht. Je grootvader en je vader zijn leden van een familie die altijd loyaal is geweest aan de kroon van de Eilanden, en hoewel de belangen van het Conclaaf en die van het koninkrijk elkaar vaak overlappen, is dat soms niet het geval.
We hebben een... regeling getroffen met je vader en grootvader, maar vergis je niet: de kloof tussen de twee kanten van je familie is diep. Hij dateert van het einde van de Slangenoorlog, toen mijn man weigerde tussenbeide te komen voor de prins van Krondor terwijl er een Keshisch leger voor de stadspoorten stond. Daarom had de prins, later koning Patrick, een diepe en aanhoudende afkeer van mijn man. Het Conclaaf is gewijd aan het behoud van deze wereld, ook de domme heersers, maar we stellen de behoefte van de ene natie niet boven die van de andere.'
Jim luisterde tijdens het eten. Toen hij zijn laatste hap appel had doorgeslikt, zei hij: 'Moet ik er dan van uitgaan dat ik geacht word loyaal te zijn, omdat ik hier anders niet zou zijn?'
'Je zou eerder niet meer leven, of in het beste geval nooit zijn gerekruteerd.'
'Koningen komen en gaan,' zei Jim. 'Mijn grootvader heeft er vier gediend, en de laatste is een veelbelovende jongeman, maar dat betekent niet dat hij als het erop aankomt en de kaarten op tafel zijn gelegd de juiste keuzes zal maken.'
'Hij heeft je grootvader aan zijn rechterhand.'
'Mijn grootvader is een heel wijze, heel sluwe en heel oude man. Ik zeg dit uit genegenheid, want ik zal hem missen als hij komt te overlijden, maar als jullie niet nog zo'n wonder kunnen regelen zoals voor heer Erik, is het nog maar een kwestie van maanden, misschien hooguit een jaar, voor hij zal moeten worden vervangen.'
'Door je vader?'
'Nee,' zei Jim. 'Hij is een begaafd bestuurder die voor zover ik gehoord heb aardt naar zijn eigen grootvader, Arutha Jameson, heer Vencar, maar hij is niet zo'n politiek dier als mijn grootvader...' Jim zuchtte. 'Weer staan we voor een situatie die alleen maar gevaarlijk genoemd kan worden. Er is al geen continuïteit meer in het Westen sinds prins Arutha is overleden. Hij was de laatste echte regerend heer van het Westen, en sindsdien is het een reeks invallers geweest, erfgenamen die afwachtten tot ze konden terugkeren naar Rillanon en de troon bestijgen, en op geen enkel moment zijn de belangen van het Westen daarbij vooropgesteld. De westelijke heren zijn verdeeld, en ik heb zelfs geruchten gehoord over het oprichten van een afzonderlijke natie.'
'Die geruchten zijn niet algemeen,' zei Miranda, 'anders hadden wij er wel van gehoord.'
'Fluisteringen,' zei Jim. 'Meer niet, anders had ik het wel gemeld. Vertrouw me maar, als ik enig idee had dat er werkelijk zo'n beweging gaande was, zou ik dat hebben gemeld bij mijn vader, en hij zou die informatie zeker hebben doorgespeeld aan heer Erik.'
'Die het op zijn beurt bij mijn man zou hebben gemeld.'
'Maar we hebben dringender zorgen dan de politiek van het koninkrijk,' zei Jim. 'Elvandar?'
Miranda knikte. 'Ik kan je alleen maar naar de rivieroever brengen, want ik heb nog geen toestemming om te komen en gaan wanneer ik wil.' Ze zei dit alsof het haar ergerde, maar Jim besloot er niet op in te gaan. 'Kom naast me staan...'
'Eh, de laarzen?'
'O ja,' zei Miranda. Ze keek naar zijn voeten en voegde eraan toe: 'En een passende broek. Ik weet het weer.'
Ze stuurde een van de bakkers op weg om de gewenste spullen te halen, en de jongen kwam snel terug met enkele paren laarzen waarvan de eerste goed pasten, en een degelijk gemaakte broek die een stuk beter was dan die hij van de kapitein had gekregen.
Hij kleedde zich om en ging naast Miranda staan. Ze legde haar hand op zijn schouder, en plotseling stonden ze in een donker bos naast een vrij aanzienlijke rivier. 'Het water stroomt hier snel, maar het is ondiep,' zei ze terwijl hij zich nog probeerde te oriënteren. Dat magische reizen was wel even wennen, vond hij.
Toen was Miranda weg.
Hij haalde diep adem en besefte ineens dat hij geen wapens bij zich had. Wetend dat hij niet lang alleen zou blijven, stak hij de rivier over. Aan de overkant bleef hij even staan luisteren en riep toen: 'Ik weet dat jullie er zijn.'
Enkele tellen later verschenen er twee elfen, schijnbaar vanuit het niets. 'Welkom, Jim Dasher,' zei een van hen.
Jim bleef even in het halfduister staan, glimlachte en stapte naar voren. 'Dank je, Trelan. Fijn om je weer te zien.' Ze drukten elkaar de hand. 'Ik moet je koningin en heer Tomas spreken.'
Tegen de andere elf zei degene die Trelan heette: 'Ik zal hem begeleiden en een vervanger sturen om je te helpen de oversteekplaats te bewaken.' Toen liep hij in een snelle draf weg, en Dasher moest zich haasten om hem in te halen.
Jim wist van zijn vorige bezoek dat hij de hele nacht en het grootste deel van de ochtend moest rennen om vanuit dit deel van het elfenwoud bij het hof van de koningin te komen, dus ontspande hij zijn geest en dacht alleen aan hoe hij de onvermoeibare elf kon bijbenen. Hij was nog maar vijf minuten onderweg toen zijn gedachten weer afdwaalden naar Michele, en hij schold zichzelf uit voor verliefde idioot.