2


Openingszet

 

 

Jommy fronste zijn voorhoofd.

Onder het stuk zeildoek dat haastig was opgehangen om beschutting te bieden tegen de meedogenloze regen, sloeg hij zijn armen om zijn knieën. 'Maar wat ik niet begrijp, is waaróm.'

Servan, die ineengedoken naast de jonge officier zat, antwoordde: 'We vragen niet waarom; we volgen gewoon onze bevelen op.' Hun compagnie had het kamp opgeslagen op een heuvel vanwaar ze uitkeken over een baaitje in de verte: vanaf die plek konden ze iedereen zien naderen. Het probleem was nu dat de regen in vlagen over het gebied streek en dat er iemand zo ver mogelijk naar voren moest zitten om nog iets te kunnen zien. In dit geval was die iemand Servan, en Jommy was aangewezen om hem te vergezellen.  

Jommy, met zijn donkere haren tegen zijn voorhoofd geplakt door de regen, keek naar zijn metgezel. In de afgelopen paar maanden was zijn smalle gezicht verouderd. De zware veldtocht had veel gewicht van zijn jonge lichaam weggenomen, terwijl dagen in de zon en slapen op de grond zijn huid taai en leerachtig had gemaakt. De aan het hof opgegroeide edele die Jommy de afgelopen maanden goed had leren kennen, was uitgegroeid tot een jonge veteraan die bezig was aan zijn derde campagne in even zoveel maanden.  

Servan en Jommy waren nooit vrienden geworden, maar samen met hun andere vier kameraden Tad,Zane, Grandy en Geoffry - waren ze elkaar gaan waarderen als betrouwbare collega's. In de relatief korte tijd sinds ze abrupt waren weggehaald van de universiteit in Roldem en de rol van jonge soldaten hadden gekregen, waren ze intens onderwezen in de realiteit van het militaire leven. Tot Jommy's eindeloze ergernis was Servan aangesteld als bevelvoerder voor deze campagne, wat betekende dat Jommy zijn bevelen zonder protest moest opvolgen. Tot dusver was er nog niets wat wees op weerwraak voor de streek die Jommy bij Servan had uitgehaald tijdens de laatste tocht, toen Jommy de leiding had, maar Jommy wist dat hij erop kon wachten.  

De twee jonge officieren bevonden zich op een positie laag in de voetheuvels van de streek die bekend stond als de Pieken van de Quor: een ruig, bergachtig schiereiland dat vanaf de oostelijke rand van het keizerrijk Groot Kesh richting het noorden uitstak. Ongeveer honderd mannen, inclusief deze twee jonge officieren, waren een week geleden op dit strand afgezet, en alles wat Jommy wist, was dat hier de vijand werd verwacht, hoewel de precieze identiteit van de invasiemacht niet aan de jonge officieren was meegedeeld. Jommy wist alleen maar dat ze niet vriendelijk zouden zijn.  

Jommy was ook ouder geworden, maar als boerenjongen en karavaanarbeider was hij al gewend aan een harder leven dan 7.ijn metgezel, en de uiterlijke sporen van zijn recente ervaringen waren minder ingrijpend. Zijn overmoedige onbezonnenheid had plaatsgemaakt voor een kalm zelfvertrouwen, en zijn omgang met de andere jonge officieren van de universiteit in Roldem had hem een stevig lesje in nederigheid geleerd; ze waren stuk voor stuk ergens beter in dan hij. Toch bleef één deel van zijn karakter onveranderd: zijn bijna unieke vermogen om de humor van de meeste situaties in te zien. Maar deze keer werd ook hij op de proef gesteld. Het stortregende nu al vier dagen onophoudelijk. Hun enige warmtebron was een vuur dat in een grote grot ongeveer een mijl hoger langs die ellendige." heuvel was aangestoken, en de vijand die ze hier moesten opwachten leek nog niet van plan op tijd te verschijnen.

'Nee,' zei Jommy, 'Ik bedoel niet waarom wij hier zijn. Ik bedoel: waarom zijn we hiér?'

'Zat je te slapen toen de kapitein zijn bevelen gaf?' zei een stem achter hem.

Jommy draaide zich om en zag een schimmige gestalte die onopgemerkt was genaderd. 'Hou daar toch eens mee op!' klaagde hij.

De man ging naast Jommy zitten en negeerde het feit dat de helft van zijn lichaam nog onder de schamele beschutting van het provisorische onderkomen uitstak. 'Ik zou niet zo'n beste dief zijn als ik niet eens onopgemerkt op jullie toe kon sluipen in een gierende storm, of wel?' antwoordde hij.

De nieuwkomer was maar enkele jaren ouder dan zij, maar zijn gezicht was vroeg oud geworden. Hij had zelfs al wat grijs in zijn donkere snor en baard, die netjes geknipt waren, wat wees op enige ijdelheid bij een verder chronisch slonzige en onverzorgde persoon. Hij was bijna net zo groot als Jommy, al was hij iets minder fors, maar zijn bewegingen en houding wezen op onverzettelijkheid, de taaiheid van een zweepkoord, waardoor Jommy ervan overtuigd was dat hij de man moeilijk zou kunnen verslaan in een gevecht.

Servan knikte. 'Jim,' groette hij. De jonge dief was op een of andere manier meegesleept in hetzelfde web van intrige dat Servan en Jommy naar deze verlaten heuvel had geleid. Hij was een week eerder aangekomen op een schip met proviand voor wat Jommy was gaan zien als de 'Vervloekte Expeditie'.

Servan en Jommy dienden momenteel allebei in het leger van Roldem, hoewel Jommy uit een land aan de andere kant van de wereld kwam. Servan was van adel, van koninklijken bloede zelfs; ergens in de lijn van de troonopvolging na tien of elf andere familieleden. Maar nu waren ze ingedeeld in wat alleen kon worden omschreven als een ongebruikelijk gezelschap: soldaten uit Roldem, het Koninkrijk der Eilanden, Kesh, en zelfs een groep mijnwerkers en sappeurs uit de dwergenstad Dorgin, allemaal onder bevel van Kaspar van Olasko, voormalig hertog van wat nu een provincie van het koninkrijk Roldem was. Ooit was Kaspar een gezochte misdadiger met een prijs op zijn hoofd, maar in de laatste jaren had hij zijn reputatie weten te herstellen en nu had hij een bijzondere status in zowel Roldem als het keizerrijk Groot Kesh. Zijn adjudant was een Roldeemse kapitein die Stefan heette en die toevallig Servans neef was, wat hem ook een verre neef maakte van de koning van Roldem.

De aankomst van de nieuwkomer had nog een raadselachtig aspect van deze expeditie onthuld. Jim was een van de zes mannen die in de verste verte geen soldaten waren, maar die toch bij de soldaten ingedeeld waren, op missies werden gestuurd met de soldaten, en die zonder protesteren bevelen dienden op te volgen alsof ze soldaten waren. Alles wat Jommy en Servan aan de doorgaans zo spraakzame dief konden ontfutselen, was dat hij deel uitmaakte van een speciale groep 'vrijwilligers' die hier waren om te trainen bij de gezamenlijke troepen van Roldem, Kesh, het Koninkrijk en de diverse officieren uit de oostelijke koninkrijken.  

De altijd nieuwsgierige Jommy wilde dolgraag weten wat er gaande was, maar in de afgelopen maanden, waarin hij had gediend samen met verschillende soldaten uit Roldem, had hij geleerd dat een jonge officier maar beter zijn mond kon houden. Servan bezat die vaardigheid van nature.  

Toch kon Jommy zijn nieuwsgierigheid niet helemaal bedwingen, dus dacht hij dat een andere aanpak van het onderwerp hem misschien een idee zou geven van wat er aan de hand was. 'Jim, jij komt toch uit het Koninkrijk?'  

'Ja,' bevestigde de jonge dief. 'Geboren in Krondor; heb daar altijd gewoond.'

'Je beweert dat je een dief bent...' begon Jommy.

Jim verplaatste zijn gewicht wat, streek lichtjes langs Jommy en stak toen grijnzend Jommy's riembuidel omhoog. 'Deze is van jou, geloof ik?'

Servan deed zijn best om niet te lachen toen Jommy zijn riem buidel teruggriste en weer onder zijn tuniek verborg. 'Heel goed,' zei hij, 'dus je bent een dief.'

'Een heel goeie dief.'

'Een heel goeie dief,' gaf Jommy toe. 'Maar wat ik wil weten, is hoe een heel goeie dief uit Krondor hier in deze uithoek van de wereld terechtkomt.'

'Dat is nogal een verhaal,' zei Jim. 'Ik heb veel gereisd, moet je weten.'

'O?' vroeg Servan, blij met de afleiding.

'Ja,' zei de vriendelijke dief. 'Ben op een paar heel vreemde plekken geweest.' Hij glimlachte, waardoor de jaren van zijn gezicht wegsmolten en hij er bijna jongensachtig uitgelaten uitzag. 'Ik moest een keer beschutting zoeken tegen zo'n plensbui net als deze in een grot op een afgelegen eiland.'  

Jommy en Servan keken elkaar aan en knikten allebei glimlachend, in stilte dezelfde gedachte communicerend: niet één woord van wat ze nu zouden horen, was de waarheid, maar het was ongetwijfeld een vermakelijk verhaal.  

'Ik was... op reis vanuit Krondor.'

'Voor zaken?' vroeg Servan.

'Mijn gezondheid,' zei Jim, en zijn grijns werd nog wat breder. 'Het leek me gezonder om een tijdje uit Krondor weg te gaan.'  

Jommy onderdrukte een lach. 'Dus je ging...?'

'Ik vertrok per schip uit Krondor, richting de Verre Kust, en toen kwam ik in Cars een stel aardige jongens tegen die wat informatie hadden gekregen over een... onderneming waar iedereen een leuke boterham aan zou overhouden.'  

'Piraten,' zeiden Jommy en Servan allebei tegelijk.

'Kapers, uit Vrijhaven op de Avondroodeilanden. De kapitein beweerde te zeilen met een kaperbrief van de Kroon, hoewel ik die nooit heb gezien. Maar omdat ik zo goed van vertrouwen was, geloofde ik hem.'  

Jommy betwijfelde of de dief ooit in zijn leven 'goed van vertrouwen' was geweest, maar hij hield zijn mond.

'Nou, dus ik ben op een eiland, in een grot, met zo'n elfenmeisje...'

'Sla je nou niet een stukkie over?' vroeg Servan.

'O, ja, best veel, maar ik heb het nu over de vreemde plékken waar ik ben geweest.'

'Laat hem maar vertellen,' zei Jommy met slecht verhulde pret.

'Maar goed, de jongens met wie ik was meegevaren, waren op zoek naar me, aangezien ik lucht had gekregen van hun bepaald niet eerbare bedoelingen ten aanzien van mijn deel van de schat -'

'Schat?' onderbrak Servan hem, maar Jommy stak zijn hand op. Hij wilde dit verhaal horen.

'Ach, dat is een ander deel van het verhaal,' zei Jim. 'Hoe dan ook, zoals ik al zei, ik verstopte me in die grot toen ik dat elfenmeisje tegenkwam. Ze heette Jazebel -'

'Jazebel,' zei Jommy hem na.

'Jazebel,' herhaalde Jim. 'En ze had haar eigen verhaal te vertellen over hoe ze daar gekomen was. Ze was op de vlucht voor een stel beren, alleen waren het niet echt beren, maar meer een soort grote, harige uilen.'

'Grote, harige uilen,' herhaalde Servan met een stomverbaasde blik. Jommy kon zijn lachen amper inhouden en was alle koude, natte ellende even vergeten.  

'Zoals ik al zei, het was een vreemde plek, ver van de Avondroodeilanden vandaan. Ze verzamelde daar eieren voor een of andere elfenmagie. Maar goed, zij en ik wisten die beesten lang genoeg op afstand te houden om mijn scheepsmaats langs de grot te laten komen, en toen zijn we naar buiten geglipt en naar een veilige plek gegaan.'  

'Hoe ben je dan thuisgekomen?' vroeg Jommy.

Jim grijnsde. 'Ze had een magische steen, een of ander elfending, en zodra we op een plek waren waar ze haar magie kon gebruiken, heeft die ons naar Elvandar gebracht.'  

'Elvandar? Ligt dat in de buurt van Wolkenland?' vroeg Servan. Wolkenland was een mythisch land uit kinderverhalen.  

'Elvandar bestaat echt, Servan,' legde Jommy uit. 'Ik ken mensen die er zijn geweest.'

'Straks ga je me nog vertellen dat je ook elfen kent.'

Jommy glimlachte. 'Niet persoonlijk, maar ik ken wel mensen die ze kennen.'  

'Nou,' vertelde Jim verder. 'Omdat ik dat meisje had geholpen en zo, trakteerden de koningin en haar man me op een maaltijd, bedankten me en zeiden dat ik altijd welkom was. Toen hielpen ze me naar Jonril te komen - in het hertogdom Schreiborg, niet in Kesh waar het naar is vernoemd - en daar vandaan ging ik terug naar Krondor.'  

'Verbijsterend,' zei Jommy.

'Meer dan verbijsterend,' zei Servan, die weer rilde. 'Ongelooflijk.'

Jim stak zijn hand onder zijn tuniek en haalde een leren koordje te voorschijn met een mooi gesneden hanger, die om zijn hals hing. 'Dit heeft de koningin me zelf gegeven. Ze zei dat elke elf hierdoor zou weten dat ik een elfenvriend ben.'

Zowel Jommy als Servan boog zich naar voren om de hanger beter te bekijken. Het was een patroon van verstrengelde knopen, gesneden van een soort been of ivoor, en iets aan het ontwerp en de vorm leek meer dan menselijk.  

De dief keek plotseling serieus. 'Ik ben veel dingen, jongens: schurk, avonturier, dief, en als het moet zelfs een moorddadig stuk tuig, maar nog nooit heeft iemand Jimmyhand een leugenaar genoemd.'  

'Jimmyhand?' vroeg Jommy.

'Mijn... professionele naam, zeg maar. Vernoemd naar een beroemde dief van vroeger, Robbie de Hand. Sommige mensen zeggen dat ik veel op hem lijk. Anderen zeggen dat hij misschien mijn grootvader was, maar volgens mij wilde mijn ma me alleen maar het idee geven dat ik bijzonder was. Dus toen ik nog klein was, zei ik altijd: "Ik ben Jimmyhand", omdat ik dat "de" altijd wegliet. Dat is blijven hangen. Eigenlijk heet ik Jim Dasher.'  

In de tijd die Jommy had doorgebracht bij Caleb en zijn familie op Tovenaarseiland had hij behoorlijk wat verhalen 'over vroeger' gehoord van de ouderen, waarvan een groot aantal gingen over de beruchte Robbie de Hand. Hij was een dief die volgens de legende een agent werd van de Prins van Krondor en later hertog van zowel Rillanon als Krondor, de twee machtigste posities in het koninkrijk onder de koning.

Jommy keek de dief onderzoekend aan. Hij kende hem amper, maar hij vond hem aangenaam gezelschap en zijn buitenissige verhalen waren een welkome afleiding van de saaie dagen van wachten op een vijand die misschien wel nooit kwam. Hij twijfelde er niet aan dat Jim even gevaarlijk was als hij beweerde, maar hij bezat een eigenschap die Jommy al op jonge leeftijd, toen hij alleen rondzwierf, had geleerd te herkennen: een instinct voor wie hij kon vertrouwen en wie niet. Hij knikte. 'Jim, ik zal je nooit een leugenaar noemen, tot de dag dat ik je erop betrap.'  

Jim staarde Jommy een tijdje aan en begon toen te grijnzen. 'Afgesproken.'

Servan richtte zijn aandacht weer op het strand dat ze in het oog moesten houden. 'Hoe lang nog?'

'Zo lang als het duurt,' antwoordde Jommy.

'En dat is niet veel langer,' zei Jim, wijzend in de regenachtige schemering. 'D'r komt een boot aan.'  

'Hoe kun je...' begon Servan, maar toen zag hij het: een klein, donker vlekje dat steeds groter werd, van een sloep die de baai inkwam.

'Er ligt vast een schip buitengaats,' zei Jommy.

'Ik ga het de kapitein vertellen,' zei Servan, die onder het zeildoek vandaan krabbelde. 'Hou jij ze in de gaten.'

Jommy kwam ook onder hun beschutting vandaan. 'Laten we er iets dichter naartoe gaan.'

Jim hield hem tegen. 'Wacht even. Daar is nóg een boot.'

Even later zag Jommy een tweede sloep uit het schamele licht opduiken, die zo'n tien meter achter de eerste aan kwam. 'Wat denk je daar nou van?' fluisterde Jim, ook al waren ze veel te ver weg om door de mensen in de boten te worden gehoord.

'Nou, de informatie die de kapitein had, klopt tot nu toe,' zei Jommy.

'Niet over die tweede boot,' corrigeerde Jim.

'Zeurpiet,' mompelde Jommy.

De twee sloepen roeiden naar het strand. Er sprongen mannen uit, die de boten op het zand trokken en ze vastlegden met staken en touwen. 'Zo te zien zijn ze van plan een tijdje te blijven,' zei Jommy.  

'Wat is dat?' vroeg Jim, wijzend naar de tweede boot.

De bemanning van de sloepen was gekleed als gewone zeelui, hoewel ze ieder een zwarte hoofddoek droegen die was vastgeknoopt achter het linkeroor. De meesten waren blootsvoets, maar sommigen droegen zware laarzen. Alleen de laatste man die uit de tweede boot stapte, droeg een donker oranje mantel met zwarte biezen. Zijn gezicht ging verborgen onder een kap, en de andere mannen leken hem nogal eerbiedig te behandelen en misschien zelfs bang voor hem te zijn. Niemand bood aan hem uit de sloep te helpen, en iedereen hield ruim afstand toen hij aan land stapte.  

'Magiër,' bits te Jim. 'Ik háát magiërs.'

'Ik ken er een paar die ik wel mag,' zei Jommy zachtjes.

'Nou, ik niet. Ben een keer bijna mijn kop kwijtgeraakt in een magische val in Darindus. Elke val die door mensen is gemaakt, kan ik uiteindelijk wel onschadelijk maken, maar in het geval van magie...'

'En toch,' zei Jommy, 'ken ik er een paar die wel deugen.'

Jim zweeg toen de mannen uit de boot zich verspreidden. Ze waren duidelijk de omgeving aan het verkennen om te zien of iemand hen had opgemerkt. Jommy en Jim braken snel de haastig in elkaar gezette beschutting af, verstopten het zeildoek achter een boom en liepen samen naar het dichtere struikgewas rechts van hen. Zonder het te hoeven zeggen, dachten ze hetzelfde: zo meteen zou er een gewapende groep mannen, twee maal zoveel als op het strand, over de heuvel achter hen komen, maar tot het zover was konden ze zich maar beter verstoppen.  

Jommy voelde Jims hand verstrakken op zijn schouder. Jim wees naar zichzelf en naar Jommy, en vervolgens de heuvel op. Jommy wees naar een kleine rotspunt honderd voet verder omhoog langs het pad, en Jim knikte. Ze liepen door de regen, die iets minder leek te striemen, en Jommy vloekte in zichzelf. Hij wilde meer dekking, niet minder, en het weer had een lekker ongunstig moment gekozen om milder te worden na de dagenlange geselende regen.

Toen ze de rotspunt bereikten, gingen ze allebei in de kletsnatte modder liggen. De mannen uit de boten hadden zich verspreid tot een buitenwacht, en anderen begonnen proviand uit de boten te lossen.  

'Ze zijn echt van plan een tijdje te blijven,' merkte Jommy op.

'Nóg een boot!' fluisterde Jim.

De derde sloep landde naast de twee andere en er sprongen nog meer zeelui uit, die de boot op het strand trokken en snel kratten begonnen door te geven. 'Het zijn misschien moorddadige honden, maar ze hebben wel discipline,' merkte Jim op.  

Jommy bekeek hun doelgerichtheid zwijgend.

'Die hoofddoeken,' fluisterde Jim. 'Zoiets heb ik ook gezien bij een paar lijken op de zuidelijke Avondroodeilanden, ongeveer een week zeilen vanaf Vrijhaven.'  

'Wie zijn het?'

'Weet ik niet precies; dit zijn de eerste levende die ik zie. We kwamen een smeulend wrak tegen, opgebrand tot op de waterlijn, vastgelopen op een naamloos eiland. Mijn kapitein kende het schip, maar niemand op ons schip herkende de lijken met die hoofddoeken. Nogal een mysterie, aangezien ze allemaal dood waren en niemand ons dus kon vertellen wat er gebeurd was. Wij vermoedden dat de kapitein en bemanning van het verbrande schip waren weggevoerd als slaven.'  

Toen ze beweging achter zich hoorden, draaiden beide jongemannen zich om. Kaspar en kapitein Stefan kwamen ineengedoken de heuvel af. Geritsel in het struikgewas gaf aan dat andere mannen positie innamen om de net gelande zeelui te omsingelen.  

'Hoeveel?' vroeg Kaspar, die naar de baai tuurde.

'Een man of dertig,' zei Jommy, 'en ze hebben een soort van bezweerder bij zich. De bemanning lijkt regelrecht bang voor hem.'

'Volgens mij zijn het piraten van de Avondroodeilanden, generaal,' vertelde Jim.

'Wat doen ze hier?' mompelde Kaspar.

'Als je vanaf de Avondroodeilanden pal naar het westen zeilt...' fluisterde Jim.

'Dan kom je op de Koninkrijkszee,' voltooide Kaspar. 'Ik weet hoe ze hier zijn gekomen. Wat ik wil weten, is waarom.' Kaspar wendde zich tot kapitein Stefan. 'Geef aan de anderen door dat ik gevangenen wil. Vooral die magiër, als het kan.'

'Magiërs,' zei Jim, alsof het een vies woord was.

Jommy wisselde een blik met Kaspar. 'Ik zei net tegen hem dat ik een paar aardige heb ontmoet.'

Kaspars glimlach was treurig. 'En ik heb er een paar ontmoet die smerige monsters waren. Kapitein?'

'Ja, commandant?'

'Zijn de mannen in positie?'

De kapitein draaide zich om en maakte een klein handgebaar. Waar Jommy ook tuurde langs de heuvel, hij zag niemand terug gebaren, maar de kapitein antwoordde: 'In positie, commandant.'  

Kaspar knikte. 'Kapitein, als u er klaar voor bent -'

'Wat is dát?' onderbrak Jim hem.

De anderen hoefden niet van Jim te horen wat hij met 'dat' bedoelde, want zij zagen het ook. De magiër hield een staf boven zijn hoofd en er verscheen een zuil van licht om hem heen, helemaal tot in de wolken. Een galmende stem sprak in een taal die geen van de toeschouwers kende en die leek voort te komen uit de lucht rondom de magiër.

Toen verscheen er een gestalte voor de bezweerder, een schimmig ding dat was gehuld in rook. Zelfs bij het doorlopende gespetter van de regen hoorden ze de lucht zoemen van energie en knetteren alsof er vonken over metaal dansten. Het ding sprak, en weer vormde de galmende stem vreemde woorden. De magiër antwoordde in dezelfde taal, en het wezen keek om zich heen en nam het terrein in ogenschouw: De haartjes achter in Jommy's nek gingen rechtop staan toen het wezen hem recht aan leek te kijken. De gestalte begon zich om te vormen tot die van een man, al was hij met gemak zeven voet lang. De schouders waren ongelooflijk breed en hij leek geen nek te hebben. De huid van het wezen, donker grijsblauw zonder zichtbare vlekken, rimpelde en pulseerde, alsof er lucht onder een zijden doek door werd geblazen, en het gezicht had geen gelaatstrekken, op twee rode vlammen na waar ogen hadden moeten zitten. De huid verhardde zich en begon te lijken op zwart steen.  

'Nu, kapitein,' zei Kaspar zachtjes.

Kapitein Stefan stond op, met een witte doek in zijn linkerhand waarmee hij één hakkende beweging maakte.  

Er brak chaos uit.

Vanaf de heuvel achter hen klonk geschreeuw, pijlen zoefden door de lucht en raakten verschillende mannen op het strand. Terwijl Jommy zijn zwaard trok, gebeurden er drie dingen tegelijk. De mannen op het strand verspreidden zich in een precieze rangorde, raakten niet in paniek en zochten dekking waar ze konden: achter de boeg van de sloepen, zandheuveltjes en wat grote stapels drijfhout. Verschillende boogschutters op het strand schoten terug, maar ze schoten blind op het struikgewas tegen de heuvel op, terwijl de mannen boven een goed uitzicht hadden op hun doelwitten.

Soldaten in Keshische en Koninkrijkse tabberds renden langs Jommy heen, en Jommy sprong overeind en schreeuwde: 'Kom mee, Jim!'

Het magische wezen brulde. Het bleef uitdagend staan, zijn armen uitgespreid alsof hij zich voorbereidde op de aanval, en de naderende mannen voelden er golven van hitte van afslaan terwijl er steeds meer rook van de zwarte steenhuid af begon te walmen.

Sommige mannen aarzelden in hun ren ernaartoe, en degenen die beneden wachtten op de aanval voelden zich daardoor bemoedigd. Half rennend, half vallend ging Jommy de heuvel af, langs enkele soldaten die door het gebrul van het demonische wezen tot staan waren gekomen. Plotseling besefte hij dat hij de voorhoede was gepasseerd en dat hij recht op de gewapende vijand af ging, én op een of ander wezen uit een onvoorstelbare nachtmerrie.  

Jommy begon achteruit te deinzen, maar een van de invallers kwam op hem af, de pijlen negerend die nog altijd van de heuvel op hen neer regenden. De indringer zette een stap naar voren en viel doorboord door een lange schacht achterover. Jommy dook ineen en wachtte tot de anderen hem hadden ingehaald. Hij keek om en zag dat de soldaten ofwel onbeweeglijk stilstonden, ofwel zich terugtrokken.  

Even later begreep hij waarom. Het magische wezen groeide! Het ding was nu een goede twee voet langer dan voorheen en veel breder in de schouders. Zijn armen leken gespierder en versierd met iets wat leek op gloeiende metalen banden, gedraaide staven van heet metaal die zoveel hitte afstraalden dat Jommy het dwars door de regen heen kon voelen. Nu verschenen er barstjes in de steenachtige 'huid', en daaruit kwamen kleine vlammetjes omhoog.  

'Jim!' schreeuwde Jommy. 'We moeten hier weg .. .' Hij keek om zich heen en zag Jim Dasher nergens. 'Verdomme,' mompelde Jommy terwijl hij snel afstand nam. 'Of hij is een lafaard, of hij is een stuk slimmer dan ik!'  

Een piraat rende op Jommy af en haalde woest uit met een zware kortelas, een aanval die Jommy's zwaard kon breken of hem zelfs van schouder tot buik open zou kunnen halen. Dankzij zijn opleiding en ervaring sloeg de jongeman uit reflex het wapen naar rechts, terwijl hij zelf naar links dook en zo de kracht uit de aanval wist te halen. Het strandzand bood bijzonder weinig houvast, dus negeerde Jommy de neiging om zich om te draaien en de man in zijn rug te steken en besloot in plaats daarvan hem met zijn rechterelleboog op zijn kaak te slaan. De pijn schoot door zijn arm omhoog naar zijn schouder toen hij doel raakte, en de ogen van de man verglaasden. Jommy stapte achteruit en gaf met zijn zwaard een zijdelingse houw in .de nek van zijn tegenstander. Terwijl het bloed omhoog spoot, bleef Jommy achteruitlopen, niet in staat zijn blik af te wenden van de verschrikkingen die hij voor zich zag.  

Kaspars stem schalde door de lucht. 'Nu hard toeslaan!'

De soldaten waren goed getraind, en ondanks hun angst voor het magische wezen dat nu was gegroeid tot een lengte van bijna negen voet, vielen ze aan. Degenen op het strand waren vastberaden, fanatiek zelfs, maar het waren geen getrainde soldaten, en plotseling begaf de linkerkant van hun verdedigingsring het.  

Omdat ze nergens naartoe konden, vochten ze als woestelingen, maar binnen enkele tellen hadden de soldaten onder leiding van Kaspar er zes gedood en trok de rest van de linkervleugel zich terug achter de karige beschutting van de sloepen. Jommy stond tegenover een meer hardnekkige oppositie, en soldaten uit het Koninkrijk, Roldem en Kesh hielpen hem in zijn aanval op hun middenvleugel, slechts enkele meters bij het monster vandaan.  

De invallers vochten als bezetenen, alsof ze liever stierven door toedoen van sterfelijke tegenstanders dan zich terug te trekken tot in de buurt van het smeulende wezen. Toen beende het monster naar voren, en de man naast Jommy slaakte een kreet van pijn toen het duivelse ding hem bij zijn nek optilde. Het geknisper van brandend vlees overstemde de verstikte kreet, en de verschijning smeet de soldaat als een kapot stuk speelgoed aan de kant. Jommy zag vlammen op de handen van het wezen en voelde de hittegolven ervan afstralen terwijl het maar bleef veranderen. De grijsblauwe huid was nu bezaaid met gloeiende rode barsten die deden denken aan gesmolten metaal onder een korst van steen, en waar de regen het wezen raakte, sisten de druppels en ontstonden kleine stoomwolkjes.

Jommy sprong naar achteren en viel bijna toen hij tegen een soldaat aan botste die achter hem liep.

'Commandant!' schreeuwde de man in zijn oor. 'Er zijn nóg twee sloepen ten noorden van hier geland, en er komen nog meer van die rotzakken op onze rechterflank af.'

Jommy weifelde, maar besefte toen dat de soldaat op een reactie van hem wachtte. Hij was hier wat de mannen om hem heen betrof de hoogste in rang. Er moest iets gebeuren om een totale nederlaag te voorkomen. 'Verzamelen!' schreeuwde hij. 'Verzamelen bij mij!'

De mannen haastten zich naar hem toe terwijl het nu vlammende monster nog een gillende man greep, hem de arm afrukte en zijn bovenlichaam omhulde met vuur.  

'Vorm een cirkel!' schreeuwde Jommy, en de mannen kwamen dicht om hem heen staan. Tegen de soldaat die hem had gewaarschuwd voor de aanval op hun flank, riep hij: 'Zoek de generaal op en zeg de anderen dat ze zich bij hem moeten verzamelen. Wij houden ze hier wel tegen! Snel!'  

De soldaat rende weg.

'Schildenmuur!' was Jommy's volgende bevel, waarop de getrainde soldaten hun schilden tegen elkaar zetten. Plotseling stonden hij en de twee anderen, allebei nieuwelingen uit Krondor, te midden van een klein woud van schilden.

Jommy had geen vertrouwen in deze rangorde. Hij wist dat als het naderende monster de voorkant van de schildenmuur raakte, de soldaten daar ogenblikkelijk zouden verbranden en hun verdediging zou falen. Maar het was het enige wat hij kon bedenken om wat tijd te winnen, zodat de andere manschappen naar Kaspar konden komen.  

Het wezen bleef bewegingloos staan, terwijl de magiër zijn staf op de mannen rondom Jommy richtte en iets riep in die vreemde taal. Het monster zette een grote stap in hun richting, en Jommy schreeuwde: 'Standhouden!'

Het magische wezen bleef even staan en hief toen zijn vuisten hoog boven hen. Jommy riep zijn volgende bevel. 'Schildpad!' Hij liet zijn zwaard vallen en plofte op de grond, de twee mannen naast hem meetrekkend om ze te beschermen.  

Zijn soldaten hieven hun schilden boven hun hoofd en zetten zich schrap alsof ze voorbereid waren op een salvo vallende pijlen. De vuist van het vlammende monster, nu zo groot als een aambeeld, dreunde neer or enkele schilden, waardoor één man op zijn knieën belandde en een andere tegen de grond sloeg.  

'Donders!' riep een van de nieuwelingen met grote, angstige ogen uit.

'Verspreiden!' schreeuwde Jommy. Verwarring was de enige manier om zoveel mogelijk mensen te redden. De twee nieuwelingen kropen weg, terwijl de soldaten deden wat ze was geleerd: ieder van hen rende in een rechte lijn vanuit het midden van de schildpad weg, om zo ver mogelijk bij hun kameraden uit de buurt te komen. Degenen vooraan liepen naar achteren, draaiden zich om en vluchtten.  

Kaspars boogschutters hadden geprobeerd het wezen te raken, maar hun pijlen hadden geen effect; de ijzeren punten ketsten op de huid van het wezen af terwijl de schachten vlam vatten. Jommy werd overspoeld door golven van hitte, alsof hij voor een open oven stond.

Met een zwaai van zijn armen, die nu zo lang waren als speren, veegde het wezen mannen opzij alsof het kinderen waren. Alles wat hij aanraakte, vloog in brand: soldaten lagen gillend en stervend op de grond.

Terwijl Jommy zich terugtrok, scheen het wezen hem op te merken en kwam het naar hem toe. Jommy zette zich schrap, ervan overtuigd dat hij zo meteen verpletterd of verbrand zou worden. Toen hij zijn zwaard vastgreep om zich te verdedigen, zag hij achter het wezen een gestalte uit de branding oprijzen. Het was Jim Dasher, die wel uit het niets leek te verschijnen terwijl het water van zijn gezicht en kletsnatte kleding droop. Hij richtte zich vanuit zijn ineengedoken houding op toen hij achter de magiër stond. Met een soepele beweging, zo snel dat Jommy het amper kon volgen, hief de Krondoriaanse dief zijn handen en gooide iets over het hoofd van de magiër. Plotseling werd de bezweerder achteruit gerukt en bracht Jim zijn knie omhoog in diens rug. Zelfs bij het geruis van de branding, het gekletter van de regen en het geschreeuw van de stervende mannen kon Jommy nog de scherpe krak horen toen Jim de man zijn ruggengraat brak. Er spoot bloed uit de mond van de magiër, en hij zwaaide nog even met zijn armen voor hij slap neerviel

Toen de magiër dood was, aarzelde het wezen en stond het om zich heen te kijken alsof het wachtte tot iemand zou vertellen wat het nu moest doen. Het jammerde, een galmend geluid dat over de trommelvliezen knarste en waar Jommy de rillingen van kreeg. Toen haalde het monster uit, eerst de ene kant op en toen de andere. Mannen vlogen alle kanten op, en zelfs degenen met de zwarte hoofddoeken leken liever zo ver mogelijk bij de verschijning vandaan te komen dan het gevecht te vervolgen. Jommy liet zich naar achteren vallen en rolde over het zand toen het vlammende wezen plotseling van richting veranderde. Hij kwam ineengedoken overeind, met zijn zwaard in de aanslag.  

Toen zag hij Servan zijn kant op komen rennen, iets roepend wat Jommy niet kon verstaan, maar de jongeman wees wel naar hem. Tegelijkertijd voelde Jommy iets achter zich en besefte hij dat Servan niet naar hém wees, maar naar iets achter hem. Hij dook naar links, rolde zich om en draaide, en zag het zwaard door de lucht zoeven. Zijn hoofd zou zijn afgehakt als Servan hem niet had gewaarschuwd.  

Jommy probeerde niet eens op te staan, maar haalde uit met zijn wapen en hakte de man over zijn hiel om zijn pees door te snijden. De man krijste en viel bijna boven op Jommy. Jommy duwde nu zijn zwaardpunt in de oksel van de indringer. Er vloeide bloed langs de zij van de man toen hij probeerde terug te slaan met een zwaai die bedoeld was om Jommy's arm af te hakken.

Jommy rolde zich weer om en hoorde het zwaard zand raken. Nu lag hij op zijn rug. Wetend dat dit de slechtst mogelijke gevechtshouding was, bleef hij rollen tot hij zijn tegenstander weer kon zien. Toen stapte er iemand over hem heen en kwam er een zwaard omlaag dat een einde maakte aan het leven van de piraat.  

Servan trok Jommy overeind. 'We moeten ons terugtrekken!' riep de jonge nick. 'Dat ding doodt nog altijd iedereen die erbij in de buurt komt, en hij wordt steeds heter.'

Dat hoefde hij Jommy niet te vertellen; hij voelde de hitte die van het wezen afstraalde. Er steeg stoom op bij elke stap die het over het natte zand zette. Aan alle kanten waren mannen in gevechten verwikkeld, maar er was niets ook maar in de verste verte georganiseerd aan het conflict, en het leek Jommy onmogelijk om een tegenaanval of zelfs maar een ordelijke aftocht te coördineren. 'We moeten iedereen naar die grote rots daar zien te krijgen!' schreeuwde Jommy, wijzend met zijn zwaard.  

Servan knikte. 'Ik weet niet waar de generaal of de kapitein is.'

Ze bleven staan en keken langs de baai, en toen riep Servan: 'Daarboven!'

Jommy zag Kaspar en kapitein Stefan zo'n twintig meter hoger op de heuvel rug aan rug vechten tegen zes piraten. Jommy keek Servan aan. 'En nu?'

Hoewel Jommy een goede leermeester in het veld was en wel enig inzicht in tactiek had, was Servan een geboren leider, een eersteklas strateeg en een intuïtieve tacticus. 'Die grote rots is ons verzamelpunt, en ik zal proberen ze .. .'

Jommy keek naar Kaspar en Stefan die aan het vechten waren, en zag Jim Dasher - weer schijnbaar vanuit het niets achter de twee mannen verschijnen met wie Kaspar in gevecht was. Met een dolk in elke hand stak hij beide mannen achter in hun nek, en ze vielen meteen op de grond. Plotseling was het geen zes tegen twee meer, maar vier tegen drie, en toen een van de mannen zich omdraaide om te kijken wat er met zijn kameraden was gebeurd, doorstak Kaspar hem en was het nog maar drie tegen drie.  

Jommy schreeuwde: 'Ik ga deze kant op, jij die kant. Laat de mannen in beweging komen! Zeg de generaal waar we heengaan!'  

Servan knikte en rende weg, in een omtrekkende beweging langs de maaiende toren van vlammen die woest brullend om zich heen sloeg . Jommy liep naar het strand, naar een aantal van zijn mannen die tegenover een even groot aantal piraten stonden. Beide kanten leken meer bezig zich uit de strijd los te maken dan met elkaar te vechten. 'Naar mij toe!' schreeuwde Jommy.

Zijn mannen braken het gevecht af en kwamen naar hem toe, en even later was er een vrij ordelijke aftocht gaande. Terwijl Jommy naar de afgesproken plek liep, wenkte hij de mannen mee. 'Verzamelen bij die rots. Kijk uit naar de generaal!'  

Nu begon het magische wezen, fel brandend als het heetste vuur dat Jommy ooit had gezien, zijn kant op te komen. 'Pas op!' waarschuwde hij, en hij leidde zijn mannen in een bocht naar het verzamelpunt.

Terwijl ze zich verwijderden van het brandende monster, schreeuwden enkele mannen dat er nog een boot aankwam. 'Het loopt uit de hand,' zei Jommy in zichzelf. Toen hij naar de plek keek waar de invallers zich opstelden, besefte hij dat ze van de zijkant werden genaderd. Als hij niets deed, zouden de vijanden die hij had achtergelaten zijn mannen als schild kunnen gebruiken en Kaspars positie van achteren kunnen benaderen.  

'Jij, jij en jij,' zei Jommy, wijzend naar drie soldaten, twee uit Roldem en een uit Kesh, 'volg mij.' Hij slaakte een woeste strijdkreet en rende op de dichtstbijzijnde indringer af.

Achter zich hoorde hij een van de soldaten uit Roldem roepen: 'Ben je gek?'  

'Ik wil dat ze dat denken!' schreeuwde Jommy terug.

De anderen volgden Jommy, die recht op de piraten af rende. Toen die de mannen zagen naderen, zetten ze zich schrap voor de aanval. Net voordat hij bij ze was, schreeuwde Jommy: 'Rennen!' Op dat moment draaide hij zich om en vluchtte weer over het strand richting de heuvels waar Kaspar en Stefan een nieuwe defensiepositie organiseerden. Na een snelle blik over zijn schouder vroeg Jommy zich af of het zin had: het wezen werd steeds kwader en maaide om zich heen naar iedereen die hij bereiken kon. Het enige voordeel dat Kaspars troepen hiervan hadden, was dat de aanvallers nu evenzeer rekening moesten houden met het monster als met de mannen tegen wie ze vochten. Kaspar kon zijn manschappen nu organiseren en ze indien nodig de heuvel op leiden naar het basiskamp, ongeveer een mijl verderop. De piraten konden nergens anders naartoe dan de boten in en het water op, maar nu stonden er al twee van in brand door een aanraking van de verschrikking, en niemand anders leek bereid te proberen erlangs te komen naar de andere sloepen. Sommigen zouden ongetwijfeld langs de kust vluchten naar de plek waar de vierde boot aan land was gekomen, maar Jommy betwijfelde of iedereen die aan het monster wilde ontsnappen er wel in paste.  

'Ze komen zo deze kant uit,' schreeuwde hij. 'Ga naar de generaal en neem stelling!'

Vermoeid door de korte maar intense strijd op het strand renden de mannen in de modder de heuvel op, en plotseling besefte Jommy dat hij geen geluiden van gevechten meer achter zich hoorde. Hij hoorde alleen het galmende gebrul van het monster, de regen in het bos boven hem en het gehijg van uitgeputte mannen die probeerden de veiligheid te bereiken.  

Ze kwamen bij Kaspar aan en zagen soldaten druk bezig defensieve posities te bouwen met struiken en stenen, en loopgraven te maken met zwaarden en dolken. Al die tijd deden de boogschutters er alles aan om hun boogpezen droog te houden, zodat die iets zouden uithalen tegen de vijand die ongetwijfeld vlak op de hielen zat van degenen die de heuvel op renden.  

'Daar komen ze!' schreeuwde Kaspar.

Jommy bereikte de eerste rij verdedigers en draaide zich om. Een groepje indringers had zich onder aan het pad verzameld en verspreidde zich nu voor de aanval. Hij keek naar het noorden en zag nog een groepje piraten naar de andere boot rennen. Kaspar leek bijna zijn gedachten te lezen. 'Als we hier doorkomen, sturen we wel een compagnie die kant op om achterblijvers op te ruimen.'  

'Waarom zouden we hier niet doorheen komen, generaal?' vroeg Servan, nog altijd buiten adem.

'Ze komen de heuvel op, en wij zijn klaar voor ze,' zei Jommy.  

'Ik maak me geen zorgen om die rotzakken,' zei Kaspar. 'Ik ben bezorgder om dat ding dat achter ze aan komt. Hij wordt niet meer groter, maar alles wat hij aanraakt vliegt in brand.'

'En wij staan op een heuvel,' zei kapitein Stefan.

'Eh ... misschien moeten we ons terugtrekken naar de andere kant van de heuvel?' merkte Jommy op.  

'Geen tijd,' zei Kaspar. 'Boogschutters!'

Een paar pijlen vlogen over hen heen en de aanvallers stoven uiteen, maar het haalde niet veel uit. 'Verdomde regen,' mopperde Servan.  

De mannen die de heuvel opkwamen, keken naar degenen die hen opwachtten en bleven gewoon komen. Jommy boog door zijn knieën, zijn zwaard klaar voor de aanval, maar toen besefte hij iets. De enige strijdkreten kwamen van zijn eigen soldaten. Wat hij beneden hoorde, was alleen het gehijg van mannen die amper de heuvel opkwamen, laat staan dat ze nog konden schreeuwen of joelen. Hun gezichten droegen een grimmige, vastberaden trek, maar ze vertoonden niet die gebruikelijke waanzin die Jommy bij soldaten in andere conflicten had gezien. Deze mensen wisten dat ze gingen sterven.  

Jommy liep achteruit tot hij naast Kaspar stond. 'Generaal, die kerels willen zich door ons laten doden.'

De voormalige hertog van Olasko knikte. 'Zo kijken ze wel, hè?' Hij draaide zich om en schreeuwde: 'Ik wil gevangenen!' Toen, met één oog op het vlammende monster achter hen gericht, voegde hij er zachtjes aan toe: 'Als we dit overleven.'

Het wezen was doelloos rondgelopen en had gemaaid naar alles wat het raken kon, maar nu leek het zijn aandacht op de heuvel te hebben gericht. 'Ik geloof dat hij ons gezien heeft,' zei Jommy.

'Ik heb geen idee of dat ding zelfs maar ogen heeft,' zei Kaspar, 'maar we kunnen maar beter de overhand krijgen, want hij komt in ieder geval onze kant uit.'

De eerste zes invallers die de verdedigers bereikten, doken met manische onstuimigheid naar voren. Verschillende van Kaspars mannen raakten gewond, maar alle aanvallers werden uitgeschakeld. Jommy wachtte af, maar niemand benaderde hem rechtstreeks. Hij zag dat er al twaalf lijken op de grond net onder zijn positie lagen, en verder omlaag langs de helling stond een groepje van misschien twee dozijn man toe te kijken. Een van hen zei iets en de anderen knikten, en toen kwamen ze naar voren. Nu hoorde Jommy wel geschreeuw en gejoel. Hij kende hun taal niet, maar de bedoeling was duidelijk: ze waren van plan zoveel mogelijk mannen van Kaspar met zich mee de dood in te sleuren.

Jommy zag een van de piraten zich omdraaien, de helling afrennen en het wezen uitdagen. Hoe hij zich dat in zijn hoofd haalde, kon Jommy zich niet voorstellen, maar het maakte weinig uit, want de man had de aandacht van het monster al getrokken. Hij leidde het kwaadaardige wezen langzaam de heuvel op en wachtte telkens even. Jommy's ogen werden groot van verbazing toen hij de piraat zijn zwaard zag neerleggen, net voordat het wezen hem als een insect verpletterde. De gil van de man was kort en hoog en kwam abrupt ten einde. Zijn lichaam was een tel voordat de hand van het wezen hem had geraakt al ontvlamd: zelfs op deze afstand voelden de mensen op de helling de hitte.  

Een tweede man rende omlaag, tot halverwege het monster en Kaspars positie, net toen de aanvallers de defensieve rangen bereikten. Maar deze keer was het in plaats van een furieuze aanval meer een aarzelende, waarvan Jommy wist dat soldaten die soms gebruikten om de kracht van de vijand in te schatten.

Plotseling begreep Jommy het. 'Generaal!' schreeuwde hij.

'Ja?' antwoordde Kaspar terwijl hij met gemak een halfhartige aanval van een piraat die tussen twee soldaten door was gekomen afsloeg. De generaal haalde uit met zijn zwaard en de piraat viel op de grond terwijl het bloed uit zijn keel omhoog spoot.  

'Ze brengen dat ding naar ons toe! Ze offeren zich op om het hier te krijgen!' riep Jommy.

'Idioten,' bromde Servan, maar hij leek nerveus.

Jommy moest toegeven dat hun tactiek effectief was, als je het niet erg vond om er het leven voor te laten. Een derde invaller had zichzelf nu overgegeven aan het wezen, en de hitte werd bijna ondraaglijk.

Toen, alsof ze de hopeloosheid van hun positie inzagen, deed een handjevol vijanden schijnaanvallen en verdedigde zich vervolgens niet tegen de genadeslag.

'Gevangenen!' schreeuwde Kaspar. 'Hou er eentje in leven!'

Jommy kon niet blijven staan; iedereen begon zich terug te trekken voor de verschrikkelijke hitte van het monster. Tegelijkertijd bleven de invallers komen, en was Jommy gedwongen te vechten terwijl hij achteruit de steile helling opliep. De ondergrond was nat en verraderlijk. Jommy doodde iemand en sneuvelde toen zelf bijna doordat een andere man zijn kameraad op Jommy's zwaard duwde. Alleen een snelle slag over Jommy's schouder door een van zijn eigen mannen gaf hem de tijd die hij nodig had om zijn zwaard te bevrijden.  

Jommy verloor bijna zijn evenwicht toen zijn hak achter een rots bleef steken, en hij kon maar amper de aanval van een vijand ontwijken. Hij haalde woest uit en hoewel zijn tegenstander bereid was te sterven, trok hij zich in een reflex terug. Toen de tegenstander weer naar voren sprong, was Jommy er klaar voor en stierf de man zwijgend.  

Er volgde een vertwijfelde worsteling terwijl soldaten die graag wilden blijven leven probeerden het hoofd te bieden aan piraten die bereid waren te sterven. Jommy voelde het tempo van het conflict veranderen en herkende het verschil in de strijd om hem heen: er brak bijna paniek uit. De mannen van Kaspars compagnie werden radeloos terwijl ze een bijna onmogelijke, georganiseerde aftocht probeerden te bewerkstelligen, en de aanvallers probeerden steeds wanhopiger niet gevangen te worden genomen terwijl ze het monster naar hun vijanden leidden.  

Terwijl ze zich met moeite achterwaarts de heuvel op verplaatsten, vulde een luid gezoem de lucht.

Het monsterlijke wezen baadde plotseling in een schacht fel wit licht die omlaag schoot vanuit de wolken. Het verstijfde, kon zich niet meer bewegen, en verschillende mannen raakten gewond doordat ze hun gevecht hadden gestaakt om ernaar te kijken.

Jommy doodde een man en keek over hem heen. De vijanden leken aan te voelen dat hun zaak verloren was en begonnen zich terug te trekken.  

Plotseling hielden beide partijen op met vechten. Jommy schreeuwde: 'Generaal?'

'Wachten,' kwam het bevel, en Jommy gehoorzaamde. Hij keek naar het wezen beneden terwijl de aanvallers eropaf liepen, zonder hun blik af te wenden van Kaspars mannen. De regen leek nu af te koelen, alsof het mystieke vuur zijn kracht was verloren. Het gesis van de stoom die van de huid van het wezen opsteeg nam af, en de kleur werd doffer: van een fel, heet geel tot het rood en zwart van gesmolten steen. Jommy keek achterom naar Kaspar, en zag nog een gestalte hoog op een rots achter hem. 'Kijk, generaal,' zei hij, wijzend naar boven.  

Er stond iemand in geitenleren kleding, met lang, golvend goudkleurig haar en met een staf boven zijn hoofd geheven. Hij scheen te zingen. Jommy en Kaspar begrepen meteen dat dit de veroorzaker was van het mystieke licht.

Met een huivering viel het monster uiteen tot verpulverende, hete stenen. Grote wolken stoom stegen op. 

'Gevangenen!' schreeuwde Kaspar, maar het was te laat. De piraten, die geen uitweg meer zagen, doorstaken elkaar zonder een woord te zeggen.

Jommy had genoeg mannen bij gevechten zien omkomen om fatale wonden te herkennen. Hij draaide zich om naar Kaspar en schudde zijn hoofd. Het gezicht van de generaal straalde een mengeling uit van walging omdat hij zijn gevangenen kwijt was, en opluchting om de interventie van de nieuwkomer, die duidelijk een magiër was. Met een zucht zei hij: 'Dat moet er eentje van Puc zijn, om ons te redden. Maar goed ook...'

Jommy schudde zijn hoofd. 'Ik denk het niet, generaal.' Kapitein Stefan en Servan gingen allebei naast hun bevelvoerder staan toen de gestalte op de rots zijn staf neerlegde. 'Het is een elf,' zei Servan. 'Ongeloof -'  

'Ik geloof dat je gelijk hebt, luitenant,' zei Kaspar. De elf zei iets, en zo te horen was het een vraag.

'Ik spreek meer dan twaalf talen, maar ik versta hem niet,' zei Kaspar.

De elf liep langzaam naar hen toe, bleef een paar meter boven Kaspar staan en keek hen een tijdje aan. 'Ik zei: wie zijn jullie en wat doen jullie zonder toestemming in de Pieken van de Quor?' Hij sprak Keshisch, maar met een vreemd accent en een merkwaardige intonatie.

'Ik ben Kaspar, voormalig hertog van Olasko en bevelvoerder van deze compagnie. Wat die toestemming aangaat, die heb ik van de koning van Roldem en de keizer van Groot Kesh, die allebei deze streek opeisen.'  

Het gezicht van de elf vertoonde geen emotie, maar vertrok even later tot een uitdrukking van duistere humor. 'De ijdelheid van jullie meesters interesseert me niet. Dit land is van de Quor.'  

Kaspar probeerde beschaafd te blijven. 'Ik wil je bedanken voor -'

'Voordat je me ergens voor bedankt, mens, moet je beseffen dat ik er niet op uit was jullie te redden van het elementaire wezen. Het was een zo smerig magisch ding dat ik het uit de weg moest ruimen voordat ik me met jullie bezighield.'

'Met ons bezighield?' vroeg Kaspar.

'Ja,' antwoordde de elf. 'Jullie zijn allemaal mijn gevangenen.'  

Meteen namen de mannen gevechtshoudingen aan, want hoewel het slechts één elf was, hadden ze hem kennelijk net moeiteloos het monster zien verslaan. 'En jij bent van plan ons in je eentje allemaal gevangen te nemen?' vroeg Kaspar. Er stonden nog altijd dertig strijdvaardige soldaten achter hem.

'Nee,'zei de elf. Toen verhief hij zijn stem en zei iets in de vreemde taal. Er verschenen elfen vanachter rotsen en bomen minstens twee keer zoveel als Kaspars mannen. Wat het meest aan hen opviel, was hun uiterlijk: ze waren allemaal blond, hadden een zongebruinde huid en dezelfde hemelsblauwe ogen als de magiër. En ze droegen allemaal dezelfde geitenleren kleding, zodat het bijna een uniform leek, al hadden sommigen een tuniek met een iets andere snit of franje aan de mouwen. Sommige elfen droegen hun haar in een vlecht met veren en gepolijste stenen erdoor gevlochten, of in een strijdersknot, en de meesten hadden lang haar tot voorbij de schouders. De meesten hadden bogen, met de pijlen al op hen gericht, en nog een stuk of zes elfen hadden staven bij zich. Kaspar was ervan overtuigd dat het magiërs waren, net als de elf die voor hen stond.  

Even later zei hij tegen zijn mannen: 'Gooi de wapens maar neer.' Met tegenzin gehoorzaamden ze hem, en Kaspar wendde zich tot de elf. 'We geven ons over.'  

De elf knikte. 'Verzamel de gewonden die nog kunnen reizen en kom met ons mee.'  

Het kostte even wat tijd om bij de gewonden langs te gaan en ze te verzamelen. Een tiental mannen was te gewond om te lopen, en de elf zei: 'Laat ze achter. Er zal voor ze worden gezorgd.'

Kaspar knikte, en toen zijn mannen klaar waren, leidden de elfen hen de heuvel op, over hetzelfde pad dat omlaag liep vanuit de grot die Kaspar als hoofdkwartier had gebruikt. Toen ze de plek bereikten waar de elf zich aanvankelijk had laten zien, kromp Jommy ineen bij een verstikte kreet achter hen. Hij wilde zich omdraaien, maar voelde een sterke hand op zijn arm.

'Niet kijken. Dit wil je niet zien,' bromde Jim Dasher.

Jommy knikte. De mannen die te ernstig gewond waren, werden snel door de elfen afgemaakt, en hoewel Jommy wist dat het waarschijnlijk genadiger was dan ze te laten sterven aan een buikwond of door onderkoeling, vond hij het toch een vreselijke gedachte.

Langzaam zochten de gevangenen zich een weg de heuvel op naar de bergen erboven.

Het bleef regenen.