23


Aanval

 

 

Jim gooide een dolk.

Hij dook achter een rotsblok weg toen het wapen een Doodsridder van de Dasati in het gezicht raakte, waardoor hij uit het zadel van zijn varnin viel. Hij werd meteen vertrapt door andere rijders, die hun gevallen kameraad negeerden terwijl ze door het ravijn denderden.  

Toen Jim de rotspunt bereikte waar zijn vrienden wachtten, zei hij: 'Tijd om te gaan!'

Dat hoefde hij Jommy, Tad, Zane en Servan geen twee keer te zeggen. Wat nog geen halfuur geleden een gedeelte van de achterhoede was, een verzamelpunt voor soldaten die de strijd in gingen en een rustplek voor degenen die uit de veldslag waren gehaald, was nu plotseling het front. Een uur geleden hadden de vijf jongemannen met gepijnigde lichamen voor het eerst in twee dagen weer een fatsoenlijke maaltijd gehad en keken ze uit naar wat welverdiende rust. Na het eten hadden ze een schaduwrijk plekje onder een wagen opgezocht om te slapen. Ze waren gewend geraakt aan de nidra, het zes potige lastdier van de Tsurani, het rusteloze gesnuif en de vreemde geuren ervan, en waren zo moe geweest dat ze binnen enkele minuten sliepen.

Jim was de eerste die wakker werd door het geschreeuw; Ze hadden nog net weten te voorkomen dat ze vertrapt werden door Doodsridders, en waren alleen aan hun netten ontkomen door tegen de rotsige helling op te krabbelen naar een richel die als natuurlijke defensieve barrière langs Alenburga's linkerflank had gediend. Het enige probleem was dat alle anderen van het hoofdkwartier de andere kant op waren gegaan.  

De afgelopen twee dagen hadden ze zich gestaag teruggetrokken. De Zwarte Berg dijde op vrij regelmatige tijdstippen uit en de Tsuranimagiërs probeerden de snelheid ervan te berekenen, zodat ze een veilige afstand konden voorspellen voor elke aftocht.  

De tactiek van de verdedigers was veranderd. Ze probeerden niet langer de invasie van de Dasati te vertragen, maar probeerden in plaats daarvan een zich langzaam terugtrekkende achterhoede in stand te houden die vluchtelingen de tijd gaf om de veiligheid van de dichtstbijzijnde scheuringen te bereiken. Puc had die ochtend een scheuring geopend tussen Kelewan en een andere wereld, en het edict van de keizer was bekendgemaakt. Magiërs hadden het bevel naar alle delen van het keizerrijk vervoerd, en de bevolking verzamelde zich. Het zou onmogelijk zijn om iedereen op tijd door de scheuringen te krijgen, maar ze zouden zoveel mogelijk mensen redden.  

Zodra de eerste grote scheuring was geopend, had Puc nog een tweede geopend naar een afgelegen continent en een poort gemaakt voor de thuns. Een derde was geopend op de Thurilse hoogvlakten, en daarna maakten andere magiërs secundaire poorten naar die andere locaties. Weer andere Grootheden waren druk bezig kleinere scheuringen overal in het keizerrijk te openen, die uitkwamen nabij de eerste grote Tsuranese scheuring bij de Stad op de Vlakte. Die locatie was gekozen omdat het gebied rondom de scheuring uitgestrekt was en er daar enkele tientallen kleinere scheuringen konden worden geopend om ruimte te bieden aan de gigantische toestroom van vluchtelingen, zodat ze elkaar niet onder de voet zouden lopen.

Het probleem scheen te liggen in het aantal scheuringen naar de nieuwe wereld. Puc was een van de weinige magiërs die in staat was zo'n scheuring zonder hulp te maken. Als hij eenmaal een scheuring had geopend, ontstonden er op plekken in de buurt vanzelf andere scheuringen die naar de nieuwe wereld leidden, en dat was gunstig, maar om zelf nieuwe scheuringen te maken hadden twee of drie magiërs toch zeker vier of vijf keer zoveel tijd nodig. Volgens het laatste verslag waren er nu zeven effectieve scheuringen naar de nieuwe wereld, maar de jonge kapiteins hadden Kaspar horen mompelen dat zelfs zeventig nog niet genoeg zou zijn.  

Dus ze moesten de Dasati ophouden, die erop gebrand leken zoveel mogelijk gevangenen mee te sleuren naar de Zwarte Berg om ze daar in de put te smijten en te voeren aan het monster op hun thuiswereld. Niemand wilde overpeinzen hoe verschrikkelijk de toestand was geworden. De Tsurani waren krijgers, uit traditie en temperament, en altijd gericht op wat voor ze lag, niet achter ze, maar men schatte dat wel twintig- of dertigduizend Tsurani de afgelopen twee dagen in de put waren gegooid. De jonge kapiteins dachten, door wat ze zelf gezien hadden, dat die schatting te laag was. De Dasati waren alles behalve dom: ze pasten snel hun strategie en tactiek aan de situatie aan, en nu waren hun uitvallen grootscheeps en onverwacht.  

Het was waarschijnlijk gewoon pech dat deze laatste aanval bijna helemaal tot aan het Tsuranese hoofdkwartier was doorgedrongen. 

Jommy keek om zich heen. Ze hoorden het lawaai van de Dasati-ruiters aan de andere kant van de richel. 'Waar zijn we?'

'Tad was de laatste die op de kaart heeft gekeken,' zei Zane. Hij keek zijn pleegbroer aan. 'Waar zijn we?'

De slanke blonde jongen stak zijn hand uit, met de handpalm naar buiten en de vingers omlaag. 'Dit,' zei hij, wijzend naar zijn middelvinger, 'is de richel achter ons. Hier,' zei hij, wijzend naar zijn ringvinger, 'zijn alle anderen naartoe gegaan. We moeten van hier naar daar.'  

'Met een paar duizend Doodsridders tussen ons in,' merkte Servan droog op.

'Wacht, ik heb een idee,' zei Jim Dasher.

'Wat dan?' vroeg Jommy. Sinds Dasher was aangekomen met boodschappen voor heer Erik, was hij toegevoegd aan de staf van generaal Alenburga en had hij zich als kapitein aangesloten bij Jommy, Tad, Zane en Servan.  

Hij wees naar het zuidwesten. 'De Dasati gaan die kant op.'

'Ja,' zei Tad.

'Dus gaan wij die kant op,' zei Jim, wijzend naar het noordoosten. 'We steken de vallei over, en dan zijn we aan de andere kant en halen we de generaal en de anderen in.'  

'Briljant idee,' zei Jommy, 'maar je vergeet één ding.'

'Wat dan?'

'Alle anderen van het hoofdkwartier hebben een paard. Wij niet. We halen ze nooit in.'

'Nou,' zei Zane, 'zeker niet als we hier blijven staan ruziën. Ik vind dat we moeten doen wat Jim zegt. Uiteindelijk zal de generaal een nieuw hoofdkwartier opzetten, en als we gewoon de richting van de aftocht blijven volgen, komen we daar vroeg of laat vanzelf.'

Aangezien ze geen betere ideeën hadden, besloten ze tot deze aanpak. De jongens liepen de richel weer op waar ze net van af gevlucht waren. Toen ze boven waren, bleven ze even staan, gehurkt net onder de top. Ze hoorden geen geluiden van bereden Dasati, maar de ervaring had ze geleerd dat de Dasati vaak secundaire patrouilles achter de strooptochten aan lieten komen om iedereen te grijpen die uit zijn schuilplaats opdook.

Jim wilde net zijn hoofd over de richel steken toen hij iets hoorde. Hij stak waarschuwend zijn hand op en luisterde. Toen herkende hij het geluid. Iemand liep te neuriën!

Hij tuurde over de richel en zag een eenzame gestalte in de zwarte mantel van een Tsuranese magiër op het pad lopen, die een deuntje neuriede. 'Wat krijgen we nou?' vroegJim.

De anderen keken ook en zagen de gestalte over het pad weglopen. Jommy vroeg: 'Liep die vent nou te zingen?'

'Neuriën,' corrigeerde Jim Dasher. 'Nogal luid.'

'Moeten we achter hem aan?' vroeg Zane.

'Nee,' zei Tad. 'Als hij magiër is, kan hij zichzelf wel redden, en kijk eens waar hij is!'

De man naderde de buitengrens van het 'veilige' gebied rondom de Zwarte Berg. Als je dichterbij ging, liep je de kans plotseling door de koepel te worden opgeslokt als die weer uitdijde. Ze keken de man in de mantel na terwijl die over het pad verdween en toen staken ze de richel over, naar de bodem van de vallei.

'De laatste keer dat ik ze gezien heb, gingen de generaals die kant op,' zei Jommy, wijzend naar het zuidoosten.

'Dan moeten wij ook die kant op,' zei Dasher. 'Weet je, ik geloof dat ik hier genoeg van heb.'

'Van wat?' vroeg Servan.

'De oorlog?' opperde Tad.

'Dat zeker,' zei Dasher. 'Nee, ik bedoel dat hele dienen van de kroon en zo.'

'Nou, niemand heeft je gedwongen,' zei Zane.

'Toch wel, eigenlijk,' antwoordde Jim.

'Wie dan?' vroeg Jommy.

Dasher haalde zijn schouders op. 'Jullie zijn er inmiddels vast wel achter dat ik niet zomaar een dief uit Krondor ben.'

Jommy lachte terwijl ze verder liepen, oppassend of ze geen stropende Dasati zagen. 'We kregen al min of meer dat idee toen je opdook met koninklijke boodschappen voor heer Erik. Ze geven die meestal niet zomaar aan een zakkenroller of vechtersbaas, en ze sturen hem er zeker niet mee door een scheuring naar een andere wereld.'

'Nou, eigenlijk was mijn grootvader degene die me bij "het familiebedrijf' haalde, zou je kunnen zeggen.'

'Hou ons niet langer in spanning,' zei Servan. Hij klonk droog en niet overtuigd. Hij kende Jim Dasher lang genoeg om te weten dat hij een doorgewinterde leugenaar was.

'Mijn grootvader is James, heer Jameson, hertog van Rillanon.'  

Jommy lachte. 'Mooi verhaal.'

'Nee, ik meen het,' zei Dasher. Hij pakte een kiezel op en gooide die tegen een grote rots een eindje verderop. 'Ik ben het zat om mijn leven te wagen. Ik ben het tuig, de gokkers, de hoeren en de rest daarvan zat en wil me ergens vestigen en een gezinnetje stichten.'

'Jij?' vroeg Jommy lachend. 'Een gezinnetje?'

'Ja,' zei Jim, die geërgerd raakte. 'Ik heb zelfs al een meisje in gedachten.'

'Dit wil ik horen,' zei Servan. 'Wie onder de aristocratie van het koninkrijk heeft de kleinzoon van de hertog in gedachten?'

De anderen begonnen te lachen.

'Als je het dan weten moet,' zei Jim, 'vrouwe Michele de Frachette, dochter van de graaf van Montagren.'

Het gelach stokte.

'Meen je dat? Michele?' vroeg Servan.

'Ja, hoezo?'

De vier voormalige universiteitsstudenten keken elkaar aan, en Jommy gaf Tad een por. 'Vertel jij het hem maar.'

'Nee, jij moet het vertellen, Jommy,' kaatste Zane terug.

'Nee,' zei Jommy. 'Ik vind echt dat jij het moet doen, Tad. Jij bent de eerste die ze...' - hij keek Jim Dasher aan - '...ten dans vroeg op de receptie van de koning.'

'Ja,' zei Tad met een scheve blik, 'maar jij hebt... het vaakst met haar gedanst.'

Jommy zuchtte en bleef staan. 'Eh, Jim, we hebben allemaal het genoegen gehad met haar... eh... kennis te maken. Ze was op een receptie van het koninklijk hof in Roldem toen Tad, Zane en ik Ridders van het Hof van de koning werden.' Grijnzend liet hij erop volgen: 'En daar heb ik ook de lieftallige zus van Servan ontmoet.'  

Servans gezicht betrok.

'Ze is, eh... ' begon Tad.

'Een heel aardig meisje,' voltooide Zane. 'Echt waar.'

'Hebben jullie het nu over Michele of over mijn zus?' Servans gezicht stond niet blij.

Tad mengde zich erin. 'Allebei die meisjes zijn aardig, maar negeer hem maar,' zei hij, wijzend naar Jommy. 'Hij vindt je zus alleen maar leuk om jou te ergeren.'

'Niet waar!' protesteerde Jommy. 'Ze is écht een heel leuk meisje.' Hij keek zogenaamd streng naar Servan. 'Hoe jullie twee van dezelfde ouders kunnen zijn gekomen, is me een raadsel.'

'Zo is het wel genoeg,' zei Dasher. 'Michele?'

'Ach, ja, Michele. Heel aardig, maar... ambitieus,' zei Jommy. 'Ze zoekt een echtgenoot met de juiste positie, zou je kunnen zeggen.'

'Dat zou ik ook zeggen,' stemde Servan in.

'En bijna niemand heeft natuurlijk zo'n goeie positie als de kleinzoon van de hertog van Rillanon, toch?' opperde Zane.

'Maar voordien stond ze... ook open voor andere gegadigden,' zei Zane.  

'Dus laten we zeggen dat we allemaal het genoegen van haar, eh... gezelschap hebben gehad,' zei Tad.

Jims gezicht vertrok tot een gevaarlijke blik en hij begon te kleuren. 'Wanneer?'

'Tweedag,' antwoordde Jommy. 'De receptie was op de vorige vijfdag.'  

'Eendag,' zei Tad.

'Echt?' vroeg Jommy. 'Ik dacht dat ik het eerste met haar had gegeten.'

'Nee, dat was ik,' zei Tad.

'En jij?' vroeg Jommy aan Zane.

'Vierdag.'

Jim leek op het punt te staan zijn geduld te verliezen. 'Dus jullie willen me vertellen dat jullie drie -'  

'Eh, vier,' onderbrak Servan hem. De anderen keken hem aan en hij zei: 'Driedag.'

Jommy legde zijn hand op Jims schouder en kneep er stevig in, het vriendelijkste gebaar dat hij kon verzinnen. 'Zie het maar zo, ouwe jongen. We hebben je gered van een wereld van schaamte, toch? Wie er ook met haar trouwt, hij zal onderwerp worden van veel grappen aan het hof. Dat kunnen we niet hebben voor de kleinzoon van de hertog, of wel soms?'

Jim keek de anderen om beurten aan, en de kleur trok weg uit zijn wangen. Hij was van nature geen idealist, maar hij had een heel mooi ideaalbeeld van Michele opgebouwd. Het was beter om er nu achter te komen, gaf hij in zichzelf toe. Uiteindelijk schudde hij zijn hoofd. 'Vrouwen.'  

Ze liepen verder terwijl Jommy instemmend bromde.

'Je weet toch wat de monniken van La-Timsa over vrouwen zeggen?' merkte Tad op.

Jommy, Servan en Tad hadden die oude grap al tien keer gehoord, en antwoordden in koor: 'Vrouwen! Je kunt er niet méé leven, en je kunt er niet méé leven.'

Jim kreunde, want hij wist dat La- Timsa een celibataire orde was. 'Ik denk dat ik het maar bij hoeren hou.'

'De jongedames aan het koninklijk hof van Roldem kennende, kost je dat waarschijnlijk minder,' antwoordde Servan. 

'En er wordt minder vaak tegen je gelogen,' zei Zane. 

'Nou, dit is allemaal mooi en aardig,' zei Jommy, 'maar heb jij al een glimp opgevangen van het leger?'  

'Die kant op,' antwoordde Jim, wijzend naar een stapeltje gevallen voorwerpen. 'We volgen wat ze weggooien.'

'Laten we hopen dat de Dasati dat niet ook doen. Ik heb niet zo'n zin om op hun voorhoede te stuiten,' zei Tad.

Het gesprek stokte toen ze een helling beklommen en een volgende richel over gingen. Toen zei Jim: 'Weet je nog, dat wijsje dat die magiër neuriede?'

'Wat is daarmee?' vroeg Servan.

'Ik bedenk me net dat ik het ken! Het is een deuntje dat vaak gezongen wordt in de bierhuizen in Nes en Vykorhaven.' 'Nou, en?' vroeg Tad.

'En hoe kent een Tsuranese magiër een deuntje dat wordt gezongen door dronken zeelui in Nes?'

Daar had niemand een antwoord op.

 

Leso Varen voelde zich gewoonweg uitgelaten, al zou hij niet kunnen uitleggen waarom. Een groot deel van zijn leven bestond uit vreemde impulsen die hij niet kon verklaren, dus was hij lang geleden al opgehouden naar redelijke verklaringen te zoeken. Hij wist dat het allemaal was begonnen met de amulet die hij zoveel jaren geleden had gevonden, en de dromen die daarna waren begonnen. Hij had het ding twee keer weggegooid, er toen weer jaren naar gezocht om het terug te vinden, en eenmaal had hij het vernietigd, dacht hij, maar toen had hij de stukken weer gevonden en de amulet hersteld, waarbij zes edelsmeden waren omgekomen. Iets aan die amulet...  

Die verdomde piraat Beer, dat moorddadige monster, had hem om gehad toen hij stierf, en hij was ergens verloren geraakt in de Bitterzee. Varen had echt naar die amulet verlangd. Het dragen ervan had hem een eerste glimp gegeven van wat er mogelijk was, hoe nauw verbonden de dood en het leven waren, en er was geen grotere bron van macht dan een leven dat afgleed naar de dood.  

Hij had de amulet nooit meer teruggevonden, ook al had hij er jaren geleden naar gezocht in de zee... Ach, nu dwaalden zijn gedachten weer af.

Hij wist zeker dat hier een hogere macht aan het werk was, want hij kon een idee niet laten rusten tot hij het uitgevoerd had. Verschillende keren was hij door anderen gedwarsboomd, maar op een of andere manier had hij altijd volgehouden.

Terwijl hij over de weg naar boven liep, zag Varen overal verspreid in het landschap lijken liggen. Misschien voelde hij zich daarom zo lekker. Er was zoveel sterfte overal dat hij hier en daar een wegglijdend leven had kunnen opzuigen. Deze Dasati waren net kinderen als het op doodsmagie aankwam; heel machtige kinderen, dat wel, maar ze waren in het geheel niet in staat de subtiele kant van magie te waarderen, en ze werkten op een heel verspillende manier. Maar hun verspilling had tenminste genoeg levenskracht in de omgeving achtergelaten, zodat hij zich fysiek zodanig verjongd voelde dat hij niet langer een wandelstok nodig had; hoewel Wyntakata natuurlijk niet veel voorstelde. Zodra Varen een goede plek had gevonden, zou hij voorbereidingen treffen om een ander lichaam over te nemen. Hij vroeg zich terloops af wat hij allemaal zou kunnen bereiken met het niveau aan slachting dat deze buitenaardsen bewerkstelligden.  

Hij vroeg zich af waarom hij de behoefte voelde om weer op bezoek te gaan bij de Dasati. Zijn eerste contact met hen had een prachtige kans geleken, maar zodra ze hun eerste koepeltje op deze wereld hadden gezet en hij hun Miranda had bezorgd om te bestuderen, waren ze regelrecht ongastvrij geworden. Hij was vertrokken zonder afscheid te nemen, er vrij zeker van dat ze van plan waren ook hém te bestuderen. En hij was ervan overtuigd dat ze minder gunstig over hem dachten omdat hij op weg naar buiten twee van hun Doodspriesters had vermoord.  

Toch was zijn tijd bij hen niet volkomen verspild geweest, want hij wist dat hij doodsmagie beheerste waar zij alleen maar van konden dromen. En dit leek hem een uitstekend moment om de magie toe te passen, want er denderde een Dasati-patrouille over de weg op hem af.  

Hij putte uit een spoortje woede dat hij in zich droeg, riep een grote hoeveelheid levenskracht op die hij pas had verkregen en wachtte af. Er kwamen twaalf Doodsridders op hem af, en ze vertraagden hun gang toen ze hem naderden, misschien omdat ze zich afvroegen waarom een man alleen op hen zou gaan staan wachten.  

'Hallo,' zei hij in vrij aardig Dasati, geleerd van de Doodspriesters waarmee hij had onderhandeld nadat hij hun kleine verkennerwezentje had ontdekt.  

De leider richtte zijn zwaard op hem. 'Jij spreekt onze taal?'

Met een theatrale zucht zei Leso Varen: 'Alle goden, wat ben jij opmerkzaam.' Zijn hand kwam razendsnel naar voren en er schoten een dozijn slierten groene energie uit, die elk het hoofd van een Doodsridder omhulden. Ze lieten meteen hun zwaarden vallen en klauwden naar de verstikkende windingen om hun hoofd.

Binnen enkele tellen vielen ze uit het zadel en kronkelden in helse pijnen op de grond terwijl hun longen brandden. Varen kon hun leven door de slierten voelen pulseren en zijn eigen levenskracht voeden. Voor de volledigheid deed Varen hetzelfde bij de drentelende varnins, die hij allemaal doodde door hun leven uit hen te zuigen. Toen de laatste dood was, glimlachte hij. 'Nou, dat was verfrissend.'  

Hij begon weer het deuntje te neuriën terwijl hij zijn tocht naar de Zwarte Berg voortzette.

 

Puc was zo goed als uitgeput. Zelfs na zijn terugkeer van het tweede bestaansniveau had hij zich niet zo uitgehold gevoeld. Het was onder normale omstandigheden al zwaar genoeg om scheuringen te maken; maar de huidige omstandigheden waren nauwelijks normaal te noemen.  

Hij haalde diep adem en knikte naar Magnus. Zijn zoon vertoonde ook nog de sporen van hun uitstapje naar het tweede niveau, maar hij had erop gestaan zijn ouders op alle mogelijke manieren te helpen.  

Magnus tilde zijn vader op, zo ver dat hij de duizenden wezens kon zien die over de vlakten aankwamen. Ver weg in het noorden doemde de Zwarte Berg op. Hij was de afgelopen dag nog eens twee keer uitgedijd, en door de laatste groeistuip was hij weer mijlen dichterbij gekomen. Puc schatte dat hij nu twee grote steden en zo'n twintig dorpen langs de rivier bedekte, en een enorm deel van de noordelijke vlakte. Hij was zo hoog dat de bovenkant ervan in de wolken verdween: voor Puc leek het vooral op een grote zwarte muur die op hen afkwam.  

Hij gebaarde naar Magnus, die hem liet zakken.

'Kunnen we nog meer doen?' vroeg Miranda.

'Nee,' zei Puc. 'We kunnen misschien nog een paar scheuringen openen vanuit het verre westen, maar daar wonen niet veel mensen.' Hij zuchtte. 'Ik vrees dat we nu alleen nog maar kunnen afwachten hoeveel we er door de scheuring kunnen krijgen en hoe lang het nog duurt voor we hem moeten sluiten.'  

Magnus keek in de verte. 'Dat ding is over twee of drie dagen hier.'

Puc keek naar de eerste en grootste scheuring naar de nieuwe wereld en zag dat de mensen erdoorheen stroomden. Maar er stonden nog zoveel bange, vermoeide, hongerige mensen te wachten dat de rij mijlen lang was. Hij had iedereen duidelijk gemaakt dat ze zodra ze door de scheuring waren meteen moesten doorlopen, want de vallei aan de andere kant was niet groot genoeg voor al die mensen. Hij wist ook dat de mens én, als ze eenmaal aan de andere kant waren, al snel te moe zouden zijn om nog verder te trekken. Hij wendde zich tot Magnus. 'Hou ze een paar minuten tegen.'  

Magnus gaf de bevelen door aan de keizerlijke wachters, die de mensen die door de scheuring wilden gaan staande hielden. Dit veroorzaakte meteen gemor en geklaag onder de anders zo plichtsgetrouwe en gehoorzame Tsurani.

'Als je dat nog een keer doet, breekt er een rel uit,' waarschuwde Miranda.

Puc knikte.

'Hoeveel zijn er al door?' vroeg ze.

Hij schudde zijn hoofd. 'Dat weet ik eigenlijk niet. Tweehonderdduizend vandaag, misschien. De helft daarvan gisteren toen we begonnen.'  

'Nog niet eens de bevolking van een gemiddelde stad.' 

'Genoeg om een nieuwe beschaving te beginnen,' zei Magnus.  

Miranda keek haar zoon aan en besefte dat hij hun het gevoel wilde geven dat ze iets bereikt hadden. 'Alleen als ze het niet erg vinden om de volgende twee of drie generaties in lemen hutten te wonen.' Ze keek over de vlakte en zag dat er vuren werden ontstoken nu de avond inviel. 'Misschien zal wat eten en rust een aantal van hen helpen.' Terwijl ze keek naar de vuren die ontbrandden langs de horizon in het oosten en het westen, zei ze: 'Het zijn er zoveel.'  

'En er komen er nog miljoenen bij,' zei Puc. 'We gaan de meesten verliezen.'

'Dat weten we niet, vader. Ik zal ze helpen nog een scheuring te openen naar de nieuwe wereld. Ik ga door deze poort, vlieg een paar mijl verder en open nog een -'  

'We hebben er al zes in dat gebied. Het zal ze weken kosten om elkaar weer te vinden en enige vorm van communicatie op te zetten.' Puc keek om zich heen. 'We kunnen niet meer veel langer wachten voor we het Hemelse Licht erdoor sturen.'

'Denk je dat hij gaat?' vroeg Miranda. 'Hij leek toen ik hem sprak vastbesloten als laatste te vertrekken.'

Magnus glimlachte. 'Ik denk dat hij om die eer zal moeten strijden met generaal Alenburga.'

'Het maakt niet uit,' zei Puc zachtjes. 'De laatste die erdoor gaat...' Hij keek naar de kampvuren die nu aan alle kanten opvlamden. 'Iedereen die wacht om er als laatste door te gaan, zal hier sterven, Magnus.'

Zijn zoon zweeg.

 

Varen sukkelde over de weg, kijkend naar de hoge Zwarte Berg, die elk uur groter werd en toch op een of andere manier maar niet dichterbij leek te komen. 'Die is echt groot,' mompelde hij.  

Minstens vier keer in het afgelopen uur had hij kleine groepen Doodsridders vernietigd, maar hij voelde dat hij het niet zou redden toen hij over een heuvel kwam en een groep van wel honderd Dasati uit een vallei zag komen. Hij wenste dat hij wat van zijn speelgoedjes uit zijn oude werkkamer in Kaspars citadel in Olasko had, en toverde een illusie te voorschijn die hij al jaren niet meer geprobeerd had. Het was een oud trucje dat hem weinig moeite kostte. Elke Tsuranu zou zijn gestopt om wat nader te kijken naar de enorme oude, dode eik die plotseling langs de weg stond, maar de Dasati hadden geen idee dat die boom in deze wereld even vreemd was als zijzelf. Ze reden langs, en toen ze op veilige afstand waren, verscheen Varen weer en verdween de boomillusie.  

Terwijl hij verder liep, vroeg hij zich af hoe lang hij erover zou doen om de rand van de koepel te bereiken. Hij kon het niet goed inschatten, want de gladde zijkanten van de koepel boden geen aanknopingspunten om de schaal ervan te bepalen. Het ding stond misschien een mijl vanaf de overkant van de volgende heuvel, maar het konden er ook vijf zijn.  

Toen was het plotseling donker en begonnen zijn longen spastisch te hijgen, zijn oren te piepen en zijn ogen te branden.

Hij had ook het gevoel alsof een bom recht boven zijn hoofd was ontploft.

En toen werd hij vastgegrepen.

Varen zag twee Doodsridders die een ijzeren greep hadden op zijn armen en hem naar voren duwden, in de verwachting dat hij weerloos was. Maar hij was al eerder in een Dasatikoepel geweest, en plotseling ging het ademen een stuk gemakkelijker. Hij liet de Doodsridders hem meetrekken over wat een minuut geleden nog een plattelandsweggetje in de stralende zon was geweest. Nu was het een in duisternis gehuld pad, en voor zijn ogen zag hij de bladeren van de bomen aan weerszijden van de weg zwart worden en verschrompelen.

'O, wat slim is dit!' schreeuwde hij.

De twee Doodsridders verstrakten hun greep op hem, en een van hen keek hem aan. Hij was de eerste die stierf.

Varen greep simpelweg met zijn geest in het lichaam van de Dasati en zette zijn hart stil. 'O, ik vind het hier geweldig!' zei hij tegen de nog levende Doodsridder. De strijder liet Varen los en trok zijn zwaard, en Leso besefte dat hij Tsuranees gesproken had. Hij schakelde om naar Dasati. 'Ik zei: "O, ik vind het hier geweldig!'" De Doodsridder hief zijn zwaard om aan te vallen, maar Varen stak zijn hand uit en omhulde de Doodsridder met een cocon van groene, levensverslindende energie.  

Varen bleef roerloos staan terwijl de Doodsridder stierf.

Anderen vlakbij zagen de mens staan met de twee levenloze Doodsridders aan zijn voeten, en stormden op hem af. Varen kneep gewoon het leven uit hen, tot er geen levende Doodsridder meer in zicht was.  

'Vroeger kon ik dat nooit!' riep hij uit, uitgelaten over zijn nieuwe kracht. 'Het moet door deze plek komen!'

Hij keek om zich heen, paste zijn zicht aan, en overal waar hij keek zag hij levensenergie naar het binnenste van de grote bol stromen. 'Daar moet ik heen,' zei hij.

Geen moment vroeg hij zich af waar die impulsen die zijn leven bestuurden vandaan kwamen. Hij accepteerde ze, en wist dat hoe meer hij aan zijn meest buitenissige en destructieve impulsen toegaf, hoe meer pijn hij veroorzaakte, hoe meer chaos hij schepte, des te blijer hij werd. Af en toe had hij in het verleden helemaal alleen gewerkt, in een schimmelige oude grot of een vochtige hut in een stinkend moeras. Soms had hij het zich met list en bedrog gemakkelijk gemaakt en in luxe geleefd als gast van gedupeerden zoals de baron van Nes of de hertog van Olasko. Hij had ook wel geleden, en hij had ontdekt dat doodgaan helemaal niet leuk was, zelfs niet als hij even later ontwaakte in een gezond, nieuw lichaam. Hij had ook ontdekt dat van achteren doorboord worden met een zwaard zijn minst favoriete manier om te sterven was. Hij haalde diep adem. Had hij maar toegang tot de onvoorstelbare levensenergie die hij hier aantrof, of eigenlijk dat ongelooflijke moment van onbeschrijflijke macht als het leven overging in de dood. Had hij die kennis en macht jaren geleden maar gehad, dan zou hij nu heersen over Midkemia.  

'Ik moet weten wat dit is!' zei hij hardop. Hij liep naar de nexus van al die vreemde en prachtige doods magie.

 

Nakur kwam bij. Hij had bewusteloos achter de troon gelegen vanwaar de tekarana de slachting van duizenden kon observeren. Hij had geen idee hoe lang geleden hij afscheid had genomen van Puc en Magnus. Zijn mond voelde zo droog dat het vast een hele dag was geweest, of misschien wel langer. Hij richtte zich op en reikte in zijn ransel. Die was leeg. Zuchtend deed hij de ransel af en duwde hem aan de kant. Hij had ook niet echt honger gehad, maar had uit gewoonte een sinaasappel willen pakken. Hij liet het beetje water in de waterbuidel aan zijn riem rondklotsen en vond het vreemd dat hij ook geen dorst had, ondanks zijn droge mond. Toen besefte hij wat er gaande was. 'Ach. Dat is ... briljant!'  

Hij draaide zijn hoofd om te zien wat er in de put gebeurde. Het tafereel maakte hem bedroefd. Elke minuut vielen er honderden lichamen omlaag, en steeds meer van de essentie van de opperdrocht veranderde in dampende rook en draaide omhoog in een waanzinnige cycloon van wind die opsteeg van de bodem van de put. Hij trok zich om de troon heen. Nu kon hij de opperdrocht nog maar amper zien, zoveel van het wezel} werd opgeofferd in de maalstroom die hij gebruikte om deze wereld met Kelewan te verbinden.

Plotseling voelde Nakur zich merkwaardig vrolijk. 'Het is bijna tijd!' fluisterde hij. Hij liep een stukje door en ging voor de grap op de troon van de tekarana zitten. Valko zou het vast niet erg vinden.

Hij wachtte.

 

'Waarom komen ze niet?' vroeg Martuch.

Twee dagen lang wachtten de strijders van de Witte en de talnoywachters al op een aanval van Tempeldoodsridders die loyaal waren aan de Duistere. Maar er was nog geen aanval gekomen.

De paar Minderen in de privévertrekken van de tekarana die in leven waren gelaten, hadden opdracht gekregen om voedsel te bereiden voor de anderen die hier zaten te wachten.

Bek had bewegingloos in dezelfde houding gestaan, wachtend op de invaL Hij had al twee dagen niets gegeten of gedronken. Zelfs de meest geharde Doodsridder begon er wat ontdaan van te raken.  

Plotseling zei Bek: 'Ze komen niet.'

'Hoe weet je dat?' vroeg Valko.

De enorme strijder draaide zich met een bijna demonische grijns om. 'Ik weet het gewoon. Je bent veilig. De Duistere is druk en komt niet terug. Hij vertrekt straks van deze wereld. Ik kan nu gaan.' Plotseling straalde er een scharlakenrood licht rond de grote krijger op en viel hij om.

Meteen daarna klonk er een galmende stem vanuit het niets. 'Ik ben Kantas-Barat! Ik ben terug.'

De Doodsridders keken elkaar aan, en vader Juwon zei: 'De oude goden keren terug!'

Hirea rende naar Bek toe en onderzocht hem snel. 'Hij is dood!'

Martuch schudde zijn hoofd. 'Hij is al heel lang dood, denk ik. Wat er ook in hem zat, het had hem niet meer nodig. Ik hoop dat het voor een goede zaak was.' Toen verhief hij zijn stem. 'Kom, het wordt tijd om een eind aan deze waanzin te maken en onze natie weer te gaan opbouwen.'

De meesten juichten, ook Valko, maar hij keek uit het raam naar de chaos van brand en rook in de stad en wist dat het conflict ondanks dit geveinsde optimisme nog niet voorbij was.

 

Puc lag te dommelen. Hij schrok wakker en keek om zich heen. 'Hè?'

'Vader,' zei Magnus. 'Wat is er?'

'Iets .. .' Hij stond op en keek de nacht in. 'Er verandert iets.'

Hij had geslapen in een tent die haastig was opgezet bij het commandopaviljoen waar de keizer en zijn generaals waren ondergebracht. Hij keek om zich heen en zag de enorme scheuring op korte afstand. Het fakkellicht gaf het hele tafereel een spookachtig contrast, onderbroken door hier en daar een flakkerende amberkleurige of rode gloed.  

De stroom vluchtelingen was nu een rivier, en terwijl hij zwijgend toekeek liepen er honderden mensen door de scheuring een andere wereld in.  

'Hoeveel?' vroeg hij aan Magnus.

'Niemand weet het zeker. Misschien intussen een miljoen, door alle poorten. Misschien meer.'

'Misschien minder.'

Magnus schudde gelaten zijn hoofd. 'We doen wat we kunnen.'

'Waar is de koepel?'

'Zo'n vijftig mijl ten noorden van de Stad op de Vlakte.'

Puc kon wel janken. Toen hij het de vorige keer vroeg, was de koepel meer dan honderd mijl verderop. Hij liet langzaam zijn adem ontsnappen. 'Als er geen wonder gebeurt, raken we morgen laat in de middag de scheuringen kwijt.'

Magnus wist wat zijn vader bedoelde. Alle scheuringen op deze wereld moesten worden gesloten voordat de Duistere ze bereikte. Als hij Kelewan dan in moest nemen, dan moest dat maar. Ze konden hergroeperen op Midkemia en dan bedenken hoe ze hem het beste konden opsluiten op deze wereld, als dat mogelijk was.

Maar als hij zich toegang wist te verschaffen tot de nieuwe Tsuraniwereld of tot Midkemia, dan zouden de verschrikkingen die zich hier voltrokken uiteindelijk daar worden herhaald.  

Plotseling blies een windvlaag alles opzij toen er een enorme donderklap galmde. Er danste bliksem over het oppervlak van de Zwarte Berg en Puc schreeuwde: 'Nu! Breng de keizer door de poort!'  

Keizerlijke wachters renden naar de commandotent.

'Wat is er gebeurd?' vroeg Magnus.

'Weet ik niet, maar we hebben niet meer tot morgenmiddag de tijd.'

De Zwarte Berg was geen vijftig mijl ten noorden van de stad meer. Hij bevond zich nu nog minder dan een mijl ten noorden van de scheuringen, wat betekende dat er in één klap minstens een miljoen mensen door waren verzwolgen.

Puc kon zijn tranen niet bedwingen.