1
Ontsnapping
Miranda gilde.
De verzengende pijn die haar geest in de greep had, verzwakte heel even, en in dat ogenblik vond ze waar ze naar op zoek was geweest. Het overgrote deel van haar bewustzijn was bezig met een wilsstrijd tegen haar overweldigers, maar een heel klein deeltje - een gedisciplineerd deeltje - was in gereedheid gebracht. Tijdens vele dagen van ondervraging en onderzoek had ze elke kleine onderbreking gebruikt om dit flardje van haar intellect af te scheiden, om op een of andere manier de verblindende pijn te overstijgen en haar omgeving te observeren. Gedurende de laatste vier ontmoetingen met de Doodspriesters van de Dasati had ze die afstandelijkheid bereikt en haar lichaam opgedragen de pijn te weerstaan. Het was er nog, wist ze, en haar rauwe zenuwen protesteerden wel tegen de buitenaardse energie die over het oppervlak van haar geest stroomde, haar onderzocht en speurde naar inzicht in haar wezen, maar ze had eeuwen geleden al geleerd fysieke pijn te negeren. De mentale aanvallen waren veel moeilijker, want die vormden een aanslag op het fundament van haar kracht, de unieke intelligentie waardoor ze op haar thuiswereld een superieure magiër was.
Die Dasati-geestelijken deden geen moeite om subtiel te zijn. Aanvankelijk hadden ze haar gedachten opengescheurd als een beer die een boomstronk openrijt op zoek naar honing. Een mindere geest zou bij de eerste aanval al onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. Na drie van die aanvallen was Miranda's geest bijna gebroken. Toch had ze zich verzet en, wetend dat er zonder overleven geen overwinning mogelijk was, had ze al haar aanzienlijke talenten eerst gericht op standhouden en daarna op inzicht verkrijgen.
Haar vermogen om de vreselijke aanvallen terzijde te schuiven en zich te richten op dat kleine beetje kennis dat ze had vergaard, hield haar bij zinnen. Haar vastberadenheid om haar gevangenschap te overleven en met die kennis terug te keren, gaf haar een doel.
Nu deed ze of ze bewusteloos was, een nieuwe strategie in haar worsteling met haar cipiers. Als ze geen geraffineerdere vaardigheden bezaten dan Miranda tot dusver had gezien, zouden ze haar toneelspel niet opmerken: voor hen leek ze uitgeschakeld. Die geveinsde bewusteloosheid was haar eerste succesvolle betovering sinds haar gevangenschap was begonnen. Ze riskeerde net voldoende lichaamsbewustzijn om ervoor te zorgen dat haar ademhaling langzaam en licht was, al vermoedde ze dat de Doodspriesters die haar bestudeerden nog te weinig over mensen wisten om te weten op welke fysieke tekens ze moesten letten. Nee, haar worsteling vond plaats in haar geest, en daar zou ze uiteindelijk triomferen. Ze had meer over haar cipiers ontdekt dan zij over haar, daar was ze zeker van.
Individueel konden de Dasati haar, of zelfs maar een van haar gevorderde studenten thuis, niet aan. Ze wist zeker dat als Leso Varen haar niet in de val had laten lopen om haar te desoriënteren, ze de twee Doodspriesters die haar hadden gegrepen met gemak had kunnen uitschakelen. Maar Varen moest ze niet onderschatten. Hij was een doodsbezweerder met eeuwen aan ervaring, en in haar eentje zou ze moeilijk tegen hem op kunnen. Voor zover zij wist, was zijn lichaam drie maal gedood, door meerdere tegenstanders en ook in een verrassingsaanval, maar toch had hij het overleefd. Samen hadden Varen en de Doodspriesters haar snel overmeesterd.
Nu kende ze de Doodspriesters voor wat ze waren: een soort doodsbezweerders. Heel haar leven had Miranda, net als veel andere magiërs op Midkemia, geestelijke magie afgedaan als een soort manifestatie van de macht van de goden. Nu had ze daar spijt van. Haar echtgenoot Puc was de enige magiër die zij kende die enig inzicht had in de magie van geestelijken, die er zoveel mogelijk over had geleerd, ook al waren de verschillende ordes dan vaak zwijgzaam. Hij had heel veel geleerd over die duisterste vorm van magie door zijn herhaalde ontmoetingen met de Pantathische slangenpriesters, een doods cultus met zijn eigen waanzinnige ambities. Puc had meerdere van hun pogingen om verwoesting te zaaien verijdeld. Miranda had onverschillig geluisterd naar gesprekken over dat onderwerp, maar nu wenste ze dat ze beter had opgelet.
Nu leerde ze echter met de minuut meer. De Doodspriesters waren onhandig en onnauwkeurig in hun onderzoek en onthulden vaak evenveel over hun eigen magische aard als ze leerden over die van haar. Hun gebrek aan finesse was in haar voordeel.
Ze hoorde haar cipier vertrekken, maar hield haar ogen dicht terwijl ze langzaam haar bewustzijn liet terugkeren naar de hogere regionen van haar geest, zich doorlopend vasthoudend aan het inzicht dat ze zojuist had verworven. Toen keerde de helderheid terug. En daarmee ook de pijn. Ze onderdrukte de neiging om te jammeren en probeerde haar pijn te beheersen met diepe ademhalingen en mentale discipline.
Ze lag op een plaat steen, maar het steen had een eigen kwaadaardige aard, een uitstraling van energie die Miranda niet kende. Alleen al het contact ermee was onplezierig, en zij lag cr naakt op vastgebonden. Ze was misselijk en drijfnat van de transpiratie. Haar spieren dreigden te verkrampen en ze zat niet te wachten op die extra pijn, vooral niet terwijl ze vastgehonden was. Ze gebruikte elke truc die ze tot haar beschikking had om haar gekerm te onderdrukken, kalm te blijven en de pijn te laten wegvloeien.
Bijna een week onderging ze nu de onderzoeken van de Dasati, de vernedering en de pijn, terwijl zij ernaar streefden zoveel mogelijk over haar en het menselijk ras te ontdekken. In het geheim was ze dankbaar voor hun onbeholpen benadering, want die bood haar twee voordelen: ze hadden geen ervaring met menselijk bedrog, en ze onderschatten haar enorm.
Ze zette haar speculaties over de Dasati van zich af en richtte haar aandacht op een ontsnapping. Toen ze eenmaal gevangen was genomen door Leso Varen en de Doodspriesters had ze snel beseft dat de beste aanpak was om haar ondervragers net voldoende waarheid voor te schotelen zodat alles wat ze zei geloofwaardig zou klinken. Varen, wiens kwaadaardige geest momenteel in het lichaam huisde van de Tsuranimagiër Wyntakata, was niet meer verschenen sinds ze was meegenomen. Daar was Miranda dankbaar voor, want hij zou de Dasati een nog veel groter voordeel ten opzichte van haar hebben gegeven. Ze wist dat hij zijn eigen krankzinnige plannen had, dat hij alleen maar had samengewerkt met de Dasati zolang hem dat uitkwam en niets gaf om het succes van hun gestoorde ambities, enkel om die van zichzelf.
Ze opende haar ogen. Zoals verwacht, waren haar Dasaticipiers weg. Even was ze bezorgd geweest dat een van hen misschien was achtergebleven om haar te observeren. Soms spraken ze gemoedelijk tegen haar, alsof ze kletsten met een gast, maar op andere momenten onderwierpen ze haar aan fysiek geweld. Er leek niet echt een patroon of logica in hun handelen te zitten. Aanvankelijk hadden de Doodspriesters haar haar krachten laten behouden, want ze hadden enorm veel zelfvertrouwen en wilden het bereik van haar vaardigheden zien. Maar op de vierde dag van haar gevangenschap had ze naar een Doodspriester uitgehaald met de volle kracht van haar magie toen hij zo brutaal was haar naakte lichaam aan te raken. Daarna hadden ze met een bezwering haar krachten beteugeld, waarna ze niet langer in staat was die nog te gebruiken.
De gillende zenuwen in elk stukje van haar lichaam brachten haar in herinnering dat ze nog altijd gefolterd werd. Ze haalde heel diep adem en wendde al haar vaardigheden aan om de pijn te dempen tot ze die weer kon negeren.
Miranda haalde nog eens diep adem en probeerde te bepalen of dat wat ze zojuist over haar cipiers had ontdekt echt waar was, of gewoon ijdele hoop. Ze dwong haar geest op een nieuwe manier te werken en gebruikte haar kleine bezwering, die ze zo zachtjes uitsprak dat het amper te horen was. En de pijn sijpelde langzaam weg! Ze had in ieder geval gevonden waar ze naar had gezocht.
Ze deed haar ogen dicht en haalde het beeld naar voren dat ze had gezien terwijl ze werd gemarteld. Ze wist intuïtief dat ze iets extreem belangrijks had gevonden, maar ze wist nog niet helemaal zeker wat het was. Eventjes wenste ze dat ze op een of andere manier kon communiceren met Puc of zijn vriend Nakur, want beide mannen hadden een diep inzicht in de aard van de magie, van de energieën die magiërs gebruikten; dat wat Nakur maar 'spul' bleef noemen. Ze glimlachte lichtjes en haalde nog eens diep adem. Ze zou hebben gelachen als ze zich niet zo onplezierig had gevoeld.
Nakur zou het prachtig vinden. Hij zou veel genoegen scheppen in wat zij zopas over dit rijk van de Dasati had ontdekt: het 'spul' van dit rijk leek op de energieën die elke magiër op Tovenaarseiland kende, maar het was... Hoe zou Nakur dat zeggen? Het was vervormd. Het leek wel alsof de energie haaks wilde bewegen ten opzichte van wat zij kende. Ze had het gevoel alsof ze helemaal opnieuw leerde lopen, maar deze keer moest ze 'zijdelings' denken om voorwaarts te bewegen.
Ze tastte rond met haar geest en liet haar mentale 'vingers' de gespen van haar boeien aanraken. Het kostte haar bijna geen moeite ze open te maken, en ze bevrijdde zich snel.
Toen ze eenmaal overeind zat, rolde ze met haar schouders en strekte haar rug en benen om haar bloedsomloop op gang te brengen. Tegelijkertijd voelde ze ook een beursheid die tot in haar merg leek door te dringen. Miranda had een leven van eeuwen geleid, maar ze zag er niet ouder uit dan veertig. Ze was slank, maar verrassend sterk, want ze ging graag wandelen door de heuvels van Tovenaarseiland en zwemmen in de zee. Haar donkere haren droegen nog maar een spoortje grijs, en haar donkere ogen waren helder en jeugdig. De effecten van de magie, zo was ze gaan geloven, boden bepaalde beoefenaars ervan een lang leven.
Ze haalde nog eens diep adem. De kriebels in haar maag werden minder. De Dasati hadden tenminste geen hete poken of scherpe voorwerpen gebruikt, en hadden haar een tijdje alleen maar geslagen toen ze dachten dat ze daardoor meer informatie zouden krijgen.
Als ze Nakur ooit weer zag, zou ze hem een dikke kus geven, want zonder zijn hardnekkige bewering dat magie op een of andere manier bestond uit een fundamentele energie, zou ze nooit hebben ingezien waardoor het hier in het Dasatirijk anders werkte...
Ze was ervan overtuigd dat ze nog op Kelewan was, in de zwarte energiekoepel die ze net voordat ze gevangengenomen was had gezien. Deze 'ruimte' was niets meer dan een kleine cel, en hoog erboven bevond zich een inktzwarte leegte, of althans een plafond dat zo hoog was dat het in de duisternis verdween. Nu ze niet meer aan de plaat steen vastgebonden lag, kon ze eindelijk haar omgeving eens goed in ogenschouw nemen. Het gedeelte waar ze zich bevond was met gordijnen afgesloten, maar ze zag de gebogen koepel boven haar hoofd oprijzen, want de staanders en roeden waar de gordijnen aan hingen, waren maar ongeveer tien voet hoog. Het materiaal had een egale, donker grijsblauwe kleur, voor zover ze kon beoordelen bij het licht in de kamer, dat kwam van een soort pulserende grijze steen op een tafeltje vlakbij. Ze deed haar ogen dicht, tastte om zich heen met haar geest, en even later stuitte ze op iets wat alleen de schil van de koepel kon zijn.
Hoe waren de haar bekende regels van de magie dan vervangen door de regels van de Dasati? Het leek wel alsof ze hun eigen wereld hadden meegebracht...
Ze stond op. Plotseling begreep ze het. Ze waren niet alleen een invasie op Kelewan van plan; ze wilden Kelewan veranderen, converteren naar een wereld waarin zij prettig konden leven. Ze wilden de wereld koloniseren!
Nu was het allereerst van belang dat ze zich bevrijdde uit deze gevangenis, onmiddellijk naar de Assemblee ging en daarna terugkeerde om de Grootheden te waarschuwen. De Dasati hoefden alleen deze koepel maar uit te breiden. Het zou niet gemakkelijk zijn, maar met genoeg energie kon deze koepel de hele wereld gaan omvatten en de atmosfeer veranderen in die van het tweede bestaansniveau. In het gunstigste geval zouden de Dasati deze wereld kunnen laten lijken op Delecordia, de wereld waarvan Puc had ontdekt dat die op een of andere manier tussen de twee niveaus bestond.
Ze tastte verder rond met haar geest. Ze hield de tasters klein en zwak, klaar om ze terug te trekken zodra ze een intelligentie raakten, zodat geen van de Doodspriesters of andere Dasati zou ontdekken dat ze vrij was.
Ze keek rond in de ruimte, zag haar kleding op een stapeltje in de hoek liggen en kleedde zich snel aan. Hoewel ze er geen moeite mee had naakt te verschijnen in de zalen van de Assemblee van Magiërs, en hoewel de Tsurani zich veel minder druk maakten om naaktheid dan veel culturen op Midkemia, vond ze het ergens toch niet eerbiedwaardig.
Miranda weifelde. Ze had weinig tijd, maar ze wenste toch dat ze nog even kon blijven en op onderzoek uit kon gaan, zodat ze naar de Assemblee terug kon keren met betere informatie. Even vroeg ze zich af of ze misschien een bezwering kon verzinnen om onzichtbaar te worden, zodat ze rond kon sluipen in deze... bel. Nee, ze kon beter eerst de anderen gaan waarschuwen en dan terugkeren met de verzamelde kracht van de Assemblee achter zich.
Ze sloot haar ogen en betastte met haar geest de schil boven haar. Het was pijnlijk en ze trok zich snel terug, maar ze had ontdekt wat ze weten moest. Die schil was de grens tussen haar rijk en dat van de Dasati, of tenminste het deel dat ze hadden meegenomen naar Kelewan. Ze zou erdoorheen kunnen komen, maar ze had meer tijd nodig om zich voor te bereiden.
Omdat ze zich afvroeg hoeveel tegenstanders hier waren, stuurde ze een vezeltje perceptie naar buiten, een minuscule voeler om levensenergie mee te detecteren. Als ze het goed aanpakte, zou niemand die moeten kunnen opmerken. Ze voelde een vleug energie zo licht als een paardenbloemzaadje, gedragen op de bries die haar wang raakte, en trok zich meteen terug opdat ze niet werd opgemerkt. Dat was één. Steeds opnieuw ging ze op onderzoek uit, tot ze er zeker van was dat er momenteel slechts twee Doodspriesters in de koepel waren.
Ze haalde diep adem en bereidde zich voor. Toen weifelde ze weer. Ze wist dat vluchten de verstandigste keus was, zo snel mogelijk naar de Assemblee gaan en dan terugkeren met een schare Zwarte Gewaden om deze inval in Kelewan de kop in te drukken. Maar een ander deel van haar wilde meer weten over de indringers, om beter te begrijpen wie de vijand was. Ze maakte die gedachte met een gevoel van angst af: voor het geval Puc niet terugkeerde van de Dasatiwereld.
Miranda vertrouwde erop dat ze met haar kracht beide Doodspriesters wel aankon, en misschien zelfs een ervan wel gevangen kon nemen. Ze zou hen graag trakteren op dezelfde gastvrijheid die ze haar hadden getoond. Maar ze wist dat Varen waarschijnlijk was teruggekeerd naar de Assemblee. Als men hem daar zou vragen waar ze was, zou hij gewoon zeggen dat ze onverwachts terug had gemoeten naar Midkemia. Het zou weken duren voordat in Kelewan bekend werd dat ze niet thuis was gekomen en voordat de Assemblee onderzoek zou gaan doen naar haar verdwijning. Een van de nadelen van wie ze was, een agent voor het Conclaaf, was de geheimzinnigheid rond veel van haar activiteiten. Het kon wel een maand duren voordat iemand bedenkingen kreeg over haar afwezigheid.
Ze bestudeerde de 'muur' waar ze bij in de buurt stond. Voorzichtig tastend met haar zintuigen probeerde ze het ritme van de energieën aan te voelen. Dit zou een riskante onderneming worden, want ze wist weinig van het omliggende terrein en bij een grote sprong vanuit de dichte magische koepel naar een bekende plek, bijvoorbeeld naar de Assemblee, kon ze voor onbekende moeilijkheden komen te staan.
Ze besloot dat het verstandiger was een klein stukje te springen, naar een heuve1 die ze zich herinnerde omdat de herenstruiken er vol in bloei stonden; ze had die opgemerkt net voor ze op de top van de heuvel aankwam en de koepel had gezien.
Toen voelde ze een aanwezigheid. Ze draaide zich abrupt om en zag een Doodspriester staan. Hij had een soort toestel in zijn hand, dat hij op haar richtte. Ze deed haar best om toe te passen wat ze over de magie hier had geleerd en stuurde een bezwering op hem af die hem alleen maar omver had moeten kegelen. In plaats daarvan voelde ze energie uit zich stromen alsof die uit haar lichaam werd gerukt, en zag ze de geschokte blik op zijn buitenaardse gezicht toen hij met een dreun door een onzichtbare kracht werd geraakt en achteruit door het gordijn vloog.
Achter het gordijn bevond zich een muur van een soort buitenwerelds hout. De muur ontplofte toen de Doodspriester er dwars doorheen ging en in de cel erachter belandde. Hij had een bloedige veeg achtergelaten op de vloer, en Miranda merkte verbaasd op dat Dasatibloed meer oranje dan rood was.
De onverwachte onstuimigheid van de aanval had ook een onverwacht voordeel. De tweede Doodspriester lag roerloos op de vloer; hij was in het voorbijgaan geraakt door zijn kameraad.
Miranda onderzocht snel de twee Dasati en concludeerde dat de eerste dood was en de tweede buiten westen. Ze keek om zich heen om te zien of er misschien nog iemand was ontsnapt aan haar zintuigen, maar even later wist ze zeker dat ze alleen was met een lijk en een potentiële gevangene.
Nu één muur verbrijzeld was en een andere omver lag, zag ze eindelijk haar gevangenis in zijn geheel. De koepel was niet groter dan honderd voet in doorsnee, onderverdeeld met houten scheidingswanden en gordijnen. Daartussen stonden twee slaapvlonders, een tafel met schrijfmateriaal, nog zo'n buitenaardse stenen lamp en een kist. Er lag een grote geweven mat op de aarden vloer. Snel bekeek ze de andere ruimtes, waarin ze een onbegrijpelijke verzameling voorwerpen aantrof. Het enige wat ze niet ontdekte, was het toestel dat het hun mogelijk had gemaakt de reis vanuit het Dasatirijk naar Kelewan te maken. Ze had iets groots verwacht, iets wat leek op de scheuringsmachines van de Tsurani of in ieder geval een platform, maar ze zag niets wat duidelijk in aanmerking kwam.
Ze was al boos, maar nu dreef de frustratie haar tot op de rand van de woede. Hoe durfden die wezens dit rijk binnen te vallen en haar te molesteren! Heel haar leven kampte Miranda al met een opvliegende aard, een karaktertrek die ze van haar moeder had geërfd, en hoewel ze zich meestal vrij kalm wist te houden, wist haar familie al heel lang dat het maar het beste was haar uit de weg te gaan als ze uiteindelijk haar geduld verloor.
Er lag een stapel vreemd wasachtige papieren op de vloer, en Miranda bukte zich om er een paar van te pakken. Wie wist wat erop geschreven stond, in die buitenaardse taal? Misschien konden ze daaruit wat meer ontdekken over die wezens.
Ze hoorde een zacht gekreun en zag de Doodspriester die bewusteloos was geslagen zich verroeren. Zonder erbij na te denken stond ze op, zette een stap naar hem toe en schopte hem uit alle macht tegen zijn kaak. 'Au!' De kaak van de Dasati was hard als graniet. 'Vervloekt!' mopperde ze, bang dat ze haar voet had gebroken. Met de papieren in de hand knielde ze naast de bewusteloze gestalte neer en greep hem bij het voorpand van zijn mantel. 'Jij komt met mij mee!' snauwde ze.
Miranda deed haar ogen dicht en richtte al haar aandacht op de wanden van de koepel. Ze voelde de merkwaardige stroming van de energie en stelde zich erop in, alsof ze draaide aan de knoppen van een luit om de snaren te stemmen.
Toen ze dacht dat ze er klaar voor was, wenste Miranda zichzelf naar buiten, een stukje verwijderd van de andere kant van de muur. Ze gilde toen haar hele lichaam kortstondig werd gepijnigd door een waterval aan energieën, alsof er ijs door haar zenuwen sneed, en toen lag ze op haar knieën op het droge gras in de heuvels van de provincie Lash. Het was ochtend, wat haar om een of andere reden verbaasde, en ze kon amper staan van de pijn die zelfs ademhalen kostte.
Haar hele lichaam protesteerde hij de terugkeer naar haar natuurlijke omgeving. Wat de Dasati ook hadden gedaan om haar in hun rijk te laten leven, of dat stukje ervan onder de koepel althans, de terugkeer ging gepaard met helse pijn.
De Doodspriester leek de overgang ook overleefd te hebben. Ze knielde bij hem neer en greep zijn mantel vast alsof hij haar enige houvast aan het bewustzijn was. Even later werd de pijn minder, en geleidelijk voelde ze dat ze zich begon aan te passen. Na een diepe, huiverende ademhaling knipperde ze met haar ogen, maar ze deed ze meteen weer dicht. 'Dit is niet goed.'
Ze haalde nog eens diep adem, negeerde de vreselijke pijn die ze had gevoeld toen ze haar ogen opende, en verplaatste zich met haar wil naar de patroonkamer in de Assemblee.
Er waren twee magiërs in de ruimte toen ze verscheen. Ze smeet haar gevangene voor hen neer. 'Kluister hem. Hij is een Doodspriester van de Dasati.' Ze wist niet of deze twee op de hoogte waren van de kennis die Puc met de Assemblee had gedeeld sinds de talnoy voor onderzoek naar Kelewan was gebracht, maar elke levende Grootheid had van de Dasati gehoord. Toen ze er eentje bewusteloos aan hun voeten zagen liggen, weifelden ze even, maar toen gaven de Zwarte Gewaden haastig gehoor aan haar bevel. De stress van de ontsnapping samen met een gevangene had Miranda haar laatste, toch al verbruikte krachten gekost. Ze nam twee wankele passen en viel bewusteloos op de vloer.
Miranda deed haar ogen open en zag dat ze in de vertrekken was die voor haar en Puc gereserveerd waren als ze op bezoek kwamen. Alenca, het oudste lid van de Assemblee van Magiërs, zat met een uitgestreken en onbezorgd gezicht op een krukje hij haar bed, als een grootvader die geduldig wachtte tot een kind herstelde van een ziekte.
Miranda knipperde met haar ogen en vroeg met krakende stem: 'Hoe lang?'
'Eén middag, afgelopen nacht en de hele ochtend. Hoe gaat het met je?'
Miranda kwam voorzichtig overeind en ontdekte dat ze een eenvoudig wit linnen hemd droeg. Alenca glimlachte. 'Ik hoop maar dat je het niet erg vindt dat we je gewassen hebben. Je was er niet best aan toe toen je hier verscheen.'
Miranda zwaaide haar benen uit bed en ging behoedzaam staan. Haar gewassen, geperste mantel lag op haar te wachten op een divan voor een raam dat uitzicht bood over het meer. De middagzon fonkelde op het water. Zonder zich te bekommeren om de oude man die naar haar keek, verruilde ze het hemd voor haar mantel. 'En de Dasati?' vroeg ze terwijl ze zichzelf bekeek in het spiegeltje aan de muur.
'Hij is nog altijd bewusteloos en, zo schijnt het, stervende.'
'O ja?' zei Miranda. 'Ik dacht niet dat hij zo ernstig gewond was.' Ze keek de oude magiër aan. 'Ik moet hem zien, en we moeten zoveel mogelijk leden naar de Assemblee roepen.'
'Al gebeurd,' zei de oude man grinnikend. 'Het nieuws over de gevangene heeft zich snel verspreid, en alleen leden die te ziek waren om te reizen zijn er niet.'
'En Wyntakata?' vroeg Miranda.
'Die is onvindbaar, natuurlijk.' Hij wuifde Miranda door de deur naar de gang en liep met haar mee. 'We nemen aan dat hij dood is of hier op een of andere manier de hand in heeft gehad.'
'Hij is Wyntakata niet,' zei Miranda. 'Hij is Leso Varen, de doods bezweerder.'
'Ah,' zei de oude man. 'Dat verklaart veel.' Hij zuchtte toen ze een hoek omgingen. 'Jammer, eigenlijk. Ik was erg gesteld op Wyntakata, hoewel hij nogal eens onsamenhangend was. Maar hij was intelligent, en altijd goed gezelschap.'
Miranda vond het moeilijk de gastheer te scheiden van de parasiet die hem bewoonde, maar ze besefte dat de oude man dit nieuws oprecht betreurde. 'Het spijt me dat je een vriend kwijt bent,' zei ze, 'maar ik vrees dat we nog veel meer vrienden zullen verliezen voordat deze toestand achter de rug is.'
Ze bleef bij een kruising van brede gangen staan en keek naar haar metgezel, die beduidde dat ze een lange gang in moesten. 'We hebben de Dasati opgesloten in een afgeschermde ruimte.'
'Mooi,' zei Miranda.
Twee leerlingmagiërs in grijze mantels stonden op wacht bij de deur. In de kamer waakten twee Grootheden bij de gestalte van de Doodspriester.
Een van hen, een man die Hostan heette, begroette Miranda terwijl de andere de bewusteloze op de slaapvlonder in het oog hield. 'Cubai en ik zijn ervan overtuigd dat er iets heel erg mis is met deze... man.'
De magiër die bij de Doodspriester stond, knikte. 'Hij heeft nog niet de indruk gewekt dat hij bezig was bij te komen, en zijn ademhaling lijkt moeizamer te gaan. Als hij menselijk was, zou ik zeggen dat hij koorts had.' Hij schudde hopeloos zijn hoofd. 'Maar bij dit wezen heb ik geen flauw idee waar ik op moet letten.'
Cubai was een magiër die veel meer belangstelling had voor geneeskunde dan de meeste andere Zwarte Gewaden, aangezien dat meer het terrein was van genezers van het Mindere Pad van de magie en van geestelijken van bepaalde ordes. Miranda vond hem de ideale kandidaat om bij de Doodspriester te waken.
'Terwijl ik hun gevangene was, heb ik een paar dingen over die wezens ontdekt,' zei Miranda. 'De Dasati zijn niet zo heel anders dan mensen, althans, zoals elfen, dwergen en kobolden op ons lijken: min of meer menselijk van vorm, rechtopstaand op twee benen, ogen aan de voorzijde van een herkenbaar gezicht. Ik weet dat ze twee geslachten hebben, mannelijk en vrouwelijk, en dat de vrouwen hun nageslacht in hun lichaam dragen. Dat heb ik weten af te leiden terwijl ik grondig door de Doodspriesters werd onderzocht. Ik spreek hun taal niet, maar ik heb intussen wel een paar woordjes opgepikt en een indruk gekregen van wat ze van mensen vinden.'
Ze draaide zich om toen een handjevol magiërs, die gehoord hadden dat ze zich hersteld had en bij de Doodspriester was, de kamer binnen kwamen. Ze verhief haar stem zodat iedereen haar kon verstaan. 'Ze zijn fysiek een behoorlijk stuk sterker dan wij. Ik denk dat het een eigenschap van hun aard is, die wordt versterkt door hun aanwezigheid op deze wereld. Maar ik denk dat ze wat moeite hebben met de verschillen tussen de twee werelden, vandaar die energiekoepel waarin ze zich ophielden. Een gemiddelde strijder van hun volk kan iedereen behalve de allersterkste mens verslaan, of het nu een Tsuranikrijger of een soldaat uit het Koninkrijk is.' Dit was het beste moment om het idee van Midkemiaanse hulp aan hen voor te leggen, dacht ze.
Ze keek naar de Doodspriester en probeerde dat wat ze zag te rijmen met wat ze had geobserveerd terwijl hij en zijn metgezel op haar experimenteerden. 'Hij ziet er niet goed uit, dat is duidelijk.' Ze boog zich over hem heen en zag een laagje zweet op zijn voorhoofd. 'Ik denk dat je gelijk hebt over die koorts, Cubai. Hij lijkt me nogal bleek, maar dat kan ook door het licht hier .. .' Ze brak haar zin af toen ze de oogleden van het wezen zag bewegen en stapte achteruit. 'Ik geloof dat hij bijkomt!'
Twee magiërs begonnen meteen afweren te prevelen terwijl anderen insluitings-bezweringen in gereedheid brachten, maar de Dasati werd niet wakker. Hij kreunde diep van pijn, en vervolgens begon zijn lichaam te schokken. Miranda wilde hem liever niet aanraken, en daardoor kon ze niet voorkomen dat hij van de slaapvlonder viel en op de vloer belandde.
Hij stuipte nu hevig, en zijn huid begon blaren te vertonen. Miranda wist niet zeker wat er gaande was, dus riep ze de anderen toe: 'Houd afstand!'
De magiërs stapten achteruit. Plotseling werd het lichaam van de Doodspriester omgeven door vuur, en vervolgens werden de omstanders verblind door een uitbarsting van hitte en licht die hun haren verschroeide en waardoor iedereen nog wat verder achteruit deinsde.
Het stonk in de kamer naar zwavel en rottend, gebraden vlees, en veel van hen kokhalsden ervan. Terwijl ze achteruit wegliep hij de vuurbal zag Miranda alleen nog de vage omtrekken van een lichaam, afgetekend in de witte as op de vloer.
'Wat was dat nou?' vroeg Alenca, duidelijk van slag door de gebeurtenis.
'Ik weet het niet,' antwoordde Miranda. 'Ik vermoed dat ze buiten de koepel de overdaad aan energie niet aankunnen die wij zo normaal vinden. Ik denk dat het te veel voor hem was en... nou, je hebt gezien wat er gebeurde.'
'En nu?' vroeg de oude magiër.
'We gaan terug naar de koepel, op onderzoek uit,' antwoordde Miranda, die ongevraagd de leiding nam over de situatie. 'Deze invasie is een bedreiging voor het keizerrijk.'
Dat alleen was reden genoeg om de Grootheden van het keizerrijk te mobiliseren. Alenca knikte. 'We moeten niet alleen op onderzoek uit, we moeten die koepel vernietigen.' Hij wendde zich tot een andere magiër. 'Hochaka, wil jij zo goed zijn om dit door te geven aan het Hemelse Licht in de Heilige Stad? De keizer moet op de hoogte worden gebracht van wat er gebeurt, en laat hem ook weten dat we een volledig verslag zullen uitbrengen als we klaar zijn.'
Miranda was geamuseerd door de stalen klank in de stem van de oude magiër: in zijn jeugd moest hij een indrukwekkende figuur zijn geweest. Hij was zo iemand die vaak anderen verbaasde als hij de leiding nam, een stille gezaghebber die de aandacht op zich kon vestigen wanneer luidere stemmen werden genegeerd.
Miranda schaarde zich bij hem. 'Ik heb... op de tast een weg moeten zoeken door de koepel voordat ik kon ontsnappen,' zei ze zachtjes. Ze aarzelde even voordat ze eraan toevoegde: 'Ik zou jullie hierin graag willen leiden.'
De Grootheden leken overdonderd door haar verzoek; een vrouw, en een vreemde nog wel, die hen wilde leiden? Maar anderen keken Alenca aan, die zachtjes antwoordde: 'Het is niet meer dan logisch.' Met die paar woorden droeg hij de macht van de Assemblee van Magiërs, de meest invloedrijke conglomeratie van magie op twee werelden, aan Miranda over.
Ze knikte. 'Verzoek zoveel mogelijk leden van de Assemblee zich over een uur te verzamelen in de Grote Zaal van Magiërs. Ik zal vertellen wat ik weet en voorstellen doen over wat ik denk dat er gebeuren moet.'
De magiërs vertrokken snel om zoveel leden van de Assemblee op te roepen als ze konden bereiken. Miranda wist dat wat er verder ook zou gebeuren, iedereen terug zou komen om haar aan te horen zodra het nieuws over een dreiging voor het keizerrijk zelfs de meest afgelegen wonende leden had bereikt. Alleen degenen die onbereikbaar of te ziek waren om te reizen, zouden niet in de Zaal zijn wanneer ze uitlegde dat het keizerrijk Tsuranuanni, en heel Kelewan, nu voor de grootste bedreiging ooit stond.
Miranda trok zich terug in haar vertrekken en liet zich op de zachte divan zakken. Ze durfde niet op bed te gaan liggen, omdat ze wist dat ze dan snel weer in slaap zou vallen. Eén nacht rust en een maaltijd waren niet voldoende om de schade ongedaan te maken die de Dasati haar hadden toegebracht. Ze moest zich concentreren op de taak die voor haar lag en gebruikte angst, pijn en de noodzaak om snel te handelen als voedsel en water, want ze wist dat er niet veel tijd meer was. Welke processen de Dasati ook in gang hadden gezet, ze zouden alleen maar moeilijker te stoppen zijn naarmate de tijd verstreek.
Er werd aan de deur geklopt en een in het grijs geklede leerling kwam binnen, een van de weinige jonge vrouwen die nu magie studeerde. Ze droeg een dienblad met een porseleinen kan, een beker en een bord met fruit en brood. 'Grootheid Alenca dacht dat u misschien behoefte had aan wat versnaperingen.'
'Dank je,' zei Miranda, die gebaarde dat het meisje het dienblad kon neerzetten. Zodra ze vertrokken was, besefte Miranda dat ze vreselijke trek had. Ze at wat en voelde al snel de energie terugkeren in haar pijnlijke, beurse lichaam. Dit was een van die momenten dat ze wenste dat ze zich meer verdiept had in de magie van geestelijken, zoals Puc. Miranda wist dat hij haar met een bezwering of een - smerig smakend maar effectief - drankje zodanig kon laten opknappen dat ze zich voelde alsof ze een week had geslapen en niet dagenlang was vernederd en gemarteld.
Door de gedachten aan Puc begon ze te peinzen. Ze kon zich niemand voorstellen die beter in staat zou zijn de reis naar het Dasatirijk te ondernemen; het tweede niveau van de realiteit, noemde Puc het. Toch maakte ze zich zorgen. Miranda was een gecompliceerde vrouw met complexe emoties, en ze hield bijzonder veel van haar man. Niet met de passie en uitgelatenheid van de jeugd - die was ze al ontgroeid toen Puc nog maar een kind was - maar met een diepe bewondering voor zijn unieke kwaliteiten, waardoor hij perfect was als levensgezel voor haar. Haar zonen waren een onverwacht voordeel van krachtige levensmagie geweest, en een zegen die ze nooit had voorzien. Ze was dan misschien volgens sommige mensen niet de allerbeste moeder, maar ze genoot van het moederschap.
Caleb was een uitdaging geweest toen ze ontdekten dat hij geen werkelijk talent voor de magische kunsten bezat, vooral nadat Magnus zo'n wonderkind bleek. Ze hield van haar beide zonen. Hoewel ze bij Magnus dat speciale gevoel voor een eerste zoon had, had ze een even bijzondere band met de benjamin van het gezin. Ze wist van Caleb hoe moeilijk zijn jeugd in een samenleving van magiegebruikers was geweest. De pesterijen van de andere kinderen waren wreed geweest, en het feit dat Magnus zijn broertje had verdedigd, was zowel een zegen als een vloek geweest. Toch waren beide kinderen opgegroeid tot mannen met buitengewone vaardigheden; mannen die haar vervulden van trots en liefde.
Ze bleef nog even zitten en stond toen op. Die drie mannen - Puc, Magnus en Caleb - waren meer dan genoeg reden om indien nodig de Dasatiwereld te vernietigen, want zij waren belangrijker voor haar dan ieder ander in haar lange geschiedenis. Ze merkte dat ze boos werd en wist dat Puc haar zou manen haar temperament in bedwang te houden, omdat het haar oordec1vermogen alleen maar in de weg stond.
Miranda rekte zich uit en negeerde haar protesterende spieren en pijnlijke gewrichten. Ze zou zich later wel bezighouden met haar fysieke ongemakken. Nu moest ze zich wapenen tegen een invasie.
Er werd aan de deur geklopt, en Alenca kwam binnen. 'Ze zijn er,' zei hij.
Miranda knikte. 'Dank je, oude vriend.' Ze liep met hem mee naar de Grote Zaal van de Assemblee van Magiërs.
Zoals ze had verwacht, waren bijna alle zitplaatsen gevuld en nam het geroezemoes van stemmen af toen Alenca zijn plaats op het podium innam.
'Broeders... en zusters,' begon hij, zichzelf eraan herinnerend dat er nu ook vrouwelijke Grootheden in de zaal zaten. 'We zijn hier op verzoek van een oude vriendin: Miranda.' Hij stapte opzij en liet haar zijn plaats innemen. Verdere introductie van Miranda was niet nodig in de Grote Zaal. Pucs status als een van de Grootheden was al gevestigd voordat Alenca zelfs maar geboren was, en Miranda profiteerde van die relatie, naast het feit dat ze zelf een machtige magiër was.
'Er is een invasie gaande in Kelewan,' begon Miranda zonder omhaal. 'Op dit moment wordt er een koepel van duistere energie uitgebreid in een vallei in het verre noorden. Aanvankelijk zag ik het als een bruggenhoofd, zoals de scheuring die jullie voorouders gebruikten om mijn thuiswereld binnen te dringen.' De verwijzing naar de Oorlog van de Grote Scheuring was opzettelijk. Ze wist dat elk lid van deze Assemblee de hele tragische geschiedenis van die rampzalige invasie kende, waarin zoveel levens verloren waren gegaan, puur vanwege een bod op politieke macht. Het dodelijke 'Spel van de Raad' had duizenden Midkemiaanse en Tsuranisoldaten het leven gekost, terwijl het alleen maar een manoeuvre was ten behoeve van een politieke groepering in de Hoge Raad. Verscheidene Zwarte Gewaden waren betrokken geweest bij dat moorddadige plan om de toenmalige Krijgsheer en zijn groepering een onaantastbare machtspositie te verschaffen. Alleen de interventie van Puc en het feit dat er een opmerkelijke vrouw, Mara van de Acoma, aan de macht was gekomen, had dat dodelijke spel veranderd.
Miranda vervolgde haar redevoering. 'Ieder van jullie weet waarom de Oorlog van de Grote Scheuring is begonnen, dus zal ik daar niet nader op ingaan. Dit is geen invasie voor politieke doeleinden, rijkdom, victorie of enig ander soort conventionele oorlog. Dit is niet enkel een invasie, maar het begin van een kolonisatie, een proces dat zal eindigen met de complete uitroeiing van alle levensvormen op deze wereld.'
Dat veroorzaakte een collectieve, geschrokken ademteug en ongelovig gemompel. Miranda stak haar handen op en ging verder. 'Ik verzoek degenen die de talnoy en de gevangen Doodspriester van de Dasati hebben bestudeerd, aan de andere leden door te geven wat u weet.'
Ze zweeg even, keek rond in de ruimte en maakte oogcontact met zoveel mogelijk leden van de Assemblee. Toen zei ze: 'Dit is wat ik weet. De Dasati willen jullie wereld herscheppen. Ze willen die veranderen, helemaal, zodat die op hun eigen wereld lijkt. Ze zullen elk stukje veroverd land bevolken met wezens uit hun eigen wereld, van het kleinste insect tot het grootste beest.
Het water zal vergiftigd worden, de lucht zal jullie longen verbranden, en de aanraking van zelfs maar het zwakste wezen van die wereld zal het leven uit jullie lichaam wegzuigen. Dit is geen verhaaltje om kinderen mee bang te maken, Grootheden. Het is wat de Dasati al aan het doen zijn onder die zwarte koepel waaruit ik ontsnapt ben.'
Een van de jongere leden schreeuwde: 'We moeten iets doen!'
'Ja,' bevestigde Miranda. 'Snel en slagvaardig, maar niet overhaast. Ik stel voor dat enkelen van ons, degenen die het meest bedreven zijn in de kunsten van licht, warmte en andere aspecten van de energie - en misschien hebben we ook de machtigste onder de magiërs van het Mindere Pad nodig - meteen naar die vallei gaan om de dreiging te bestuderen. En daarna moeten we de koepel vernietigen.'
'Wanneer?' vroeg de jonge magiër die eerder ook al had geroepen.
'Zodra het kan,' antwoordde Miranda. 'We moeten contact opnemen met de keizer, en we hebben soldaten nodig. Ik vrees dat de Dasati niet rustig blijven zitten terwijl we hun koepel verwoesten. We komen waarschijnlijk tegenover wezens te staan die niet bang zijn om te sterven en die onze magie kunnen weerstaan, dus we zullen er sterke armen en zwaarden bij nodig hebben.'
'Ik stel voor,' zei Alenca, 'dat jullie je opsplitsen in kleinere groepen om te bespreken wat hier gezegd is. Vanavond na het avondmaal komen we hier weer samen. Dan bespreken we Miranda's waarschuwing en kiezen we de meest geschikte aanpak.' Hij sloeg met de punt van zijn wandelstok op de vloer om aan te geven dat de bijeenkomst afgelopen was.
Miranda liep naar de uitgang en fluisterde tegen Alenca: 'Heb jij die jongeling gevraagd om de boel op te hitsen?'
'Zijn timing was perfect, hè?'
'Jij bent een bijzonder gevaarlijk man, oude vriend.'
'Nu wachten we af,' zei Alenca. 'Maar ik denk dat we het vanavond wel eens worden, en ik zie geen andere mogelijke aanpak dan die jij voorstelt.'
Terwijl ze terugliepen naar Miranda's vertrekken, zei ze: 'Ik hoop het, en ik hoop dat mijn plan werkt. Anders moeten we het keizerrijk voorbereiden op een oorlog tegen de meest agressieve krijgsheer die jullie ooit tegenover je hebben gehad.'
Tweehonderd mannen, erewachters van vier van de dichtstbij gelegen landgoederen in de provincie, hadden zonder aarzelen de oproep van de Grootheden van Tsuranuanni beantwoord. Ze waren verdeeld in twee groepen, elk onder leiding van een Grootheid die wachtte op Miranda's bevelen. Hoewel het al meer dan een generatie lang vrede was in het keizerrijk, was het peil van de Tsuranese discipline en training in stand gehouden. Dit waren taaie, vastberaden lieden die bereid waren te sterven voor de eer van de Huizen van hun meesters.
Miranda en een dozijn Grootheden liepen langzaam de heuvel op waar ze voor het eerst de koepel van de Dasati had gezien. Ze sprak zachtjes. 'Is iedereen klaar?'
Mannen knikten en wisselden blikken uit. Niet één levende Grootheid van het keizerrijk had ooit een conflict meegemaakt: de laatste keer dat er een Grootheid was gesneuveld in een veldslag was tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring, meer dan honderd jaar geleden. Dit waren wetenschappers, geen krijgers. Maar deze magiërs zouden het best in staat zijn een ongelooflijke macht bijeen te brengen als dat nodig mocht zijn.
Langzaam liepen de dertien magiërs, waarschijnlijk de machtigste beoefenaars van de esoterische kunsten, de heuvel op. Toen ze de top hadden bereikt, ging Miranda op haar tenen staan om naar beneden te kijken. 'Verdomme!' mompelde ze.
Voor hen lag een verlaten vallei, en het enige bewijs van de Dasati-bezetting was een grote kring van zwartgeblakerde aarde waar de koepel had gestaan.
'Ze zijn weg,' merkte een van de jongere magiërs op.
'Ze komen vast terug,' zei Miranda, die zich omdraaide. Ze haalde diep adem. 'Ik stel voor dat jullie dit bekendmaken bij ieder Huis in het keizerrijk, zodat alle dorpen en boerderijen, valleien en weiden en alle afgelegen hoekjes en gaatjes kunnen worden geïnspecteerd, doorzocht en nog eens doorzocht.' Ze keek de anderen aan. 'Ze komen terug, en de volgende keer nemen ze geen kleine koepel mee. Ik denk dat ze de volgende keer van plan zijn te blijven.'