21


Waarheid

 

 

Puc luisterde.  

'Haast doet weinig goed, maar de tijd dringt. Maar toch, na wat jij in de loop van de jaren allemaal hebt doorstaan -'

'In de loop van de jaren?' onderbrak Puc hem.

De god die eruitzag als Nakur stak zijn hand op. 'Herinner je je nog dat verhaal dat Nakur je een keer heeft verteld, die parabel over de schorpioen en de kikker?'

'De schorpioen steekt de kikker die hem de rivier over helpt, en als die dan vraagt waarom, antwoordt hij: "Omdat het mijn aard is." Ja, dat weet ik nog.'

'Mooi,' zei Banath. 'Want het ligt in mijn aard om te liegen, te manipuleren, te stelen, te bedriegen en wetten en regels aan mijn laars te lappen. Ik was degene die jou naar een plek leidde waar Macros je kon vinden, Puc. Ik leidde hem naar Schreiborg en liet hem denken dat het zijn idee was om een oogje op jou te houden. Ik heb elke stap op Macros' pad gemanipuleerd en hem laten denken dat hij de verloren God van de Magie diende.' Hij liet even een peinzende blik doorschemeren terwijl hij voor zich uit staarde. 'Sarig zal net zoals de anderen wel terugkeren, als de Dasatigoden zijn teruggekeerd naar hun rijk... als we lang genoeg blijven leven, maar Macros was niet Sarigs dienaar. Hij was de mijne. Zijn ijdelheid was mijn grootste bondgenoot; het kwam nooit bij hem op dat wat hij deed misschien niet voortkwam uit zijn eigen genialiteit.  

Ik heb zijn magie gemanipuleerd om de oude wapenrusting te vullen die Tomas in de drakengrot vond, zodat mijn magie tijd en ruimte kon overbruggen en Tomas' gedachten terug kon leiden naar Asschen-Sukar. Zo kon ik een van de vijanden van de goden manipuleren, zodat een oorlog die we verloren hadden een uitgestelde oorlog kon worden.'

'Wat?' Puc geloofde zijn oren niet.

'Wat jij de Chaos oorlog noemt, is alleen maar een stukje van een veel groter conflict, een conflict waar ik je nu over ga vertellen, een conflict dat al woedt sinds voor het ontstaan van de mensheid en zelfs de schepping van de goden. Aan het begin van een nieuw tijdperk, toen wij die jullie goden zijn opkwamen en de krachten inzetten die jullie zien als de Twee Blinde Goden van het Begin, toen de Valheru tegen ons in opstand kwamen, dat allemaal... Nou, om het bot te zeggen, op dat moment waren wij... of eigenlijk was ik aan de verliezende hand.'  

Puc kon alleen maar kijken naar de beeltenis van Nakur.

'Dus heb ik vals gespeeld.'

Puc barstte in lachen uit. Hij kon er niets aan doen, maar op dat ogenblik besefte hij dat hoe groot en diep dit conflict ook was, hoe vreselijk de uitkomst voor miljoenen intelligente wezens ook was, het voor deze entiteit, deze 'god', alleen maar een spelletje was, niets meer dan een spelletje lin-lan in de achterkamer van een bierhuis in Krondor.  

Nakurs gezicht grijnsde. 'Ah, je houdt wel van een goeie grap, hè?'

'Grap?' zei Puc, ineens ontnuchterd. 'Ik lach om de volslagen waanzin van dit alles. Ik lach zodat ik je niet wurg.'  

'Dat zou ik je niet aanraden, Puc,' zei Banath, plotseling ernstig. 'Begrijp wel dat ik de schorpioen ben, en ik kan mijn aard net zomin veranderen als jij een kikker kunt worden.'

Puc wuifde die opmerking weg. Er werd aan de deur geklopt, en plotseling was Nakurs gestalte verdwenen. De deur ging open en Caleb kwam binnen met een jonge vrouw, een genezeres die Mianee heette.  

'Het gaat goed met me, echt,' zei Puc. 'Breng me iets te eten en wat bier als je het niet erg vindt. Eigenlijk ben ik uitgehongerd.'  

Mianee was een nuchtere vrouw die zich niet liet wegsturen, dus onderging Puc een kort onderzoekje, en toen verklaarde ze dat hij fit was. Ze vertrok, en Caleb kwam terug met eten en bier. Toen het dienblad op het nachtkastje stond, zei Puc: 'Ik wil graag even alleen zijn, jongen. Ik roep je wel als ik iets nodig heb.'

Caleb leek een vraag te willen stellen, bedacht zich en vertrok, waarbij hij de deur achter zich sloot. Puc keek van de deur naar het dienblad en zag er een vreemdeling naast staan, die een stukje kaas pakte. Hij was fijn gebouwd en had krullend bruin haar, en het duurde even voor Puc hem herkende. 'Robbie?'  

'Natuurlijk niet,' zei de nieuweling, knabbelend aan de kaas. Hij was nu het evenbeeld van de jonge heer Robert, Robbie de Hand, toen hij voor het eerst als schildknaap in dienst trad bij prins Arutha. 'Dit is erg lekker.'

'Banath,' zei Puc.

'Of, als je dat liever hebt, Kalkin, Antrhen, Isodur of vele andere namen die de mensheid aan me ophangt - Coyote is een van mijn favorieten - maar hoe dan ook, ik ben mezelf.' Hij maakte een theatrale buiging en deed Puc sterk denken aan de voormalige dief, die later met zijn dochter was getrouwd en een van de meest legendarische figuren in de geschiedenis van het koninkrijk was geworden.

Puc ging zitten en begon te eten. Na een tijdje zwijgen, zei Banath: 'Zoals ik al zei: we verloren de oorlog met de oeroude machten, en de Valheru deden ons ook geen goed. Van de honderd lagere aspecten en het dozijn hogere aspecten van de goden, bleven maar een dozijn lagere en vier hogere over.

Je moet begrijpen dat ik je een beperkt overzicht geef, een glimp van een veel groter geheel, maar een geheel dat zelfs jij met je aanzienlijke intellect niet kunt bevatten. Jij hebt misschien wel de grootste geest in de geschiedenis van de mensheid op Midkemia, Puc.' Puc wilde protesteren, maar Banath was hem voor. 'Bespaar me je bescheidenheid, want hoewel dat misschien door de meeste mensen als een goede eigenschap wordt gezien, zie ik het anders. IJdele mensen zoals Macros zijn eenvoudig te manipuleren. Er bestaat een axioma: 'Je kunt een eerlijk man niet bedotten," en een eerlijk man geeft zijn eigen tekortkomingen toe. Bij jou moet ik bepaalde taken op een andere manier benaderen dan bij Macros; ik kon hem er gemakkelijk van overtuigen dat hij zelf het genie was achter al zijn complotten en intriges. Jij bent echter veel effectiever als je werkt voor iets waar je in gelooft, en hoewel het minder amusant is om je de waarheid te vertellen, is het wel efficiënter. Toch ben ik bereid om eerlijk te zijn - af en toe - aangezien ik een wezen ben van harde feiten en waarschijnlijkheden. Het beste is nog dat je onderkent dat je dingen niet weet en die wilt leren, en daarom ben je een stuk intelligenter dan de meeste mensen.' Banath gebaarde dat hij uit bed moest komen. 'Tijd om je aan te kleden.'  

Met een vingerknip van de god droeg Puc plotseling een schone mantel.

'Het eten?'

Nog een vingerknip en Puc had geen honger meer. 'Bij rang hoort privilege. We kunnen praten terwijl we reizen. We hebben een hoop te bekijken.'  

Nog een vingerknip en ze waren ergens anders.

 

Het was een leegte, maar niet zoals hij had ervaren toen hij de oorspronkelijke Tsuranese scheuring had vernietigd, aan het eind van de Oorlog van de Grote Scheuring. Deze voelde anders. Inplaats van de afwezigheid van alles, voelde deze plek aan alsof ze omgeven waren door alles, maar in de vorm van een fijn poeder, vergeleken waarbij het kleinste stofdeeltje grotesk groot en ruw was. 'Waar zijn we?' vroeg Puc.  

'We zijn in het vierde rijk onder dat van jou, of wat jullie dichters, dramatici en veel geestelijken het Vierde Niveau van de Hel noemen.'

Terugdenkend aan wat hij door de poort naar het vijfde niveau had gezien toen Macros in gevecht was met de Demonenkoning Maarg, en wat hij kende van het tweede bestaansniveau - dat van de Dasati - zei hij: 'Dit is niet wat ik had verwacht.'  

'Dit is ook niet wat je duizenden jaren geleden zou hebben gezien, als je reden had gehad voor een bezoekje.' Puc bespeurde een vreemd spijtige klank in de stem van de god. 'Dit was voor de Dasatiwereld wat hun wereld voor die van jou is. Er leefden hier wezens, Puc, naar jullie maatstaven iets beschaafder dan demonen, maar niet veel. Toch hadden ze een samenleving, of eigenlijk heel veel samenlevingen, want ze waren wijd en zijd verspreid door dit heelal, zoals de mensheid nu verspreid is door ons rijk.'  

'Wat is hier gebeurd?'

'De Duistere,' zei Banath bruusk.

'Hoe bedoel je?'

'Niemand weet het, althans, niemand die ik ken weet het, en ik ken een heleboel mensen... miljarden, eigenlijk.'

Puc keek om zich heen naar de eigenaar van de stem in de verwachting Nakur weer te zien, maar zag niets anders dan leegte. 'Waar kijk ik naar?'

'Een realiteitsniveau dat zo verstoken is van leven dat het is gereduceerd tot een fijn oerstof, een plek waar elk stukje realiteit gelijkmatig is verdeeld over het hele volume van deze realiteit.'  

'Hoe is dat mogelijk?'

'In een oneindig heelal is alles wat je je kunt voorstellen wel ergens mogelijk, en zelfs waarschijnlijk.'

'Dus dit hele rijk bestaat uit niets anders dan dit... fijne stof?'

'Nou, niks is eeuwig, of althans, dat zullen we nooit weten. Zelfs de goden, zoals jij ons ziet, hebben grenzen aan hun inzicht en bestaan. Misschien zullen om een of andere reden twee stofjes tegen elkaar aan botsen en zich binden, sluit er zich uiteindelijk een derde bij aan en blijft die aantrekkingskracht doorgaan tot er meer materie tot een bol wordt gevormd. Uiteindelijk wordt dan alles wat hier is naar binnen getrokken, en als het een bepaalde dichtheid bereikt...'

'Dan ontploft het,' zei Puc. 'En is er een nieuw heelal ontstaan. Dat heeft Macros ons laten zien -'  

'In de Tuin bij de Eeuwige Stad, toen de Pantathiërs jou en Macros in de val lieten lopen. Tomas was daar ook, met die draak. Ja, dat weet ik nog.'

'Dat weet je nog?'

'Ik had het op touw gezet!' zei de God van de Dieven lachend. Toen, op serieuze toon, voegde Banath eraan toe: 'Je zult het misschien nooit volledig begrijpen, of het me ooit vergeven - al kan me dat niets schelen - maar veel van het leed dat je hebt doorgemaakt en de wonderen die je hebt gezien waren deel van een veel groter plan. Een plan dat je heeft voorbereid op wat je nu moet doen.  

Toen je dat beeld zag van hoe jullie heelal begon, was dat alleen maar je eerste les om te gaan begrijpen hoe enorm alles is, en hoe belangrijk wat jij gaat doen is. Want je moet iets doen wat je tot nu toe niet zou hebben gekund. Je moest de geboorte van een universum zien, mensen zien sterven, ook die van wie je hield, reizen door de Galerij der Werelden en zoveel andere onwaarschijnlijke dingen doen, Puc, omdat je nog zwaardere en uitdagender taken moet uitvoeren en beslissingen moet nemen die geen sterveling ooit zou moeten nemen.'  

'Wat voor beslissingen?'

'Dat komt nog. Nu moet je eerst meer leren.'

'We zijn niet echt hier, hè?'

'Nee. We zijn nog steeds in je kamer en jij zit rustig voor je uit te kijken op je bed, maar probeer je omwille wat nu komt voor te stellen dat je een ongelooflijke reis maakt.'

Banath knipte met zijn vingers.

 

Er volgde een flits, en plotseling waren ze in een andere realiteit, waarin enorme brokken rots en puin met grote snelheid langszoefden. Deze keer zag Puc een hemel die meer leek op wat hij zou verwachten van het Dasati-universum, een plek met kleuren en energieën die hij kon waarnemen maar die voor menselijke zintuigen onzichtbaar waren. Maar hier pulseerden reusachtige gordijnen van kleuren met enorme energiestromen over het oppervlak, en hij wist dat hij naar iets keek wat zich ongelooflijk ver weg bevond. Vlagen fonkelende kleuren, rood, paars, violet en indigo, schemerden op bijna onmogelijke afstanden en overspanden onmetelijke gebieden van de hemel. Een rots zo groot als een berg tuimelde langs, terwijl vleugen energie over het oppervlak dansten en stralen magma de ruimte in spoten. Enorm ver weg verlichtten sterren de koepel van de hemel, hoewel er hier veel minder waren dan in de nachthemel thuis.  

'Waar zijn we?' vroeg Puc.

'Dit is het derde niveau, tot voor kort bewoond door de Duistere. Zoals je ziet heeft hij genoeg grote brokstukken achtergelaten om te zorgen dat dit bestaansniveau een kans heeft om wat sneller te vervormen dan het rijk dat we net hebben achtergelaten. Er zijn uithoeken in dit heelal waar nog leven bestaat, een paar kleine beschavingen zelfs. Misschien houden ze lang genoeg stand om contact te maken met andere werelden.'  

'Waarom is hier minder verwoesting?'

'Om meerdere redenen,' antwoordde Banath. 'Zoals je ongetwijfeld hebt opgemerkt, is de energie veel sterker in ons rijk, het zogenaamde eerste niveau, dat toevallig door degenen die in het rijk boven ons wonen de eerste cirkel van de hel wordt genoemd.'  

Puc lachte. 'Het is maar hoe je het bekijkt, neem ik aan.'

'Inderdaad.' Banaths stem werd somber. 'Jij bent evenzeer vervloekt als gezegend, Puc van Schreiborg. Meer dan enige andere sterveling sinds Macros.'

'Dat begin ik in te zien.'

'Macros was een imperfect omhulsel, onze eerste poging en in veel opzichten een slechte keus.'

'Hoezo?'

'Door de dingen die hem zo gemakkelijk te manipuleren maakten: ijdelheid, arrogantie en een fundamenteel wantrouwen ten opzichte van anderen. Jij was echter een nieuwe ziel, die niet leed onder zoveel dingen die Macros in voorgaande levens kenmerkten. Jij bent het resultaat van een samenzwering van de goden, want we hadden je nodig.'  

'Waarom?'

'Omdat je een soort van wapen bent, en een hulpmiddel, en omdat jij één ding aan deze situatie toevoegt wat geen enkele god kan toevoegen: menselijkheid. Wij zijn evenzeer je slaven als je meesters, Puc. De relatie tussen de goden en de mensheid is er een van een eerlijke uitwisseling. Wij geven uitdrukking aan jullie diepste overtuigingen en behoeften, en jullie geven ons gestalte en essentie.'

'Waarom jij?' vroeg Puc. 'Als me eerder zou zijn gevraagd welke god er uiteindelijk voor zou zorgen dat alles in ons rijk werd teruggebracht naar hoe het hoort te zijn, had ik misschien Ishap genoemd, want evenwicht is belangrijk. Of onder de lagere goden misschien Astalon vanwege zijn rechtvaardigheid, of Kilian voor haar zorg om de natuur. Maar jij?'  

'Wie anders?' zei Banath, met een diepe, rommelende lach. 'Macros dacht dat hij op een of andere manier werkte voor Sarig, de verloren God van de Magie, en Nakur dacht dat hij het instrument was van Wodan-Hospur, de verloren God van de Kennis.' Hij zweeg even. Je hebt nog maar een klein aspect van de goden gezien, Puc, maar meer dan de meeste anderen. En je hebt nog veel meer gehoord, van mensen zoals Nakur en Robbie.

Je weet dat zelfs de herinnering van een god, of de droom van een god, of de echo van een god, vorm en substantie kan aannemen en kan handelen alsof de god er nog altijd is.

Ik presenteer je hier een aspect van mezelf, bied je een illusie om je te onderwijzen, maar tegelijkertijd luister ik ook naar een dief in Roldem die zo meteen door de stadswacht wordt gesnapt en me smeekt om hem te redden. Ik zie een man liegen tegen zijn vrouw omdat hij naar zijn minnares gaat, die tegen hem liegt dat ze van hem houdt terwijl ze zijn goud aanpakt en dat aan haar minnaar geeft. Ik zie een schurk die niet echt in me gelooft maar die met tegenzin elke maand een koperstuk als offerande achterlaat in mijn heiligdom in LaReu, gewoon voor het geval dát. Ik luister ook naar de smeekbeden van een gokker, die op het punt staat zijn laatste geld te verliezen. Later vanavond zal hij in elkaar worden geslagen en vermoord als hij het goud niet kan terugbetalen dat hij heeft geleend van een agent van de Snaken in Krondor, omdat de Oprechte Man hem als voorbeeld stelt. Ik zit bij een handelaar die goud in de handen van een priester van me heeft gelegd, om me te smeken mijn aanbidders uit de buurt te houden terwijl hij kostbare specerijen verscheept van Muboya naar de Stad aan de Serpentrivier. Ik hoor elk gebed en ik beantwoord ze allemaal, hoewel mijn antwoord meestal "nee" is. Ik zie ook alles wat uit mijn naam wordt gedaan, en een eindeloze reeks mogelijkheden voor elke gemaakte keus. De mensheid praat voortdurend tegen me, Puc.  

Ze kennen me allemaal bij een andere naam, of gedaante, of aspect. Ik ben de god van de dieven, de leugenaars en de gokkers. Maar ik ben ook de god van degenen die onmogelijke tochten maken en hopeloze missies op zich nemen. En daarom ben ik degene die optreedt uit naam van de goden van Midkemia, want als er ooit een hopeloze zaak was, dan is het wel deze: voorkomen dat de drachten onze wereld binnendringen.  

Er zijn regels waar de goden evenzeer aan gebonden zijn als de stervelingen, en Astalon en Kilian, Guis-wan en Lims-Kragma - ondanks al hun macht - kunnen die regels niet negeren. De wetten van het universum stellen dat we beperkt zijn tot dit rijk, dat hoe belangrijk en verheven we in dit rijk ook denken te zijn, we daarbuiten indringers zijn en niets te vertellen hebben. Dus wie kan er beter dan ik naar dat andere rijk gaan om veranderingen in gang te zetten?'  

'De god die de wet negeert en de regels breekt,' zei Puc.

'Ja,' grinnikte Banath. 'De Bedrieger. De Valsspeler. Alleen ik kan doen wat nodig is, want dat ligt evenzeer in mijn aard als wanneer de schorpioen die domme kikker doodsteekt!' Plotseling stonden ze op een heuvel, aan de rand van een rustige vallei met een stroompje waar vissen uit het water opsprongen.  

'Waar zijn we nu weer?' vroeg Puc.

'Ergens waar je één keer eerder bent geweest.'

'Wanneer?'

'Je weet het nog wel,' zei Banath, en Puc herinnerde het zich.

'Macros, Tomas en ik stopten hier onderweg terug door de Galerij der Werelden, nadat we uit de Eeuwige Stad waren vertrokken, voor de Slag om Sethanon.' Puc keek om zich heen. Hertachtige herbivoren graasden op de weiden en in de bomen zongen vogels. Deze wereld leek in veel opzichten op Midkemia. 'Waarom zijn we hier?'

'Zodat je je deze plek zou herinneren,' zei Banath, en toen verdween hij. Vanuit de lucht kwam een stem zweven. 'Zie dit maar als een klein geschenk voor verleende diensten. Ik maak me niet druk om de Tsurani, want zij zijn niet mijn volk, maar jij wel, zoals ik heel goed besef. Dit is geen truc, maar een oprechte uiting van dankbaarheid. Ik ben misschien een meedogenloze natuurkracht, maar af en toe is de natuur barmhartig.'  

'Wat moet ik nu doen?' vroeg Puc.

Plotseling was hij terug in zijn kamer en lag hij in bed. Het eten was op, dus hij nam aan dat hij eigenlijk had gegeten terwijl hij die mystieke reis maakte.

'Je gaat deze wereld redden,' klonk Banaths stem uit de lucht.

Puc aarzelde slechts even, klom uit bed en trok een mantel aan. 'Caleb!' riep hij, en toen wachtte hij op zijn zoon. 

 

Mensen renden gillend weg voor een denderende horde Doodsridders op varnins. Wat de Dasati ook had aangezet om de strijddieren aan het begin van deze oorlog te ontzien, het was kennelijk niet meer van kracht, want nu kwamen er hele secties Dasatiruiters uit de doorlopend uitdijende Zwarte Berg te voorschijn. Elk verzet van de Tsurani was zinloos, want in het beste geval vertraagden ze enkel de opmars van de Dasati en kostte het de verdedigers hun leven. In het slechtste geval werden ze overrompeld en bereikten de Dasati hun doel, dat nu kennelijk was om zoveel mogelijk Tsurani te vangen en mee te sleuren naar de Zwarte Berg.  

Miranda stond naast Alenburga en keek naar de koepel, die inmiddels de horizon domineerde. 'In het afgelopen uur,' zei ze, 'geloof ik dat hij nog eens een mijl is uitgedijd.'

Alenburga zuchtte. 'Ik kan geen soldatenlevens blijven verspillen. Er moet een andere manier zijn.'  

'Ik heb alle magie geprobeerd die ik tot mijn beschikking heb, net als alle andere leden van de Assemblee. We hebben meer dan tweehonderd magiërs verloren in de gevechten, en degenen die nog overblijven verliezen snel de hoop.'

'Tenzij je nog een wonder achter de hand hebt,' zei de oude generaal uit Novindus, 'denk ik dat het tijd wordt om de keizer te zeggen dat hij moet evacueren.'

'Ik denk dat je hem dat zelf maar moet vertellen,' kaatste Miranda terug.

Alenburga keek Kaspar aan, die instemmend knikte. Toen keek hij naar Erik, die zei: 'Ga maar. Wij houden hier wel een oogje in het zeil.'

Alenburga wendde zich tot Miranda. 'Breng me erheen.'  

Miranda legde haar hand op de schouder van de generaal en plotseling stonden ze in een tuin, vele mijlen verderop, midden op het oude Acomalandgoed. Keizerlijke wachters in wit-met-gouden tenues trokken hun wapens, maar toen beseften ze dat de indringers de vrouwelijke magiër en de buitenlandse generaal waren.  

In het grote huis wachtte Chomata, Eerste Raadgever van de keizer, hen op. 'Generaal,' zei hij, en hij boog begroetend zijn hoofd. Toen groette hij Miranda: 'Grootheid.' Hij was een magere, ascetisch uitziende oude man met een kaal hoofd en hij zag eruit alsof hij al een week niet had geslapen. 'Is er nieuws?'

'Voor de keizer,' antwoordde de generaal, 'en ik vrees dat het niet best is.'

'Hij zal u meteen willen spreken,' zei Chomata.

In zijn privévertrekken zat de keizer alleen aan zijn maaltijd. Alenburga maakte een buiging, net als Miranda, en toen nam de generaal het woord. 'Majesteit, ik breng ernstig nieuws.' Hij bracht snel verslag uit en gaf zijn beste schatting van hoe lang het zou duren voordat de Dasati-koepel dit landgoed zou bedreigen.  

'Ik verlaat mijn volk niet,' zei de keizer rustig. 'Hoeveel mensen hebben jullie al door de scheuringen geëvacueerd?' Miranda voelde de moed in haar schoenen zakken. 'Nog maar een stuk of twintigduizend, Majesteit.'  

'Er zijn miljoenen mensen in het keizerrijk, en... hebben jullie aan de cho-ja gedacht?'

Miranda besefte dat ze daar niet aan had gedacht. Op Kelewan woonden naast mensen nog enkele andere intelligente rassen, net als op Midkemia, maar hier lagen de relaties anders. De thuns uit het noorden waren een constante plaag voor de noordelijke garnizoenen en kwamen af en toe door de passen van de Hoge Muur om daar landgoederen te plunderen. De cho-ja vormden een insectachtige cultuur waarin elke zwerm werd geregeerd door een koningin, maar zoals Miranda het had begrepen, waren ze op een of andere manier allemaal verbonden wat ze in staat stelde met elkaar te communiceren. Van de andere rassen wist ze niet veel: een ras van woeste dwergen aan de overkant van de Zee van Bloed in het Verloren Land; een merkwaardig ras van hagedisachtige wezens dat woonde op eilanden aan de overkant van de zee in het westen ... Verslagen zei ze: 'Majesteit, ik moet me beroepen op mijn sterfelijkheid en mijn beperkte mogelijkheden. Nee, ik heb niet aan hen gedacht. Mijn eerste gedachte was om die monsters te verslaan die zowel uw wereld als de mijne bedreigen. Nu wil ik het Tsuranese volk redden. Wat wilt u dat ik aan die anderen doe?'  

'Ik kan helpen,' zei plotseling een stem achter haar.

Miranda draaide zich met tranen in haar ogen om. Met twee passen was ze bij haar echtgenoot en sloeg ze haar armen stevig om zijn nek. 'Ik ben zo bang geweest,' fluisterde ze, woorden waarvan Puc wist dat geen enkele andere sterveling ze ooit van zijn vrouw zou horen. Toen vroeg ze: 'Magnus?'

'Ja,' fluisterde hij terug.'Hij is op ons eiland, veilig en wel.'

Ze snikte slechts één keer. 'De goden zij dank.' Toen vroeg ze: 'Nakur?'

'Nee,' zei hij zachtjes, en hij voelde haar spieren zich spannen. Ze bleef even stil staan en haalde diep adem.  

Miranda wendde zich tot de keizer. 'Ondanks deze onderbreking moet ik er toch op aandringen dat u zich erop voorbereidt om uw toevlucht te zoeken op Midkemia, Majesteit.'  

'Dat is niet nodig,' zei Puc.  

Iedereen keek hem aan. 'Wat bedoel je, Milamber?' vroeg de keizer. 'Kun je de Dasati verslaan?'

'Nee,' zei Puc. 'Maar ik heb een toevluchtsoord voor u gevonden.'  

'Een toevluchtsoord?'

'Het is een mooie wereld.' Hij glimlachte. 'Ik durf zelfs te zeggen dat het er nog een beetje gastvrijer is dan op Kelewan. Er zijn bossen en valleien, grote zeeën met prachtige stranden, bergen en woestijnen. Er is een overvloed aan wild en veel plaats voor boerderijen en boomgaarden, om kuddes te laten grazen en steden te bouwen. En er woont verder niemand.'

'Milamber, is er geen andere manier?' vroeg Sezu, en voor het eerst sinds Puc de keizer had leren kennen, zag hij het masker van keizerlijk zelfvertrouwen breken en ving hij daarachter een glimp op van de onzekere jongeman.  

'Ik wou dat die bestond, Majesteit. Ik wou dat ik kon zeggen dat de verschrikking die ik heb gezien te verslaan is, maar dat kan niet. Hij kan alleen worden afgeremd, en om andere werelden in dit universum te kunnen redden, moet Kelewan .. .' Hij wilde liever de waarheid niet zeggen, dat deze wereld vernietigd moest worden om te voorkomen dat de Duistere enig soort van houvast kreeg op dit bestaansniveau. Uiteindelijk zei hij: 'Kelewan moet worden verlaten. Het is de enige hoop voor ons volk.'

'Wat moet ik doen?' vroeg de keizer zachtjes. Hij keek eerst naar zijn oude Eerste Raadgever, toen naar Puc en Miranda.

Tenslotte zei Puc: 'Toen ik in opleiding was voor het Zwarte Gewaad, Majesteit, stond ik op de Toren van Beproeving en zag ik in een deel van dat ritueel wat er bekend is van de geschiedenis van het Tsuranese volk.  

Het begon allemaal bij de Gouden Brug, toen het volk van Kelewan voor het eerst door een enorme poort naar deze wereld kwam, op de vlucht voor een naamloze verschrikking.' 

'Dat is onze legende,' zei Chomata.  

'De Tsuranese mensen zijn niet ontstaan op Kelewan,' voegde Miranda eraan toe.

'De Tsurani kunnen overleven op een andere wereld,' zei Puc. 'Tsuranuanni bestaat niet uit jullie steden en tempels, de dorpen en stadjes, want die kunnen jullie herbouwen, en ook niet uit titels en eer, want die kunnen worden hersteld. Tsuranuanni bestaat uit uw volk. Als zij standhouden, kan er een nieuw Tsuranuanni worden gesmeed.'  

De keizer zweeg lange tijd en knikte toen. 'Zo zal het gebeuren.'  

'We hebben veel te doen,' zei Puc tegen Miranda. 'Ik ga wel met de thuns praten, als jij naar de cho-ja gaat. Ik zal eerst naar de Assemblee gaan om te kijken of degenen die nog over zijn iets weten over de dwergen aan de overkant van de zee of de andere intelligente rassen.

Daarna moet ik naar de Galerij, op zoek naar die wereld waar ik zo lang geleden ben geweest. Eenmaal daar zal ik een zo groot mogelijke scheuring openen tussen die wereld en de plek van de oorspronkelijke scheuring, nabij de Stad op de Vlakte.

Laat de Grootheden van het keizerrijk scheuringen maken vanuit elke grote stad en elke andere plek die ver uit de buurt ligt van de Dasati en zeg de mensen dat ze hun spullen pakken, want het keizerrijk moet klaarstaan, de naties moeten klaarstaan, de mensen moeten klaarstaan! We hebben niet veel tijd meer.'

'Hoeveel tijd hebben we?' vroeg de keizer.

'Minder dan een week, Majesteit. Als we treuzelen, sterven we, en samen met ons sterven uiteindelijk nog meer werelden. Ik heb het gezien. Het is de waarheid.'

'Ga maar,' zei Sezu, die er nu echt uitzag als een ontmoedigde jongeman. Een jongeman met de mantel van het leiderschap die hem door een toevallige geboorte was toegevallen. Het was iedereen in het vertrek duidelijk dat hij nu liever had dat die last op andermans schouders lag, maar hij had zijn besluit genomen en was bereid ernaar te handelen. 'Regel het maar,' besloot hij.