7


Achtervolging

 

 

Kaspar knikte.

Castdanur was best een vriendelijke gastheer gebleken voor iemand die hen gevangen had genomen, en hij had voor verfrissingen gezorgd, al waren ze wat karig. Kaspar had in de loop van de jaren voldoende wild gegeten om te herkennen dat alles bij het avondmaal zelf geschoten of in het bos gevonden was; niets hier werd geteeld of anderszins gecultiveerd.  

Ze zaten tegenover elkaar aan een lange tafel, op huiden waardoor de kou uit de houten vloer niet in hun lichaam kon trekken. Het hertenvlees was taai en scherp van smaak, maar het vulde goed en was op smaak gebracht met wilde kruiden die hij niet herkende. Er was geen bier of wijn, alleen maar water, en de gekookte knollen waren van een soort die hij kende van jachtuitstapjes naar Groot Kesh toen hij nog een jongen was. Ze waren gekookt in dierlijk vet, niet in boter, en de enige kruiderij die eraan was toegevoegd was zout met een bitter, metalig bijsmaakje, alsof het was ingekookt bij een sodabron in de bergen in plaats van afkomstig van een mijn of zoutvlakte bij de zee.  

De oude elfenleider was niet ingegaan op Kaspars opmerking dat dit fort werd bewoond door een stervend volk, en ook ontweek hij gespreksonderwerpen waarin hij onthullingen zou moeten doen over zijn volk en hun geschiedenis. Dus het grootste deel van de avond hadden ze gepraat over vrij onbelangrijke dingen, hoewel beide partijen de andere informatie probeerden te ontfutselen. Castdanur wilde weten waarom Kaspar en zijn compagnie naar de bergen waren gekomen, net zozeer als Kaspar wilde weten wat de elfen hier deden en waarom geen enkele Keshische heerser in de geschiedenis er weet van had dat zij de bergen bewoonden die volgens de traditie door het keizerrijk werden geclaimd.  

Als heerser van een oostelijke natie had Kaspar geen contact met elfen gehad voor hij zich aansloot bij het Conclaaf der Schaduwen, en sindsdien alleen maar heel incidenteel: één ontmoeting met een boodschapper van het hof van de elfenkoningin, die op Tovenaarseiland was aangekomen toen Kaspar daar was om te worden geïnstrueerd door Puc. Hij had amper meer dan een glimp opgevangen van de afgezant en had hem niet gesproken.  

Deze Castdanur was een van de meest geslepen onderhandelaars die Kaspar ooit had ontmoet. Kaspar twijfelde er niet aan dat dat precies was wat ze aan het doen waren: onderhandelen over zijn leven en dat van zijn mannen. Deze enclave had nooit onopgemerkt kunnen blijven door de Keshische inlichtingendiensten, kustpiraten of andere mensen die er in de loop van de jaren op waren gestuit als er geen dodelijke gevolgen bestonden voor degenen die Baranor ontdekten. Kaspar was ervan overtuigd dat als er al een mens deze enclave had bereikt en dat had overleefd, het alleen maar iemand zou zijn die ze onvoorwaardelijk vertrouwden. En niets wat hij sinds hun gevangenneming had gezien, wees erop dat de elfen van zins waren iemand van buitenaf te vertrouwen.  

Uiteindelijk vroeg Kaspar: 'Ken je de kaartspelen van de mensen?'

'Een beetje,' antwoordde Castdanur. 'Ik heb heel lang geleefd zonder contact met jouw ras, Kaspar, maar dat wil niet zeggen dat ik al die tijd onwetend ben gebleven over je ras en hun... eigenaardigheden. Gokken is iets waar de meeste elfen niet echt plezier aan zouden kunnen beleven; als wij risico's nemen, is dat altijd met het oog op overleving. Deze bergen kunnen lastig zijn, zelfs voor ons die al eeuwen hier wonen. Waarom vraag je dat?'  

'Wij hebben een uitdrukking: "Tijd om de kaarten op tafel te leggen," wat betekent dat ieder onthult wat hij tot dan toe verborgen hield.'

De oude elf glimlachte. 'Dat is een mooie uitdrukking.'

'Er staan grote machten klaar om deze wereld aan te vallen,' ging Kaspar verder.

Castdanur dacht even na. 'Dat impliceert dat die machten niet van deze wereld zijn.'

'Ja,' zei Kaspar, die begreep dat de oude elf een scherper inzicht toonde dan je zou verwachten in deze vredige omgeving. Veel edelen begingen de fout om voorbarige conclusies te trekken op basis van iemands rang of opvoeding, en hij had al snel gemerkt dat hij zich voor zijn verbanning en terugkeer naar het Conclaaf zelf evenzeer schuldig had gemaakt aan die ijdelheid. 'Naast die van ons, zijn er nog andere bewoonde werelden.'  

'Dat weten we,' zei Castdanur. 'We hebben gehoord over de Tsuranese oorlog. Af en toe handelen we met lieden van voorbij de Pieken van de Quor.'  

Kaspar hield zich voor later nader op die opmerking in te gaan; als er mensen waren met wie dit volk wél handelde, was het misschien mogelijk om een boodschap te sturen naar degenen die op nieuws wachtten over Kaspars expeditie. Kaspar betwijfelde nu sterk of zijn mannen of hijzelf met toestemming van de elfen direct naar de wachtende schepen zouden kunnen reizen. Het punt was dat als het proviandschip in de baai aankwam en daar niemand aantrof, en vooral als er sporen waren van gevechten, de kapitein de opdracht had om niet op onderzoek uit te gaan maar direct om te keren en zo snel mogelijk naar Roldem terug te varen. Daar zou hij dan contact opnemen met de agenten van het Conclaaf, die op hun beurt de mensen op Tovenaarseiland zouden melden dat de missie mislukt was. Het zou uiteindelijk leiden tot een volgende missie hiernaartoe om uit te vissen wat er gebeurd was, maar dat kon jaren duren, afhankelijk van de andere zaken die het Conclaaf onderhanden had. Die tijd had Kaspar niet.  

'Ik heb bondgenoten, mannen die er hun leven aan hebben gewijd om deze wereld te beschermen. Ze zijn niet erg bekend, en ik betwijfel of jullie hier van hun bestaan afweten, maar ze noemen zich het Conclaaf der Schaduwen.'

'Een kleurrijke naam, Kaspar van Olasko. Vertel me eens over dat Conclaaf.'

'Heb je gehoord van een man die Puc heet?'

'De grote menselijke tovenaar,' zei Castdanur. 'Ja, we hebben wel gehoord over zijn kunststukjes. Het laatste wat wij gehoord hebben, is dat hij een prins vernederd heeft die later koning van de Eilanden werd.'  

Kaspar herinnerde zich dat zijn vader hem dat verhaal had verteld toen hij nog klein was. 'In de jaren daarna heeft hij een organisatie opgezet, niet van het Koninkrijk der Eilanden, niet van Kesh, maar voor heel Midkemia, want hij zag tijdens de Slangenoorlog dat we allemaal één volk zijn en dat wij allemaal deze wereld delen.'

'Eén volk,' herhaalde de elfenleider. 'Vallen wij daar ook onder?'

'Ja,' zei Kaspar. 'We zijn geallieerd aan de elfenkoningin en haar hof in Elvandar.'

'Ah. Dan hebben we denk ik een probleem. Want wij van de Zon, wij die hier in Baranor wonen, dienen de elfenkoningin of haar drakenrijder niet. Wij zijn een vrij volk.'

Kaspar wist dat hier meer achter zat dan alleen dat deze elfen zich niet als onderdanen beschouwden. 'Dat geldt ook voor degenen die aan de overkant van de zee wonen, in het land dat wij mensen Novindus noemen. En hoewel sommigen zijn komen wonen aan het hof van de koningin, zijn anderen aan de overkant van de zee gebleven. Het maakt vrouwe Aglaranna niet uit. Ze verwelkomt degenen die haar opzoeken, maar ze eist niets.'  

'Toch voert ze oorlog met onze verwanten in het noorden, nietwaar?'

Het speet Kaspar dat hij zo weinig wist van de elfenoverleving, en maar een beetje over de elfen die de mensen de Broederschap van het Onzalige Pad noemden. 'Dat heb ik gehoord, maar ik heb ook vernomen dat degenen die wij de Broederschap noemen juist oorlogvoeren tegen de koningin en haar volk. Ik kan niet verdedigen wat ik niet weet, maar ik kan wel zeggen dat als de tegenstanders van het Conclaaf overwinnen, elk meningsverschil tussen jullie volk en de koningin er niet meer toe zal doen, want dan wordt alle leven op deze wereld uitgevaagd.'  

De oude elf keek hiervan op. 'Uitgevaagd?' vroeg hij uiteindelijk.  

'Wat wij gehoord hebben, is dat deze tegenstanders, de Dasati, niet hierheen komen om te overheersen en anderen tot slaven te maken, maar om alle leven dat nu op deze wereld voorkomt te beëindigen en te vervangen door leven van hun eigen wereld, van het grootste tot het kleinste. Van draken tot insecten tot het kleinste visje in de zee, alles zal opzij worden gedrukt om een wereld te scheppen waarin zij zich prettig voelen.'  

Weer zweeg Castdanur. Na een paar minuten zei hij: 'Ik moet hierover nadenken en dit bespreken met de anderen. Jij gaat nu terug naar je mannen, en ik vertrouw erop dat jullie ondanks de omstandigheden goed zullen slapen.'

'Ik ben een oude soldaat en jager,' zei Kaspar, die opstond van de lage tafel en een lichte buiging maakte. 'Ik kan slapen als de mogelijkheid zich voordoet, wat de omstandigheden ook zijn. Ik hoop dat je goed zult nadenken over wat ik heb gezegd, en daarna kunnen we het er nog eens over hebben.'

'Daar kun je op vertrouwen,' zei de oude elf terwijl hij opstond en een buiging voor Kaspar maakte. 'Er hangt veel van af, waaronder het lot van jou en je mannen. Je gelooft toch wel in het lot, Kaspar van Olasko?'  

'Ooit wel, toen ik nog jong en ijdel was en dacht dat het mijn lot was om te heersen,' zei Kaspar. 'Nu geloof ik in kansen, en dat een man van het leven ontvangt wat hij erin stopt. Het was een harde les, maar ik had die pijn verdiend, en ik ben een beter mens geworden toen ik die had doorstaan.'

'Wij zijn een geduldig ras,' zei Castdanur. 'We zijn verbijsterd over degenen die jullie op weg hiernaartoe tegenkwamen, en ik vermoed dat we wel een relatie zullen ontdekken tussen degenen die jullie aanvielen op het strand en degenen die ons elke zonsondergang omgeven, maar daar kunnen we het over een paar dagen nog over hebben.'  

'Een paar dagen?'

'Ik moet de jacht aanvoeren,' zei de oude elf. 'Het zijn, zoals je hebt gezien, zware tijden voor ons, en we hebben niet voldoende voorraden om ook jou en je mannen te voeden. We zullen jullie niet doden enkel omdat we honger lijden, en we laten jullie ook niet verhongeren. Dus moet er een jacht worden georganiseerd. Om veel redenen kunnen we niet jagen in deze heuvels of de pieken hierboven, maar moeten we een dag of meer noord- of zuidwaarts trekken om wild te vinden. Dus zal het drie of vier dagen duren voor ik terugkeer, en dan praten we verder. Ik wil graag dat je je woord geeft dat je degenen die achterblijven om jullie te bewaken geen last bezorgt.'  

'Het is de plicht van een soldaat om te ontsnappen,' zei Kaspar.

De oude elf zuchtte. 'Dat zou dom zijn. Niet alleen zouden we jullie snel weer terugvinden, maar jullie zouden waarschijnlijk al dood zijn voor we jullie vonden. Zoals ik al zei, het gebied rondom dit fort is gevaarlijk.'  

Kaspar knikte. 'Persoonlijk zal ik hier blijven als bewijs van goede wil. Ik kan mijn mannen opdragen hetzelfde te doen, maar ik kan er niet zeker van zijn dat ze allemaal gehoorzamen.' Hij weifelde even, niet wetend of hij zijn woorden nog eens moest benadrukken. 'Ik heb gezegd wat ik moest zeggen, maar ik vertrouw erop dat je begrijpt dat het van het grootste belang is dat we snel tot overeenstemming komen. Datgene wat dat schip met boosaardige mannen naar jullie kust heeft gebracht, is deel van een groter plan, een plan waar krachten mee gemoeid zijn die gelieerd zijn aan de indringers waar ik het over had.'

'De Dasati. Ja, dat weet ik,' zei Castdanur. 'We zullen nog de kans krijgen om alles te bespreken. We zijn, zoals ik al zei, een geduldig ras, en wij kijken anders naar het verstrijken van de tijd. We komen niet tot overhaaste conclusies, maar we zullen rekening houden met jullie gevoel van haast.'

'Dank je voor het luisteren,' zei Kaspar.

Een bewaker begeleidde Kaspar terug naar de lange zaal waarin zijn mannen waren opgesloten. Jommy, Servan en de anderen keken verwachtingsvol op. Kaspar zag dat ze gegeten hadden, hoewel hij aan hun lege kommen en gezichten kon zien dat hij veel beter had gegeten dan zij. Hij negeerde de onuitgesproken vragen in hun ogen en wenkte Jim Dasher met zich mee naar een hoek. Hij gebaarde de anderen in de buurt dat ze zich wat moesten terugtrekken.

'Kun je hier wegkomen?' vroeg Kaspar.

'Geen punt,' zei de dief. 'Ze hebben maar amper de middelen om een onhandige pummel zoals Brix vast te houden.'  

Kaspar knikte. Brix was een van zijn stevigste strijders, een goede man in een gevecht, maar hij was constant het onderwerp van de grappen van de anderen vanwege zijn klunzigheid, omdat hij vaak over zijn eigen voeten struikelde. 'Kun je naar de schepen komen?'  

'Ah,' zei Jim zachtjes. 'Dat is een andere kwestie. Ik heb wel een route in gedachten, maar ik twijfel er niet aan dat de elfen deze bossen tien keer beter kennen dan ik. Veel ervan hangt af van hoeveel voorsprong ik krijg en wie ze achter me aan sturen. Ik heb verhalen gehoord over de spoorzoekersvaardigheden van de elfen, dus ik denk niet dat het veel zin heeft om valse sporen uit te zetten en zo. Bovendien ben ik vooral een stadsmens en weet ik maar weinig van de bossen. Nee, snelheid is het enige voordeel dat ik zou kunnen hebben.'  

'Wanneer zou je vertrekken?'

'Uiterlijk over twee uur,' zei de dief uit Krondor. 'Dat is nog twee uur voor middernacht, en als ze al een uitbraak verwachten, dan denk ik dat ze eerder gokken op zonsopgang.'

'De wachters slapen vaak al half net voor zonsopgang,' merkte Kaspar op.

Jim knikte instemmend. 'En dan zijn er nog die dingen daarbuiten, op die wolven. Ze verwachten dat we uit angst daarvoor allemaal hierbinnen blijven.' Hij keek om zich heen. 'Als ik over twee uur vertrek, loop ik bij zonsopgang tien mijl op ze voor. Tegen die tijd ben ik alom de landpunt heen en bij de kust.'  

'Wil je naar de schepen toe zwemmen?' vroeg Kaspar met een scheve glimlach. 'De haaien hier zijn behoorlijk gevaarlijk.'

'Zie ik er zo stom uit?' vroeg Dasher. 'Ik bouw een signaalvuur. De kapitein weet dat hij daarop moet letten.'  

'Wie heeft hem dat gezegd?' vroeg Kaspar.

Dasher grijnsde breed. 'Ik. Ik vond je oorspronkelijke plan niet zo best.'

Kaspar schudde zijn hoofd. 'Je bent een gewone dief, weet je nog wel?'

'De kapitein is een van de weinigen op deze expeditie die ik vertrouw. Hij is door prins Grandprey persoonlijk voor deze missie geselecteerd.'

'Die jongen is veelbelovend, hè?'

'Hij is indrukwekkend, voor zo'n jonkie,' zei Jim. Toen liet hij zijn stem dalen. 'Luister, Kaspar, maar twee mensen hier weten wat ik echt doe en voor wie ik werk: jij en ik. We zijn ook de enige twee die verslag kunnen uitbrengen aan degenen die ertoe doen en die ze kunnen helpen er iets van te begrijpen. Ik geef toe dat jij meer van de bossen weet en hoe je je er moet verstoppen en zo, maar ik ben veel beter in ontvluchten dan jij, vermoed ik. En als het op een handgemeen aankomt... nou, jij bent een geweldige soldaat, maar ik ken meer smerige trucjes.'

'Ik zeg ook niet dat jij niet moet gaan,' zei Kaspar. 'Ik hoop alleen dat onze gastheren niet al te zeer beledigd zullen zijn door je ontsnapping en dat op ons afreageren. Anders kan ik misschien met ze praten en doe jij al die moeite voor niks. Maar als er trammelant van komt...' Hij haalde zijn schouders op.

'Dan is het beter als ik verslag uitbreng aan onze verschillende heren en meesters. Wat weten we?'  

De twee mannen staken de koppen bijeen en begonnen de missie en de implicaties van de aanwezigheid van de magiër en zijn tovermonster te bespreken, en alles wat ze hadden gezien tijdens hun tocht naar deze nederzetting. Ze spraken bijna een uur en lieten Jommy, Servan en de andere mannen speculeren over wat de leider van de expeditie en een gewone dief uit Krondor in vredesnaam van plan waren.

 

Jim Dasher wachtte tot de mannen in slaap waren gevallen of zachtjes praatten om de slapende gewonden niet te storen. Hij dacht dat minstens drie van die mannen de ochtend of middag niet meer zouden halen, behalve als ze de juiste verzorging kregen van een chirurgijn of genezingspriester. Wat voor magie die elfen ook bezaten, helen scheen er geen deel van uit te maken, of misschien hadden ze geen behoefte om hun gevangenen te genezen. Hoe dan ook, die jongens zouden het zwaar krijgen.  

Jim had zijn opties afgewogen en zich met geveinsde zelfverzekerheid opgesteld tegenover Kaspar, die nu naar hem toe kwam om hem nog eens onder vier ogen te spreken. 'Ben je klaar?' vroeg hij.  

'Nog een paar minuten,' antwoordde Dasher. 'Misschien helpt het als je naar Jommy Killaroo toe loopt, die daar staat te kletsen met die oude sergeant en... weet ik veel, hem stilletjes iets influistert of zo. Ik heb maar een minuutje nodig, maar als je de aandacht kunt afleiden, kan ik wegglippen zonder dat iemand me ziet.' Hij keek om zich heen. 'Ik weet niet of je het gemerkt hebt, maar de elfen letten de hele tijd op hoe wij met elkaar praten.'

Kaspar gluurde naar de twee wachters die bij de deur stonden en zag dat hun blik doorlopend van de ene groep naar de andere ging, en dat die steeds even bleef hangen op hem en Jim aan het uiteinde van de ruimte. 'Nee, eerlijk gezegd had ik dat nog niet gezien.'

'Het is slim van ze,' zei Dasher. 'Je weet niet wat je kunt verwachten, maar je denkt dat de gevangenen het wel weten, dus hou je ze in de gaten om te kijken wie er vreemd reageert.' Hij keek naar de mannen die sliepen of zachtjes praatten. 'Je zal te maken krijgen met een paar geërgerde kerels als je ze wakker maakt om te zeggen dat ze moeten gaan slapen, of wat je ook van plan bent, maar ik heb maar eventjes tijd nodig. Er is een raam boven die balk - niet omhoog kijken - waar ik door kan zijn voordat iemand me ziet. Ik kan niet hebben dat de anderen naar me wijzen en zeggen: ''Hé, kijk! Daar gaat Dasher!'"  

'Ik wou dat dit niet nodig was, Jim.' Kaspar sloeg zijn armen over elkaar en leunde tegen de muur, en hij deed zijn best om nonchalant te lijken.

'Niemand anders maakt een kans, dat weten we allebei.'

'Ik zou bijna willen dat ik je kon bevelen om hier te blijven.'

Jim Dasher grijnsde, en niet voor het eerst stond Kaspar ervan te kijken hoe die eenvoudige verandering van gezichtsuitdrukking de jaren kon laten verdwijnen en hem er bijna jongensachtig kon laten uitzien. 'Ah, maar dat kun je niet, hè?'  

'Nee, dat klopt,' zei Kaspar met een traag opkomende glimlach. 'Ik heb er lekker veel aan om "generaal" te zijn, hè?'  

Jims grijns werd breder. 'Bij mij in ieder geval niet.'  

Kaspar trok een ernstig gezicht. Hij legde zijn hand op Jim Dashers schouder. 'Blijf in leven.'

'Dat is de bedoeling.'

'Hoeveel denk je dat ze er achter je aan sturen?' vroeg Kaspar.  

Jim schudde lichtjes zijn hoofd. 'Eentje, of misschien twee. Volgens mij zijn ze nogal een arrogant stelletje. En ze zijn niet met zoveel.'

'Nou, je hebt vannacht en nog vijf dagen om de baai te bereiken en dat signaalvuur aan te steken als je niet teruggaat naar ons kamp.'

'Kan niet. Dat is de eerste plek waar ze gaan kijken als ze mijn spoor kwijt zijn.'

'Een elf die een spoor kwijtraakt?'

'Ik heb wel een paar trucjes die ze nog niet kennen. En als ze me wel vinden, zie ik wel weer. Nee, ik moet over de heuvel naar het noordwesten komen, en dan op een of andere manier omlaag naar het strand waar de schepen zijn. Dat betekent dat we over twee dagen de zeilen hijsen en naar Roldem vertrekken, niet pas over zes dagen.' Hij zweeg even. 'Ik hoop dat die kerel die je op de weg probeerde uit te benen achter me aan komt.'  

'Sinda?' Kaspar knikte. 'Hij is echt charmant, ja. In gedachten begraaft hij ons al. Als je het met hem aan de stok krijgt, doe hem dan maar de groeten van me.'  

Jim knikte. 'Ga jij nu de mannen lastigvallen.'

Kaspar deed wat hem gevraagd werd, en Jim keek om zich heen. De elfen hadden de mannen niet erg grondig ontwapend, wetend dat hun magiërs een opstand gemakkelijk de kop in konden drukken, en hadden alleen de duidelijke wapens in beslag genomen: zwaarden, dolken, messen, pijlen en bogen. Maar Jim wist dat enkele mannen messen droegen in hun laarzen of mouwen, en hijzelf was ook een wandelende kast vol onverwachte wapens en hulpmiddelen. Hij reikte omlaag naar zijn linkerlaars en deed alsof hij druk bezig was iets van de zool te schrapen, maar hij opende een vakje in de hak en haalde er een klein kristallen flesje uit. Hij wilde het kostbare flesje liever niet breken - de kosten om het te laten maken in een land dat ver genoeg bij Krondor vandaan lag om geen argwaan te wekken, hadden heer Erik bijna een hartaanval bezorgd - maar dit was precies het soort situatie waarvoor hij een dergelijke schat had voorbereid.  

Met zijn linker duimnagel brak hij het flesje toen Kaspar de mannen wakker maakte die lagen te dommelen of half te slapen, en vervolgens liet hij zes druppels van het vocht op zijn lippen vallen. Hij zoog het minieme beetje krachtige magie naar binnen en wachtte af.  

Het getintel op zijn huid vertelde hem dat hij nu onzichtbaar was voor sterfelijke ogen. Het was fijn om samen te werken met machtige magiërs, dacht Jim niet voor het eerst in zijn leven. Hij wist dat hij over een halfuur weer zichtbaar zou zijn, en hij wist dat het drankje zijn sporen of andere bewijzen van zijn aanwezigheid niet zou maskeren. Sterker nog, daar rekende hij op. 

 

Kaspar keek op en was stomverbaasd te constateren dat Jim Dasher weg was. Hij keek rond in de ruimte. Een van de elfen bij de deur loerde naar hem terwijl hij met zijn mannen sprak, en Kaspar wendde snel zijn blik af en gaf de mannen een korte samenvatting van zijn gesprek met Castdanur. Toen waarschuwde hij hen de discipline te bewaren tijdens hun gevangenschap en sloot af met de belofte dat dit allemaal niet lang meer zou duren. Daarna liep hij naar zijn slaapvlonder, ging liggen en probeerde te slapen. Hij vroeg zich af of het wel per se zo'n goede uitkomst was als alles niet meer lang zou duren. 

 

Jim Dasher was geboren in de stad, opgegroeid als stadse jongen, en hij haatte de wildernis, maar hij had maanden doorgebracht in de bossen en bergen ten noorden van Krondor om kennis op te doen van een paar zeer vastberaden, zeer taaie en meedogenloze Koninklijke Krondoriaanse Padvinders. Hij kon niet eeuwig van het land leven, maar hij kon zich een paar weken van de hongerdood redden en wist wel beter dan het hol van een kwaaie holenbeer in te kruipen. Hij was ook een aardige spoorzoeker - maar niet zo goed als Kaspar, laat staan de elfen - en wist hoe hij zijn sporen moest verbergen.  

Nu maakte hij zich echter meer druk om de leegtespringers en hun op wolven rijdende meesters. Jim kon erg complexe zaken bevatten, een eigenschap die hem een bijzonder waardevolle medewerker maakte voor zowel de Kroon van de Eilanden als het Conclaaf. Terwijl hij doorlopend zijn situatie evalueerde en zijn volgende zet overwoog, keek hij ook terug op de gebeurtenissen van een heel lange dag. Hij wenste dat hij meer informatie mee kon nemen, zoals wie de wolvenrijders waren. Die wezens waren geen wolven, wist hij, maar tot iemand ze een passende naam gaf, zou hij het maar bij wolven houden. En de elfen? Die waren een moeilijker vraagstuk. Hij wist evenveel als ieder ander in het Koninkrijk der Eilanden over elfen: zijn verhaal over de grot en het elfenmeisje was onzin, maar hij was wel naar Elvandar geweest, en het hangertje om zijn nek was echt.  

Hij had in de koninklijke archieven van Krondor alle documenten over de elfen gelezen, van heel oude onzin van voor de Oorlog van de Grote Scheuring tot alle officiële verslagen over Krijgsleider Tomas en zijn vrouw, de elfenkoningin Aglaranna. Het koninkrijk had dan misschien vele bondgenoten, maar hij was ervan overtuigd dat de meest betrouwbare daarvan het koninklijke hof in Elvandar was.  

En dat voerde hem terug naar zijn onwetendheid aangaande deze troep elfen. Hij sprak hun taal voldoende om iets te hebben verstaan van wat ze zeiden, maar dat had hem alleen maar nieuwsgieriger en gefrustreerder gemaakt.  

Nu bleef Jim Dasher staan luisteren naar het ritme van de nacht. De bries bracht de takken in beweging, en nachtvogels en andere dieren ritselden tussen de bladeren. De meeste verstopten zich toen hij naderde, want hun zintuigen waren veel beter dan zijn vaardigheid om geruisloos te bewegen. Maar de dieren net buiten het traject waarover hij zich bewoog, gingen verder met waar ze mee bezig waren, en ze gaven kleine aanwijzingen over hoeveel gevaar er in de buurt was. Absolute stilte was even dodelijk als het geluid van gewapende mannen die door de struiken achter hem raasden.  

Er waren net voldoende geluiden van nachtvogels en het gekras van een dier dat een uil kon zijn om te weten dat hij niet direct in gevaar was, maar hij wist dat dat niet lang zou duren.

Hij vermoedde dat hij minder dan een uur voorsprong had op zijn achtervolgers, en hoewel hij misschien een paar trucjes had die ze niet kenden en die ze tijd zouden kosten, zouden ze hem uiteindelijk inhalen. Terwijl hij zijn aandacht gericht hield op de taak die voor hem lag, zich voortbewegend langs de route die hij onderweg naar het fort van de elfen in zijn hoofd had geprent, bleef hij ook speuren naar goede plekken voor een hinderlaag. Er zou een confrontatie komen, dus kon hij maar beter zorgen dat hij in het voordeel was.

 

Jim Dasher wachtte. Hij wist dat ten minste één, mogelijk twee elfen snel naderden. Hij wist niet hoe hij het wist, maar hij was er zeker van. Zijn grootvader had verteld over zijn eigen grootvader, de legendarische Robbie de Hand, en hij had gezegd dat die beweerde een 'narigheidsknobbel' te hebben, een intuïtie waardoor hij valstrikken kon anticiperen voordat hij erop stuitte. Jim Dasher had geen naam voor zijn buikgevoel, maar hij wist dat het hem meer dan eens van rampspoed had gered.  

Die 'jeuk', zoals zijn grootvader het had genoemd, was een paar minuten geleden begonnen, en Jim was blijven staan om te luisteren. Hij hoorde niets, maar op een of andere manier had hij daarbuiten een verandering gevoeld, achter zich, en wist hij dat zijn achtervolgers vlakbij waren.

Hij twijfelde er niet aan dat hij één elf vanuit een hinderlaag kon verrassen en dan een eerlijke kans had - of eigenlijk een oneerlijke - om hem te verslaan. Maar een tweede boog of zwaard zou bijna zeker betekenen dat hij gedood of gevangengenomen werd. Voor het geval het er twee waren, deed hij zijn riem af, waarin hij aan de binnenkant vijf geheime vakjes had laten naaien. Dat was de reden waarom hij een grote kei als wapen had gekozen toen hij tegenover de wolvenruiters stond, en niet zijn riem had gebruikt zoals Kaspar had gezegd. Hij brak met zijn duimnagel handig de draden, opende twee van de compartimentjes en haalde de flesjes eruit die hij daarin verstopt had. Toen schoof hij een klein, dun en heel dodelijk mes dat hij zelf had gemaakt uit de riem, net onder de riemgesp - die ook kon worden gebruikt als cestus, een charmante Quegse uitvinding, een soort gevechtshandschoen - en legde die naast de flesjes neer. Hij glimlachte toen hij dacht aan Kaspar die met zijn riem om zich heen mepte, en overwoog een speciale riemgesp voor de voormalige hertog te laten maken. Kaspar was jarenlang een doorn in het vlees van het koninkrijk geweest, hoewel hij eigenlijk een groter probleem was geweest voor Roldem en Groot Kesh, wat betekende dat hij als bedreiging de moeite waard was voor het Koninkrijk der Eilanden. Maar sinds zijn verbanning en terugkeer had hij bewezen waardevol te zijn voor het Conclaaf, en bovendien mocht Jim hem graag. Hij kon een moorddadig stuk tuig zijn, net als Jim, maar hij was een interessante, complexe man, iemand die genoot van de jacht, goed voedsel en goede wijn en het gezelschap van foute vrouwen.  

Hij deed zijn riem weer om, omklemde het mes met zijn rechterhand en pakte het eerste flesje met zijn linkerhand. Hij smeerde het lemmet met de inhoud ervan in en gooide het lege flesje weg. Toen pakte hij het tweede flesje op en wachtte af.

De twee elfen waren plotseling bij hem. Zijn intuïtie zei hem dat het tijd was om in beweging te komen, en zonder nadenken deed hij dat, in precies de juiste richting.

Een zwaardkling hakte in de boomstam waar Jim even daarvoor nog gehurkt had gezeten, en dat was alle aanleiding die hij nodig had. Hij brak het flesje tussen zijn duim en wijsvinger en gooide de inhoud in de ogen van de elf. Binnen enkele tellen lag de elf op zijn knieën, graaiend naar zijn gezicht en gillend van pijn.  

De tweede elf was inderdaad Sinda. Hij legde een pijl op en spande zijn boog. Jim dacht niet na; hij reageerde, bewegend naar links, Sinda's rechterkant, en dwong de elf zijn mikpunt iets te verplaatsen. Die kleine aanpassing redde Jims leven, want de pijl vloog langs zijn hals, zo vlakbij dat de veer zijn huid schampte. Jim maakte een koprol naar voren, de stenen en takken die hem prikten negerend, en kwam fel omhoog, waarbij hij zijn schouder in Sinda's maag dreef.  

Van dichtbij was de boog van de elf nutteloos, en voor hij zijn mes uit zijn riem kon trekken, duwde Dasher hem tegen de grond, haalde uit met zijn vuist en sloeg hem hard op de punt van zijn kin. De ogen van de elf werden heel even glazig, maar meer tijd had Jim niet nodig. Hij pinde de linkerarm van de elf onder zijn knieën en greep toen de andere pols met zijn linkerhand vast. Hij drukte zijn mesje hard genoeg tegen Sinda's nek dat de elf het zou voelen, en zei: 'Als je wilt blijven leven, moet je je vooral niet bewegen! Er zit gif op mijn mes, en één sneetje is genoeg voor een snelle dood.'  

De elf was verdwaasd, maar hij begreep nog voldoende om zich slap te houden. Even later zei Jim: 'Mooi zo. Luister. Ik heb niet veel tijd. Je vriend heeft mosruggif in zijn ogen gekregen. Je weet wat dat betekent. Je hebt een uur, maximaal twee om hem naar een van jullie genezers te krijgen. Nu moet je besluiten wat belangrijker is: mij doden en hem laten sterven, of zijn leven redden. Allebei kan niet. En mij doden zal niet meevallen. Kunnen je kameraden het zich veroorloven nog twee krijgers te verliezen?'  

Jim stond snel op en liet Sinda verward op zijn rug liggen. 'Waarom heb je me niet gedood?' vroeg de elf.

Jim Dasher trok iets van zijn hals los, gooide het naar Sinda en zei: 'Ik ben je vijand niet. Niemand van de mannen die jullie gevangen houden is jullie vijand. Als jullie willen, helpen we jullie te overleven. Maar ik moet mijn mensen waarschuwen voor wat we op het strand zagen, want die zwarte toverij betekent dat er meer ellende dan je weten wilt op deze kust afkomt. Niemand anders gaat proberen te ontsnappen. Laat ze jullie helpen terwijl ze wachten.'  

'Wachten? Waarop?' vroeg Sinda.

'Tot jullie leiders besluiten hen te doden of te laten leven. Ga nu voor je vriend zorgen.'

Bijna even snel als een elf verdween hij in het schemerlicht en liet de verwarde Sinda achter, nadenkend over wat hij had gehoord. De elf keek naar het voorwerp dat naar hem toe was gegooid en zette grote ogen op. In het karige licht zagen zijn elfenogen duidelijk het ontwerp. Dat was geen namaakding, maar een echt teken dat door de elfenkoningin alleen aan elfenvrienden werd geschonken.  

Sinda hielp zijn kameraad overeind. De ergste pijn was inmiddels weggetrokken, maar beide elfen wisten dat het gif van de mosrughagedis het slachtoffer langzaam naar een vage, lusteloze toestand zou laten afglijden, snel gevolgd door de dood. Het was een effectief soort gif, maar gemakkelijk te genezen als je het tegengif had.  

Sinda legde zijn arm om het middel van zijn vriend, trok de slaphangende elf over zijn schouder en begon aan de terugweg naar Baranor.