17


Inleiding

 

  1.  

  2. Valko sloeg hard toe.  

Zijn tegenstander, een Doodsridder, was ervaren en behoedzaam en ontweek de uithaal, maar hij verdedigde zich niet goed tegen een omtrekkende beweging, die Valko afmaakte door hem aan de punt van zijn zwaard te rijgen. Hij draaide zich snel om naar een volgende tegenstander en werd bijna geraakt door een woeste klap van boven. Hij hief zijn zwaard om die te blokkeren, greep zijn zwaardgevest met beide handen vast, hurkte neer en sloeg fel naar de benen van zijn tweede tegenstander, zodat die viel. Valko draaide zijn zwaard om, stak het door de keel van zijn tegenstander en keek toen op, klaar voor de volgende confrontatie.  

Zijn groep hield maar amper stand tegen de schijnbaar eindeloze golf Doodsridders van de tekarana. Hoe die uiteindelijk de vesting van de Bloedheksen en het virtuele leiderschap van de Witte hadden gevonden, was een vraag die zou moeten wachten; misschien door een verrader, of doordat een van hun eigen trouwe dienaren was gemarteld en de locatie had prijsgegeven, maar hoe dan ook, de schade was aangericht. Zelfs als ze nu zouden overwinnen - en die uitkomst was nog twijfelachtig - dan zou iedereen hier gedwongen zijn te vluchten en zou het leiderschap van de Witte zeker een paar weken ontregeld zijn.  

Valko gebaarde dat twee andere Doodsridders die de Witte dienden snel moesten gaan helpen bij het gevecht aan de rechterkant, en kwam even op adem terwijl hij om zich heen keek. Ze bevonden zich op het grote binnenplein waar ze binnen waren gekomen na het doorbreken van de illusie die het huis van de Zusterorde van Bloedheksen omgaf. De magiërs waren verwikkeld in een confrontatie met zes Doodspriesters die vergezeld werden door Doodsridders uit het paleis.  

De Doodsridders in hun rood-met-zwarte bepantsering waren gemakkelijke doelwitten voor Valko en zijn in het zilver geklede strijders, maar het waren er te veel om een tactisch voordeel te vinden. Zijn strijders waren getalenteerder en zouden het misschien kunnen winnen door de anderen uit te putten. Maar die geringe hoop werd steeds kleiner, want als de Doodspriesters de Bloedheksen versloegen, hadden Valko's mannen geen bescherming meer tegen hun magie.  

Plotseling kwam er een waanzinnig gejoel door de strijdgeluiden heen en verscheen er iets onvoorstelbaars midden tussen de gevechten: een wezen dat bijna twee keer zo groot was als de grootste strijder in de mêlee. Hij droeg een mantel van rook om zijn schouders. Zijn huid fonkelde als blauwwit kristal en straalde een pulserende energie uit die de grond onder Valko's voeten deed trillen. De haartjes op zijn armen en achter in zijn nek kwamen overeind, en hij zag dat de andere strijders, van beide partijen, diezelfde effecten voelden.  

Het wezen maaide met een lange, sterke arm, en zijn dikke zwarte nagels maakten rokende wonden waar hij een doelwit raakte. Het eerste slachtoffer van de aanval was een van Valko's Doodsridders, maar de tweede was een Doodspriester die te dicht naar de rand van de gevechten was gekomen nadat hij een Bloedheks had gedood, en zijn nek werd gebroken door een krachtige kneep van de enorme hand van het monster.

'Achteruit!' schreeuwde Valko.

Hij had gezien dat er meer vijanden dicht bij het monster waren dan mannen van zijn groep, en zag meteen de kans om het wezen voor hem te laten vechten terwijl hij de beste manier overpeinsde om met het monster af te rekenen. Met handgebaren bracht hij zijn verdediging in stelling, en ze gingen naar de posities die hij had aangewezen, waardoor alleen de Doodsridders uit het paleis zich nog verdedigden tegen het monster. Valko zag dat de Bloedheksen werden verslagen door de Doodspriesters, dus gebaarde hij vier van zijn strijders dat ze de Doodspriesters in de rug moesten aanvallen.  

Ze gehoorzaamden, en hij keek toe.

Valko had van de Bloedheksen niet de leiding of enige rang gekregen, maar toen de troepen van de Duistere aanvielen, minder dan een kwartier geleden, had hij gewoon als vanzelfsprekend de leiding genomen en niemand had zijn bevelen in twijfel getrokken. Hij was heer van de Camareen en hoewel hij niet de meest ervaren strijder was, was hij wel de hoogste edele. En hij bewees een goede leerling van Hirea te zijn. Hij had voorkomen dat de Zusterorde een catastrofe te beurt viel, en nu leek het erop dat ze een kans hadden om de aanval te overleven.  

Als hij een manier kon verzinnen om dat monster te verslaan.  

Terugtrekken kwam geen moment bij Valko op. Dat lag niet in de aard van een Dasati. Je won of je ging dood; zo simpel was het. Maar hij was niet zo stom om nodeloos zijn leven of dat van zijn strijders te verspelen. Hij zag met voldoening dat de strijders die hij op de Doodspriesters af had gestuurd korte metten met hen hadden gemaakt terwijl de priesters bezig waren met hun magische strijd tegen de Zusterorde, en nu hadden ze een beetje respijt terwijl de rest van de Doodsridders uit het paleis bezig was met het monster. Valko rende naar Audarun toe. De oude Bloedheks was uitgeput en had al haar energie verbruikt in het gevecht tegen de Doodspriesters. 'Weet jij wat dat voor een wezen is?' vroeg hij.  

'Ik kan alleen maar speculeren, want ik ben zoiets nog nooit in het echt of in de overleveringen tegengekomen. Ik weet niet eens zeker wie het hierheen heeft gehaald, want het lijkt een even grote schok voor de Doodspriesters als voor ons.'

Valko beduidde zijn resterende Doodsridders dat ze zich moesten hergroeperen en even later stonden ze klaar om de Bloedheksen te beschermen tegen het monster. Een handjevol Doodsridders uit het paleis probeerde nog altijd de magische verschrikking te doden, en Valko keek oplettend toe, zoekend naar een spoor van zwakte in het wezen. Achter hem stonden zes Bloedheksen zachtjes te zingen, sommigen met hun ogen dicht, om iets te bespeuren van de aard of kracht van het monster.

Toen Audarun begon met een bezwering, richtte Valko zijn aandacht op het beest dat tegenover de laatste Doodsridders uit het paleis stond. Hij wenste hen stuk voor stuk dood, maar hij moest ze nageven dat ze moedig stierven.

Al snel was er nog maar één Doodsridder over, en die begon zich terug te trekken en leidde het wezen weg van de plek waar Valko en de anderen stonden. Valko vloekte van frustratie toen enkelen van zijn eigen Doodsridders begonnen te lachen om de lafheid van de paleis ridder. 'Genoeg!' schreeuwde hij. 'Hoe amusant het ook is om de lafaard een pijnlijke dood te zien sterven, we hebben belangrijkere dingen aan ons hoofd, zoals dat monster doden.'

'Ik zie geen zwakte in het wezen,' zei een stem achter hem, en toen Valko zich omdraaide zag hij Luryn staan.

'Jij hoort hier niet,' zei hij. Hij had het aanvankelijk moeilijk gehad met het idee dat hij een zus had, maar toen hij wat meer met haar gepraat had, was hij een gelijkenis met hun moeder gaan zien en voelde hij zich tot haar aangetrokken; een soort band die hem zowel verheugde als verontrustte. Zussen werden weggestuurd om te paren met zoons van machtige families, zoons voor hen te baren en allianties te vormen; het waren geen mensen om wie je ging geven.  

Zoveel van wat hij in zijn jeugd van zijn moeder had geleerd, kwam nu samen in een nieuw en verontrustend perspectief. Valko merkte dat hij gaf om de anderen hier, zodat hij in plaats van alleen maar het monster te verslaan ook zijn zus en de andere Bloedheksen wilde beschermen, en zelfs de Doodsridders die de Witte dienden. Hij vond het conflict dat met die gevoelens gepaard ging vreselijk, want hij zou eigenlijk alleen maar moeten willen doden wat hem in de weg stond.

Toen verschenen op het binnenplein plotseling Martuch, Hirea, nog vier Doodsridders en twee van die mensen die vermomd waren als Minderen. De mens die Puc heette, was bliksemsnel. Voordat de anderen konden reageren, was hij al begonnen met het oproepen van een bezwering. Terwijl het monster de laatste Doodsridder uit het paleis vermorzelde, werd er een dak van energie rond het wezen gevormd, en toen het omkeek naar Puc, verscheen er een patroon van kristallen op het oppervlak van het afdak. Elk kristal gaf een felgele streep energie af die doorschoot naar een volgend kristal, en plotseling was het wezen gevangen in een raster van energie.  

Het viel aan, en zodra het contact maakte met het raster, barstte er een explosie van rook en vuur van zijn hand en schouder af. Het monster jammerde van pijn en woede, een galmend geluid waardoor Valko's haren rechtop gingen staan. Redeloos maaide het monster om zich heen, maar elk contact met het energieraster leverde hem meer letsel en pijn op.

Valko keek met een fascinatie die grensde aan walging toe terwijl het monster almaar woester werd. Uiteindelijk sloeg de verschijning in de val wild om zich heen, zijn lichaam een massa rokende, brandende wonden terwijl hij maar tegen het raster bleef botsen in een vergeefse poging om te ontsnappen.  

Puc zei iets tegen Magnus, die naar voren stapte en een andere bezwering prevelde. Er schoot een straal kracht van zijn uitgestrekte handen, die het opgesloten wezen raakte. Het jankte nog een laatste keer en ontplofte toen in een verblindende zilver-met-rode flits. De verwoesting vulde het binnenplein met de stank van verkoling en verrotting.  

Het had de twee menselijke magiërs minder dan een minuut gekost om het wezen te verslaan. Martuch en Hirea stonden allebei stomverbaasd toe te kijken: hun jaren van gevechtstraining hadden hen hier niet op voorbereid.  

Valko haastte zich naar Puc en Magnus toe, die er allebei uitgeput uitzagen. Puc en Magnus hadden Nakur bij Bek achtergelaten en waren snel naar de bijeenkomst gekomen. Daar hadden ze ontdekt dat ze Martuch en Hirea waren misgelopen. Het was zonsopgang en het was een chaos in de stad. De klokken luidden er, en er ging een oproep rond om de genootschappen aan te monsteren. Alle Doodsridders en hun volgelingen moesten om noen de volgende dag klaarstaan voor bevelen van de tekarana uit naam van Zijne Duisterheid.  

Magnus had zijn vaardigheden gebruikt om zichzelf zonder toestel te verplaatsen, zodat ze konden terugkeren naar het bos, waar ze enkele minuten voordat Martuch en Hirea binnenreden aankwamen. Na een snelle discussie besloten ze op zoek te gaan naar Valko, want de afwezigheid van de jonge heer van de Camareen zou worden opgemerkt bij de Aanmonstering de volgende dag. Puc had de tijd gehad om de twee Doodsridders te informeren over wat hij had ontdekt in het hart van de tempel van de Duistere.  

 

Martuch bekeek de slachting op het binnenplein en zei: 'Iedereen moet nú vertrekken.'  

Audarun klapte eenmaal in haar handen. 'Voorbereiden op evacuatie.' Ze keek Martuch en Valko aan en knikte instemmend. 'We hebben noodplannen. We wisten dat de volgelingen van de Duistere of de agenten van de tekarana dit toevluchtsoord waarschijnlijk op een dag zouden ontdekken.'  

De niet-gewonde Bloedheksen haastten zich om de spullen te verzamelen die ze nodig hadden, terwijl de vijf die te ernstig gewond waren om te helpen, rustten waar het lot hen had doen belanden. Martuch neigde zijn hoofd naar hen en Audarun knikte eenmaal.

De oude krijger trok zijn zwaard en liep snel van de ene gewonde heks naar de volgende, en benam ze met een welgemikte slag het leven. De heksen sloten hun ogen en wachtten stoïcijns op de dood.  

'Waarom?' vroeg Puc onthutst.

'Het is een zware reis,' zei Audarun. 'Als we hen achterlieten, zouden de priesters van de Duistere hun kennis kunnen ontfutselen, ondanks hun toewijding. Wij allemaal kennen dit risico; we aanvaarden liever bereidwillig de dood dan een instrument van verraad te worden.'  

'Verraad, ja,' beaamde Hirea. 'Ergens binnen de Witte is een verrader, want dit was een te goed gecoördineerde aanval, te goed uitgedacht om toeval te zijn, en het valt te mooi samen met de komende invasie van de mensenwereld. De Duistere wil geen vijanden in zijn rug hebben wanneer hij zijn aanval op de mensenwereld begint.'

Puc keek Audarun aan. 'Kun jij die verrader vinden?'

Ze knikte. 'We hebben wel middelen, nu we weten dat er een verrader moet zijn.' Ze wenkte een jonge vrouw die een eindje verderop stond en gaf haar instructies. De jonge Bloedheks knikte eenmaal en haastte zich op weg. 'Het is gebeurd. Als de verrader niet is gevlucht of omgekomen bij de aanval, vinden we hem wel.'

'Hem?' vroeg Magnus.

'De zusters ondergaan jaren van training, jong mens. Nee, de verrader moet een mannelijke Mindere zijn. Er zijn hier geen vrouwelijke Minderen.'

Puc knikte begroetend toen Valko bij hem kwam staan. 'Wat was dat voor een ding?' vroeg Valko.

'Een wezen uit de Leegte,' antwoordde Puc. Hij keek naar de chaos. 'Wat is hier gebeurd?'

'Bij zonsopgang meldde een verkenner dat er een groep paleiswachters van de tekarana en enkele Doodspriesters aankwamen over een zelden gebruikt pad in het zuiden,' vertelde Valko. 'Audarun zei dat we rustig moesten blijven, want dergelijke groepen komen wel vaker in de buurt zonder de illusie te doorbreken die dit toevluchtsoord verbergt. Ik heb toch maar geopperd dat de Doodsridders hier zich klaar moesten houden.'  

'Een verstandige voorzorgsmaatregel,' zei Hirea, duidelijk verheugd dat zijn leerling meer geduld aan de dag had gelegd dan de gemiddelde jonge Doodsridder. De meeste jonge Dasati-strijders zouden de neiging hebben gehad om meteen aan te vallen, zonder af te wachten of het wel nodig was.  

'Kennelijk wisten ze waar ze moesten zoeken,' concludeerde Puc.  

'Alles wat we hebben gezien, wijst erop dat ze al heel lang voorbereid waren,' zei Magnus.

'Ja,' antwoordde Audarun. 'We waren zelfgenoegzaam geworden omdat we zoveel jaren verborgen dachten te zijn gebleven. Maar misschien waren we gewoon niet dreigend genoeg om aandacht te krijgen, tot nu toe.'  

Martuch had de gewonden gedood en keerde terug. 'Je moet terug voor de Grote Aanmonstering,' zei hij tegen Valko. 'De heer van de Camareen moet in de Grote Zaal van de Sadharin verschijnen. Ik ga met je mee. Hirea zal mee moeten gaan met de Gesel.'

'Nee,' zei Valko.

Martuch fronste zijn voorhoofd. 'Nee?'

'Het is tijd.'

'Hoe bedoel je?' vroeg Hirea.

'Er zal nooit meer een tijd komen dat er zoveel Doodsridders - van de genootschappen, van de paleiswachters, van de tempel - de stad hebben verlaten. Ze gaan naar een andere wereld, naar de andere kant van de poort,' zei Valko. Hij wendde zich tot Puc en Magnus. 'Jullie hebben het wapen meegebracht om de Duistere te vernietigen, en het is mijn lot om de tekarana te doden. Als er nog meer manschappen hierheen komen en zien dat het hier verlaten is, zal hij aannemen dat de Bloedheksen en de Witte zijn ondergedoken, dat ze zich verstoppen in de struiken zoals zoveel moeders en kinderen. In plaats daarvan roepen wij al onze troepen op en verzamelen ons op het terrein van het Grote Paleis, en als de tekarana dan op zijn gemak is, als zijn legers zijn weggemarcheerd om een andere wereld te veroveren, dan slaan we toe.  

De kanseliers van de Orde merken misschien dat een of twee Doodsridders van de genootschappen afwezig zijn tijdens de Aanmonstering, maar ze zullen er bijna zeker van uitgaan dat die gedood zijn of gewond zijn geraakt tijdens de Grote Selectie. Als deze aanvalstroep niet terugkeert, gaan ze vermoeden dat enkele lieden die afwezig waren tijdens de Aanmonstering hier waren, en dat ze dus dienaren van de Witte waren, nu dood of ondergedoken.' Valko's ogen fonkelden bijna van passie. 'Het is tijd! Laat bekendmaken dat ik gesneuveld ben, Martuch, tijdens een slag gisteravond. Roep dan onze troepen op naar de afgesproken plek, en dring bij onze mannen aan op geruisloosheid en sluwheid. We zuilen als kinderen in het Schuilgaan wachten tot het leger weg is, en als de tekarana dan overtuigd is van zijn onoverwinnelijkheid, slaan we toe!'  

De Doodsridders die om hen heen stonden, juichten goedkeurend, en zelfs Hirea en Martuch deden mee. Puc besefte dat hoe redelijk die mannen ook waren vergeleken met andere leden van hun ras, ze in hun hart nog altijd Dasati waren. Het was voor hen maar een kleine stap van rationeel wezen naar moorddadige strijder zonder een spoor van medelijden. Maar hij wist ook dat er een soort profetie mee gemoeid was, waardoor Valko waarschijnlijk hoe dan ook zou doorgaan op zijn weg, wat voor advies een ander hem ook gaf.  

Hij wendde zich tot zijn zoon. 'We kunnen hier niets meer doen. We kunnen alleen maar hopen dat je moeder en haar bondgenoten de Tsurani hebben voorbereid op wat er komen gaat, en dat ze Leso Varen heeft gevonden en vernietigd.'

Ondanks zijn respect voor zijn moeder en haar koppige vermogen om een doel na te jagen tot ze het bereikte, had Magnus ernstige twijfels of ze de doodsbezweerder had kunnen opsporen en doden.  

Het gejuich stierf weg en Valko vroeg: 'Wat ga jij doen, mens?'

Puc dacht erover na. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat hij niet meer veel tijd had op deze wereld. 'Als jij de tekarana wilt aanvallen, dan moet Nakur snel besluiten wat hij met Bek gaat doen.' Puc was er niet van overtuigd dat Bek de Godendoder uit de profetie was, maar hij wist dat hij vele dingen nog niet begreep, waaronder de reden waarom ze allemaal op deze wereld waren. Misschien kon Nakur wat licht werpen op dat mysterie. Hij zou Nakur niet achterlaten als hij het voor het zeggen had, en als het Beks lot niet was om hier te sterven, dan zou die vreemde jongeman ook mee terug moeten naar Midkemia.  

'Ik hoop dat je zegeviert tegen de tekarana, dat je hem van zijn troon stoot en de macht van de Duistere aantast, maar ik moet terug naar mijn eigen rijk, want er komen vele Dasati-strijders naar een wereld die ik ooit mijn thuis noemde. Ik ga met je mee terug.'  

Valko overpeinsde Pucs woorden en knikte. 'Kun je ons allemaal verplaatsen met je magie?'

Puc keek naar Magnus, die zei: 'Als jullie terug willen naar het Bos, kan ik mogelijk vier of vijf personen tegelijk vervoeren. Ik zal een paar keer heen en weer moeten.'  

'Eén tocht is genoeg,' zei Valko. 'Je hoeft alleen je vader, Martuch, Hirea en mij mee te nemen.' Tegen de andere Doodsridders schreeuwde hij: 'Ga met de Zusterorde mee naar hun nieuwe schuilplaats. Bescherm hen! Als we falen, zijn jullie het begin van een nieuwe enclave van de Witte.'  

De Doodsridders die de Witte dienden, brachten de jonge heer een saluut en vertrokken. 'Laten we gaan, want er is veel te doen en maar weinig tijd,' zei Valko.

Puc knikte. Magnus wenkte de drie Dasati dichterbij, droeg hun op elkaar vast te houden, en plotseling waren ze verdwenen.  

 

'Heb ik het duidelijk genoeg uitgelegd, Erik?' vroeg Miranda.

Erik von Zwartheide ging in de grote stoel in zijn privévertrekken zitten en slaakte een diepe zucht. 'Ja, Miranda. En zo niet: Nakur had niet al die moeite gedaan om me zo lang in leven te houden als hij niet dacht dat de situatie ernstig was. Dat alleen al zou me hebben overtuigd dat elke waarschuwing van het Conclaaf met de grootste ernst moest worden bezien.' Hij verschoof in zijn stoel en grimaste.  

'Gaat het wel goed met je?'

'Nee. Ik ben stervende... alweer.' Hij keek uit het raam van het paleis, zijn favoriete uitzicht, naar de zon die onderging boven de haven van Krondor. 'Ik vind het niet erg om dood te zijn; dood gáán is het ergerlijke.' Hij wees naar een grote houten kist aan het voeteneind van zijn bed. 'Zou je iets voor me willen doen? Zou je een klein flesje uit die kist willen pakken? Het zit in een buideltje van zwart fluweel.'  

Miranda maakte de kist open en pakte het buideltje voor hem. Erik peuterde zorgvuldig de koordjes open waarmee het buideltje dicht zat en haalde het flesje eruit. Hij trok er een kurkje af en goot het flesje leeg in zijn mond. Toen gooide hij het lege flesje op de tafel naast zich. 'Zo. Dat was de laatste. Ik heb steeds wat van het elixer genomen dat Nakur me heeft gegeven, en dat heeft me vrij fit gehouden... voor een man die de honderd nadert.'

'Ik dacht eerder negentig,' zei Miranda.

'Ach, de waarheid staat het drama in de weg,' zei Erik glimlachend. Voor haar ogen zag Miranda de lijntjes in zijn gezicht vervagen en zijn kleur terugkeren.  

'Hoeveel tijd heb je nog?'

'Weet ik niet. Een paar maanden misschien.' Hij ging achterover zitten. 'Ik ben moe. Tot in mijn botten ben ik moe, Miranda. Ik dien de kroon al zeventig jaar, en ik heb mijn rust wel verdiend.'  

'Wij allemaal,' antwoordde ze. Ze besloot maar niet in te gaan op het feit dat zij en haar man allang voordat Erik was geboren vochten tegen de machten van het kwaad. Maar hij had uitmuntend gediend en in een groot aantal veldslagen gestreden. Hij was nooit getrouwd of vader geworden, en ze besefte hoeveel leger zijn leven daardoor moest zijn geweest dan dat van haar. En hoewel hij lange tijd had geleefd, was hij ouder geworden, terwijl zij altijd een vrouw van eind dertig of begin veertig had geleken, zowel in uiterlijk als in kracht.  

Erik sloeg op de leuningen van zijn stoel. 'Wat je eerste behoefte aangaat, daaraan kan ik niets doen. De koning is vastbesloten. Hij heeft geen genegenheid voor je man, en nog minder voor de Tsurani.'  

'Waarom niet?' vroeg ze. 'Het is al sinds het eind van de Oorlog van de Grote Scheuring vrede tussen het keizerrijk en het koninkrijk. De Tsurani hebben het koninkrijk geholpen tijdens de Slag om Sethanon. Jullie hebben de afgelopen tien jaar meer last gehad van Kesh dan van Tsurani, sinds het vredesverdrag is getekend.'  

'We hebben het hier niet over een paar honderd of een paar duizend vluchtelingen, Miranda. Het gaat om miljoenen zielen. Meer Tsurani dan de hele bevolking van Kesh en het koninkrijk samen. Er is niet één hertog die ze in zijn hertogdom zou willen hebben. Wie moet ze voeden?'  

'Ze kunnen werken. Het zijn ambachtslieden en boeren en wagenmenners .. .'

'Het zijn buitenaards en. Zelfs de graaf van LaReu zou ze niet verwelkomen, en hij heeft Tsuranees bloed! Ze vormen een te grote bedreiging.'

Miranda had dit antwoord verwacht, maar toch had ze op iets beters gehoopt. 'Hoeveel zou je er wel willen opvangen?'

'Ik?' vroeg de hertog. Hij lachte, en ze zag de levenskracht terugkeren in zijn gezicht. 'Ik zou het wel door de vingers zien als jullie er een paar duizend in Yabon en Schreiborg onderbrachten. Als jullie er nog een paar duizend de dorpen rondom de Tanden van de Wereld binnensmokkelden zodat de grensheren zich daar druk om moesten maken, zou me dat niet uitmaken. Maar ik kan niet gehoorzaam zijn aan mijn ambtseed als ik de bevelen van mijn leenheer niet opvolg, Miranda. Dat kan gewoon niet.'  

'Heb je ideeën?' vroeg Miranda.

'Novindus zou mijn suggestie zijn. Dat is nog herstellende van de vernietigingen van de Smaragden Koningin en kan mogelijk een hoop Tsurani kwijt. Verdomd, ze zouden het hele continent kunnen overnemen, en niemand daar zou het wat kunnen schelen.'  

'Kaspar is daar nu om met een vriend van hem te praten.'

'Nou, ik wed dat hij meer geluk heeft dan jij, want jij hebt helemaal geen geluk.' Hij zuchtte weer, deze keer meer uit emotie dan uit vermoeidheid. 'En ik garandeer je dat Jim Dasher Jameson nog minder geluk heeft dan jij. Zijn grootvader is een sluwe en gevaarlijke man, net als zijn eigen grootvader - en dát was me een geniepige rotzak - maar hij is even standvastig en loyaal aan de kroon als jij aan jouw zaak. Jim zal zijn grootvader niet kunnen ompraten - en dus de koning ook niet - om zelfs maar één Tsuraniboer in het Oostelijke rijk onder te brengen.'  

'En mijn andere gunst?'

Erik grijnsde. 'Dat is een ander verhaal.' Hij stond op en rekte zich uit, en Miranda zag de jaren van hem afglijden. Nu zag Erik eruit als een vitale man van vijftig of zestig jaar oud, nog altijd fit en gevaarlijk. 'Ik heb hier een puinhoop in het Westelijke rijk, maar het wordt tijd dat mijn personeel iets doet voor hun geld, dus kunnen zij er mooi een oogje op houden.'

'Wat stel je voor?'

'Nou, je zult wel generaals nodig hebben voor het Tsuranese leger, en ik ben generaal. Of tenminste een Ridder-Maarschalk, en dat betekent dat ik generaals bevelen geef.'  

'Zou de prins je toestemming geven?'

'De prins zou zich met groene verf insmeren en op het stadsplein dansen als ik hem zei dat het een goed idee was.'

Miranda lachte bij dat beeld.

'Edmund is een beste kerel, maar iedereen met meer verstand dan een stenen standbeeld weet dat hij een waarnemend prins is, hierheen gestuurd omdat hij zo ineffectief is dat niemand in het oosten zich zorgen hoeft te maken dat hij ambitieus zal worden.' Erik werd serieus. 'We krijgen mogelijk te maken met een burgeroorlog tegen de tijd dat ik terugkom ... Als ik terugkom. Je moet zweren dat je dit voor je houdt, maar het gaat niet goed met de koning.'  

Miranda schrok hiervan. De koning was nog jong en had geen mannelijke erfgenaam. 'Wat heeft hij dan?'

'Dat weet niemand, maar ik vermoed dat het ernstig is. Elke priester die te vertrouwen is, is al bij hem geweest, en misschien vraag ik zelfs het Conclaaf om hulp als ik de koning kan overhalen jullie te vertrouwen. Hij wordt ieder jaar wat minder gezond, hij en de koningin hebben geen zoons, en de prinses is pas zeven. Er heeft de afgelopen tien jaar een reeks koninklijke neven op de troon van Krondor gezeten, en de koning blijft ze maar verplaatsen zodat ze niet ambitieus worden.'  

'Als de koning morgen overleed, wat zou er dan gebeuren?'  

'Prins Edmund en nog tien andere familieleden van koninklijken bloede zouden terugkeren naar Rillanon en voor de Raad der Heren verschijnen, allemaal om de troon te claimen. Het koninkrijk zou worden verkocht zoals mijn oude vriend Ru vroeger tarwe en gerst verkocht; en hij heeft er genoeg verhalen over verteld om me het idee te geven dat de handel even akelig kan zijn als een oorlog. Als geen van de troonpretendenten consensus krijgt in de Raad, zullen er facties ontstaan, en dat kan leiden tot openlijke onmin.'  

'Burgeroorlog,' zei Miranda.

'Ja, en die hebben we al heel lang niet meer gehad.'

'Wie is het naaste mannelijke familielid van de conDoins?'

'Dat is het moeilijke,' zei Erik. 'Heer Henry van Schreiborg. Harry is een goeie kerel, maar zijn voorouder, koning Lyams broer heer Martin, zwoer een eed uit naam van zichzelf en zijn nakomelingen dat ze nooit de troon zouden opeisen. Ik ben ervan overtuigd dat het destijds een goed idee leek, maar nu wou ik dat hij zijn grote mond had gehouden.' Eriks frustratie was duidelijk. 'Harry zou de onvoorwaardelijke steun hebben gekregen van de westelijke adel, en ook van een vrij groot aantal oostelijke heersers. Maar zonder legitieme aanspraak zullen velen die hem anders hadden gesteund tegen hem stemmen, vanwege die eed. Dus de enige kerel die zou kunnen voorkomen dat er een burgeroorlog in het koninkrijk uitbreekt, is degene die er waarschijnlijk aanleiding toe zou geven als iemand aandrong op zijn aanspraak.'  

'Ik benijd je niet,' merkte Miranda op.

'De enige andere mannelijke conDoin op dit moment is een kind, prins Oliver, de zoon van de overleden broer van de koning, Richard. Hij is zes.'

Miranda keek uit het raam. Het werd nacht. 'Ik ga nu, Erik. Wanneer kun je de Tsurani komen helpen?'

'Ik heb mijn zaken geregeld, en mijn opvolger komt morgen. Heer John de Vres uit Bas-Tyra komt voor het middaguur, na een snelle rit vanuit Salador. Ik moet nog een van Edmunds recepties ondergaan, en dan volgen morgen de plechtige inhuldiging van John en mijn pensioen uit het ambt. De prins zal erop staan me landgoederen te geven die ik toch niet meer kan bekijken, en waar ik inkomen uit zal krijgen waarvoor ik toch geen tijd meer heb om het uit te geven. Kortom: ik kan me over drie dagen bij jullie aansluiten.'  

'Ik kom je zelf halen en breng je naar de scheuring,' zei Miranda. Ze zweeg even. 'Mag ik een suggestie doen?'

'Ja?'

'Als de koning het niet overleeft, is het misschien politiek verstandig als prins Edmund naar Rillanon gaat en zichzelf aanbiedt als -'

'Regent van prins Oliver,' zei Erik grijnzend. 'Dat heb ik al besproken met heer James van Rillanon.'

'Nakur zei al dat je heel slim was voor een smid,' zei Miranda glimlachend.

Erik keek spijtig. 'Er zijn dagen, en waarschijnlijk wordt morgen ook zo'n dag, dat ik wou dat ik mijn werkplaats nooit had verlaten.'

'Dat begrijp ik. Drie dagen, dan.'

'Drie dagen.'

Miranda verdween en Erik ging zitten nadenken.

 

Kaspar verplaatste zijn paard. 'Schaak.'

Generaal Prakesh Alenburga zuchtte. 'Ik geef me gewonnen.' Hij ging achterover zitten. 'Je bent nog steeds de beste tegenstander die ik in jaren heb gehad, Kaspar.'  

'Ik had geluk,' zei Kaspar. 'En u bent afgeleid, generaal.' 

'Dat is waar. Ik heb de Maharadja gesproken over je... suggestie.'  

Kaspar had gewacht op het antwoord van de Maharadja. Hij was twee dagen geleden aangekomen en had gezien dat de hoofdstad van het nieuwe, levendige koninkrijk Muboya welvarend was. Er werd een nieuw paleis gebouwd op een klif dat uitkeek over de stad, als vervanging voor een oude citadel die Kaspar een beetje deed denken aan zijn eigen huis in Olasko. Het leek wel eeuwen geleden dat hij daar had gewoond.  

'Hoe reageerde hij?' vroeg Kaspar.

Alenburga vertrok zijn verweerde gelaat in een nadenkende uitdrukking. 'In aanmerking genomen dat je onze geliefde heerser nooit hebt ontmoet, ben je wel goed in staat hem te peilen.'

'Dat komt van jarenlang voorkomen dat je buren je verpletteren terwijl je probeert hén te verpletteren,' zei Kaspar droog.  

Alenburga lachte. 'Goed gezegd. Zoals jij de laatste keer voorstelde, heeft de Maharadja zijn jongste zus laten trouwen met de tweede zoon van de koning van Okanala en zo onze zuidelijke grens veiliggesteld.

Maar toevallig walgt de nieuwe prinses van Okanala ervan als de prins haar aanraakt - al is hij er kennelijk ook niet zo in geïnteresseerd haar aan te raken, omdat hij liever met zijn vrienden naar de hoeren gaat, zijn vaders koninkrijk vergokt of wedstrijden vaart op zeilboten, als je je zo'n goudverspilling kunt voorstellen - en dus is onze heerser niet zo blij met de huidige omstandigheden.

Jouw suggestie om een leger op te nemen dat bereid is trouw aan hem te zweren - en het vooruitzicht om zo'n leger in het zuiden te stationeren, heel dicht bij de grens met Okanala - is bijzonder aantrekkelijk voor de Maharadja, maar wordt tegengegaan door zijn bezorgdheid over waar de loyaliteit van dergelijke soldaten zou liggen: bij hun eigen leiders of bij de Maharadja?' Hij spreidde zijn handen in een gebaar van twijfel.  

Kaspar haalde zijn schouders op. Die reactie had hij wel min of meer verwacht. 'Ik neem aan dat het woord van een buitenlander niet veel gewicht in de schaal legt? Ze zijn het meest eedgebonden stel dat ik ooit heb ontmoet. Als zij trouw zweren aan de Maharadja, hakken ze hun eigen duimen af als hij dat beveelt.'

'Ik geloof je wel, Kaspar. Ik heb een goede indruk van je gekregen tijdens onze korte ontmoetingen, denk ik. Je was ooit een heel trots man die nederigheid heeft geleerd, en je bent een meer dan capabel militair. Een heerser ook ooit, denk ik, of iemand die op een heel hoge positie is geboren.'

'U peilt me goed,' zei Kaspar.

'Je hebt nooit tegen me gelogen, hoewel je daar waarschijnlijk ook nooit reden toe had: was dat wel zo, dan zou je ongetwijfeld even overtuigend liegen als een jonge hoer die een rijke ouwe vent probeert wijs te maken dat ze verliefd op hem is.'  

Kaspar lachte. 'Ik heb de waarheid weleens vermeden als me dat beter uitkwam.'

'Dus, wat stel je voor?'

'Kom met me mee. Er zijn dingen die ik u nog niet kan vertellen, maar er zijn ook dingen die u moet weten. Als ik ú goed inschat, bent u een man die niet alleen loyaal is aan zijn heerser, maar ook aan zijn land en volk. Ik denk dat u beseft dat uw jonge Maharadja zoekt naar een uitvlucht om af te maken wat hij begonnen is: zijn verovering van alles tot en met de Stad aan de Serpentrivier. Hij wil zijn rijk uitbreiden. U kent de risico's. Terwijl jullie rusten en bouwen, doen jullie vijanden dat ook, inclusief Okanala.'

Alenburga haalde zijn hand door zijn grijze haren. 'Ach, Kaspar. Waarom kun je niet bij me in dienst komen? Ik zou je tot mijn adjudant benoemen, tot onderbevelhebber van alle legers van Muboya.'

'Ik heb al een tijdje geen belangstelling meer voor veroveringen,' zei Kaspar. 'Ik weet hoe het is, en ik weet ook hoe het is om aan de andere kant te staan.'  

'Nou, treed dan in dienst bij Okanala,' zei Alenburga lachend. 'Tegenover jou staan op het slagveld zou veel leuker zijn dan tegenover die narren van de koning. De enige reden dat wij niet gewonnen hebben, was omdat de tijd en het goud opraakten.'  

'En de mannen,' zei Kaspar, denkend aan de lijken van Bandamin, zijn vrouw Jojanna en hun zoon Jorgen die langs de weg lagen terwijl de bagagemeester om hen huilde. 'Uw mannen raakten op.'  

'En daarom dacht je dat ik wel blij zou zijn met een paar duizend doorgewinterde strijders?'

'Zoiets. Hoewel het er wel meer zijn dan een paar duizend.'

'Hoeveel meer?'

'Hoeveel had u er gehad willen hebben?'

Alenburga leunde achterover en keek Kaspar aandachtig aan. 'Ik vermoed dat je er meer kunt leveren dan ik wil hebben.'

'Meer, denk ik, dan ieder redelijk mens zou willen hebben.'

'Hoeveel?'

Kaspar voelde zijn hoop verdampen. 'Generaal, in alle eerlijkheid, voor zover ik afweet van de situatie waar de Tsurani voor staan, hebben ze misschien niet veel soldaten over tegen de tijd dat ze hebben opgetreden tegen de dreiging voor hun wereld. Maar als ze slim zijn, pakken ze hun spullen en vluchten ze. Dat betekent een miljoen strijders, en nog eens drie keer zoveel vrouwen, kinderen en andere niet-strijders.'  

'Vier miljoen?' zei de generaal, met een blik van stomme verbazing op zijn gezicht. 'Onze hele bevolking bestaat nog niet uit een miljoen mensen, Kaspar.'

'Weet ik. Ik betwijfel of er zelfs vier miljoen mensen wonen in het Oostland, in alle koninkrijken en stadstaten.'

'Hoeveel Tsurani zijn er eigenlijk?'

'Dat weet ik niet precies, maar ze houden een keizerlijke census voor hun belastingen, en er is me verteld dat er tijdens de laatste telling - zeven jaar geleden - twintig miljoen burgers en slaven in hun rijk waren.'

'Soms hoor je dingen, Kaspar, die je opvat als geruchten en verhalen, verteld door mensen die van overdrijven houden. Als ik in mijn jeugd verhalen hoorde over de Oorlog van de Grote Scheuring, deed ik die af als iets uit een legende. Hier in het Oostland zagen we af en toe een koopman uit jouw continent in het noorden. We wisten dat jullie daar waren, maar we hadden nooit veel contact. De Oorlog van de Grote Scheuring was een ongelooflijk verhaal over buitenaards en die magie gebruikten om het Koninkrijk der Eilanden binnen te vallen. Een strijd van tien jaar, en een spectaculaire veldslag op het eind. Echt iets uit de sagen, maar bij al die verhalen hoorden we nooit ook maar iets over de indeling van de troepen, de verdeling van middelen of de proviandering van de soldaten; alles waar een werkend militair zich mee bezighoudt, Kaspar. Voor ons was het allemaal fantasie.'  

'Niet voor degenen die daar sneuvelden, generaal. Hoe moeilijk het ook te geloven is, ik heb mensen ontmoet die die oorlog hebben overleefd, en de oorlog die daarna dit continent verwoestte, en ik kan u vertellen dat het voor hen geen fantasie was.'

'Maar miljoenen Tsuraru .. .'

'Ik zal u alles vertellen wat u weten moet, maar we hebben weinig tijd.'

'Kaspar, je weet dat ik waarschijnlijk aan Zijne Majesteit zou aanbevelen je Tsuranese vluchtelingen toe te laten, of althans een deel ervan, als ik hun goede gedrag kon garanderen.'

'Dan moet u ze ontmoeten,' zei Kaspar met een duistere gnjns.

'Echt?' Alenburga keek Kaspar over het schaakbord heen aan. 'Hoe stel je je dat voor?'

'Nou, ik heb geregeld dat u en uw staf een demonstratie kunnen bijwonen van het strijdvermogen van de Tsurani.'

'Kaspar, nu doe je nonchalant.'

Kaspar glimlachte. 'ja, dat klopt. Ik zal u over de Dasati vertellen.' Zachtjes en rustig vertelde hij de generaal alles wat hij wist over de toestand op Kelewan, en de minuten werden al snel uren. Toen een ondergeschikte de generaal kwam vragen of hij iets nodig had, stuurde Alenburga hem weg. Tegen dat Kaspar klaar was met zijn relaas, had de avond plaatsgemaakt voor de nacht en was het stil in het paleis in Muboya.  

De generaal liet langzaam zijn adem ontsnappen. 'Dat is een opmerkelijk verhaal, Kaspar.'

'Het is woord voor woord waar, dat zweer ik.'

'Een leger van miljoenen, zonder effectief leiderschap?'

'Ik heb u nodig, generaal,' zei Kaspar. 'De Tsurani hebben u nodig. Er staan officieren paraat, maar niet genoeg. Ik heb één ervaren commandant die mannen heeft geleid in het veld en die briljant is in tactiek en logistiek: Erik von Zwartheide. Het is geen ijdelheid als ik u vertel dat ik zijn gelijke ben. Maar ik heb een strateeg nodig. Als u naar Kelewan kunt komen en ze kunt helpen een verdediging op te zetten, zult u begrijpen wat voor soort soldaten u zou kunnen krijgen. Ze zijn taai, loyaal en onbevreesd. Maar ik heb commandanten nodig, en een volledige staf. En snel ook.'

'Hoe snel?'

Iets in Kaspars riembuidel zoemde, en Kaspar trok het snel te voorschijn. Het was een signaleringstoestel dat hij had gekregen van een ambachtsman op Tovenaarseiland, op verzoek van Miranda. Elk lid van het Conclaaf met een militaire achtergrond had er eentje, van Kaspar tot aan de jongens die onder hem dienden: Servan, Jommy en de anderen. Bij alle belangrijke officieren in Roldem, Rillanon, Krondor en andere steden zouden de toestellen nu ook zoemen. Het betekende dat Miranda had gehoord dat de Dasati waren begonnen met hun invasie van Kelewan.  

Kaspar keek de generaal strak aan. 'Ik heb u nu nodig.'