11
Akkoord
Jim kwam tot stilstand.
Het was middag en hij was bijna uitgeput toen hij eindelijk Elvandar bereikte. 'je weet de weg, neem ik aan,' zei de elf. 'Dank je, Trelan. Ik vind het verder wel.'
Jim was blij dat hij zijn pas kon vertragen tot een normale wandelgang. Trelans idee van rustig aan door het woud lopen zou iedereen behalve de meest buitengewone menselijke jager of spoorzoeker op de proef stellen, en Jim was noch een jager, noch een spoorzoeker, laat staan een buitengewone.
Een paar elfen staken de grote open plek aan de rand van het Elfenwoud over naar het hart van Elvandar. Enkelen van hen keken in het voorbijgaan naar hem, maar niemand sprak hem aan. Ze waren een bijzonder beleefd volkje, vond Jim, en zouden alleen tegen hem praten als hij hen eerst aansprak. En ze wisten dat iedere mens die zich zo dicht bij Elvandar bevond welkom was.
Jim hield zijn adem in toen hij bij de eerste van de reusachtige bomen aankwam die het onderkomen waren van de elfen aan het hof van de koningin. Hij stond er nu nog evenzeer van te kijken als de eerste keer dat hij hier was, een paar jaar geleden. Zijn verwondering nam amper af door het feit dat het nu dag was en dat ze er bij nacht nog adembenemender uitzagen. Toch zag hij nog de gloed rondom de bomen, een licht dat na zonsondergang helemaal theatraal was. En zelfs bij daglicht was de verscheidenheid aan kleuren nog ongelooflijk. Tussen het diepgroene gebladerte stonden bomen die alleen in dit bos groeiden. Veel ervan waren geconcentreerd in dit gebied, en ze waren een lust voor het oog: scharlakenrode, gouden en zelfs witte bladeren complementeerden het diepe smaragdgroen van de rest. Eén boom had blauwe bladeren, en hij liep daar naartoe, wetend dat de helling die er rechts tegen opliep naar het hof van de koningin leidde.
Hij knikte enkele keren naar elfen die daar bezig waren. Sommigen schraapten hertenhuiden, voorzagen pijlen van veren, kookten bij een open vuur of zaten gewoon in een kring om te mediteren over een of andere elfenkwestie. De elfenkinderen, hoewel het er niet heel veel waren, waren even wild en uitbundig als de nakomelingen van mensen. Een paar jongens botsten bijna tegen hem aan toen ze wegrenden van een even luidruchtige groep die achter hen aan zat. Toch was het een blij soort lawaai en deed hun gelach nauwelijks afbreuk aan de vredige rust hier.
Elfenmeisjes speelden aan de voeten van hun moeders, en eventjes voelde Jim afgunst. Als er ergens op de wereld een vrediger plek bestond dan Elvandar, dan kon hij zich die niet indenken. Zo moe als hij was, kon hij zich voorstellen dat hij zich hier een hele tijd zou kunnen vestigen.
Hij klom de lange helling naar de eerste boom op en volgde toen zes brede paden die op de bovenkanten van enorme taken waren vlakgemaakt. Sommige stammen waren uitgehold om er woningen in te maken, compleet met deuren en ramen. Rond sommige oude stammen waren in een spiraal naar boven treden in de schors aangebracht, kennelijk zonder nadelige gevolgen voor de bomen, die leken te floreren onder de magische inmenging van de elfen.
Terwijl Jim over een van de paden liep, keek hij omlaag en was hij blij dat hij geen hoogtevrees had. Over glibberige daken klauteren maakte je ongevoelig voor de angst om te vallen. Als je bang was, moest je niet naar plekken klimmen waar je van af kon vallen, zo redeneerde hij.
Toch was het ontnuchterend om omlaag te kijken en niets te zien wat je val kon breken, op wat scherpe takken en de harde bosvloer beneden na. Hij haalde diep adem, meer van vermoeidheid dan om enig ongemak omdat hij zo hoog was, en liep verder.
Tegen de tijd dat hij de ingang naar het hof van de koningin had bereikt, was Hare Majesteit al op de hoogte gebracht van zijn aankomst. Koningin Aglaranna zat op haar troon en haar man, Krijgsleider Tomas, zat aan haar zijde. Ze was het meest koninklijke wezen dat Jim ooit had ontmoet, en hij had een vrij groot aantal menselijke heersers ontmoet. Ze was niet alleen mooi, op een beetje merkwaardige en buitenaardse manier, maar ze had ook de houding van iemand die het gewend is gehoorzaamd te worden, echter zonder enig spoor van arrogantie. Sterker nog, de innerlijke warmte en vriendelijkheid die ze uitstraalde, voegde alleen maar toe aan haar aura van nobelheid. Haar roodblonde haren bevatten geen spoort je grijs, hoewel Jim wist dat ze eeuwenoud was, haar gezicht was niet gerimpeld, waardoor ze leek op een mensenvrouw van niet ouder dan dertig, en haar diepblauwe ogen waren helder en direct. Haar glimlach was hartverscheurend.
De man aan haar zijde was misschien wel de meest intimiderende figuur die Jim ooit had gezien, hoewel hij zich nooit anders dan beleefd en vriendelijk had gedragen toen Jim de vorige keer aan het hof was. Tomas was hoe dan ook een vreemd wezen, en hoewel Jim alle verhalen had gehoord, wist hij niet zeker waar de feiten eindigden en de fantasie begon. Het verhaal ging dat Tomas was geboren als mensenjongen, in de veste van het kasteel in Schreiborg aan de Verre Kust. Door oeroude magie was hij tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring getransformeerd tot een wezen van onvoorstelbare macht, half mens, half ... Jim wist niet zeker wat de andere helft was. Hij zag er een beetje elfachtig uit, met puntige oren en de lange haren van een elf, maar zijn gezicht was ook... anders. Men zei dat hij een oeroude magie had geërfd, toebehorend aan een legendarisch ras dat alleen bekendstond als de Drakenheersers. Net als de laatste keer toen hij hier was, was Jim vastbesloten meer te ontdekken over die legendarische wezens, als hij het maar niet te druk kreeg met andere zaken, zoals de vorige keer toen hij naar Krondor terugkeerde.
Naast hen stonden twee elfen die er jong uitzagen, al had dat concept hier geen betekenis. Een van hen was prins Caelin, de zoon van de koningin en haar eerste gemaal, de reeds lang geleden overleden elfenkoning. De ander was prins Caelis, de zoon van haar en Tomas, en hoewel ze allebei bijzonder veel op hun moeder leken, had Caelis het uiterlijk van kracht en macht geërfd van zijn vader, iets dat zijn halfbroer niet had. Ze glimlachten allemaal naar Jim Dasher toen hij het hof betrad en een buiging maakte.
'Welkom, Jim Dasher,' zei de koningin. 'Fijn om je weer te zien. Wat brengt de agent van de prins van Krondor onaangekondigd naar ons hof, hoe welkom hij ook is?'
'Ik heb ernstig nieuws, en ik heb uw advies nodig, Majesteit,' antwoordde hij.
'Je ziet er uitgeput uit,' merkte de koningin op. 'Misschien moet je eerst uitrusten en eten voordat we verder praten.'
'Dat is een welkom aanbod, maar voordat ik dat doe wil ik graag eerst vertellen waarom ik onaangekondigd ben gearriveerd.'
'Alsjeblieft,' zei de koningin, die bezorgd haar voorhoofd fronste.
'Agenten van onze vijanden, een naamloze bende rovers, zijn...' Jim aarzelde. Hij was alle besef van tijd kwijtgeraakt sinds hij gevangen was genomen. Was het nog maar drie dagen geleden? 'Ze zijn drie dagen geleden aangekomen op het strand bij de Pieken van de Quor.'
Toen die plek werd genoemd, verstijfden de koningin en al haar raadgevers, alsof ze iets ernstigs voelden aankomen.
'Er was een vrij machtige magiër bij hen, die een wezen opriep dat ik nog nooit eerder had gezien, en alleen dankzij de inmenging van anderen werd onze strijdmacht niet volkomen door dat wezen verwoest.'
'Welke anderen?' vroeg de koningin zachtjes.
Jim besefte dat ze het antwoord al kende. 'Elfen, mijn vrouwe. Elfen waar ik nog nooit van had gehoord, uit een toevluchtsoord dat ze Baranor noemden.'
Tomas knikte. 'De anoredhel. Ze houden stand.'
'Hoe gaat het met je metgezellen?' vroeg de koningin.
'Die zitten gevangen. Nadat de elfen ons redden van de rovers, namen ze ons gevangen en brachten ons naar hun fort.'
'Hoe zijn jullie behandeld?' vroeg heer Tomas.
'Best goed heer, hoewel er eentje bij was die bereid leek te zijn ons zonder verdere vragen te stellen de keel af te snijden. Maar zo te zien is het een wanhopig volk, en ik vrees dat ze misschien zullen besluiten dat Kaspar en mijn kameraden hun tot last zijn en hen gewoon zullen doden.' Jim keek rond naar de gezichten die hem aankeken. Er was hier iets gaande, een of andere elfenzaak waar hij niet van op de hoogte was.
De koningin zweeg lange tijd. Toen zei ze: 'Ga nu rusten, Jim Dasher. Eet en slaap, dan beraden wij ons op wat je hebt gezegd. Als je morgen wakker bent, praten we verder.'
Jim twijfelde er niet aan dat hij dwars door het avondmaal heen zou slapen als hij ging liggen, dus hij was niet van plan te protesteren. Toch was zijn nieuwsgierigheid gewekt en wilde hij weten wat er aan de hand was. Bovendien was hij bezorgd om Kaspar en de anderen. Ze waren dan misschien halzensnijders en schurken, maar die mannen waren allemaal loyale dienaren van de kroon en het Conclaaf, en ondanks hun ruwe bolsters waren ze vanbinnen stuk voor stuk trouwe kerels. Als hij ze kon redden, zou hij dat doen.
Op verzoek van de koningin bracht een bediende hem naar enkele vertrekken in een boomstam, waar hij een schaal fruit en noten en een kan met koel water aantrof. Omdat zijn maag plotseling begon te knorren, stortte hij zich op het eten.
De jonge elf die hem hierheen had gebracht, zei: 'Ik kom over enkele ogenblikken terug met wat stevigere kost, Jim Dasher.'
'Dank je,' zei hij met zijn mond vol. Tegen de tijd dat de elf terugkeerde met een geroosterde vogel, wat harde oude kaas en een stuk vers granenbrood, lag Jim al diep in slaap op de vlonder in zijn kamer. De elf zette zachtjes de schaal neer en liet hem met rust.
Jim werd wakker en verslond de rest van het voedsel dat voor hem was neergezet. Daarna liep hij de kleine kamer uit en ging op zoek naar het dichtstbijzijnde privaat, waarna hij snel naar een diepe poel afdaalde om een bad te nemen. Hij werd genegeerd en negeerde op zijn beurt de elfen die ook bezig waren met hun ochtendbad.
Hoezeer hij vrouwen in hun vele verschijningsvormen ook bewonderde, van slanke dennen tot stevige ronde, hij merkte dat als hij naar de elfenvrouwen keek het meer was in abstracte waardering voor hun schoonheid dan uit lust. Ze waren zo mooi als welke mensenvrouw ook kon hopen te zijn, maar ze hadden iets buitenaards over zich waardoor hij geen vleselijke lusten ten opzichte van hen voelde. De mannelijke elfen waren ook mooi, op hun eigen manier, en hij bewonderde hun soepele kracht. Het kwam maar zelden voor dat iemand Jim Dasher het gevoel gaf onfit te zijn, maar iedere elf die hij bij het baden tegenkwam, leek de belichaming van jeugdige levenskracht, terwijl hij zich nog beurs en vermoeid voelde van zijn reizen.
Hij trok zijn nog altijd vieze kleren aan, omdat het hem onverstandig leek ze te wassen en te wachten tot ze droog waren of in natte kleding naar het hof van de koningin te gaan. Zodra hij zich aangekleed had, haastte hij zich weer naar het paviljoen waar Aglaranna en Tomas wachtten.
'Goedemorgen,Jim Dasher,' zei de koningin.
Hij maakte een buiging. 'Goedemorgen, Majesteit.'
'Heb je goed geslapen?'
'Uitstekend,' antwoordde hij. 'Ik sta bij u in de schuld voor die welkome onderbreking, vrouwe.'
'We hebben met onze raadgevers overlegd over het nieuws dat je ons bracht,' zei de koningin. 'En om te begrijpen wat er gebeuren moet, dien je dingen te weten die maar weinig leden van ons volk kennen en die aan niemand, zelfs niet onze oudste vrienden zoals Puc, zijn verteld.'
Jim trok een wenkbrauw op. Hij had aangenomen dat vanwege de lange vriendschap tussen Puc en Tomas, Puc de meest voor de hand liggende mens zou zijn om de elfenoverlevering aan te horen. Maar hij zweeg en wachtte af.
Tomas begon: 'In vroeger tijden was er een grote oorlog tussen de goden. Degenen die door de mensen Drakenheersers werden genoemd, die wij in de elfentaal Valheru noemen .. .' Hij weifelde, alsof het hem ongemakkelijk maakte over dergelijke dingen te praten. 'Wel, de Drakenheersers hielpen daarbij. Uiteindelijk werden ze uit dit rijk verdreven en verspreid naar andere universums.'
Dit wekte Jims belangstelling. Heel veel inlichtingen die de afgelopen paar jaar door het Conclaaf waren verzameld, bestonden uit verwijzingen naar andere bestaansniveaus. Veel ervan begreep Jim niet, of eigenlijk het meeste niet, maar hij had voldoende informatie die voor Puc of Nakur of Miranda bestemd was onder ogen gehad om er een idee van te hebben: er waren andere plekken die maar weinig wezens zich konden voorstellen. Daar hoorde Jim niet bij, maar hij nam maar aan dat ze bestonden. Er was al te veel gebeurd om daar nog aan te twijfelen.
Tomas vervolgde: 'Maar voor het einde van die grote strijd ging een van de Drakenheersers alleen op pad; degene wiens pantser ik draag als ik ten strijde trek.'
Jim had Tomas nog nooit gezien in de legendarische wit-met-gouden drakenpantsering, maar hij had ervan gehoord en kon zich voorstellen dat het er indrukwekkend uitzag. Zelfs in een eenvoudige mantel met sandalen was Tomas al een van de meest imposante wezens die hij ooit had ontmoet.
'Hij alleen versloeg de Drakenhorde,' vervolgde Tomas, 'en zijn laatste daad, voordat de waanzin die bekendstaat als de Chaosoorlog deze wereld overspoelde, bestond eruit iedereen te bevrijden die betoverd was door de Valheru.
De meesten van degenen die jij kent als "elfen" kwamen hier wonen, aan het hof van de eerste koning en koningin, voordat de mensen op deze wereld kwamen. We noemen onszelf "eledhel" of "volk van het licht". Alleen, sommigen deden dat niet. Er zijn er die jullie de Broederschap van het Onzalige Pad noemen, de "moredhel", of het volk van duisternis. Er waren ook anderen, waarvan sommigen zich sindsdien bij ons hebben aangesloten, degenen die vluchtten voor ontberingen in het noorden voorbij de Tanden van de Wereld, of van overzeese gebieden.
Maar één ... stam, zullen we maar zeggen, was anders, zij richtten zich op een missie. Zij heten de "anoredhel", of "volk van de zon". Ze zijn nooit onderdanen geweest van de koningin of van enige andere heerser hier in Elvandar, maar we hebben... een regeling met hen. Ze zijn uniek en hebben enorme verantwoordelijkheden.'
'Dan hebben ze uw hulp nodig, Majesteit,' zei Jim Dasher.
'Hoezo?' vroeg de koningin.
Jim vertelde over Kaspars opmerking dat die elfen een stervend volk waren. Toen hij klaar was, keken Tomas en de koningin verontrust. Uiteindelijk zei Aglaranna: 'Om redenen die je misschien nooit zult begrijpen, mogen we ons niet mengen in de zaken van de anoredhel. Maar we willen ook niet dat ze uitsterven, om meer redenen dan ik je kan vertellen.' Ze keek haar man aan. 'Wat is jouw advies?'
'Mijn vrouw en koningin, ik denk dat er maar één antwoord is. Ik moet naar de Pieken van de Quor om met hun leider te praten.'
'Castdanur,' vertelde Jim. 'Zo heet hij.'
'Dat is geen naam, Jim Dasher,' zei Tomas. 'Het is een titel. Hij beschermt de wereld tegen de Duisternis.'
Jim had het er al uitgegooid voor hij zichzelf kon tegenhouden: 'Dan is hij laks geweest in zijn werk.' Hij had er meteen spijt van. 'Neem me niet kwalijk, vrouwe, heer. Ik ben... nog steeds heel moe en kennelijk werkt mijn oordeelvermogen niet goed.'
Tomas glimlachte niet, maar hij keek ook niet ontstemd. 'Het is heel begrijpelijk.' Hij stond op. 'Mijn vrouwe, met jouw toestemming excuseer ik mij.'
'Kom snel terug, mijn gemaal.'
Jim was onder de indruk van de band tussen die twee, gesmeed voordat hij geboren was maar nog altijd even fris als die van nieuwe geliefden die hun passie nog maar pas ontdekten. Hij stond zichzelf even toe aan Michele te denken en zich af te vragen of een mensenvrouw en -man zulke diepe gevoelens konden ervaren als die hij zojuist had gezien.
'Waar zou je naartoe willen?' vroeg Tomas aan Jim.
Jim kwam in de verleiding te antwoorden dat hij terug wilde naar Krondor voor een rustige maaltijd met Michele, maar in plaats daarvan zei hij: 'Ik wil graag met u mee om te zien hoe het met Kaspar en mijn andere kameraden gaat.'
Tomas knikte. 'Bereid je dan maar voor op een tocht zoals je die nog nooit eerder hebt meegemaakt. Blijf hier, en kom dan als ik je laat halen.'
Jim maakte een buiging. Terwijl hij wachtte, kwam Caelis naar hem toe. 'Jim Dasher,' zei hij, en hij drukte Jim de hand. Caelis, als zoon van de elfenkoningin en haar niet helemaal menselijke gemaal, was uniek. Hij had ook de meeste tijd onder mensen gewoond, omdat hij een eerdere prins van Krondor had gediend en samen met diens leger een legendarische compagnie had gevormd: de Vlammende Adelaars. Die banier had nog altijd een ere plek in de grote zaal, al was de compagnie zelf allang geleden ontbonden.
'Mis je het?' vroeg Jim.
'Wat moet ik missen?'
'Het lawaai, de menigten, de chaos?'
Caelis glimlachte, en weer werd Jim eraan herinnerd dat hij van iedereen in Elvandar het meest op een mens leek. 'Af en toe, maar ik voel me hier op mijn gemak.'
'Dat kan ik me voorstellen,' zei Jim, om zich heen kijkend naar de rest van het hof dat doorging met de normale gang van zaken. 'Het is hier rustgevend.'
'De tijd verstrijkt hier anders. Een van mijn vaders oudste vrienden, Martin Langboog, is sterk gebleven tot aan het eind van zijn leven, toen hij ver in de negentig was, en hij beweerde dat hij zijn gezondheid en kracht te danken had aan de tijd die hij hier had doorgebracht.' Caelis haalde zijn schouders op. 'Maar goed, als ik te onrustig word, zijn er altijd wel dingen te doen voor het Conclaaf.'
'Hoe gaat het met je jongens?'
'Goed,' zei Caelis. Hij had een tweeling geadopteerd toen hij met een vrouw van overzee was getrouwd. Door zijn positie in de gemeenschap was hij het best in staat om ze te helpen bij hun aanpassing aan het leven in Elvandar. 'Ze zijn op pad, leren jagen.'
'Leren?' zei Jim. 'Ze wonen hier al, hoe lang is het, dertig, veertig jaar?'
'Ze zijn nog jong,' zei Caelis grijnzend.
'Amper meer dan kinderen,' gaf Jim droog toe.
Caelis en Jim wisselden wat nieuwtjes uit. Caelis gaf toe dat hij een voorliefde had ontwikkeld voor voetbal terwijl hij in het paleis woonde, en vroeg hoe het ging in het gilde. Jim vroeg naar de stand van zaken langs de Verre Kust, want hij was zich er pijnlijk van bewust dat de relatie tussen het hof van de koning in Rillanon en het Westen gespannen raakte; Caelis woonde dan misschien niet meer in de menselijke samenleving, maar hij was ervan op de hoogte en bracht vrij veel tijd door rondom kasteel Schrei borg.
'De jonge hertog, Lester, lijkt veel op zijn over-overgroot-vader, Martin. Een goeie jager.'
'Goed?'
Caelis knikte. 'Heel goed.'
'Even goed als een elf?'
Caelis grijnsde. 'Niet zó goed.'
'Was het maar zo simpel dat je de kwaliteiten van heersers kon afmeten aan zoiets basaals als spoorzoekersvaardigheden,' merkte Jim op.
'Politiek?'
'Altijd. De heren in het Westen raken verdeeld en de debatten in de Raad der Heren zijn afgegleden naar het niveau van openlijke beledigingen en dreigementen van duels.'
Caelis schudde spijtig zijn hoofd. 'Ooit werd het koninkrijk geregeerd door grootse mannen.'
'De naam conDoin is nog altijd eervol, maar ik vrees dat we al sinds de tijd van koning Borric geen sterke hand meer aan het roer hebben.'
'Ik heb hem gekend, weet je,' zei Caelis. 'Echt waar?'
'Niet goed. Ik was veel beter bevriend met zijn jongere broer, Valentijn.'
'Ik heb verhalen gehoord over jullie twee.'
Caelis zuchtte. 'Het is heel lang geleden, maar soms voelt het alsof het gisteren was. Ik mis Valentijn. Hij is gestorven als een held, maar hij was wel alleen.' Hij keek achterom, alsof hij op een of andere manier door de bomen en bladerrijke takken kon zien waar zijn vrouw werkte of zijn zoons op jacht waren. 'Het is erg om alleen te sterven, Jim Dasher.'
'Dat ben ik niet van plan, Caelis,' zei Jim.
'Is er iemand in je leven?' vroeg Caelis.
'Als het aan mij ligt, wel,' antwoordde Jim met een brede grijns.
Toen Tomas weer verscheen, had niets van wat Jim verwacht had hem voorbereid op zijn reactie. Tomas zag er schitterend uit in een gouden wapenrusting en een witte tabberd en schild, allebei getooid met een gouden draak. Zijn helm had de vorm van een draak die boven op zijn hoofd lag, met de vleugels aan weerszijden omlaag als wangkappen. Er was ook een neuskap aangebracht om zijn gezicht te beschermen. Het effect ervan was dat zijn ogen nog sprekender leken, en de toch al machtige gestalte zag er nu nog imposanter uit in deze buitengewone uitdossing. Hij was iemand die ontzag en vrees zou wekken bij een vijand.
'Ben je klaar?' vroeg Tomas.
'Zo klaar als maar kan,' antwoordde Jim zachtjes.
Caelis knikte en greep zijn schouder vast. 'Het was fijn om je weer te zien, Jim Dasher. Je stelt misschien als jager niet veel voor, maar je bent een van de beste verhalenvertellers die ik ooit heb ontmoet. Je moet snel weer eens op bezoek komen, als er minder ernstige redenen voor zijn.'
'Daar verheug ik me op,' antwoordde Jim eerlijk.
'Kom mee,' zei Tomas, en hij leidde Jim snel weg.
Ondanks zijn postuur was Tomas even lenig als een elf, en Jim moest moeite doen om hem bij te houden zonder van de boomtakken te vallen. Uiteindelijk bereikte hij veilig de grond en haalde hij Tomas in aan de rand van een grote open plek. 'Bereid je voor,' was alles wat Tomas zei. Toen riep hij iets in een vreemde taal en herhaalde die zin drie keer.
'En nu?' vroeg Jim.
'Nu wachten we,' antwoordde Tomas.
Er verstreken enkele minuten, en al snel werd de sfeer gespannen. Elfen overal om hen heen bleven in de buurt om te zien wat er zou gebeuren. Jim had geen flauw idee, maar lang geleden had hij al geleerd dat het soms beter was om gewoon maar je mond te houden en te doen wat je werd opgedragen.
De tijd verstreek langzaam, en net toen Jim zijn geduld voelde tanen, hoorde hij in de verte het geluid van vleugelslagen. Eerst dacht hij dat het een grote vogel moest zijn - een adelaar of een gier, misschien - maar het ritme klonk vreemd, de vleugelslagen waren te traag en het geluid zwol te snel aan.
Plotseling verscheen er een grote schaduw op de grond, toen een enorm lichaam boven hen opdook. Jim keek op en merkte dat zijn keel werd dichtgeknepen, en voor het eerst van zijn leven voelde hij iets wat leek op paniek. Het wezen dat bezig was te landen - en vanuit zijn oogpunt scheen het Jim toe alsof het boven op Tomas en hem zou landen - was een draak. En dat niet alleen, maar ook nog eens een draak zo groot als een klein schip!
Net als de meeste burgers van het koninkrijk had Jim heel zijn leven wel verhalen gehoord over draken, maar hij had mensen die zeiden dat ze er eentje hadden gezien altijd uitgelachen.
Nu kon Jim zijn ogen nauwelijks geloven. 'Geen mens zal dit ooit geloven,' zei hij zachtjes.
Tomas draaide zich glimlachend om, en de glimlach nam iets weg van het ontzag dat hij in zijn tenue van Drakenheerser bij Jim had gewekt. 'Degenen die de waarheid weten, zullen je wel geloven, en dat is het enige wat ertoe doet.'
Vanuit de keel van het wezen galmde een stem. Hij sprak in een taal die Jim niet verstond, terwijl hij er toch zeven vloeiend sprak en zich kon redden in nog een dozijn andere. Tomas antwoordde in gemeenspraak. 'Ik heb een gunst nodig, oude vriend.'
Het wezen was robijnrood van kleur, met andere tinten die fonkelden in de zon: zilver, goud, scharlakenrood en zelfs wat blauw. Het had een enorme kam, die tussen zijn ogen begon en naar achteren toe hoger werd, aflopend tot onder aan zijn nek. De kleur ervan verschoof als een gloeiende vlam van rood en oranje naar goud, met zilveren strepen onderaan. De kam stond rechtop als die van een haan. De draak keek hem aan met ogen zo zwart als kool.
'Noem je gunst, drakenrijder,' zei de draak.
'We moeten snel naar de Pieken van de Quor, naar het verre Baranor, omwille van de veiligheid van al onze volkeren, eledhel en drakenverwanten.'
De draak liet zijn enorme kop zakken, die minstens zo groot was als een boerenkar. 'Je bent al heel lang een drakenvriend, jij die ooit onze meester was. Jouw woord is een verbintenis en ik zal je dragen.'
'En mijn metgezel,' zei Tomas.
Jim voelde zichzelf verbleken. 'Wat?'
'Je hoeft niet bang te zijn,' zei Tomas. 'Ik heb magie die je veiligheid garandeert, en dit is de snelste manier om naar Kaspar en zijn mannen te komen.'
'Wacht!' protesteerde Jim. 'Ik heb een toestel. Daarmee kan ik ons naar Tovenaarseiland brengen. En Miranda kan ons -'
Tomas glimlachte nog breder. 'Vertrouw me maar, dit is een betere manier om er te komen.'
Jim zuchtte. 'Goed dan. Als u het zegt.'
'Ja. Volg me, en plaats je voeten op dezelfde plekken als ik.
Ondanks zijn afmeting is Ryath gevoelig.'
Jim zette een bijna irrationele neiging om te gaan giechelen van zich af en volgde Tomas, goed oplettend waar die zijn voeten neerzette, en greep zich vast toen de in het wit geklede krijger tegen de zijkant van het drakengezicht opklom. Tomas liep over de lange nek van de draak, terwijl hij zich met zachte hand vasthield aan de kam. Toen hij aan het uiteinde ervan stond, ging hij zitten en sloeg zijn benen om de drakennek, die ongeveer zo dik was als de buik van een groot strijdros. 'Kom achter me zitten,' zei Tomas.
Toen Jim stevig zat, zei hij: 'Klaar.'
'Hou je goed vast,' waarschuwde Tomas, en plotseling leek de grond onder hen weg te duikelen toen de draak zich afzette met een angstaanjagend luide klap van zijn vleugels. De kracht van de vleugelslag verspreidde zich door de lucht als het donderende lawaai van enorme trommels.
De grond zakte onder Jim weg, en voor het eerst in zijn leven kreeg hij duizelingen van de hoogte. Toen rechtte de draak zijn lichaam, keerde naar het zuidoosten en begon vaart te maken.
Jim dwong zichzelf te blijven ademen, en toen besefte hij dat hij zich aan Tomas' middel vastklampte als een zuigeling aan zijn moeder. Hij nam aan dat de machtige krijger er geen last van had, want hij scheen het niet eens op te merken.
Jim keek omlaag, zag het bos beneden en begreep dat ze met een ongelooflijke snelheid vlogen. Hij kon niet inschatten hoe snel ze over de boomtoppen vlogen - vele keren sneller dan het snelste paard waar hij ooit op had gereden - maar plotseling hadden ze de elfenbossen achter zich gelaten en waren ze boven de uitlopers van wat alleen maar de Grijze Torens konden zijn.
Ze vlogen almaar hoger en sneller. Jim was te zeer onder de indruk en te verbijsterd om te praten, en als dat niet zo was geweest, wist hij niet of Tomas hem wel had kunnen verstaan.
De lucht werd koud, maar niet snijdend koud, en gezien hun hoogte boven de bergpieken nam Jim aan dat er magie in het spel was; zo hoog in de lucht zou hij moeten bevriezen en geen adem meer moeten kunnen krijgen. Nog steeds vlogen ze verder, almaar sneller, tot de grond bijna in een wazige streep onder hen voorbijtrok. Ineens bevonden ze zich boven een grote vlakte van blauw water, en Jim zette grote ogen op toen hij besefte dat ze boven de Bitterzee vlogen! Ze hadden binnen enkele minuten de grootste bergketen in het Westelijke rijk en de Vrije Steden van Natal overgestoken!
De draak spreidde zijn vleugels uit om te zweven, en ging toen weer recht vliegen, alsof hij zijn maximale snelheid had bereikt. Het ging ontstellend snel. Jim zag een eiland aan de horizon verschijnen, onder hen door suizen en achter hen verdwijnen bijna voor hij het had herkend als het eilandkoninkrijk Queg. Toen vlogen ze over Krondor.
Het duizelde Jim terwijl hij de details van het landschap in zich op probeerde te nemen, maar zijn zintuigen raakten pas echt verward toen de zon achter hen begon te zakken. Ze vlogen oostwaarts, en al snel werd het aan de horizon nacht terwijl ze zich de duisternis in spoedden. Nog nooit was de nacht zo snel ingevallen, en Jim keek met open mond naar de pracht van een stad beneden hen, waar duizenden fakkellichtjes flakkerden op de grond. De grote maan kwam op boven de oostelijke rand van de wereld en leek de lucht in te schieten, gevolgd door de kleine maan, als een jong hondje dat zijn moeder volgt.
Jim hoorde Tomas' stem: 'We zijn net over Malachskruis gekomen. Rond zonsopgang bereiken we de Pieken van de Quor.'
De hele nacht vlogen ze door, en Jim was zo overdonderd door de hele ervaring dat hij zich op geen enkel moment moe voelde of honger kreeg. Ze vlogen over dorpen waar de straten slechts door een paar lantaarns werden verlicht, maar die ze gemakkelijk van deze hoogte konden zien toen de Middenmaan zich bij de andere twee aan de hemel aansloot en een onbewolkte nacht het landschap eronder onthulde.
Jim voelde de draak bijdraaien en nu koerszetten naar het zuidoosten, en hij wist dat ze de kust van de Koninkrijkszee moesten naderen. In het oosten werd de hemel met de minuut lichter, eerst een vage vleug grijs, toen een lichtere kleur grijs, toen plotseling een rossige tint die snel werd gevolgd door een gouden dageraad. De opkomst van de zon waar ze zich naartoe repten was adembenemend, net als de opkomst van de maan was geweest, schijnbaar nog maar enkele minuten geleden. De magie die het mogelijk maakte om veilig op de rug van de draak te rijden, scheen het ook onmogelijk te maken om in te schatten hoe snel je vloog, dacht Jim, want hij wist dat het zelfs met de enorme snelheid van de draak nog een tocht van vele uren was geweest, ook al voelde het alsof er slechts minuten waren verstreken.
In het verre ochtendlicht zag Jim bergen, en toen hij erop neerkeek, zag hij dat de grijze vormen onder hem zee en land waren. Ze vlogen over de oostkust van het koninkrijk even ten noorden van de grens met Groot Kesh, en de bergen in de verte konden alleen maar de Pieken van de Quor zijn.
'Waar precies?' vroeg Tomas.
'Zoek naar een bosje, ongeveer op een derde vanaf de punt langs de kust. Er is een grote rotspunt in het noorden, met een hoge rotswand erachter. Het is heel diep, en ons kamp lag ongeveer een mijl langs een pad omhoog...'
'Ik zie het.'
'Volg het pad richting het noorden. Zo komen we sneller bij de enclave van de elfen.'
De zon kwam boven de horizon uit en het was volledig dag. De draak verminderde snelheid, en nu was het bijna een pleziervluchtje vergeleken met hoe snel ze de nacht hadden doorkruist. Jim probeerde zich te oriënteren op het landschap onder zich en zag toen het pad. 'Daar!'
'Ja,' bevestigde Tomas.
De draak draaide wat bij en vertraagde nog meer, en ze vlogen nu nog maar amper boven de boomtoppen.
Toen zei Tomas: 'Verderop!'
Een groep mannen gewapend met bogen lag in een hinderlaag, terwijl aan de andere kant van een grote open plek de elfen over een pad aankwamen. 'Ik ken die mannen. Dat zijn Kaspars mannen! Ze moeten zijn ontsnapt en wapens hebben gegrepen!'
'Ik moet tussenbeide komen!' riep Tomas.
Hij vroeg Ryath te landen op het midden van de open plek, en met een donderende klap van zijn vleugels gehoorzaamde de draak hem.
Jim wachtte niet tot hem werd opgedragen af te stijgen toen ze op de grond stonden. Hij zwaaide zijn been over de nek van de draak en gleed langs zijn schouder omlaag naar de grond. Hij zette zes passen naar de schuilplaats van de mannen in hun hinderlaag, en schreeuwde: 'Wacht!'
De mannen stonden met stomverbaasde gezichten op, en een voor een kwamen ze uit hun schuilplaats te voorschijn. Jim zag Kaspar naar voren komen vanaf de andere kant van de open plek en hoorde hem roepen: 'Jim Dasher?'
Jim keek om zich heen en zag dat de elfen van de andere kant de open plek op liepen, met hun wapens over de schouder. Ze leken volkomen op hun gemak. In feite zagen ze er helemaal niet uit als bewakers die op zoek waren naar ontsnapte gevangenen.
'Niet vechten!' schreeuwde Jim. 'Heer Tomas trekt dit allemaal wel recht!'
Kaspar kwam bij Jim aan. 'Vechten?' Hij lachte blaffend. 'Hoezo, vechten? Jij en je vriend hebben net een prima jacht verstierd.'
'Jacht?'
'De elfen waren bezig een mooie kudde elanden naar ons toe te drijven.' Kaspar hing zijn boog over zijn schouder. 'De elanden gingen ervandoor toen ze die draak zagen dalen. Ze zijn nu waarschijnlijk al halverwege Kesh-Stad.' Hij legde zijn hand op Jims schouder. 'Fijn te zien dat je levend ontkomen bent, en nog beter dat je hulp hebt gehaald.' Hij keek naar de draak, die nu kalmpjes op zijn hurken tussen het hoge gras zat. 'En ik moet zeggen dat ik zo'n aankomst echt nog nooit eerder heb gezien.'
'Je zou er eens op moeten rijden,' zei Jim. 'Wat is er gebeurd?'
'Kom mee,' zei Kaspar, en hij gebaarde naar zijn mannen. 'Ga terug naar de enclave. We organiseren later wel een nieuwe jacht. Deze is afgelopen!' schreeuwde hij.
De mannen gehoorzaamden, en Kaspar wendde zich weer tot Jim Dasher. 'Toen jij weg was, heb ik lange tijd met Castdanur gesproken. Hij valt best mee als je eenmaal gewend bent aan zijn elfenmanieren.' Toen ze de plek bereikten waar Tomas met de elfen stond te praten, zei Kaspar: 'Laten we maar zeggen dat we een regeling hebben getroffen.'
'Een regeling?'
'Ja,' zei Kaspar. 'Wij gaan die elfen helpen overleven, en zij gaan ons helpen Midkemia te redden.'
Jim kon niet geloven dat zo'n klein groepje haveloze elfen veel hulp kon bieden aan alle troepen die al klaarstonden om deze wereld te verdedigen, maar na wat hij in de afgelopen drie dagen had meegemaakt besloot hij dat een te snel oordeel niet verstandig was. Terwijl hij zich plotseling weer uitgeput voelde, zei hij: 'Je zult me dit allemaal moeten uitleggen, Kaspar.'
Kaspar lachte. 'Graag, maar ik wil eerst je metgezel ontmoeten. Ik ken hem alleen van reputatie.'
Jim grijnsde en schudde ongelovig zijn hoofd. Het laatste wat hij had verwacht, was dat hij hier zou staan om mensen vriendelijk aan elkaar voor te stellen.
De elfen vertoonden meer emotie toen ze geconfronteerd werden met Tomas dan ze hadden laten zien in al die tijd dat Kaspar en de anderen gevangen waren geweest. Castdanur en de andere elfen waren zichtbaar aangedaan toen ze de man in zijn wit-met-gouden wapenrusting zagen.
'Valheru,' zei de oude elf toen Tomas het hoofdgebouw in liep.
'Nee,' zei Tomas, 'hoewel ik hun herinneringen heb. Ik ben even sterfelijk als jij, leider van de anoredhel.'
'Maar de oude magie leeft in jou,' zei Castdanur. Tomas neigde enkel bevestigend zijn hoofd. 'Bezit je ook de oude kennis?'
'Iets ervan, maar sommige... herinneringen ontbreken,' antwoordde Tomas. 'Maar ik weet van jou en je broeders. In onze zelfgenoegzaamheid namen we aan dat we niets van jullie hoorden omdat alles goed met jullie ging.' Hij keek om zich heen. 'Dat lijkt niet het geval.'
'Laten we overleggen,' zei Castdanur. Hij wenkte dat Tomas hem voor moest gaan naar de grote zaal, en zei toen tegen Kaspar en Jim: 'Hier moeten jullie ook bij zijn.'
De twee mannen wisselden een blik en Jim fluisterde: 'Wat is hier gebeurd?'
'Ik vertel je de details later wel,' zei Kaspar, 'maar waar het op neerkomt is dat je er goed aan hebt gedaan om Sinda en zijn vriend niet te doden. Als je dat wel had gedaan, zouden wij nu waarschijnlijk dood zijn. Door hem te sparen en hem dat hangertje te geven, was Castdanur ervan overtuigd dat ik de waarheid zei over... bepaalde dingen. Ik vertel het je later nog wel.'
Ze betraden de zaal en gingen in een kring zitten, waarbij Tomas tegenover de oude elfenleider plaatsnam. Twee andere stokoude elfen zaten naast hem, en Kaspar en Jim namen aan weerszijden van Tomas plaats.
'Je moet weten, drakenrijder, dat wij een vrij volk zijn, volgens je eigen woorden.'
Tomas herinnerde zich de laatste vlucht van Asschen-Sukar, toen de Valheru wiens wapenrusting hij droeg over de hele wereld vloog en alle dienaren van de Drakenhorde bevrijdde. 'Dat weet ik nog,' zei hij, omdat hij op dit moment geen behoefte had te discussiëren over de nuances.
'Je kent het mandaat,' zei Castdanur, en plotseling herinnerde Tomas het zich wel. Net als vroeger kwamen de herinneringen onverwacht bij hem boven.
Alle elfen waren slaven geweest van de Valheru, en toen de Drakenhorde zich roerde om de goden uit te dagen, was Asschen-Sukar, de laatste levende Drakenheerser, door de hemel van Midkemia gevlogen en had hij alle volkeren bevrijd die ooit betoverd waren door zijn broeders. Maar de anoredhel waren uniek; elfen die een bijzondere taak hadden gekregen. 'Jullie zijn de verdedigers van de Quor.'
'Een taak die ons is gegeven in de tijd van onze voorvaderen, een taak die we tot op de dag van vandaag uitvoeren. Maar ons aantal is afgenomen en we zijn in gevaar, en dat geldt ook voor de Quor.'
Jim en Kaspar keken elkaar aan. Ze hadden allebei dezelfde vraag: Wie of wat waren de Quor?
'Hoe gaat het met die zachtaardige wezens?' vroeg Tomas.
'Ze hebben het moeilijk,' zei de oude man. 'De wezens van buiten teisteren ons, maar ze zijn er veel meer op gebrand de Quor te vernietigen, en onze mogelijkheden zijn beperkt. We hebben gefaald in onze taak.'
'Nee,' zei Tomas op verrassend vriendelijke toon. 'Wij zijn hier, en wij zullen helpen. De Quor zullen standhouden, hoeveel gevaar ze ook lopen.'
'We zijn een vrij volk,' herhaalde de oude man. 'Maar we hebben wel hulp nodig.'
'En die hulp zullen jullie krijgen,' zei Tomas. 'Ik zal mijn vrouw; de koningin van Elvandar, vragen anderen te sturen die bij jullie willen dienen - jagers, wevers, ambachtslieden en ook bezweringswevers en krijgers - zodat de Quor weer veilig zijn in hun woningen boven ons.'
'Dank je,' zei de oude man, en de opluchting op zijn gezicht was zo groot dat hij op het punt leek te staan in tranen uit te barsten.
'Wij danken jullie,' zei Tomas, die opstond en respectvol zijn hoofd boog naar de drie oude mannen die tegenover hem zaten. 'Ik moet terug naar Elvandar, maar ik zal zo snel mogelijk terugkeren met enkele anderen die meteen hulp kunnen bieden. Anderen komen dan later, en dan zorgen we dat Baranor herboren wordt.'
'Kinderen?' vroeg Castdanur.
Tomas glimlachte. 'Sommigen zullen kinderen meebrengen, zodat jullie nakomelingen speelkameraadjes hebben, en ik ken er een aantal die zeker hier zullen willen blijven. Veel van degenen die in het Noordland woonden, en die sindsdien bij ons in Elvandar verblijven, zullen graag hierheen komen, want ze lijken in hun gewoonten meer op jullie dan op ons.' Tomas had het over de glamredhel, de 'waanzinnige elfen' die generaties lang tegen de Broederschap van het Onzalige Pad hadden gevochten voordat ze honderd jaar geleden naar Elvandar in het zuiden waren gekomen.
'Dan trek ik onze opstandigheid in en zullen we trouw zweren aan je koningin.'
Plotseling besefte Jim dat hier een oeroude kloof was overbrugd en dat Castdanur een enorme concessie deed.
'Alleen als je wilt,' zei Tomas. 'We helpen jullie omdat jullie bloedverwanten zijn en omdat jullie een zware taak hebben. We bieden onze hulp onvoorwaardelijk aan, en jullie blijven wat jullie altijd zijn geweest: een vrij volk.'
Nu huilde de oude man echt.
'Weldra zal alles in orde komen,' zei Tomas geruststellend. Hij wenkte Kaspar en Jim met zich mee, en zodra ze buiten waren, zei hij: 'Er valt hier meer uit te leggen dan waar we nu tijd voor hebben. Blijf bij deze elfen en help ze voedsel vergaren. Ze zijn in gevaar, en de risico's zijn veel groter dan jullie je kunnen voorstellen.' Hij keek achterom naar de ingang van de grote zaal. 'Wat deze elfen teistert, kan deel uitmaken van de andere gevaren waar we mee te maken hebben. De wezens waar we het over hebben zijn ... kinderen van de Leegte, wezens die volstrekt niet in deze wereld thuishoren.' Hij glimlachte spijtig. 'Een dergelijk wezen, een kleine schim, was er ook verantwoordelijk voor dat ik ben geworden zoals jullie me nu zien. Ik vertel jullie dat verhaal nog wel een keer, maar voorlopig moeten we er eerst voor zorgen dat dit volk overleeft. Ik kom terug met zoveel krijgers als Ryath kan dragen, en anderen volgen snel daarna.'
'Eén ding,' zei Jim.
'Ja?'
'Wie of wat zijn de Quor?'
'Ik dacht altijd dat het een plaats was, een naam op de kaart,' zei Kaspar.
Tomas neigde zijn hoofd. 'Ze zijn het oudste ras van deze wereld, en ze vormen het hart van deze wereld. Als de wezens uit de Leegte hen zouden vernietigen, dan kan niets de Dasati nog tegenhouden. Deze elfen, de Kinderen van de Zon zoals ze zich noemen, hebben altijd gediend als beschermers van de Quor.'
'Waar zijn ze?' vroeg Jim.
'Hoog boven ons,' antwoordde Tomas. 'In de Pieken van –'
'De Quor,' zeiden Kaspar en Jim allebei tegelijk.
Tomas draaide zich zonder nog iets te zeggen om en liep de poort van de enclave uit. Hij ging snel naar de wei, waar de enorme rode draak geduldig zat te wachten om hem naar huis te brengen.
Jim wendde zich tot Kaspar. 'En nu?'
'We gaan jagen,' zei Kaspar. 'Behalve als je de komende dagen liever noten en gedroogd fruit eet.'
Jim zuchtte. 'Als het moet. Jagen is één ding waar ik nooit erg goed in ben geweest.'
'Je leert het wel,' zei Kaspar, die hem op de schouder sloeg. 'Kom, we gaan met onze nieuwe vrienden praten over het organiseren van de jacht, en dan hopen we maar dat we wat wild vangen dat het braden waard is, voordat Tomas terugkomt en alle dieren weer wegjaagt. Er was een bok met een twaalfpunts gewei bij die kudde, en ik had me verheugd op hertenvlees vanavond.'
'Sorry,' zei Jim, die uit alle macht wenste dat hij Tomas had overgehaald hem onderweg in Krondor af te zetten. Dat zou nog eens een tafereel zijn geweest, als die reusachtige rode draak was geland op het oefenterrein van de prins. Wat zou dát indruk hebben gemaakt op vrouwe Michele de Frachette en haar vader, de graaf van Montagren! Hij zuchtte, vroeg zich af of hij Michele ooit weer zou zien, en vervolgens of ze hem miste. Toen zette hij die zorgen van zich af en volgde Kaspar terug de hoofdzaal van Baranor in.