12
Onthulling
Miranda ijsbeerde.
Alenca en de andere Grootheden hadden zich verzameld voor een informele bespreking. Ze zaten geduldig in een grote tuin binnen in de Stad van Magiërs, de vestigingsplaats van de Assemblee. Alenca, na Miranda de oudste magiër bij de vergadering, keek met enige geamuseerdheid naar haar geijsbeer. Ze kon niet stilzitten tijdens de discussie. 'Probeer eens te gaan zitten en je te ontspannen,' raadde hij haar aan. 'Mij helpt het om helder na te denken.'
Ze schudde haar hoofd en bleef lopen. 'Er is niets mis met de helderheid van mijn gedachten. Wat er mis is, is dat we Leso Varen nog niet hebben gevonden.'
Matikal, een magiër van middelbare leeftijd met een fors postuur en een kaalgeschoren hoofd, waardoor hij meer op een uitsmijter in een bierhuis leek dan op een meester van de schouwende magie, zei: 'Elk lid van deze Assemblee, elke priester van elke orde, en elke magiër van het Mindere Pad die we hebben kunnen bereiken, weet waar hij op moet letten. Elke meester van detectie en schouwen heeft alle kunsten aangewend die we kennen om te zoeken naar sporen van doodsbezwering. Zodra we ook maar enig teken van zijn doodsmagie vinden, storten we ons op hem en vernietigen we hem, wat het ook vergt.'
Miranda hield even op met ijsberen. Ze besefte dat deze man zijn leven wilde wijden aan de vernietiging van Varen, en ze begreep dat elk ander lid van deze Assemblee ook bereid was te sterven als daarmee de dreiging van de Midkemiaanse doodsmagiër werd weggenomen. Miranda's positie binnen de Assemblee was altijd moeilijk geweest. Tot de interventie van haar echtgenoot en de opkomst van de Vrouwe van het Keizerrijk werd elke vrouw met magische aanleg ter dood gebracht. Pas in de afgelopen eeuw mochten vrouwen die magie praktiseerden hun talenten openlijk gebruiken, en veel conservatieven hadden er nog altijd moeite mee om vrouwelijke Zwarte Gewaden als 'zusters' te aanvaarden, laat staan deze slechtgemanierde vrouw van een andere wereld. Alleen dankzij haar huwelijk met Milamber, de grootste van de Grootheden, verwierf ze hun schoorvoetende respect.
De aanval op de keizer had dat allemaal veranderd. Nu werd er goed naar haar geluisterd en werden haar suggesties ook werkelijk in overweging genomen. De verschrikkelijkste daad die maar voorstelbaar was ten opzichte van een Grootheid was gepleegd, een moordaanslag op het Hemelse Licht, en alle mindere zorgen werden daardoor aan de kant geschoven.
'Misschien is hij terug gevlucht naar jullie wereld,' opperde Alenca.
Miranda schudde nadrukkelijk haar hoofd. 'Nee. Mijn man weet meer dan ieder ander over scheuringen. Hij heeft beveiligingen aangebracht voordat hij op zijn reis vertrok. Als er een scheuring naar Midkemia was geopend, dan zou die zijn gedetecteerd.'
'Dan is hij ondergedoken,' zei Matikal.
'Vergeef me mijn ongeduld,' zei Miranda. 'Ik vind het vreselijk om te moeten afwachten tot onze vijand zich laat zien.' Ze wees naar het noorden, alsof ze de verre pieken door de muren van het gebouw heen kon zien. 'Hij houdt zich ergens schuil, in een grot in de bergen.' Ze wees naar het zuiden. 'Of in een hutje in een afgelegen hoekje van een naargeestig moeras. Hij heeft in zijn leven wel ergere dingen doorstaan, heb ik gehoord. Maar hij zal wachten zolang als hij nodig acht, en dan zal hij weer in actie komen, en wij kunnen alleen maar hopen dat hij dan geen ergere dingen doet dan bij zijn vorige aanval.'
'Wat,' vroeg Alenca, 'kan er erger zijn dan een aanslag op de keizer?'
Zonder humor antwoordde Miranda: 'Een succésvolle aanslag op de keizer.'
Het werd stil in de binnentuin. 'Ik kan hier verder niets doen,' zei Miranda beslist. 'Op Midkemia is iets gaande wat een ander aspect kan zijn van het monsterlijke gevaar dat hier dreigt. Jullie weten hoe jullie me kunnen bereiken als het nodig is.'
Zonder nog iets te zeggen, bracht ze zichzelf met haar wil over naar de scheuringsruimte, ging de scheuring door en was terug op Midkemia. Een student in een zwarte mantel keek met een mild geïnteresseerde blik op bij haar plotselinge aankomst. Zoals afgesproken bevond de scheuring naar de Assemblee zich nog altijd binnen de Academie in Sterrewerf, niet op Tovenaarseiland. Afgezien van de politiek was het een betere situatie om de privacy van de leden van het Conclaaf te beschermen. Toch moest er wel een regeling met de Academie worden getroffen. Het beviel Miranda niet dat deze uitgestrekte universiteit van magie die haar man had gesticht en gebouwd nu in handen was van anderen, en dat die anderen het niet altijd eens waren met Pucs oordeel. Niet dat zij dat altijd was, maar zij was zijn vrouwen ze stelde prijs op zijn mening, ook al besloot ze soms uiteindelijk dat hij het mis had.
Ze zette haar chronische ergernis over hoe degenen die haar man had opgevoed hem behandelden van zich af en groette de jonge student halfhartig, waarna ze weer uit het zicht verdween. Op een bepaald terrein van de magie was Miranda onovertroffen: in haar mogelijkheid om zichzelf met haar wil te verplaatsen naar bijna elke plek waar ze ooit eerder was geweest. Bijna alle andere magiërs op zowel Midkemia als Kelewan, hadden een toestel nodig dat was gekalibreerd om hen naar een specifieke plek te brengen, en de ambachtslieden van de Tsurani waren de allerbeste in het bouwen van dergelijke toestellen. Anderen, zoals Puc, konden zich met hun wil verplaatsen naar patronen; complexe geometrische vormen die in tegels waren aangebracht op de vloer van een bepaalde plek. Dit was een wijdverbreid gebruik op Kelewan, maar slechts beperkt van nut op Midkemia. De religieuze ordes hadden de magie snel aangepast om geestelijken van de ene tempel naar de andere te verplaatsen, maar buitenstaanders hadden er niets aan, behalve als ze een aanzienlijk 'votiefoffer' brachten, wat Miranda gewoon smeergeld noemde, als die hun patronen wilden gebruiken.
Maar Miranda kon een plek gewoon voor zich zien en erheen gaan. Ze begreep niet echt hoe ze dat deed, en daarom vond ze het zo moeilijk om anderen de truc te leren. Magnus was haar beste student en Miranda dacht dat hij er uiteindelijk even goed in zou worden als zij, of misschien nog beter. En Puc maakte vorderingen. Nakur beweerde dat hij het niet kon, maar ze wist zeker dat hij loog. Ze vond hem even amusant als haar man, maar ze had hem nooit vertrouwd zoals Puc deed, en dat zou ook nooit gebeuren. Er was iets met dat mannetje, iets wat diep in hem verborgen zat, dat gewoon niet klopte. Haar man had vele keren zijn leven in Nakurs handen gelegd, en de kleine gokker had hem nooit teleurgesteld. Maar toch vreesde ze dat ze Puc op een dag zou verliezen vanwege iemand zoals Nakur, iemand met een eigen, verborgen agenda.
Miranda verscheen in haar werkkamer en trof Caleb slapend achter de schrijftafel aan. Ze voelde warme moederinstincten bovenkomen toen ze haar jongste kind zag slapen en dacht heel even terug aan toen hij nog een zuigeling in haar armen was. Ze haalde diep adem en zette de emoties van zich af. 'Caleb, ga naar bed!'
Hij sprong bijna uit zijn stoel. 'Huh?'
'Ga naar je kamer. Marie vindt het vast fijn om haar man af en toe te zien. Ik heb werk te doen.'
'Hoe laat is het?'
'Geen flauw idee,' zei ze, kijkend uit het raam. 'Het is donker. Het was middag toen ik bij de Assemblee wegging, zo'n vijf minuten geleden, dus ik zal niet snel slaap krijgen. Terwijl je vader en alle anderen op pad zijn om de wereld te redden, zijn er ook nog routinezaken af te handelen.'
'Weet ik,' zei Caleb, en toen geeuwde hij. 'Ik heb de inkomsten van vaders landgoederen en eigendommen zitten optellen en wat projecten bekeken die al weken wachten. En we moeten gaan besluiten wanneer we weer nieuwe studenten aannemen, en ... gewoon nog zoveel andere dingen.' Hij wees naar een grote stapel papieren en perkamenten. 'Dit is gelukkig allemaal afgehandeld.' Hij pakte een stapeltje documenten op. 'En deze kunnen wachten.' Hij wees naar de stapel waar hij met zijn hoofd op had gelegen toen hij in slaap was gevallen. 'Maar deze laatste paar dingen moeten onmiddellijk geregeld worden.'
'Mooi. Ik maak het wel af. Dan kun jij morgenochtend gaan jagen of zo. Wegwezen.'
Caleb kuste zijn moeder op haar wang en liep de kamer uit.
Miranda ging in de stoel van haar man zitten, die nog warm was van haar zoon, en wenste vurig dat Puc snel terugkwam. Ze verborg het goed, maar ze was bang, en wat haar de meeste angst aanjoeg, was de gedachte dat ze haar man nooit meer zou zien.
Puc zat zwijgend toe te kijken terwijl het drama zich voor zijn ogen voltrok. Hij wist dat er iets gedenkwaardigs plaatsvond en wilde graag begrijpen wat er gebeurde. Magnus stond achter zijn vader, evenzeer gericht op de discussie. De drie oudere Bloedheksen die hen waren komen begroeten, zaten op stoelen die in een halve cirkel waren geplaatst. Ze droegen identieke zwarte mantels met oranje sjaalkragen en brede oranje riemen, terwijl de jongere leden van hun orde mantels in wit en oranje droegen.
Macros zat in een zelfde soort stoel, maar een stukje van hen vandaan. Hij leek op het randje van de uitputting te balanceren en leunde op zijn staf om zichzelf extra te ondersteunen.
'Ik ben Audarun,' begon de middelste Bloedheks, 'de oudste zuster van onze orde. Links van mij zit Sabilla, en rechts van mij Maurin, en wij drieën vormen de Triarch, de uiteindelijke bestuurders van de Zusterorde. We zijn ook de bewaarders van de kennis en de verdedigers van het leven.' Ze keek Macros aan. 'Hoe ben jij de Tuinier geworden?'
Macros keek de anderen om beurten zwijgend aan en antwoordde uiteindelijk: 'Dat weet ik niet. Op een dag liep ik van mijn werkplaats naar huis en had ik een soort... toeval. Ik werd duizelig en liet me achter een muurtje vallen om mijn zwakte aan niemand te tonen. Toen kreeg ik herinneringen aan mijn vorige leven en wist ik dat ik .. .' Zijn stem haperde. 'Ik ging naar huis en voelde me ... ziek. Ik kreeg dromen. Ik had een gezin. Ze waren bang. Toen ik wakker werd, smeekte mijn partner me om sterk te zijn, me niet te laten overmeesteren en doden, maar voor hun veiligheid gewoon terug te keren naar mijn werk.' Hij liet zijn hoofd zakken. 'Ik heb dat huis verlaten en hen nooit meer teruggezien.'
'Ga door,' zei Audarun. 'Waar ben je naartoe gegaan?'
'Ik heb een heel eind gelopen. Ik kan me er niet veel van herinneren, behalve dat ik me soms verstopte, en dat ik op andere momenten gewoon door heel drukke straten liep alsof ik er iets te zoeken had. Ik stal eten als niemand keek, en .. .' Hij deed zijn ogen dicht alsof hem dat zou helpen zich de details te herinneren. 'Ik kwam ergens aan.'
'Waar?'
'Dat weet ik niet meer.' Macros deed zijn ogen open. 'Het leek op het Bos van Delmat-Ama, maar daar was het niet. Het was ergens anders.'
'Wat gebeurde er toen?' vroeg Audarun op vriendelijke, bemoedigende toon.
'Ik ontmoette iemand.'
'Wie dan?'
'Hij zei dat hij...' Weer sloot Macros zijn ogen. 'Hij zei dat hij Dathamay heette.'
De drie vrouwen wisselden blikken. 'Jullie kennen die naam.'
'Ja,' zei Audarun. 'Het is een valse naam, uit een heel oude fabel. Wat zei hij tegen je?'
Macros hield zijn ogen dicht. 'Hij zei dat hij me verwachtte... Nee, hij zei dat ik verwacht werd. Toen...' Hij deed zijn ogen open. 'Hij legde zijn handen op mijn hoofd, bijna als in een zegening, en... mijn pijn was weg, mijn geest ... was helder. Ik herinnerde me veel van mijn vorige leven en mijn huidige leven, in de juiste volgorde.'
'Zoals ik al dacht,' zei Audarun. 'Wat was het voor een man? Een Mindere? Een Doodspriester?'
'Dat weet ik niet meer...' zei Macros. Hij zakte onderuit in zijn stoel.
De aanwezige Bloedheksen leken verontrust, maar ze vertoonden niet die moeizame beheersing die Puc had gezien bij andere leden van de Witte als ze geconfronteerd werden met overduidelijke zwakte; dit was oprechte bezorgdheid.
'Wat is er met hem?' vroeg Audarun, die opstond uit haar stoel.
Puc stond ook op. 'Hij zei me dat hij ernstig ziek is, stervende.'
Ze keek verbaasd. 'Ik had hiervan moeten horen.' Ze liep naar Macros en knielde bij hem neer. Nadat ze hem had onderzocht, gaf ze instructies aan een van de jongere Bloedheksen. De vrouw liep de kamer uit om de gevraagde voorwerpen te gaan halen. 'Breng hem met ons mee,' zei ze tegen Puc en Magnus.
Ze tilden Macros tussen hen op en droegen hem de kamer uit, door een reeks gangen naar een slaapkamer die amper groter was dan een cel. Puc had veel van dergelijke tempelcellen gezien op Midkemia en Kelewan. Een slaapvlonder, een tafeltje en een stoel waren de enige meubels. Een eenvoudige brandende lont in een kommetje olie op tafel was de enige lichtbron.
Ze legden Macros op de vlonder en Audarun ging verder met haar onderzoek. De jonge Bloedheks kwam aan met een grote mand met flesjes, potjes en pakketjes van waspapier, en een tweede jonge vrouw volgde met een dampende ketel water. Audarun maakte snel een scherp geurend drankje klaar, en toen vroeg ze Puc en Magnus om Macros overeind te helpen zodat ze hem het drankje kon toedienen.
Macros herstelde zich voldoende om van het drankje te nippen, en na een paar minuten leek hij weer wat alerter te worden.
'Ben ik flauwgevallen?' vroeg hij.
'Ja,' zei Audarun. 'Of eigenlijk was je niet langer in staat bij bewustzijn te blijven.'
'Ik ben stervende,' zei Macros.
'Wie heeft je dat verteld?' vroeg Audarun. Ze trok het stoeltje bij de slaapvlonder en ging zitten.
'Een Zorger. Een genezer...' Hij keek verward. 'Ik weet niet meer waar. Mijn herinneringen vervagen. Ik heb elke dag meer moeite om me dingen te herinneren die ik me weken geleden moeiteloos voor de geest kon halen.' Hij keek naar Puc. 'Ik wist dat veel van wat ik me van mijn menselijke leven herinnerde verloren was gegaan, maar nu raak ik ook mijn herinneringen aan dit leven kwijt.' Hij keek de Bloedheks aan. 'Ik vrees dat ik niet veel tijd meer heb.'
Ze staarde op hem neer. 'Je hebt helemaal geen tijd meer, wie je ook was. Je bent namelijk niet stervende, mijn vriend; je bent al dood.'
Puc, Magnus en Macros waren sprakeloos van verbazing. Uiteindelijk zei Macros zachtjes: 'Ja, dat klinkt volkomen logisch.'
'Nou, voor mij helemaal niet,' zei Puc.
Audarun keek Puc aan. 'Doordat jullie hier zijn, in die vermomming, zo perfect gemaakt en vastgehouden, kan ik alleen maar aannemen dat je een magiër of priester met enorme vaardigheden bent. Wij Dasati zijn niet goed in illusies. Dat is niet nodig. We zijn een volk dat bovenal prijs stelt op kracht en macht.
Hoewel de Doodspriesters een begrip hebben van doodsbezwering in al zijn subtiele en duistere aspecten, begrijpen wij van de Bloedheksen het leven in al zijn subtiele en stralende aspecten.' Ze zweeg even. 'Dit lichaam bevat geen werkelijk leven.' Ze keek Macros in de ogen en vervolgde: 'Jij bent een simulacrum, een onecht schepsel dat lijkt op een levende persoon.'
Ze keek achterom naar haar jonge assistente en vroeg om een paar andere voorwerpen, en de jonge vrouw vertrok. Vervolgens richtte ze haar blik op Puc, Magnus, en weer op Macros. 'De magie die is gebruikt om jou te creëren is ongelooflijk, mij onbekend, en van een ontwerp dat ik nauwelijks kan bevatten. Geen enkel sterfelijk wezen had zoiets als jou kunnen maken, en dus blijft er maar één alternatief over.'
'Een god,' zei Puc.
'Van jullie wereld,' voegde ze er snel aan toe. 'Een bepaalde entiteit in jullie heelal vond het belangrijk om de barrière tussen onze rijken te doorboren, vooruitlopend op een daad van de Duistere, om de Witte te helpen. Ik ben geen theoloog, maar de Zusterorde bezit meer onbezoedelde overlevering dan elders in dit rijk te vinden is. De Hiërofanten van de Duistere hebben overal elders alles behalve de goedgekeurde doctrine vernietigd. Ik zal zien of ik ergens een eerdere verwijzing kan vinden naar zo'n gebeurtenis, maar dit weet ik wel: er zijn regels geschonden, regels die even bindend zijn voor de hogere machten als de behoefte aan lucht en water dat voor ons stervelingen is. Wie dit ook gedaan heeft, wie dit... wezen ook hierheen heeft gestuurd, heeft dat gedaan in de wetenschap dat de gevolgen van zijn daad even rampzalig konden zijn als datgene wat hij probeerde te voorkomen.'
'''Wanhopige tijden, wanhopige maatregelen", zeggen we bij ons volk,' zei Magnus.
'Wellicht,' zei de oude Bloedheks. 'Maar hoewel het soms verstandig is om een tegenvuur aan te steken om te voorkomen dat een bosbrand zich verspreidt, kan dat tegenvuur ook uit de hand lopen...'
'...en een nog grotere bosbrand worden,' voltooide Puc.
Even later zei het wezen dat zich Macros noemde: 'Als ik niet ben wie of wat ik denk te zijn, wat doe ik hier dan?'
'Dat kan ik je niet vertellen,' antwoordde Audarun. 'Sinds we meer dan tien jaar geleden hoorden dat iemand die zich de Tuinier noemde was opgedoken, hebben we afgewacht en geobserveerd. We wisten dat je grote machten achter je had staan, want je hoefde maar voor onze volgelingen te verschijnen en ze deden wat je wilde, alsof je de Witte al jaren leidde. Martuch is een van onze oudste, meest loyale bondgenoten, en vrouwe Narueen vroeg hem op zoek te gaan naar die Tuinier om zijn doelen te achterhalen.
We waren ervan overtuigd dat het een complot was van dienaren van Zijne Duisterheid, maar er waren te veel... eigenaardigheden. Martuch ontdekte niet alleen helemaal niets snoods in deze Tuinier, maar net als vele anderen nam ook hij heel gemakkelijk instructies van hem aan en accepteerde hij diens rol als leider van de Witte. Dus bleven we observeren.
Na vele maanden was duidelijk dat dit wezen een missie had, en voor zover wij konden bepalen, liep die missie gelijk op met de onze. Bovendien zorgde hij voor het sterke richtpunt en de helderheid van de missie, die wij niet konden bieden. Tot die tijd was de Witte weinig meer dan een samenwerkingsverband van Bloedheksen en enkele sympathisanten die informatie uitwisselden en af en toe groepen vrouwen en kinderen redden van rondtrekkende Doodsridders. We hadden enclaves zoals deze, overal verspreid in het Dasatirijk. De aanwezigheid van deze leider, deze Tuinier, bood een zeer noodzakelijk richtpunt voor onze activiteiten. We hebben machtige bondgenoten weten te werven, zoals de jonge Valko, en we hebben ons veel effectiever weten te positioneren in het keizerrijk, en dus zijn we nu sterker.
Zo hebben we geprofiteerd van zijn verschijning, maar al vanaf het begin wisten we dat er iets niet klopte, dat het gefabriceerd was, want bij de Dasati is het ongehoord dat een nederige Mindere plotseling opklimt en een machtige leider wordt. En dan ook nog iemand die magie gebruikte die onbekend was in de geschiedenis van de Zusterorde? Onmogelijk.' Ze staarde lange tijd naar Macros. 'Wat is jouw doel, vreemd wezen? Dat willen we graag weten.'
Het ding dat Macros was, staarde zwakjes in de ogen van de oude vrouw; 'Ik. .. weet alleen dat ik ertoe ben aangezet de Witte te leiden, die voor te bereiden.'
'Waarop?' vroeg Audarun.
'Weet ik niet.'
Plotseling zei Puc: 'Ik wel.'
Alle ogen richtten zich op de magiër. Puc keek Macros aan. 'Je hebt ergens in je geheugen een boodschap die iemand ons wanhopig graag wilde overbrengen, maar pas als we hier een tijdje waren geweest en met eigen ogen de omstandigheden hadden gezien.'
'Maar er komt niets boven,' zei Macros. 'Niets duidelijks.'
Magnus keek naar het wezen dat had beweerd de geest van zijn grootvader in het lichaam van een Dasati te zijn en vroeg met afstandelijke belangstelling: 'Hoe voel je je?'
'Het drankje heeft me wat op krachten gebracht en ik voel me... verder voel ik me leeg.'
'Het valse leven dat je is geschonken, sijpelt uit je weg,' zei Audarun. 'Je hebt niet veel tijd meer. Op enig moment zul je de ogen sluiten en ophouden te bestaan. Het zal geen pijn doen.'
Macros ging liggen en staarde naar het plafond. 'Ik heb het idee dat ik boos zou moeten zijn, of bang, of zoiets. Maar ik ben alleen maar bezorgd dat ik de missie waarvoor ik ben gemaakt niet kan vervullen, de boodschap die ik je moest brengen, Puc, als dat mijn doel is.' Hij zweeg en haalde diep adem. 'Het is zo vreemd om die herinneringen te hebben en dan te horen dat ze niet van mij zijn.'
'En hoe zit het met dat Dasati-lichaam?' vroeg Magnus aan Audarun.
'Ik vermoed dat het voorbestemd was om te sterven op dat moment van duizeligheid, toen die valse herinneringen kwamen, misschien door een zwakte van het hart of een andere ziekte. Maar iets - iemand - greep dat moment aan om de valse menselijke herinneringen erin te planten en de geest van de Dasati intact te houden.' Ze schudde lichtjes haar hoofd. 'Een bewonderenswaardige prestatie, een subtieler soort magie dan ik ooit heb gezien, maar tegelijkertijd is het een ongelooflijk krachtige doodsbezwering.' Ze zuchtte hoorbaar. 'Ik wou dat ik wist wie dit gedaan heeft.'
'Banath,' zei Puc.
'Wie?' vroeg de oude heks.
'Banath.'
'De God van de Dieven?' vroeg Magnus.
Macros knikte. 'Kalkin.'
'Wie is dat?' vroeg Audarun.
'In ons rijk hebben we vele goden, maar niet zoveel als jullie er hadden voor de opkomst van de Duistere, voor zover ik heb gehoord,' vertelde Puc.
Ze glimlachte. 'Hoe kan het ene rijk meer goden hebben dan het andere?'
'Ik zal de theologie aan de geestelijken overlaten,' zei Puc, 'maar misschien zoeken we alleen maar naar handige benamingen voor gewone elementen zodat we die beter kunnen begrijpen. Vijftig van jullie goden zijn bij ons misschien alleen maar vijftig aspecten van één enkele god die wij onder één naam vereren.'
'Vertel eens over die Banath.'
'Banath, ook wel Kalkin genoemd, Aderios, Jashamish, en vele andere namen door mensen in verschillende naties. Zijn eenvoudigste bijnaam is "de Bedrieger", maar hij is meer dan dat. Hij is de god van de dieven, maar ook de god van de verloren zaak en de hopeloze onderneming, een regelbreker en een meester van misleiding.'
Ze lachte bitter. 'Olapangi! Bij ons volk ook wel bekend als de Misleider. Ik heb de oude overleveringen bestudeerd, en onder de tienduizend goden was hij altijd een favoriet van me. Er bestaan vele oude verhalen over de Misleider, over de streken die hij uithaalde met de andere goden en met stervelingen. De naam Dathamay, van de man die volgens dit wezen naar hem toe was gekomen en alles duidelijk maakte, komt uit een oude mythe: Dathamay was een werktuig van Olapangi, een onnozele die de mensen één ding vertelde, terwijl Olapangi iets anders deed. De Misleider was onze kleurrijkste en vaak ook gevaarlijkste god.
Hij kon goedaardig of vals zijn, meelevend of meedogenloos, vaak onvoorspelbaar, maar altijd met een doel. We hebben een oude zegswijze, hoewel maar weinig Dasati die zouden herkennen als afkomstig uit de verhalen over Olapangi: ''Met alle noodzakelijke middelen.'"
'Het doel heiligt de middelen,' zei Magnus.
'Ah, jullie hebben een gelijksoortige wijsheid,' bevestigde ze.
'Ik weet niet hoeveel wijsheid er ligt in absolute begrippen, maar het is vaak zo dat als de doelen belangrijk genoeg zijn, middelen die anders ondenkbaar zouden zijn...' Puc zette grote ogen op. Wat ben ik toch een stommeling,' zei hij zachtjes.
'Vader?' vroeg Magnus.
'Ik. .. wij allemaal, zijn gebruikt.'
'Door Banath?'
'Ja,' antwoordde Puc. Hij liep naar Macros toe, boog zich over hem heen en keek hem in de ogen, alsof hij daar iets probeerde te zien. 'Jij bent nog het meest gebruikt, want wie je ook was in deze wereld, je einde kwam te vroeg en je kreeg niet eens de kans om langs de weg te worden gevonden en de riten van je volk te ontvangen.'
'Nu weet ik het weer,' zei Macros.
'Wat?' vroeg Puc.
De Dasati met het gezicht van Macros keek op en glimlachte. 'Ik heb een herinnering aan jou, Puc. Toen jij en Tomas en de draak Ryath me kwamen halen in de Tuin .. .' Hij lachte. 'De Tuinier! Kalkin is soms een snode rotzak, maar hij heeft wel gevoel voor humor.' Hij zweeg even en nu zag Puc dat hij pijn had. Met glanzende ogen zei Macros: We stonden in de Tuin die aan de rand van de Eeuwige Stad zweeft en bespraken de gevaren waar we tegenover dachten te staan en de terugkeer van de Drakenheersers op Midkemia. Jij vroeg: 'Waarom hebben de goden dan niet ingegrepen?" Weet je nog wat ik toen zei?'
Puc knikte. 'Ja. Jij zei: "Dat hebben ze ook. Wat denk je dat we hier doen? Dit is hun spel. En wij zijn de pionnen.'"
'Er is niks veranderd, Puc. Dat is de boodschap. Dit is nog altijd een Spel van Goden, en wij zijn de pionnen die ze inzetten om te winnen of te verliezen. Kalkin kan regels breken als geen ander, want dat ligt in zijn aard, maar zelfs aan wat hij rechtstreeks kan doen zijn grenzen. En er is nog meer. Kalkin handelt niet alleen. Hij zou dit rijk niet kunnen beïnvloeden zonder de toestemming van andere goden.' Zijn stem werd zwakker. 'Ik... Macros... was altijd een wezen van de god, en hij bereidde de weg voor. Jij bent ook een wezen van de goden, maar jij hebt een lot dat voorbij dat van mij... hem ligt.' Hij deed zijn ogen dicht, en Puc zag dat zijn einde nu snel naderde. 'Je moet Nakur zoeken. Hij heeft de antwoorden.'
Puc knikte. 'Dat zal ik doen.' Hij legde zijn hand op Macros' ogen en zei: 'We hebben je niet meer nodig.'
De Dasati met de herinneringen van de oude menselijke magiër zakte ineen. 'Doe met dit lege lichaam wat jullie goeddunken,' zei Puc tegen de Bloedheksen.
'Er waren nog meer vragen .. .' begon Audarun.
'En dit wezen had geen antwoorden,' voltooide Puc. 'Hij heeft zijn taak volbracht.'
'En die was?' vroeg de oude matriarch.
'We moeten terug naar het hart van de stad, want ergens daar bevindt zich een onvoorstelbaar gevaarlijk wezen, en een kleine gokker die tevens mijn vriend is, die dat wezen onder controle probeert te houden. En mijn vriend, zo heb ik net gehoord, heeft de antwoorden.'
'Wat is dat voor wezen, bij je vriend?' vroeg Audarun, die gebaarde dat haar assistent het lichaam dat gastheer voorMacros' herinneringen was geweest kon verwijderen.
'Een merkwaardige jongeman die veel meer is dan zomaar een man. Hij heet Ralan Bek en hij is hier om twee universurns te redden. In jullie profetieën heet hij de Godendoder.'
De drie oude Bloedheksen overpeinsden in stilte wat Puc had gezegd.
'Hoe weet jij van de profetie af?' vroeg Audarun na een tijdje.
'Martuch,' antwoordde Puc. 'Hij heeft terloops dingen gezegd, en ik heb het verder uitgevogeld. Ik begrijp onze rol hierin nog niet helemaal, maar het is precies wat dit levenloze wezen zei - wat Macros de Zwarte, de vader van mijn vrouw, vele levens geleden al tegen me zei - dat dit een Spel van Goden is en dat wij alleen maar pionnen op het bord zijn.
Maar we zijn ook wezens met een eigen wil en intelligentie, en ik laat ons niet verspelen in een onzinnige zet.' Puc wendde zich naar Magnus. 'We hebben een lange tocht voor ons.'
'Ik denk dat ik ons rechtstreeks naar het Bos kan brengen, vader.'
Puc keek verbaasd. 'Echt waar?'
Magnus keek toe terwijl vier jonge vrouwen de dode Dasati optilden en wegdroegen. 'Moeder heeft het me geleerd, en ik weet zeker dat ik het kan. Ik kan ons zonder toestel daarheen verplaatsen.'
'We moeten Valko halen en vertrekken,' zei Puc.
Audarun stak haar hand op. 'De jonge Valko gaat niet met jullie mee.'
Puc keek de oude vrouw behoedzaam aan. Wat die Bloedheksen verder ook waren, ze bleven Dasati en dus in staat tot onmiddellijk en extreem geweld. Deze enclave van vrouwen had misschien niet dat aura van waanzin die de rest van het ras bezat, maar dat maakte ze niet minder gevaarlijk. 'Waarom niet?'
'Hij heeft een rol te vervullen, die op zijn eigen wijze even kritiek is als die van jullie, dat weet ik zeker.' Ze kwam langzaam overeind. 'Als de Duistere op dit moment verdween, dan zou de slachting uit zijn naam niet ophouden. Er zijn er te veel, van de tekarana tot zijn laagste dienaar, die er belang bij hebben om te zorgen dat alles hier blijft zoals het is.
Onze samenleving draagt een kwaad in het hart dat elk aspect van ons leven infecteert,' zei de oudste van de Triarch. 'Zelfs als dat hart nu zou sterven, gaat de infectie nog eeuwenlang door. Te veel lieden zouden doorgaan alsof er niets was veranderd. Onze cultuur moet op grote schaal opnieuw worden geordend. Niet alleen moet de Duistere God worden vernietigd, maar de tekarana en de karana ook, en de hoogste leiders van de tempel van de Duistere, alles moet worden weggevaagd, en zodra dat gebeurd is, zullen we nog altijd tientallen jaren van onrust tegemoet gaan.'
'Terwijl machtige heren proberen de macht te grijpen,' zei Magnus. 'Er zal chaos uitbreken.'
'Het is beter dat de chaos heerst,' antwoordde Audarun, 'dan een orde die een ras versteent, het stagneert tot het een weerzinwekkend iets wordt, een cultuur van sterfte en afgrijzen. Het zou nog beter zijn om de dieren te worden die we eten, want die zorgen tenminste nog voor hun jongen.' Ze keek Magnus indringend aan. 'Laat de sterken overleven, maar uiteindelijk zullen we ze leren te zorgen voor de zwakken.'
'Je kiest een wreed pad,' zei Puc.
'Het is lang geleden al voor ons gekozen, magiër.' Audarun stond op. 'Wij zijn niet jullie bondgenoten, maar we hebben wel gezamenlijke belangen. We hebben niet de wens dat jullie rijk wordt binnengevallen of jullie wereld wordt onderworpen. Ons ras kan alleen overleven door middel van expansie, want als we niet meer naar buiten kijken, keren we ons tegen onszelf. Dus moeten we die inkeer forceren, een burgeroorlog beginnen die generaties lang zal duren en de verschrikking van wat we zijn geworden zal beëindigen. We moeten onze eigen hand afhakken voor die nog meer kwaad aanricht.'
Puc knikte. 'Het is inderdaad wreed. Maar velen zullen proberen in naam van de Duistere de macht te grijpen, zelfs als hij op een of andere manier verslagen wordt, en ze zullen de bestaande sociale orde gebruiken om alle verzet in de kiem te smoren.'
'Wij zijn het enige verzet,' zei ze. 'In onze geëerde geschiedenis waren we meer dan je nu ziet, en we hadden vele goden. We dienden die met vreugde, en zij begeleidden ons. Maar nu hebben we geen ander gezamenlijk doel meer dan de Duistere tegen te werken. Als de goden op een of andere manier bij ons terugkeerden, misschien zouden we dan een minder verschrikkelijk lot tegemoet gaan, maar dat is alleen maar een droom.' Ze wees in de richting waarin Valko was gegaan. 'Hij is ons baken, hij zal tegenover de verschrikkingen staan die ons leiderschap heeft omhelsd.
Valko is uitgekozen, samen met enkele anderen van nobele rang en eervolle afkomst, als de volgende generatie leiders van ons ras. Met een beetje geluk wordt hij zelfs de volgende tekarana.
Jullie hebben geen idee hoe opmerkelijk het is dat hij de waarheid kon aanhoren en die zo snel kon bevatten als hij heeft gedaan. De meeste jonge strijders zouden een slachting zijn begonnen als iemand de dingen suggereerde die hij zo kalm heeft aanvaard. De meesten zouden jullie nu al hebben gedood, alleen omdat jullie bestaan.
Wij, de Triarch, wonen ons hele leven al in dit toevluchtsoord, gespaard van de waanzin die doorlopend opstijgt uit de diepten waar de Duistere ligt. Zijn vergif sijpelt vandaar naar buiten en verdoemt via de sterren elke Dasati, tot de laatste man. Wij behoren tot de weinigen die die aanraking hebben weten te vermijden, maar zelfs voor ons is jullie aanwezigheid een ... beproeving.'
'Nou, vrouwe,' zei Puc, 'dan zullen we zo snel mogelijk vertrekken. Hoewel het overleven van ons eigen ras onze voornaamste zorg is, hoop ik ook dat we jullie kunnen helpen en wensen we jullie het beste.'
'Dan zijn jullie een beter ras dan wij,' zei Audarun. 'Maar op een dag zijn we misschien gelijkwaardig.'
Puc wendde zich tot Magnus. 'Laten we dan maar gaan.'
Magnus ging naast zijn vader staan en legde zijn hand op Pucs schouder. Hij deed heel even zijn ogen dicht en herinnerde zich de geheime ondergrondse ruimte in het Bos, en meteen waren ze daar.
Twee Minderen sprongen geschrokken achteruit, tot ze de gezichten zagen van de twee die op mysterieuze wijze voor hen waren verschenen. Puc maakte een geruststellend gebaar, keek om zich heen en zag dat ze alleen waren, en zei toen tegen Magnus: 'Laten we rusten en afwachten of Martuch en Hirea vanavond terugkeren. Anders zijn we alleen op een buitenaardse plek en hebben we een lastige taak voor ons.'
'Nakur zoeken?'
'Nakur zoeken.'