20


Terugkeer

 

 

Puc riep zijn bezwering op.

Een explosie van fel licht verwarde de Doodspriesters een moment, en dat was alle tijd die Magnus nodig had om zelf een bezwering uit te spreken. Fonkelende lichtjes schoten van zijn uitgestrekte hand, alsof hij tienduizend piepkleine edelsteentjes had gegooid: diamanten, smaragden, robijnen en saffieren. Maar de schoonheid van de bezwering stond in sterk contrast met het effect ervan, want de lichtjes schoten als minuscule scheermesjes door de Doodspriesters van de Dasati. Oranje bloedvlekken verschenen het eerst op hun gezicht en blote armen, maar die oppervlakkige tekens waren onbelangrijk, want stuk voor stuk kregen ze een lege blik in hun ogen toen er tientallen kleine gaatjes in hun hersenpan werden geboord.  

Nu renden nog eens zes Doodspriesters de ruimte binnen.

Ze bleven behoedzaam even staan en zetten toen als één man de aanval in op de talnoywachters. Puc zag dat ze ieder een witte sjerp droegen die haastig om hun middel was geknoopt.

Valko draaide zich om toen er nog iemand het plein op rende: een reusachtige talnoywachter, maar deze droeg geen helm.

'Wacht!' riep Puc. 'Dat is Bek!'

Valko weifelde heel even en stapte achteruit toen Bek langs hem rende met een opgetogen uitdrukking op zijn gezicht. Bek hief zijn enorme zwaard en zwaaide ermee als een houthakker. Een talnoy die een ander had geholpen om twee van Valko's Doodsridders achteruit te dringen, werd van schouder tot kruis opengehakt, en de twee helften van zijn lichaam vielen uiteen in een explosie van oranje bloed. Bek greep een volgende Doodsridder als een jong hondje bij zijn nekvel, tilde hem op alsof hij een lappenpop was, draaide zich snel om, bijna in een danserspirouette, en smeet hem hard tegen een derde krijger aan die halverwege het plein stond. Toen draaide hij plotseling de andere kant op en hakte naar een andere talnoy, en met een gekrijs van scheurend metaal en een regen van vonken doorkliefde zijn wapen de bepantsering van de strijder.  

Puc stond met open mond te kijken. Bek was nu een natuurkracht, verschrikkelijker dan de meest angstaanjagende krijger die Puc ooit had gezien. Puc had van Tomas gehoord wat een uitdaging Bek was geweest toen ze elkaar voor de eerste keer tegenkwamen, maar nu vroeg Puc zich af of zelfs de erfgenaam van de Drakenheerserwapenrusting een aanval van deze vleesgeworden god van de oorlog zou overleven. Bek was in alle opzichten meer dan Puc ooit had vermoed, want het leek wel alsof dat wat in hem verborgen had gezeten nu tot uitbarstingkwam.  

Valko cirkelde naar de plek waar Puc stond. 'Dit kan geen sterveling. Wat is hij voor iets?'

'Weet ik niet,' zei Puc. Hij zag wel dat Bek snel op de overwinning afkoerste, want de ridders van de Witte ontdeden zich inmiddels van de talnoywachters die niet op Bek af stormden maar de tekarana bleven beschermen. Hij haalde diep adem. 'Toen we hem pas hadden gevonden, leek hij een vreemde jongeman die bezeten werd door een of andere ... entiteit, en we dachten dat we zijn aard begrepen, maar sinds we hier zijn ... Ik weet het niet. Het lijkt wel of hij een Dasatiziel in een mensenlichaam is.'  

'Hij is angstaanjagend,' zei Valko, zich er totaal niet van bewust dat hij een volledig buitenissige bekentenis deed voor een Dasati.

Puc keek achterom en zag dat de anderen van de Witte ook stonden te kijken naar de vechtende Bek, die met zijn zwaard om zich heen sloeg alsof hij een reus tussen gewone mannen was. Hij liep letsel op maar negeerde dat, en telkens als hij toesloeg, sneuvelde er een talnoywachter. Al snel deden de talnoy iets wat tot even daarvoor nog ondenkbaar was geweest: ze draaiden zich om en vluchtten. Bek sneed er twee de achillespezen door voor ze maar een stap konden zetten, en ging toen op het handjevol af dat aan de andere kant van het binnenplein probeerde stand te houden. Met zes stappen was Bek bij hen, en met de efficiëntie van een slager in een slachthuis maakte hij ze binnen enkele tellen af. Toen werd het stil. Doodsridders van de Witte stonden met open mond van verbazing toe te kijken.  

'Dit zal niet lang duren,' zei Valko. 'Hoeveel verwarring er ook in het paleis en de stad daarbuiten is, zodra we door die deur naar de kamers van de tekarana gaan, zal elke loyale talnoywachter en Doodsridder zo snel mogelijk komen. We moeten besluitvaardig handelen en niet aarzelen.' Hij wendde zich tot zijn compagnie, waarvan velen amper nog in staat waren te blijven staan, en zei: 'Niemand achter die deur is een vriend van ons.'  

Valko keek naar de Doodspriesters die zich bij hen hadden aangesloten en zag vader J uwon, een van de eersten die hem hadden opgeleid tot dienaar van de Witte. Hij stond even hoog in de Broederschap van de Duistere als ieder ander die de Witte diende, en was een machtige magiër. Hij liep snel naar Valko toe en zei: 'Het gaat je moeder en zus goed. We hebben de verrader gevonden, een Mindere die in de keuken werkte. Hij bleek een Doodspriester te zijn en was niet gemakkelijk te doden. Iedereen die je hebt achtergelaten is veilig, en de Zusterorde van Bloedheksen is intact en klaar om te dienen als het nodig is.'  

'Hoe gaat het elders in de stad?' vroeg Puc, en hij negeerde de vreemde blik op het gezicht van de hogepriester omdat hij als Mindere zonder toestemming sprak.

'Dit is een menselijke magiër, Puc genaamd,' zei Valko. 'En die Mindere daar is ook een menselijke magiër.' Hij wees naar Magnus.

Er klonk een stem achter de priesters. 'En ik ook.'

Ze keken om, en daar stond Nakur. Het mannetje zei: 'Ik bedoel, ik ben menselijk, geen magiër. Ik ben gokker. Maar ik ken wat trucjes.'

De Doodspriesters schenen niet te weten wat ze met Nakur aan moesten.

'We hebben niet veel tijd. Hoe staat het ervoor?' vroeg Puc.  

'Er is een ongehoorde waanzin gaande, zoals we nog nooit hebben beleefd,' antwoordde Juwon, een van de Doodspriesters. 'Vergeleken bij wat er nu met het volk van deze planeet gebeurt, was de Grote Selectie die we pas hebben doorstaan ongeveer even erg als wanneer je een akker ontdoet van ongedierte. Er wordt grootschalig gemoord op de hele wereld, Valko.' Juwon deed even zijn ogen dicht, een gebaar dat Puc heel menselijk vond, en toen keek hij de jonge Doodsridder weer aan. 'Terwijl de Grote Aanmonstering geduldig wacht om naar de mensenwereld te gaan en op die andere wereld te sterven voor de glorie van de Duistere, worden er overal tienduizenden Minderen afgeslacht.'  

'Overal,' zei een andere Doodspriester. 'Het lijkt wel alsof niets wat op Omadrabar leeft meer veilig is.'

'Dat is ook zo,' beaamde Puc. 'Ik weet meer van de aard van scheuringen en magische poorten dan wie ook op mijn wereld of die van de Tsurani. Maar dit ding, dat deze wereld en Kelewan met elkaar verbindt, lijkt op niets wat ik ken. Ik kan er pas zeker van zijn als ik er dichter bij in de buurt ben, maar het enige wat er bij mijn weten in de verte op lijkt, was de doodsscheuring die een waanzinnige menselijke magiër gebruikte om van Midkemia naar Kelewan te komen.'  

'Wat zijn toch die scheuringen waar je het steeds over hebt?' vroeg Valko.

'Hou het kort; we hebben niet veel tijd,' maande Nakur.  

'Scheuringen zijn poorten tussen werelden, zeg maar. Degene die ik begrijp, worden gemaakt met magie die tegelijkertijd krachtig en subtiel is. Maar deze, die tussen onze twee werelden, lijkt op doodsmagie, een doodsbezwering van een kracht die ik niet eens kan bevatten. Het lijkt meer op een enorme tunnel waardoor verkeer in beide richtingen mogelijk is, en hij wordt gevoed met de doodsenergie van al jullie geofferde mensen. Ik denk dat er een manier moet zijn om hem te sluiten, om mijn rijk van de Duistere te redden, maar dat weet ik pas als ik er ben.  

De Duistere is een opgeblazen wezen uit de Leegte, bijna redeloos in zijn honger naar levens. Het volgende niveau, mijn thuis, is veel rijker aan leven. Daarom wil hij opstijgen naar mijn wereld in plaats van zich voorbij de Twaalf Werelden uit te breiden.' Bijna in zichzelf voegde hij eraan toe: 'Het enige mysterie is hoe hij aan de middelen is gekomen om van dit rijk naar dat van ons te komen.' Puc zweeg even. 'De opperdrocht zoekt een weg naar mijn bestaansniveau via de opoffering van jullie volk. Hij verzwelgt jullie mensen al eeuwen, bouwt zijn kracht op en bereidt zich voor op de migratie naar mijn wereld. Nu zet hij aan tot massamoord om de scheuring tussen onze werelden te voeden, en het maakt hem niet uit of hij alles wat op deze wereld leeft ombrengt, of op de andere elf werelden die uit zijn naam door karana worden bestuurd.

Hij zal het hele Dasatiras uitroeien als dat nodig is om naar het volgende bestaansniveau te komen. Niets kan de Twaalf Werelden redden als wij de Duistere niet vernietigen.'

Valko keek naar Bek, die besmeurd met oranje bloed stond te wachten, zijn blik strak op de deur naar het heiligdom van de tekarana gericht. 'Is hij de Godendoder?'

'Als hij het niet is, zou ik niet weten wie wel,' zei Puc.

'Nee,' zei Nakur. 'Hij is de Godendoder niet.'

Alle ogen richtten zich op Nakur.

'Wat zei je daar?' vroeg Puc verbaasd.

'Ik zei dat hij de Godendoder niet is. Bek is hier om te zorgen dat de Godendoder de Duistere kan vernietigen, maar zelf is hij niet de Godendoder.'

'Ik begrijp het n-' begon Puc.

'Geen tijd,' onderbrak Nakur hem. 'Bek, maak die deur open!'

Ralan Bek legde zijn linkerhand op de enorme deurklink, met in zijn rechter het zwaard, terwijl hij zich voorbereidde om dood en verderf te zaaien onder degenen die achter de deur wachtten.

Puc hoorde het geluid van metalen balken die krijsten terwijl ze protesterend doorbogen, maar de grendels braken nu onder Beks sterke hand, en met veel minder protest dan wanneer er een aanvalsmachine was gebruikt. Puc wist niet zeker of hij met zijn magie die taak ook zo gemakkelijk had kunnen uitvoeren.  

Een dozijn mannen in talnoypantsers wachtten aan de andere kant van de deur: als één man sprongen ze op Bek af. Twee van hen stierven al voor ze een volledige pas hadden gezet; een derde zodra zijn tweede voet de grond raakte.  

Nu vielen Valko en de andere Doodsridders van de Witte aan.

Puc draaide langzaam rond en probeerde te bepalen waar de volgende aanval vandaan zou komen. De chaos voor de deur belemmerde zijn uitzicht, dus dook hij tussen de vechtenden door terwijl Bek alle vijanden binnen zijn bereik afslachtte en Valko's mannen aan weerszijden van hemde zaal instroomden, hun strijdkreten weerkaatsend tegen het gewelfde stenen plafond.  

Puc wist dat hij hier de machtigste Doodspriesters van de Duistere zou aantreffen, want die zouden klaarstaan om de tekarana te verdedigen. De troonzaal was reusachtig, een lange ovale ruimte met een deur aan de kant waar zij net binnen waren gekomen, een dozijn massief stenen pilaren aan weerszijden, en aan het andere uiteinde een massa wachtende mannen.  

Terwijl Puc en Magnus verder renden, zagen ze de Doodspriesters die zich aan het uiteinde van de zaal verzameld hadden, rondom een gespierde gestalte in oranje bepantsering: de tekarana. En tussen de tekarana en de aanvallers stond een waar leger aan verdedigers. 'Hier hebben we geen tijd voor,' zei Puc tegen Magnus.

'Ik begrijp het,' antwoordde Magnus, en hij rees de lucht in, boven de gevechten uit.

Net als al het andere op deze duistere en verwrongen wereld, waren de privévertrekken van de tekarana reusachtig. Hij zat op een troon op een ronde verhoging van twaalf concentrische stenen ringen in het midden van de ruimte. Ook hier waren de muren niet versierd met iets wat op menselijke kunst leek, maar er hingen wel trofeeën: de skeletten van honderden krijgers, allemaal nog in hun pantsers, een zwijgend bewijs van de macht van de heerser van de Twaalf Werelden.  

Achter de troon was de ingang naar de privévertrekken van de tekarana, waar angstige Minderen en haremvrouwen gekleed in verleidelijke uitdossingen door de deuropening keken. Toen ze Magnus de lucht in zagen stijgen, draaiden veel van hen zich om en vluchtten weg.  

Als het zien van een vliegende Mindere voor de vechters reden was om te aarzelen, dan betaalden ze daarvoor met hun leven. Magnus vuurde lansen van verzengende energie af die alles wat ze raakten verbrandden, op de stenen van de vloer en de muur na. Vlammen ontsproten aan de kleding en huid van de Doodspriesters die te lang wachtten met het oprichten van een beschermende barrière tegen de zwevende magiër.

Magnus had zelf ook een mystieke beschermingsbarrière opgericht toen de Doodspriesters een golf magie op hem loslieten. Stinkende kronkelingen schoten van hun handen: wapperende, dodelijke linten die zich door de zaal verspreidden. De Doodspriesters waren niet kieskeurig en doodden zowel verdedigers als aanvallers, want ze wisten dat de verdedigers de tekarana niet konden redden. Zijn enige redding bestond eruit dat zij ieder ander in de zaal doodden en wachtten tot er versterking arriveerde.  

Puc haalde uit met een verblindende zilverwitte flits die alle kronkelingen die door de zaal vlogen verteerde, en de Doodspriesters rilden alsof ze pijn hadden. Sommigen slaakten kreten toen hun bezwering ongedaan werd gemaakt, en richtten toen hun aandacht op de twee magiërs. Enkele Doodspriesters zonden een wervelende wolk zwarte spikkels omhoog, die Puc deed denken aan een zwerm vliegen, en hij richtte zijn eigen schild op voor Magnus en zichzelf. Terwijl Puc verdedigde, liet zijn zoon weer een krachtige aanval los op de Doodspriesters en vielen er nog twee brandend en krijsend op de grond.  

Bek hakte zich een weg door de verdedigers als een boer die met zijn zeis tarwe maaide, terwijl de Doodsridders van de Witte zich achter hem verspreidden om tegen de talnoy te vechten. Valko ging links van Bek staan, klaar om naar voren te springen en de tekarana aan te vallen.

Puc en Magnus waren samen meer dan opgewassen tegen de Doodsridders, en vader en zoon werkten samen alsof ze één geest bezaten. Magnus scheen precies te weten wanneer hij hen moest verdedigen tegen de Doodsridders, en Pucs tegenaanvallen schakelden hen snel uit of doodden ze. Al snel waren bijna alle magische bedreigingen in de zaal bezworen.  

Binnen enkele minuten stond er nog maar een handjevol bebloede verdedigers om de tekarana heen. Hij was een lange, gespierde krijger met hetzelfde postuur als Ralan Bek. Hij had een zwaard dat bijna identiek was aan dat van Bek, behalve dat het was versierd met kostbare metalen langs de kling en met edelstenen op het gevest.

'Jouw lijk krijgt een ereplekje boven mijn troon!' schreeuwde hij naar Bek terwijl hij van zijn troon opstond en de treden naar de imposante jonge strijder afdaalde. Naar Bek wijzend, riep hij: 'Nog nooit heeft een krijger me uitgedaagd in mijn eigen domein!'  

Puc gebruikte zijn vaardigheden om de laatste twee Doodspriesters op te tillen en door de zaal te smijten, waarmee ook hun magische dreiging verdwenen was. Hij zag Magnus ongedeerd op de stenen vloer neerdalen, hoewel hij net als ieder ander in de ruimte besmeurd en bespat was met oranje bloed.  

Bek reageerde op de uitdaging van de tekarana door de resterende wachters tussen hem en de heerser van de Twaalf Werelden aan de kant te smijten. Hij kwam onverbiddelijk recht op de tekarana af. Valko en de overgebleven Doodsridders van de Witte maakten korte metten met de rest van de talnoywachters, en toen Bek uithaalde en het gekletter van zwaarden door de zaal weerkaatste, richtten alle ogen zich op het gevecht. Er waren hier twee angstaanjagende figuren in strijd verwikkeld.  

Puc hief een hand om Bek met zijn magie bij te staan, maar Martuch rukte aan zijn schouder. 'Nee! Je moet je er niet in mengen!'

Puc zag dat geen van de andere Doodsridders, ook Valko niet, naar voren rende om te helpen. Iedereen keek met gefascineerde aandacht naar de twee strijdende titanen. Elke klap werd beantwoord en het geluid leek op dat van een waanzinnige God van Smeden die staal bewerkte op een enorm aambeeld.  

Minutenlang ging het heen en weer tussen Bek en de tekarana. Ze bleken aan elkaar gewaagd, en geen enkele klap die werd uitgedeeld of ontvangen, geen enkele zwaardbeweging die werd geblokkeerd of geriposteerd, ging gepaard met letsel. In Pucs belevenis was het een heel lange tijd stil in de zaal en klonk er niets anders dan het geluid van de twee vechters, van metaal op metaal, en gegrom van inspanning en gehijg.  

Toen verschoof het evenwicht. Bek vocht gebiologeerd, elke uithaal leek hem kracht te geven en sterker te maken, terwijl de ademhaling van de tekarana moeizamer werd en zijn bewegingen vertraagden. Het eerste teken van het onvermijdelijke einde was een rake klap op de linkerbovenarm van de tekarana toen Beks zwaard door de oranje bepantsering kliefde alsof die van papier was.  

'Onmogelijk!' riep Hirea.

'Nee,' zei Nakur zachtjes. 'Let maar op, dan zie je iets bijzonders.'  

Valko stond met zijn zwaard in de hand naast Puc, en Puc zag het conflict op het gezicht van de jonge Dasatiheer. Puc besefte dat Valko had aangenomen dat hij degene uit de pro-

fetie was, de strijder die was voorbestemd om de tekarana te doden en de weg vrij te maken voor de Godendoder, niet deze menselijke strijder in de vermomming van een Dasati.

De tekarana deed een woeste uithaal met zijn zwaard waarbij hij zich te ver strekte, en Bek gaf hem met de metalen handschoen van zijn linkerhand een mep recht tegen zijn slaap. De helm van de tekarana vloog af, en dit was de eerste keer sinds hij de troon had bestegen dat iemand anders dan zijn vertrouwelingen zijn gezicht zag.  

Hij zag er... heel gewoon uit. Hij was sterk en gespierd, maar er was niets aan het gezicht van de heerser van de Twaalf Werelden te zien wat wees op een bijzondere eigenschap. Hij keek versuft door de klap op zijn hoofd, er liep oranje bloed uit zijn neus en hij knipperde woest met zijn ogen alsof hij probeerde helder te zien terwijl hij weerloos op handen en knieën zat. Bek zette een stap naar voren en schopte de Dasati vol in het gezicht. Afgebroken tanden en nog meer bloed vlogen in het rond.  

De tekarana was verdoofd, maar niet buiten gevecht gesteld. Hij rolde weg van het gevaar en kwam met een riemmes in zijn hand overeind. Hij maakte er een dreigende schijnbeweging mee en reikte met zijn vrije hand naar zijn zwaard, maar Bek bracht zijn zwaard hard omlaag zodat het vonken regende toen zijn kling de stenen raakte. De tekarana kon nog net op tijd zijn hand terugtrekken.  

'Het is voorbij,' zei Martuch.

'Nog niet,' wierp Nakur tegen.

Bek lachte; een hard, verkillend geluid dat de omstanders doordrong van de waanzin van de strijd. Zelfs Puc kreeg de neiging om een wapen te pakken en zich in de strijd te mengen, en zo'n vreemd gevoel had hij nooit eerder gehad. Hij keek naar Magnus en zag dat zijn zoon het net zo voelde. Hij knikte naar hem, en beide magiërs riepen snel een bezwering op om hun geest te bevrijden van binnendringende gedachten en emoties.

Bek stapte naar achteren en gaf de tekarana een teken dat hij zijn zwaard mocht oppakken. Dit sportieve gebaar was zo onbekend voor de Dasati dat het even duurde voor het besef op het gezicht van de tekarana doorbrak. Maar zodra hij zag dat zijn tegenstander hem niet alleen maar tergde, schoot hij verrassend snel naar voren en greep zijn zwaard. Hij hield het draaiend in beweging en haalde er plotseling mee uit naar Beks hoofd. Bek blokkeerde de slag met gemak, met zijn lange zwaard moeiteloos in één hand, en sloeg toen de tekarana met zijn vrije hand hard op zijn kaak. De knieën van de getergde strijder knikten, al hield hij zijn zwaard stevig vast. Zijn benen trilden en hij begon op zijn knieën te zakken, maar Bek stak zijn linkerhand uit, greep de tekarana bij zijn rechterpols en hield hem staande. Bek verbrijzelde de pols van de tekarana, en het zwaard viel uit zijn plotseling krachteloze hand. Langzaam liet Bek hem zakken tot hij weerloos op zijn knieën voor de grote strijder zat.

Bek liet los en de verslagen strijdheer viel achterover, zijn rechterhand nutteloos. Door de pijn had hij een lege blik in zijn ogen. In plaats van naar voren te stappen en de tekarana te doden, draaide Bek hem de rug toe en liep naar Valko toe.

De tekarana schudde zijn hoofd en vermande zich. Hij keek naar de weglopende strijder, fronste zijn voorhoofd en pakte toen met zijn ongedeerde linkerhand zijn wapen. Hij greep het zwaard stevig vast en krabbelde overeind, van plan de onbeschermde nek en rug van zijn tegenstander aan te vallen.  

Bek stond doodstil, keek Valko aan en zei: 'Dood hem.'  

De tekarana hief zijn zwaard, en net toen hij de kling rechtop had, stapte Valko langs Bek en dreef zijn zwaardpunt door de keel van de tekarana. Met een draai waarmee hij de heerser van de Twaalf Werelden bijna onthoofdde, rukte hij zijn wapen los.  

'Wat is hier gebeurd?' vroeg Magnus.

'Bek heeft Valko zojuist een keizerrijk gegeven,' antwoordde Hirea.  

Valko keek om zich heen met een blik die aangaf dat hij net zo in de war was als alle anderen over wat er gebeurd was en waarom, maar hij begreep de ernst van het moment. Hij bleef staan, pakte het rijk versierde zwaard van de gevallen tekarana op en liep langzaam door naar de troon.

Minder dan een minuut later stormde er een compagnie talnoywachters de troonzaal in. Ze troffen daar honderden Doodsridders van de Witte knielend voor de troon aan, waar een jonge Dasatiheer op zat. Aan zijn voeten lag het roerloze lijk van de voormalige tekarana.

Toen de eerste talnoy weifelde, riep Juwon, in de mantel van een hogepriester van de Broederschap van Zijne Duisterheid: 'Valko! Tekarana!'

De gebruiken van de Dasati waren zo ingesleten dat de talnoy onmiddellijk de knie bogen voor hun nieuwe heerser. Er werden geen vragen gesteld en geen protesten geuit, want in het Dasatileven werd degene die zijn leenheer doodde de nieuwe heerser. Valko was nu de hoogste heerser over de Twaalf Werelden.  

'Hoe lang zal dit duren?' vroeg Puc zachtjes aan Martuch.  

De oude Doodsridder haalde zijn schouders op. 'Wie zal het zeggen? Als het zo gaat als jij zei en de Duistere niet meer naar deze wereld omkijkt als hij vlucht, dan duurt het zolang Valko zijn hoofd op zijn schouders kan houden. Velen zullen hem zien als een jongeling, rijp voor de slacht, maar vele anderen zullen sterven om hem op die troon te houden.' Hij gebaarde min of meer in de richting van de Zwarte Tempel en vervolgde: 'Maar als de Duistere een marionet op de troon nodig heeft, dan zal het alleen maar zolang duren als de Duistere het druk heeft. Zodra hij hoort dat een vreemde Doodsridder zijn favoriet heeft afgezet, zal elke Tempeldoodsridder in het keizerrijk hierheen komen om Valko te vermoorden. Ze zullen eerder de Doodspriesters van de Duistere gehoorzamen dan de tekarana. Zelfs als we de Duistere kunnen verslaan, komt er misschien een burgeroorlog; de enige vraag is of het een lange of een korte zal zijn.'  

'Een korte?' vroeg Puc.

'De enige bevriende Doodsridders die niet bij de Grote Aanmonstering zijn om de mensenwereld binnen te vallen, zijn wij hier. Als de Duistere zijn troepen opdraagt ons aan te vallen, wordt het een heel korte burgeroorlog.'

Puc vermoedde dat er ongeveer duizend Doodsridders in de zaal waren, inclusief de net aangekomen talnoywachters.

'Er zijn misschien hier en daar nog wat paleiswachters die zouden buigen voor Valko, maar de Duistere heeft zo'n twintigduizend Doodsridders in de stad en nog eens vijfduizend in de Zwarte Tempel,' zei Martuch.  

Magnus keek naar Bek, die bijna bewegingloos stond, zijn blik vol vervoering en afwezig, alsof hij iets in de lucht zag. Hij wendde zich tot Nakur. 'Wat is er met hem gebeurd?'

'Hij is thuisgekomen,' zei Nakur. De kleine gokker keek in de zaal rond terwijl de Doodsridders van de Witte en de talnoywachters van de tekarana ongemakkelijk naast elkaar stonden te wachten op het eerste bevel van hun nieuwe heerser. Toen keek hij naar Valko, die ook onzeker leek, en zei: 'Valko is jong, maar hij zal hier een verandering in gang zetten die eeuwen zal duren. Uiteindelijk zal dit volk de weg terugvinden naar waar ze hadden moeten zijn, als de Duistere niet naar deze wereld was gekomen.'  

'Nakur, jij weet kennelijk dingen die wij niet weten,' zei Puc. 'We staan straks tegenover een leger van Doodsridders die loyaal zijn aan de Duistere, en onze manschappen zijn uitgeput.' Puc keek zijn oude vriend in de ogen. 'De afgelopen jaren waren er af en toe tijden dat ik wist dat je dingen verzweeg, me niet alles vertelde, en ik hield het er maar op dat het in je aard lag. Maar nu moeten wij, omwille van alles wat we hebben opgeofferd en alles wat we hopen te winnen, weten wat jij weet.'  

Nakur lachte. 'Dat, Puc, is onmogelijk. Maar je verdient het om de waarheid te weten.' Aan Magnus vroeg hij: 'Kun jij ons naar de Duistere brengen?'

'Ja,' zei Magnus. 'Ik herinner me dat podium, waar de tekarana en zijn hof naar de mensenoffers kunnen kijken.'  

Nakur richtte zich tot Valko. 'Heerser van de Twaalf Werelden, mijn tijd hier loopt ten einde. Jij moet standhouden en je mensen een nieuw tijdperk in leiden.' Hij wees naar Bek. 'Hij zal nog een tijdje bij je blijven, maar binnenkort moet hij verder op zijn eigen pad.' Nu liep hij naar Bek toe. 'Dag, Ralan Bek,' zei hij zachtjes.

'Dag, Nakur.'

'Je weet wat je moet doen?'

'Ja,' zei de grote jongeling. Hij grijnsde even breed als Nakur. 'Ik weet eindelijk wat ik moest weten.' Hij keek neer op de kleine man en vroeg: 'En jij weet ook wat je moet doen?'  

'Ja,' zei Nakur. Hij ging op zijn tenen staan en legde zijn hand over Beks ogen. De jongeman bleef heel even stilstaan, rukte toen zijn hoofd achterover en knipperde met zijn ogen. Toen glimlachte hij. 'Dank je, klein mens,' zei hij met overduidelijk genoegen. Hij keek om zich heen. 'Ik zal deze jongen beschermen tot de anderen hier zijn.'  

'Mooi zo,' zei Nakur. 'Vaarwel, Ralan Bek.'

'Vaarwel, Nakur de Isalani.'

'Martuch, Hirea, help die jongen,' zei Nakur.

'Tot wélke anderen hier zijn?' vroeg Puc.

'Dat zie je snel genoeg,' antwoordde Nakur. Vervolgens wendde hij zich tot Magnus. 'Kom. Wij drieën hebben veel te doen en weinig tijd. Laten we naar de put van de Duistere gaan.'

Magnus gehoorzaamde en Puc en Nakur voelden een vreemde gewaarwording, bijna een lichte ruk toen ze de ene plek verlieten en naar de andere gingen. Plotseling stonden de drie voor de troon van de tekarana op het observatieplatform en zagen ze een tafereel van ongehoorde waanzin.

Duizenden Dasati vielen van boven in de gloeiende zee van oranje energie en groene vlammen, sommigen stuiterend tegen de rotswanden, anderen rechtstreeks. Weer anderen belandden op het opgezwollen lijf van de Duistere God, en een paar arme drommels leefden nog toen ze landden. De Duistere pakte sommigen op met zijn magie en verplaatste ze krijsend naar zijn enorme muil. Zijn kop had geen gelaatstrekken, maar hij keek zijn volgende slachtoffer met twee roodgloeiende ogen aan. Hoewel er geen mond te zien was, verdween het slachtoffer in het gezicht van de Duistere en werd door hem in zijn geheel doorgeslikt.

'Dit is onnodig,' zei Nakur. 'Dat wezen kan levens energie opzuigen met een aanraking. Dat eten is... theater.'

'Angst is een hulpmiddel van de drochten,' zei Puc. Hij draaide zich om, keek Nakur aan en vroeg: 'Wat doen we hier? We kunnen ieder moment worden opgemerkt, en zelfs wij drieën kunnen niet op tegen duizend Doodspriesters, of dat ding in de kuil als hij ons wil pakken.'

De galerij, die zich uitstrekte vanaf het punt waar ze stonden, was vol Doodspriesters en Tempeldoodsridders, evenals de rand van de put boven hen, en tientallen openingen op verschillende hoogten langs de grot.  

'We wachten,' zei Nakur. 'We wachten op de Godendoder, en wanneer hij komt, moeten we ieder onze eigen taken uitvoeren.'  

'Nakur,' vroeg Magnus zachtjes, 'wat verzwijg je voor ons?'

De kleine gokker ging zitten. 'Ik ben moe, Magnus. Je vader begrijpt al heel lang dat ik niet helemaal ben wat ik lijk, maar hij is altijd zo vriendelijk geweest me de dwaas te laten uithangen als het mij uitkwam en niet te veel vragen te stellen.'

'Je bent altijd een goede vriend en een standvastig bondgenoot geweest,' zei Puc.  

Nakur zuchtte. 'Mijn tijd hier is bijna om, en jullie moeten de waarheid weten.' Hij keek Magnus aan. 1ij erft een grote last van je vader, een zware last, maar ik denk dat je die taak wel aankunt. Nu heb ik even een momentje nodig met je vader, onder vier ogen als je het niet erg vindt.'

Magnus knikte en liep weg om de twee privacy te gunnen.  

'Je moet je aan je belofte houden en je beproevingen ondergaan, mijn vriend,' zei Nakur tegen Puc. 'Maar als je resoluut bent, zal alles gebeuren zoals het moet gebeuren. Uiteindelijk zul je onze wereld redden en het noodzakelijke evenwicht herstellen.'  

Puc keek Nakur strak aan. 'Heb je het over-'

'Niemand weet van je afspraak met de Godin van de Dood, Puc, behalve jij en zij.'

'Maar jij wel,' fluisterde Puc. 'Hoe is dat mogelijk? Zelfs Miranda weet het niet.'

'Dat kan ze ook niet weten. Geen sterveling kan het weten,' zei Nakur.

'Wie bén jij?' vroeg Puc.

'Dat,' zei Nakur, 'is een heel lang verhaal.' Toen grijnsde hij zijn vertrouwde grijns. 'Alles op z'n tijd. Nu moeten we wachten.' Hij keek naar het afschrikwekkende tafereel in het hart van de put. 'Ik hoop dat we niet te lang hoeven wachten. Het is hier niet leuk.'  

 

Mensen schreeuwden van pijn en schrik toen de Zwarte Berg plotseling in een enorme, spastische beweging uitdijde. Was hij het ene moment een halve mijl weg, het volgende torende hij boven de commandopost uit, slechts meters verwijderd van Alenburga's hoofdkwartier. Miranda wist nog een verdedigingschild op te richten, maar het was al te laat.  

Het geschreeuw hield even abrupt op als het begonnen was. De mannen voor het observatiepunt van de commandant beneden aan de heuvel waren kennelijk in tweeën gehakt door de groeiende koepeL Rondom de buitenrand lagen alleen nog bloed en lichaamsdelen.  

'We moeten ons terugtrekken!' riep Miranda.

Generaal Alenburga was stomverbaasd over de aanblik van de Zwarte Berg. 'Terugtrekken!' schreeuwde hij. Tegen de vier jonge kapiteins die klaarstonden om zijn bevelen te vervoeren, zei hij: 'Ga zuidwaarts. Er is een heuveltje bij een stroompje dat op de rivier uitkomt. Neem zoveel kaarten mee als je dragen kunt en breng ze daarheen.' Vervolgens wendde hij zich tot Kaspar en Erik. 'Tijd om te gaan, heren.' Tegen Miranda zei hij: 'Madame, als u en uw magische vrienden wat licht kunnen werpen op deze nieuwe ontwikkeling, dan liever vroeg dan laat.'

De commandanten van het Tsuranese leger begonnen aan een ordelijke maar gehaaste aftocht.

Miranda was er vrij zeker van dat de koepel voorlopig niet verder zou groeien, maar haar nieuwsgierigheid was gewekt. Ze deed haar ogen dicht terwijl de anderen zich snel uit de voeten maakten, en stuurde haar geest naar buiten.

Ze kwam die mystieke anti-schouwingsmagie tegen die haar eerder had tegengehouden, en probeerde die nogmaals te neutraliseren. Ze had het probleem besproken met enkele andere magiërs toen ze uitrustten, en had een paar zinvolle suggesties gekregen. Ze besefte dat één opmerking waarschijnlijk het meest steekhoudend was: het was geen barrière, maar eerder een tegenbezwering, ontworpen om schade te berokkenen, letsel toe te brengen of te doden als een indringer doorzette. Als dat het geval was, kon ze het effect tegengaan, voor zolang ze bereid was wat ongemak te doorstaan.  

Ze dwong zichzelf al haar wilskracht op te roepen om haar mystieke zicht door de barrière te duwen, en voelde een scherpe steek van pijn toen dat gebeurde. Ze onderdrukte de pijn en richtte defensieve bezweringen op tegen de aanval op haar geest, en toen keek ze wat er in de koepel gebeurde. Door de afkeer die ze voelde toen wat ze zag tot haar doordrong, deinsde ze instinctief achteruit. Ze viel bijna flauw toen ze haar geest terugtrok naar deze kant van de barrière.  

Een tijd later zag ze dat Erik von Zwartheide over haar heen gebogen stond en besefte ze dat ze op de grond lag.

'Alles goed?' vroeg hij rustig, te midden van de georganiseerde chaos.  

'Ik zag .. .' zei ze zwakjes toen de oude strijder een hand uitstak om haar overeind te helpen.  

'Wat heb je gezien?' spoorde hij haar aan, haar ondersteunend aan haar arm.

'We moeten...'

'Ja?'

Haar ogen stonden glazig en haar gedachten waren troebel. 'We moeten weg,' bracht ze uit.

'We gaan ook weg,' zei hij. 'We trekken ons terug om te hergroeperen.'

'Nee,' zei ze. 'We moeten weg... van deze wereld.'

'Miranda,' zei hij rustig terwijl hij haar de heuvel afleidde naar waar een knecht met zijn paard stond, 'wat bedoel je?'

Hij zag dat ze zich vermande en dat ondanks haar duidelijke uitputting haar ogen groot waren en haar gezicht vertrokken. 'Ze hebben iets geopend ... Ik weet niet hoe ik het moet noemen. Het is geen scheuring zoals ik die ken, maar eerder ... een tunnel! Het is een soort gang tussen de twee werelden, en hij beslaat bijna de hele binnenkant van die koepel!' Ze keek om naar de monsterlijke Zwarte Berg die als een afzichtelijke zwarte steenpuist oprees in de late middaghemel. 'De ingang van die tunnel is een enorme put, maar een meter of honderd vanaf de binnenrand van de koepel verwijderd. Hij breidt zich waarschijnlijk tegelijk met de koepel uit.' Ze kneep haar ogen dicht en haalde diep adem. 'De meesten van je soldaten ... moeten in die leegte gevallen zijn ... in die tunnel, of wat het ook is.'  

'Goden,' zei hij zachtjes.

'Erik,' zei ze, rondkijkend en beseffend dat Alenburga en Kaspar al vertrokken waren. 'Je moet het ze vertellen. Iedereen ... we moeten zoveel mogelijk mensen evacueren. Er zijn Doodspriesters in dat ding die iedereen verdoven die naar binnen is gevallen en ze dan door de opening van de tunnel duwen .. .' Ze deed haar ogen dicht alsof de herinnering moeizaam kwam. 'Ze vóéren dat ding. Ze voeren hem soldaten om hem sterker en groter te maken.'  

Erik verbleekte. 'En als hij sterk genoeg is, dijt hij weer uit?'

'Ja,' zei Miranda, al kreeg ze het woord er bijna niet uit. 'De koepel zal groter worden... en groter...' Haar stem werd zwak en ze begon te wankelen. 'Tot hij de hele wereld bedekt...'

'Maar hij kan niet blijven groeien... niet steeds groter.'

Miranda's gezicht was asgrauw. 'Nee, hij hoeft alleen maar groot genoeg te worden om iets vanaf de andere kant door te laten ... '

'Wat dan?'

'De Duistere God van de Dasati,' fluisterde ze. Miranda viel flauw, en Erik kon haar nog net opvangen.

'Jij!' schreeuwde hij tegen een soldaat. 'Haal een draagbaar! Breng haar naar de oppercommandant!'

'Jawel, commandant,' zei de Tsuranese aanvalsleider die hij had geroepen.

Erik keek tijdens het wachten naar de koepel. Tegen de legers van de Smaragden Koningin bij de Nachtmerriekam had hij standgehouden. Deze keer voelde hij zich echter hulpeloos. Deze keer overleefde misschien niemand het.

 

Puc en Magnus sloegen hun handen over hun oren om het krijsende geluid buiten te sluiten. Nakur werd tegen de grond geslagen.

De hele grot beefde en trilde, en veel mannen langs de rand van de put stortten schreeuwend in de diepte. Nakur ging zitten en wees. 'Kijk!'  

Er kwam een ronde zuil van lucht van boven wervelen, als een enorme windhoos, en daardoor vielen nog meer lichamen. Bliksemflitsen knetterden door het schemerlicht en verlichtten de enorme rots met een verblindend, zilverkleurig licht. Boven aan de trechter verscheen een enorm gat, en er kwamen nog meer lichamen doorheen vallen.

'Dat zijn Tsurani!' riep Magnus.

De wapenrusting en de menselijke gestalten waren onmiskenbaar toen duizenden mannen door het gat omlaag kwamen. Plotseling begon de reusachtige gestalte van de opperdrocht te beven, te rimpelen en te vloeien als zijde in de wind.  

Toen kwamen er vanaf het oppervlak van het kwaadaardige wezen kronkelende slierten stinkende rook omhoog, die de trechter in dreven, ermee samengingen en op een of andere manier het volume ervan vergrootten.

'Wat gebeurt er?' riep Puc naar Nakur.

'De opperdrocht heeft een doorgang geopend tussen deze wereld en Kelewan,' schreeuwde de kleine man. 'Het is anders dan jouw scheuringen, Puc, of zelfs de poorten die hij gebruikt heeft om houvast te krijgen op Kelewan. Nu zijn deze wereld en Kelewan verbonden, en terwijl de opperdrocht sterker wordt, duwt hij zijn machtsgebied naar buiten. Hoe groter het oppervlak van Kelewan dat hij bedekt, hoe meer mensen binnen zijn machtssfeer zullen sterven. Hoe groter het aantal mensen dat sterft, hoe groter de koepel. Kelewan moet zijn volgende thuis worden. Hij gebruikt zijn eigen wezen, de energie die hij in de loop van duizenden jaren van offers in zichzelf heeft opgeslagen, om zichzelf naar Kelewan te trekken. Ergens tijdens dat proces, al snel vrees ik, zal hij zijn reis door die tunnel naar Kelewan beginnen.'  

'En de Dasati?' vroeg Magnus.

'Die zijn op onvoorstelbare schaal misbruikt.' Hij keek Puc even aan. je vader was de waarheid over de Duistere al gaan inzien. De opperdrocht gebruikt zijn onderdanen als middel om toegang te krijgen tot een hoger bestaansniveau. Het idee dat hij een nieuw rijk aanboort voor de Dasati is een leugen. Hij wil deze wereld verlaten en verder gaan, maar pas als hij deze van alle leven heeft ontdaan.

Zodra hij zich gevestigd heeft op Kelewan, begint hij daar een Duistere Tempel, net als deze, en brengt de planeet terug naar haar vorige staat. Alles wat er dan nog van de mensheid rest, zal hij laten bestaan om zich voort te planten en nieuwe samenlevingen te vormen, terwijl hij zelf slaapt. Hij zal eeuwen slapen, maar zijn dromen zullen greep houden op de opkomende stammen van de mensen. Hij zal van Kelewan een bespotting maken van hun voormalige grootsheid, de Tsurani veranderen in moorddadige doodsaanbidders zoals de Dasati, en dan verder trekken naar het volgende hoger gelegen bestaansniveau.'  

'Hoe weet je dat allemaal?' vroeg Puc.

'Omdat het al eerder is gebeurd,' antwoordde Nakur. 'Op andere plekken, en hier op deze wereld.' Nakur wenkte de twee anderen mee naar de relatieve beschutting van de verhoging achter de troon van de tekarana. Hij kroop er op handen en knieën achter, en zij wankelden tegen de wind in en hurkten

naast hem neer. 'Dat is dat lange verhaal waar ik het over had,' verklaarde Nakur.

'Wordt het niet eens tijd dat je ons dat vertelt?' vroeg Puc.

'Ja,' zei Nakur. 'Het is tijd voor de waarheid.' Hij stak zijn hand op, en plotseling stopte de tijd.

 

'Dat was een heel goeie truc, Nakur,' zei Magnus met oprecht ontzag in zijn stem.

'Ja, zeker,' beaamde Puc.

'Ik kan dit niet lang volhouden, maar zo hebben we tenminste een beetje rust,' zei de kleine gokker. Hij ging op de stenen zitten. 'Ik ben moe, Puc. Ik denk dat ik al heel lang dood had moeten zijn, maar zoals jij beter dan wie ook weet, kan het de goden soms niet schelen wat wij vinden dat er wel of niet moet gebeuren.'  

'Wat is die waarheid die je ons ging vertellen, Nakur?' drong Puc aan.

'Sommige dingen weet ik niet, sommige dingen zijn nog twijfelachtig en onvoorspelbaar. En er zijn zelfs een paar dingen die ik jullie niet mág vertellen.'  

Puc keek zijn oude vriend zwijgend aan.

Even later zei Nakur: 'Er zit iets in me, Puc. Net als bij Bek, maar wat hij draagt en wat ik draag is niet hetzelfde. Binnen in Bek zit een stukje van iets heel machtigs.'

'Je zei dat je vermoedde dat hij misschien een splinter van de Naamloze in zich heeft,' zei Magnus.

Nakur grijnsde en schudde zijn hoofd. 'Nee, dat was gelogen. Dat is het niet. Ik denk dat hij als kind gewoon een boef was, een hork, een stuk tuig of een moordenaar die erop kon wachten dat hij werd opgehangen of dat iemand hem de keel afsneed. Maar op een of andere manier raakte hij betrokken bij wat wij doen, die poging om het verloren evenwicht te herstellen van ... nou, van alles.'  

'Ga door,' zei Puc.

'De eerste nacht dat hij bij me was, voor de grot waar alle talnoy in verstopt zijn, was hij nieuwsgierig, zoals ik ook verwacht had, en sloop hij naar binnen om een kijkje te nemen. Ik deed alsof ik sliep. Ik wist toen dat ik hem ofwel moest doden, ofwel moest gebruiken. Dus heb ik iets met hem gedaan.'

'Wat dan?'

'Ik ben zijn geest ingegaan en vond daar een merkwaardige, wonderbaarlijke macht. Het kwam me bekend voor en ik kreeg een droom.' Nakur glimlachte. 'Eerder een visioen, misschien. Maar goed, toen stopte de tijd, of anders had ik uren aan gedachten in enkele seconden, maar plotseling wist ik. .. alles. Bek kwam naar mij toe omdat het voorbestemd was. Dat wat hem dreef, was hetzelfde als wat mij dreef toen ik jong was. Wij waren allebei instrumenten van de goden, maar elk met een ander doel. Ik moest zijn gids zijn, en hij moest een omhulsel zijn om iets dat verloren was terug te brengen naar Omadrabar. Dus maakte ik een omhulsel van hem.'  

'Een omhulsel?' vroeg Magnus. 'Waarvoor?'

'Voor wat er in een van die talnoy in de grot zat.'

Puc was sprakeloos. De Dasati met Macros' herinneringen had hem verteld dat elke talnoy de ziel van een verloren Dasatigod bevatte. 'Je hebt een god in hem gestopt?'  

'Alleen maar een stukje, maar net genoeg.'

'Genoeg waarvoor?' vroeg Magnus.

'Genoeg om te zorgen dat de tekarana zou sterven, zelfs als Valko hem niet zou doden, en dat iets van doorslaggevend belang hier zou terugkeren.'

'Wat dan?' vroeg Puc, die volkomen in verwarring was door de gedachtesprongen van de kleine man.

'De goden, Puc. Weet je nog, alle goden in alle rijken zijn alleen maar aspecten van dezelfde fundamentele krachten, en alle goden van ons rijk en die erboven en eronder zijn verwikkeld in een strijd met de wezens van de Leegte. Toen de Duistere aan de macht kwam, werd er een waanzinnig complot geboren, waarop de tienduizend goden van de Dasati zich in het volle zicht verstopten.'  

'De talnoy.'

'Ja. De Duistere is machtig, maar er is niets intelligents aan de opperdrochten. Ik weet niet eens of ze wel zo denken als wij. Ze bestaan, ze handelen, ze hebben een doel, maar... ze gaan ons begrip te boven. Dus onderwierp de opperdrocht eerst de aanbidders van de God van de Dood, Bakal, en richtte hij de Duistere Tempel op. Toen de Chaos oorlog hier woedde, kregen de Dasatigoden een toevluchtsoord aangeboden.'

'Op Midkemia,' zei Magnus.

'Ja, in die grot, waar ze... langer dan ik tellen kan zijn gebleven.'  

'En die ene die Kaspar vond?'

'Die was daar neergezet door Macros, op verzoek van... nou, degene die werkelijk achter alles zit waar wij mee worstelen. Macros was alleen maar een agent van de goden. Dus Bek is de eerste van de oude Dasatigoden die naar huis terugkeert. Voor de Dasati is hij Kantas-Barat. Op onze wereld zou hij Onan-ka zijn.'  

'De God van de Strijd,' zei Puc.

'Het leek gepast voor dit volk. De Vrolijke Strijder is thuisgekomen. Bek zal een tijdje blijven, maar zijn dagen als sterveling zijn voorbij. Hij is verteerd door de god die in hem zit. Bek zoals wij hem kenden toen we hem ontmoetten, is er niet meer. Hij was eigenlijk al dood voor we naar dit rijk kwamen.'  

'Hoe heb je ... een stukje van een god in Bek gestopt, Nakur?' vroeg Magnus.  

'Dat is moeilijk uit te leggen,' zei Nakur. Hij wees naar zijn borst. 'Ik heb hier iets, en soms ... neemt het me over. Soms herinner ik me dat hij dingen heeft gedaan, trucs die ik niet ken, en soms ... is het alleen maar een zwarte vlek. Ik ga op de ene plek slapen en word op een andere plek wakker, soms zijn mensen opeens heel boos op me, en soms zitten er dingen in mijn ransel die er eerst niet in zaten.'

'Weet je wie dat doet?' vroeg Puc.

'O ja,' zei Nakur grijnzend. 'En jij moet het ook weten, want jij moet hem terugbrengen.'

'Wie moet hij terugbrengen?' vroeg Magnus.

'Banath.'

Puc ging naast Nakur zitten. 'De God van de Dieven?'

'De Midkemiaanse God van de Dieven,' bevestigde Nakur. 'Hij kan niet zonder beschermend omhulsel,' - Nakur wees naar zijn borst - 'anders sterft hij. Nou ja, hij sterft niet, maar het deeltje van hem dat ik draag wel. En wat hij hier heeft ontdekt, moet teruggaan. Jij moet een tijdje zijn omhulsel zijn, tot je thuis bent.'

'Maar waarom breng je hem zelf niet terug?' vroeg Magnus.  

Nakur grijnsde. 'Omdat ik niet terugga. Mijn tijd is gekomen.' Hij keek om zich heen in de enorme grot. 'Een vreemde plek om te sterven, hè? Ik heb in ieder geval een hoop gezelschap, van mensen en Dasati.'  

'Waarom moet je blijven, Nakur?'

'Omdat er iets heel groots en heel belangrijks moet gebeuren, en ik moet hier zijn om het mogelijk te maken. Ik zal nog net genoeg trucs over hebben om te zorgen dat dit gaat zoals het moet gaan, en dan ... eindig ik.' Hij stond langzaam op. Puc stond ook op. Nakur raakte zijn eigen borst aan en zei: 'Hij beantwoordt wellicht een paar vragen; misschien vindt hij dat hij je dat wel schuldig is. Misschien niet.' Hij nam plotseling zijn hand van zijn borst en legde die op die van Puc, en meteen voelde Puc iets van Nakurs hand in zijn lichaam stromen.  

'Wat..'?'

'Ik ga nu uitrusten,' zei Nakur. 'Jij hebt iets te doen, binnenkort.'  

'Wat dan?' vroeg Puc.

'Je moet naar de grot in Novindus gaan en iets tegen de talnoy daar vertellen, via dat kristal dat ik heb gemaakt, of met de ring, dat kan allebei.'

'Wat moet ik ze vertellen, Nakur?' vroeg Puc terwijl hij zijn vriend hielp te gaan zitten.

Toen de kleine gokker zijn vriend aankeek, stonden zijn ogen plotseling vermoeid en was zijn gezicht gerimpeld. 'Je moet een scheuring openen naar Kelewan, nabij de invasieplek van de Dasati. Zeg ze dan één ding: zeg dat ze naar huis moeten.'  

'We moeten Martuch zoeken en hem ons laten terugsturen,' zei Magnus.

'Niet nodig,' wierp Nakur tegen. 'Hij zou zeggen wat ik je nu zeg: doe niet zo je best.'

'Hè?' vroeg Magnus.

Met een nog bredere grijns zei Nakur: 'Je vader begrijpt het wel.'

Magnus keek Puc aan, die begon te lachen. 'Het is allemaal een grap, hè, Banath?'

Een stem in zijn hoofd zei: 'Soms wel.'

Puc pakte de hand van zijn zoon. 'Met al die dingen die Martuch ons op Delecordia geleerd heeft, begonnen we een proces om hier te komen. Nu hoeven we om thuis te komen alleen maar...'

'...op te houden ons best te doen,' voltooide Magnus.

Puc greep de hand van zijn zoon stevig vast. 'Laat het maar los, Magnus.' Hij keek zijn oude vriend aan. 'Ik zal je missen, gokker.'

'Ik zal jou ook missen, magiër.' Nakur geeuwde. 'Het eind komt snel, zoals het hoort. Dat is mooi, want ik ben heel moe en ik moet rusten. De God van de Dieven heeft me veel meer tijd gegeven dan de meeste mensen krijgen, dus ik hoef me niet bestolen te voelen omdat het nu eindigt.' Hij ging met zijn rug tegen de achterkant van de troon zitten. 'Ik ga de tijd weer opstarten, dus wordt het hier zo meteen lawaaiig en onplezierig. Misschien kunnen jullie beter gaan.' Hij stak een hand op, en plotseling keerden de wind en de herrie terug.  

'Laat het gaan, Magnus,' herhaalde Puc.

Magnus deed zijn ogen dicht en probeerde zich te ontspannen. 'Vader, het is net alsof ik al een jaar mijn vuisten bal. Ik kan mijn vingers niet openvouwen.'  

'Rustig aan. Laat het langzaam los.'

Puc en Magnus bleven roerloos staan en concentreerden zich op het deel van zichzelf dat de magie had bestuurd waardoor ze op het tweede bestaansniveau konden leven. Plotseling voelden ze een verscheurende pijn, alsof er brand woedde in hun geest. Toen begonnen hun longen te branden en voelde hun huid aan alsof er bliksems overheen dansten.

Beide mannen vielen op hun knieën en daarna languit op de grond. Toen de pijn wegtrok en ze eindelijk hun ogen open konden doen, zagen ze dat ze niet langer in de diepe grot waren. Ze bevonden zich in een krater vol stenen en puin. Het lawaai en de stank van de diepe put waren verdwenen.

Puc voelde zijn longen bijna inklappen door de pijn van het ademhalen, maar bij elke ademteug werd de pijn minder. Na een tijdje ging hij zitten. Magnus kreunde, hoestte en wist zich ook overeind te werken. Puc zag dat de illusie die van zijn zoon een Dasati had gemaakt verdwenen was en dat hij er weer menselijk uitzag.

'Waar zijn we?' vroeg Magnus.

Puc kwam overeind op wankele benen en keek om zich heen. 'Ik herken het hier! We zijn in een onderkelder -'

'Maar er is niets boven ons,' onderbrak zijn zoon hem.

'Weet ik, maar dit was ooit de onderste verdieping van de grote arena in de Heilige Stad.'

'Zijn we weer op Kelewan?'

'Kennelijk,' zei Puc terwijl hij rondkeek. 'Gezien de samenhang tussen de twee werelden is het logisch dat toen we van het ene naar het andere rijk gingen, we niet van locatie veranderden.' Hij wees naar het puin om hen heen. 'De Dasati-inval... was meer een grootschalige verwoesting.'  

Puc voelde pijn in zijn borst en hoofd en sloeg dubbel, en alleen dankzij zijn zoon bleef hij overeind.

'Wat is er, vader?'

'Banath,' zei Puc. 'Hij herinnert me eraan dat ik terug moet naar Midkemia.'

'Kun je een scheuring naar huis openen, of moet ik ons naar de Assemblee vliegen?'

'Ik kan wel een scheuring maken,' zei Puc, hoewel hij bijna volledig uitgeput was.

Hij deed zijn ogen dicht en Magnus keek rond in de krater die ooit de bodem was van de grote arena in Kentosani. De stenen rondom stonken nog altijd naar conflictmagie en Magnus bespeurde ook andere energieën. Er had hier een grote veldslag gewoed, toen zowel magiërs als priesters van de verschillende ordes tegen de invallende Dasati vochten. Als de verslagen die Valko had gekregen klopten - en dat was blijkbaar zo - dan hadden de Dasati een groot deel van de bevolking uitgemoord nadat ze iedereen van de Tsuranese Hoge Raad hadden gedood. De Tsuranese respons was traag geweest; in eerste rapporten was het aantal slachtoffers onder Tsuranikrijgers en -burgers op vijftigduizend geschat. Maar toen Magnus naar de verwoesting om zich heen keek, dacht hij dat er meer slachtoffers waren gevallen, want dit was het resultaat van Tsuranese magie, niet van de doods magie van de Dasati. Een groep magiërs en priesters had deze arena rondom de Dasati letterlijk tot op de grond toe afgebroken. Terwijl zijn vader werkte, gebruikte Magnus zijn eigen vaardigheden om de lucht in te stijgen en alles beter te bekijken.  

Zodra hij over de restanten van de muur van de grote arena heen kon kijken, had hij daar meteen spijt van. Het hele hart van de Heilige Stad lag in puin. Er woedde nog altijd brand in sommige verlaten wijken, en nergens in de buurt bespeurde Magnus een teken van leven. Er hing een lichte geur van verrotting in de lucht, afkomstig van de lijken die nog steeds lagen waar ze waren gevallen. Aaseters hadden het grootste deel ervan al dagen eerder opgeruimd, maar er was genoeg overgebleven om Magnus het idee te geven dat dit een dode stad was.  

Hij voelde zich overstelpt, zelfs na alles wat ze hadden meegemaakt. Konden ze echt voorkomen dat de Duistere God deze wereld zou bereiken?  

Hij liet zich zakken toen zijn vader klaar was met zijn scheuringsbezwering en er een grijs ovaal zo groot als een deur in de lucht verscheen. Zonder iets te zeggen, stapte Puc erdoor. Magnus volgde hem.  

 

Caleb was geschokt toen zijn vader en broer door een scheuring Pucs werkkamer binnenstrompelden, en hij rende naar voren toen zijn vader op de vloer ineenzakte. Magnus kon ook nog maar amper staan en moest zich ondersteunen door een hand tegen de muur te zetten.

'Moeder zal zo blij zijn om jullie te zien,' zei Caleb terwijl hij naast Puc neerknielde, 'als je tenminste zo vriendelijk bent om niet dood te gaan voordat ze terugkomt, vader.'

Magnus glimlachte. Hij hield wel van Calebs droge gevoel voor humor. 'Ook fijn om jou te zien, broertje.'

Half bij bewustzijn, had Puc de hulp van zijn beide zoons nodig om op te staan. Zodra hij stond, zei hij: 'Ik ben misselijk.'

Magnus voelde zich even ziek als toen ze pas op Delecordia waren.

'Haal een genezer,' zei Puc tegen Caleb. 'We hebben niet veel tijd. We kunnen het ons niet veroorloven dagenlang in bed te liggen.'

'Ik laat er wel een halen,' zei Caleb, 'maar tot hij komt, gaan jullie allebei naar bed.' Hij riep om assistentie en twee studenten kwamen om Magnus naar zijn kamer te helpen, terwijl Caleb zijn vader naar zijn kamer bracht.  

Zodra Caleb zijn vader achterliet om op de genezer te wachten, voelde Puc een verzengende pijn in zijn voorhoofd' en kromde hij getergd zijn rug.  

Plotseling stond er een man naast zijn bed. 'Pardon,' zei hij. Hij was een bekende figuur: klein, met kromme benen en gekleed in een versleten oranje mantel. Er hing een rugzak aan zijn schouder en hij had een staf in zijn hand. Hij wuifde met zijn hand en Pucs pijn en vermoeidheid waren verdwenen.  

'Nakur?' vroeg Puc verwonderd.

'Niet echt, maar ik dacht dat je dit uiterlijk liever had dan de andere die ik door de jaren heen gebruikt heb,' antwoordde de man. 'En als er iemand binnenloopt, scheelt het een hoop vragen.'

'Banath?'

Met een buiging zei de man: 'Tot je dienst, Puc. Of eigenlijk ben jij mij van dienst geweest. En je bent nog niet klaar, maar we naderen het einde.'

Puc ging zitten en voelde zich alsof hij dagen had geslapen. 'Wat heb je gedaan?'

'Nou, als alles volgens plan verloopt, heb ik de wereld en iedereen erop, en een aanzienlijk stuk van dit heelal gered,' zei de god in Nakurs lichaam. 'Je ziet er niet uit, magiër, en je hebt nog veel te doen, dus knap jezelf een beetje op terwijl ik je wat dingen vertel.'

'Nog meer leugens en manipulatie?'

'O, bijna zeker, uiteindelijk, maar voorlopig beperk ik me wel tot de waarheid, want die dient me op het ogenblik het best.'

'De waarheid?'

'Ja, magiër, deze keer hoor je de waarheid.'