31 Kentosani
Haar bewustzijn keerde terug.
Mara knipperde met haar ogen. Al haar zintuigen waren nog confuus. Ze spande zich in om zich te oriënteren, maar ze kwam niet verder dan een paar vage indrukken. Ze leek te liggen op iets dat aanvoelde als kussens. Er was warme lucht om haar heen en een aangename verlichting. Verder kon ze niets onderscheiden - geen duidelijke wanden, deuren of vensters - maar de vlammende, knallende lichtflitsen en de verzengende hitte waren in elk geval verdwenen. Het was alsof ze uit een nachtmerrie was ontwaakt.
'Waar ben ik?' mompelde ze.
'In veiligheid,' antwoordde een stem. Uit de klank van die welluidende, onthechte stem leidde Mara af dat er een wonder was gebeurd. Ze moest op het nippertje aan de wraak van de Assemblee zijn ontsnapt, want ze was nu bij de magiërs die met haar waren meegekomen uit Thuril. In hun eigen land hadden ze al bewezen dat ze in staat waren iemand op magische wijze van de ene plek naar een andere te verplaatsen. Dat moesten ze nu ook hebben gedaan - ze hadden haar net op tijd uit die opgeblazen korf weggehaald! De wetenschap dat de arme cho-ja's van die korf niet gered zouden zijn deed haar op dat moment verrassend weinig - en dat was een constatering die haar alarmeerde.
Mara duwde zich abrupt op, maar haar schuldbesef gleed meteen van haar af, als water. Ze zag de schaduwachtige gestalten van de twee magiërs, een links en een rechts van haar. Ze hadden niet stilgezeten. Het hol waarin ze woonden was inmiddels dankzij hun magische vermogens ingericht met meubilair en versierd met gordijnen en tapijten. Ook Mara's eigen gemoedsrust, begreep ze nu, was kennelijk een gevolg van hun ingrijpen.
'U bent al begonnen uw vaardigheden in de praktijk te brengen, magiërs?'
Een van de twee maakte een geruststellend gebaar: de onderarmen naar binnen gedraaid, dus hun zwaardachtige scherpe kanten afgedekt. 'Uw aura werd vertroebeld door gévoelens van angst en kwaadheid. Als ik uw gemoed niet had mogen kalmeren, vergeef me dan, maar dit moment vraagt om een heldere geest, vindt u niet?'
Mara slikte. 'De korf is vernietigd door de Assemblee. Het spijt me verschrikkelijk.'
De tweede magiër deed iets met zijn vleugels, want Mara hoorde ze ruisen. 'Een noodzakelijk offer,' stelde hij met een emotieloze beknoptheid vast. 'De herinneringen van de koningin zijn geheel intact bewaard gebleven en het onrechtvaardige verdrag is eindelijk geschonden. Krijgers van de cho-ja's zijn vrijgemaakt om zich binnen het rijk te bewegen. Vanaf nu zullen ze uw zaak steunen, Dienares van het Keizerrijk.'
Haar zaak! Mara kreeg koude rillingen bij het horen van die woorden. Ze had de veiligheid van haar kinderen willen verzekeren, en een bijdrage willen leveren aan het opheffen van de stagnaties en de wreedheden in haar cultuur, maar nu was er een complete korf van de cho-ja's geofferd om haar leven te redden. Nu moest ze zich ten volle wijden aan de belofte die ze de raad in Chakaha had gedaan! Alle koninginnen in het keizerrijk verwachtten dat zij zich zou inspannen om hun ras weer de vrijheid te geven!
'Ja,' zei de cho-ja links van haar in reactie op haar gedachten. 'Het keizerlijke zegel, aangevuld met dat van de tempels, op een document dat de cho-ja's het volledige burgerschap teruggeeft, zou voldoende zijn om ons voor het onrechtmatige oordeel van de Assemblee te compenseren.'
Mara verzamelde haar geestelijke krachten. 'Om te beginnen moeten de Grootheden worden verslagen,' zei ze op waarschuwende toon. Het vooruitzicht van een rechtstreekse confrontatie met de Grootheden maakte haar doodsbang.
De magiërs bogen hun hoofd. Hun serene kalmte was bijna om gék van te worden! 'De middelen zijn beschikbaar,' zei een van de twee. 'Maar de tijd begint te dringen.'
Het tempo waarin de gebeurtenissen zich buiten haar directe invloed voltrokken leek de Vrouwe van de Acoma machteloos te maken. Mara vocht tegen een overweldigende wanhoop. Ze had haar adviseurs verloren. De goden mochten weten waar Arakasi uithing, en ze had geen idee wat er van Lujan was geworden. Het hele leger van de Acoma kon inmiddels tot as zijn verzengd, en misschien waren haar echtgenoot en zijn leger ondertussen óók al vernietigd door de Assemblee. Best mogelijk dat Jiro van de Anasati zich al in het paleis had genesteld, en dat haar kinderen allebei dood waren! Maar zelfs als de keizerlijke wijk door een wonder nog in handen zou zijn van de Keizerlijke Witten, lagen er nog altijd legers van de Anasati en de Omechan voor de muren van de Heilige Stad.
Toen vermande ze zich. Het had geen enkele zin om zichzelf de put in te praten met een opsomming van alle denkbare rampen. Ze moest gebruik proberen te maken van de voordelen, hoe klein ook, die deze twee magiërs voor haar hadden weten te behalen. Ze moest zélf in actie komen! Ze had niets meer te verliezen, dus het was hoog tijd om te vechten! Ook als Justijn en Kasuma al dood zouden zijn, ook als Jiro of een andere kroonpretendent de stad al veroverd zou hebben, ze was het aan de cho-ja's die haar hadden gered verplicht zich tot het uiterste in te zetten.
'Ik heb informatie nodig,' zei ze terwijl ze meteen rechtop ging staan. Al haar spieren deden pijn, maar dat negeerde ze. 'Uw hulp zal noodzakelijk zijn. Zodra ik de opstelling ken van de troepen van onze tegenstanders, zal ik me sneller dan de wind naar de Heilige Stad willen begeven.'
De magiërs uit Chakaha richtten zich op uit hun gehurkte houding. Ze bogen voor haar en kwamen toen naast haar staan. 'Uw wens is voor ons een bevel, vrouwe Mara,' zei een van hen. 'Vraag ons wat u wilt weten en wij zullen onze vaardigheden inzetten om het u te tonen.'
Mara trilde op haar benen, want ze wist dat ze nu al haar verliezen écht onder ogen moest zien. 'Hokanu, mijn echtgenoot,' begon ze met haperende stem. 'Waar is hij?'
'Sluit uw ogen,' vroegen de magiërs haar.
Mara gehoorzaamde met bonkend hart, in de greep van angstige voorgevoelens. Er ging een tintelende energie door haar heen: magie. Toen zag ze achter haar gesloten oogleden méér dan alleen duisternis. Enigszins duizelig, zag ze Hokanu over een kaart van de Heilige Stad gebogen staan. Hij wees naar rijen witte spelden bij de muren. Hij hield zijn helm in zijn hand, zijn gezicht stond bezorgd. Hij zag eruit alsof hij twee weken niet had geslapen.
De aanblik was Mara te veel. 'Hij leeft!' riep ze uit. De opluchting en blijdschap brachten tranen in haar ogen, en ze nam de tijd om de goden te danken.
De magiërs gaven aanvullende informatie. Hokanu en zijn snelle legertje van ruiters hadden de stad binnen kunnen trekken voordat de belegering was aangevangen. De infanterie van de Shinzawai was nog onderweg vanuit het noorden, maar ze zou geen rol spelen als ontzettingsmacht, zag Mara, nadat de magiërs haar hadden laten zien dat Zwarte Mantels alle in blauwe harnassen geklede soldaten de toegang tot de stad ontzegden.
Mara was kennelijk tot vijand verklaard, en het werd haar bondgenoten verboden haar te helpen. Zonder expliciete orders van hun heer om zich tegen de Grootheden te verzetten deden Hokanu's soldaten gedisciplineerd wat hun altijd was geleerd: ze gehoorzaamden de magiërs.
'De Keizerlijke Witten,' mompelde Mara. 'Zij zullen het paleis verdedigen. Wie is er, behalve Hokanu, om ze te commanderen?'
Bij wijze van antwoord werd haar voor de tweede keer een blik gegund in de kamer waar de verdedigers krijgsraad hielden. Deze keer kon Mara de personen identificeren die zich daar om de Heer van de Shinzawai - haar echtgenoot, de man die haar dromen deelde - hadden verzameld. Ze zag Arakasi, onopvallend als een schaduw, met een grimmige blik in zijn ogen. Naast hem stond de Eerste Adviseur van de Shinzawai, Dogondi. Zijn gezicht stond onverbiddelijk, maar hij was in een levendige discussie verwikkeld met een man die Mara tot haar verbluftheid herkende als Chumaka, de Eerste Adviseur van de Anasati.
Zonder erbij na te denken vroeg ze hardop: 'Wat doet Chumaka daar?'
Als antwoord verschenen er een nieuw beeld voor haar geestesoog: Hokanu, die een leren nekveter met een tasje eraan strak trok en steeds verder aandraaide, tot Jiro was gestikt. Aan de vagere kleuren en contouren zag Mara dat dit een beeld uit het verleden was, maar het liet aan duidelijkheid niets te wensen over: Jiro was dood!
Niettemin werd de Kentosani belegerd. 'Wie leidt de aanval op de Heilige Stad?' wilde ze weten.
Haar uitzicht wisselde. Nu zag ze een bos, houten belegeringswerktuigen, een legerkamp en een commandant in de kleuren van de Omechan. De buitenmuren van de stad lagen al in puin. Het was nu de keizerlijke wijk zelf die werd aangevallen. Aan de helm pluimen van de soldaten op de muren zag ze echter dat niet alleen Keizerlijke Witten aan de verdediging deelnamen. Tot haar verbazing herkende Mara het paars-en-geel van de Xacatecas. 'Is Hoppara in Kentosani?'
'Vanuit Ontoset gestuurd door zijn moeder Isashani,' antwoordde een van de magiërs. 'Degene die u Hoppara noemt arriveerde in de stad voordat het beleg begon. Hij heeft de Keizerlijke Witten op de verdediging voorbereid. De Heer van de Omechan weet dat Jiro dood is, maar hij droomt ervan de positie van de Anasati nu te kunnen overnemen. U hebt nog steeds een vijand die wil heersen, en nog steeds ten koste van het leven van uw kinderen.'
Mara beet op haar lip. Haar eigen leger - als het nog bestónd - was te ver weg om iets te kunnen ondernemen, als dat van de magiërs al zou hebben gemogen. Haar bondgenoten waren gevlucht of hielden zich op de achtergrond, bang de toorn van de Assemblee over zich af te roepen.
Haar wanhoop moest evident zijn geweest. 'Vrouwe,' zei een van de magiërs, 'u bent niet zonder leger. Elke krijger van de cho-ja's in het gehele rijk staat onder uw bevel.'
'Hoe kan dat?' Mara's stem klonk neerslachtig. 'De koningin van de korf die is opgeofferd heeft me uitgelegd dat cho-ja's nooit een belofte kunnen breken. De krijgers die u mij tot steun aanbiedt hebben trouw gezworen aan andere Regerende Heren en Vrouwen. Uw volk heeft op dat punt contracten afgesloten die generaties overspannen.'
De magiërs maakten het specifieke zoemende geluid dat Mara in Chakaha had leren interpreteren als geamuseerdheid. 'Nu niet meer,' zei de ene. 'Doe uw ogen weer dicht,' zei de andere. 'We zullen het u laten zien.'
Verwonderd deed Mara wat ze vroegen. Ze zag een dor landschap voor zich, waarop de legertjes van twee kleinere huizen met elkaar slaags waren. Een dikke jongeman in de kleuren van de Ekamchi sprak opgewonden tegen een van zijn slagleiders. 'Ze kunnen niet weglopen!' foeterde hij, en hij zwaaide zo wild met zijn zwaard dat de adviseur die naast hem stond een sprongetje opzij moest maken. 'Deze cho-ja's zijn mij en mijn vader trouw verschuldigd!'
De slagleider schudde zijn hoofd. Zijn gezicht stond strak. 'Ze zeggen van niet, meester.'
'Hoezo?' snauwde de erfzoon van de Ekamchi. Zijn bolle gezicht was rood aangelopen onder zijn helm. 'Ze zijn ongeveer zoals slaven. Hun soort verbreekt nóóit een overeenkomst!'
'Nu wel.' De slagleider draaide zich half weg van zijn meester en keek met onbewogen blik naar het slagveld, vanwaar alle cho-ja's zich op geordende, maar snelle wijze aan het terugtrekken waren.
'Dit bestáát niet!' riep de Ekamchi-zoon. Hij rende naar voren en ging pal voor een van de slagleiders van de vertrekkende cho-ja's staan. 'Dit is verraad!' zei hij beschuldigend. 'Jullie verbreken een eed!'
De cho-ja maakte een klikkend geluid dat minachting uitdrukte. 'Er is een bedrag van drieduizend centi's in metaal en edelstenen bij de schatbewaarder van uw vader afgeleverd. Dat was de som waarmee onze diensten zijn gekocht. Alle oude afspraken en allianties zijn daardoor opgezegd. Alle betalingen zijn gerestitueerd.'
De jongen sputterde nog tegen en maakte zelfs een dreigende beweging, maar bond meteen in toen de cho-ja een stapje naar voren deed.
Mara deed haar ogen open. Haar gezicht straalde en voor het eerst sinds lange tijd stond de Vrouwe van de Acoma hardop te lachen. 'Het moet voor sommige heren een gewéldige verrassing zijn dat cho-ja's iets meer zijn - of misschien iets minder - dan loyale huurlingen!'
'Veel mensen moeten nog veel leren over onze soort,' waren de magiërs het tactvol met haar eens. 'Oude gewoonten zijn veranderd. Zelfs de Assemblee zou ons nooit meer een zo eenzijdig verdrag kunnen afdwingen als het onopzegbare dat ons volk duizenden jaren in ellende heeft gestort. Toen wij die oorlog met de magiërs verloren, lang geleden, was onze magie niet geschikt voor een dergelijke strijd. We konden ons onvoldoende verdedigen. Geloof maar dat we die tekortkoming in de landen buiten dit keizerrijk inmiddels hebben verholpen.'
Mara zag de gevaarlijke glinstering in de ogen van de twee magiërs, en haar bloed bevroor in haar aderen. Er waren tradities verbroken, er hingen gevaren in de lucht, er dreigde chaos, maar dit was het moment waarop ze haar voordelen moest uitbuiten en de kans moest aangrijpen om de basis te leggen voor eeuwen van vrede!
Ze beet op haar tanden. Het was nu of nooit.
'Er moeten berichten worden doorgegeven,' verklaarde Mara op resolute toon. 'Er moet actie worden ondernomen om Justijns aanspraak op de gouden troon te versterken voordat de Assemblee tussenbeide kan komen. Luister.'
Mara wachtte. Van binnen trilde ze van angst, maar van buiten liet ze dat niet merken. Haar haren waren in een hoge toren van strakke krullen op haar hoofd gestapeld. Ze waren vastgepind met kostbare metalen spelden. Het waren zelfs gouden spelden, meende ze, en haar aanmatiging dat ze het keizerlijke goud droeg maakte haar extra zenuwachtig. Maar ze mocht niet volstaan met halve maatregelen. Het lot van het hele keizerrijk stond op het spel!
Haar hoofd tolde nog na van alle opdrachten die ze tijdens haar bad en het aankleden had gegeven. Ze haalde diep adem. 'Waar zijn we eigenlijk?' vroeg ze toen aan de krijgsleider die naast haar gehurkt zat. Zoals zijn collega-krijgers in het vrije Chakaha had ook deze cho-ja weinig op met uiterlijke versierselen. Op zijn gitzwarte buitenskelet begon zich een oranje streep af te tekenen. Dat was misschien een teken van zijn rang, of een onderscheiding, maar het kon ook gewoon iets met zijn leeftijd te maken hebben. Mara verheugde zich op de kans dat soort dingen te mogen bestuderen, als de goden haar de overwinning zouden willen schenken. Toen zette ze alle speculaties van zich af, want de krijger wees naar boven. 'Recht boven ons bevindt zich de wachtkamer van de keizerlijke ontvangstzaal. Degenen die u aanwezig wilde zien bij de officiële kroningsplechtigheid bevinden zich al in die zaal. Alle voorbereidingen zijn afgerond en uw mensen verwachten uw komst.'
Mara zette zich geestelijk schrap. Ze gebaarde naar het nerveuze kamermeisje, dat door een van de cho-ja's uit het keizerlijke paleis was gehaald, dat ze weer mocht vertrekken. Het meisje had weinig kunnen verhelpen aan het feit dat de staatsiejurk die ze in een kast hadden gevonden en die ooit had toebehoord aan een weduwe van een vorige keizer, Mara te groot was en dus wat flodderig om haar heen hing. De kleur ervan leek echter veel op het groen van de Acoma, en daarom had Mara toch voor dit gewaad gekozen. De ruimste plooien, vooral die om de taille, waren een beetje ingenomen door haastig naaiwerk en een groot aantal onzichtbare spelden. Mara voelde zich een wandelend speldenkussen, en de zware jurk schuurde pijnlijk over de beurse plekken die ze aan het dagenlange dragen van een slecht passend harnas had overgehouden. Ook besefte ze heel goed dat de dikke laag poeder op haar gezicht niet alle schrammen en krassen kon verbergen die ze tijdens haar vlucht door de bossen had opgelopen.
Alles bij elkaar voelde ze zich in hoofdzaak een feestelijk ingepakt menselijk wrak, maar het had geen zin om daar lang bij stil te staan. 'Als u vanuit deze tunnel een opening naar boven maakt,' zei ze tegen de cho-ja's, 'zullen de Zwarte Mantels weten dat er iets staat te gebeuren.'
De twee magiërs maakten een knikkende beweging met hun hoofd. 'We hebben ons daar zo goed mogelijk op voorbereid.'
Mara hield zich flink, al leek haar dat steeds moeilijker te vallen. 'Stuur dan Arakasi naar me toe. Ik wil met hem overleggen voordat we aan onze slotzetten beginnen.'
Het was nog steeds griezelig hoe snel deze twee magiërs de geringste van haar wensen in een bevel konden veranderen. Ze was nog maar nauwelijks uitgesproken, of haar spionnenmeester verscheen naast haar. Zijn gezicht stond buitengewoon humeurig, maar dat was geen wonder, want hij krabbelde op van de plek waar hij door de magie zonder veel consideratie op de grond was neergekwakt. Anders dan het kamermeisje, dat daarstraks eveneens via magie was gehaald, toonde Arakasi geen angst. Hij trok zijn wenkbrauwen op, maar was meteen gerustgesteld toen hij de cho-ja's zag. Toen keek hij naar zijn meesteres, die in haar pompeuze keizerlijke gewaad bijna onherkenbaar was.
Hij liet zich meteen op zijn knieën vallen en maakte een diepe buiging. 'Mijn vrouwe!' Vroeger zou zijn stem uitdrukkingsloos hebben geklonken, maar nu hoorde Mara een onverholen blijdschap in zijn woorden. 'Wat maakt het mij gelukkig u ongedeerd te zien!'
'Sta op,' commandeerde ze, hoewel ze in haar zenuwen graag zou hebben gelachen. 'Justijn draagt nog geen kroon, en mij komt dit eerbetoon niet toe. Het is trouwens een gewoonte die ik graag wil afschaffen, als onze plannen verlopen zoals ik hoop.' Toen keek ze haar dierbare spionnenmeester in de halve schemering zo lang en indringend aan dat Arakasi verlegen zijn hoofd boog.
'Je draagt de vodden van een schoonmaker!' riep Mara uit.
Haar spionnenmeester grinnikte joviaal. 'Weet u een betere manier om onder fijne heerschappen te spioneren zonder ongewenste aandacht te trekken, vrouwe?' Hij trok zijn neus op. 'Al zou ik Justijns huwelijk en kroning graag hebben bijgewoond in kleren die niet van onder tot boven onder het zand zaten.'
Daarna zetten de twee hun gesprek op een nuchterder toon voort. 'De priesters van alle orden zijn aanwezig,' bevestigde Arakasi. 'Sommigen zijn misschien niet geheel volgens het protocol gekleed, omdat ze rechtstreeks uit hun bed zijn gehaald, maar toen we alle eerwaarde heren eenmaal in de zaal bij elkaar hadden konden we de klagers niet meer toestaan te vertrekken. Volgens Chumaka's studie van de wetten zou Justijns claim kunnen worden aangevochten als zelfs maar één hogepriester ontbrak. Het moeilijkste was nog om de Zusterschap van Sibi op te trommelen. Zelfs de hogepriester van Turakamu was niet bereid om contact met hen op te nemen.'
'Hoe is het je dan gelukt?' vroeg Mara.
'Ik had geen alternatief meer, dus ik ben gewoon zelf naar hun tempel gegaan. Ze waren bereid me lang genoeg in leven te laten om hun uit te leggen waaróm ik had gedaan wat tevoren nog maar weinig mannen hadden gedurfd.' Arakasi glimlachte vaag bij de herinnering. Hij was waarschijnlijk de eerste smekeling sinds eeuwen die onuitgenodigd de tempel van Sibi was binnengegaan, en zéker de eerste die dat kon navertellen. 'De tempels steunen uw zaak op dit moment, omdat ze anders nóg steviger onder het juk van de Assemblee komen. Maar de gevoelens kunnen veranderen, als de openbare orde niet snel wordt hersteld. We zullen geen tweede kans krijgen. Grootheden hebben strategische posities binnen de stad ingenomen. Minstens tien houden de ingangen van het paleis in het oog. Ze denken dat u in de verwarring naar binnen zult proberen te glippen.'
Mara fronste instinctief haar voorhoofd. 'Ze zijn in een stad die op de rand van een burgeroorlog verkeert en ze doen niets om de belegering door de Omechan te stoppen?'
Arakasi keek grimmig. 'Ze steken geen vinger uit. Naar mijn indruk hebben ze hun zogenaamde bewaken van de vrede ingeruild voor het behartigen van hun eigenbelang.' Hij keek de frêle vrouw die voor hem stond, en die bijna bezweek onder haar topzware kapsel en verpletterende gewaad, op een eigenaardige manier aan. 'Ik weet niet precies wat u daar in het zuiden voor elkaar hebt gekregen, vrouwe, maar ik heb het vermoeden dat de Zwarte Mantels hebben geleerd báng voor u te zijn.'
'Niet voor mij,' corrigeerde Mara meteen, nu op haar beurt verlegen. 'Voor hen beiden.' Ze wees naar de twee magiërs die als lijfwachten naast haar stonden.
Arakasi keek naar de cho-ja's. Zijn ogen verwijdden zich bij het zien van hun schitterende, veelkleurige vleugels. 'Ik wist niet dat leden van uw soort zo prachtig konden zijn,' zei hij vol eerbied en ontzag.
De twee magiërs accepteerden het compliment met een elegant hoofdknikje. 'Goede Dienares,' zei een van hen toen, 'het gevaar groeit terwijl we hier staan te praten. Menselijke krijgers zijn in opdracht van de Grootheden de tunnels in getrokken om uw persoon op te sporen.'
'Waar?' vroeg Mara geschrokken. De herinnering aan de uitgebrande korf waaruit ze ternauwernood was ontsnapt was nog een rauwe wond in haar geheugen. 'Is er bloedvergieten geweest?'
'Nog niet,' antwoordde de andere magiër. 'De krijgers houden zich aan de beperking die hun door de Assemblee is opgelegd. Ze vechten alleen wanneer ze op tegenstand stuiten, en cho-ja's beginnen niet te vechten tenzij ze geen alternatief meer hebben. Voorlopig verlaten ze simpelweg de korven die zijn geïnfiltreerd en laten ze de indringers op hun gemak zoeken in de talloze pikdonkere gangen en grotten. De menselijke krijgers maken slechts geringe vorderingen. Tot nu toe concentreren ze zich op korven in het zuiden, in de omgeving van uw land, maar dat zal niet lang meer duren. Uw Grootheden zijn niet achterlijk.'
'Dan is het uur nu gekomen,' zei Mara, en het klonk opeens zo vastberaden dat alle aanwezigen haar verwonderd aankeken. 'Voorwaarts!'
Op dat signaal verscheen er een groep werkers, die snel een gang naar boven begonnen te graven, eerst door de aarde, daarna door metselwerk en muren heen. Door een spleet viel licht naar beneden, steeds meer licht, en een van de cho-ja's stak er zijn hoofd doorheen. Hij zoemde iets, en de magiër naast Mara vertaalde het: 'Er zijn nu geen vijanden in de wachtkamer. Uw echtgenoot en uw zoon zijn aanwezig.' Toen zweeg hij even, alsof hij aarzelde. 'Vrouwe,' vervolgde hij toen, 'we wensen u veel voorspoed en het geluk van de dapperen. Maar haast u. Onze magie kan de aanval van de Zwarte Mantels niet onbeperkt tegenhouden. U zult weinig tijd hebben om al datgene te bereiken wat u moet bereiken, en daarna zal er chaos zijn, en bovendien een verwoestende tegenreactie van gedwarsboomde magische energie. We willen dat u weet - voor het geval dat u faalt, of dat wij falen - dat wij met het oog op déze strijd vanuit Chakaha met u mee zijn gestuurd. We zijn niet slechts uw verdedigers, Goede Dienares, maar ook gezanten die een nieuwe orde willen brengen.'
Mara keek op naar de onmenselijke gezichten van de magiërs, waarvan ze de uitdrukking met geen mogelijkheid kon doorgronden. Het ontging haar echter niet dat beiden hun vleugels half hadden opengevouwen en dat ze een soort vechthouding hadden aangenomen - zij tweeën tegen de gecombineerde vermogens van de hele Assemblee! Het was een vertoon van moed dat haar tot tranen toe ontroerde. 'Wees ervan overtuigd, goede vrienden, dat ik jullie nooit in de steek zal laten, zolang ik leef! We triomferen samen of sterven samen!'
Ze draaide zich meteen om en begon vastberaden naar de opening in de vloer van de wachtkamer te klimmen, voor de moed haar weer in de schoenen zou kunnen zinken. Ze kwam moeizaam vooruit over de primitieve trap van puinblokken en werd gehinderd door haar zware, met gouddraad bestikte groene japon, maar Arakasi kwam haar discreet te hulp en nam haar bij een elleboog. Mara glimlachte hem dankbaar toe, blij met de menselijke aanraking na al die cho-ja's om haar heen.
En toen stond ze in de wachtkamer en werd ze half verblind door het late zonlicht dat naar binnen viel, maar vooral door de schitteringen van een prachtige gouden wapenrusting. Haar adem stokte. Er piekten rode haren onder de keizerlijke gouden helm uit, en het waren Justijns haren. Ze bekeek hem met een bonkend hart. Nu hij het harnas van een keizer droeg, leek hij opeens geen jongen meer. En met een schok drong het tot Mara door dat hij in dit uur zelfs zou huwen!
Ze struikelde bijna toen de jongen voor haar boog - een zoon voor zijn moeder, zoals dat hoorde. Het leek alsof al dat goud om een of andere reden misplaatst was, alsof Mara zelf bijna tot op de grond behoorde te buigen, zoals ze voor Ichindar had gedaan.
Toen richtte Justijn zich op en slaakte hij een onvervalste jongensachtige vreugdekreet. 'Moeder!' riep hij, en hij kwam met een stralend gezicht naar haar toe gerend. Mara vergat haar ceremoniële tenue en ving hem op in haar armen. Hij was groter en zwaarder geworden, voelde ze. Al bijna een man. Toen hij zijn armen om haar nek sloeg drong het opeens tot haar door dat ze zich niet meer hoefde te bukken om hem te omhelzen. Zijn schouders waren breder geworden - ze zagen er nu al érg vertrouwd uit. Hij leek sprekend op Kevin, realiseerde Mara zich met een schok, en hij zou ook even lang worden als zijn vader. Om een of andere reden herinnerde dat haar aan haar waardigheid en aan de eisen van dit moment.
Ze deden allebei een stapje achteruit.
Hij keek haar kalm aan. Ook zijn ogen waren identiek aan die van zijn barbaarse vader. 'Ik ben klaar, Goede Dienares. En prinses Jehilia wacht.'
Mara kon van emotie geen woord uitbrengen. Ze had al twee kinderen verloren: Ajiki en het kleintje dat al voor zijn geboorte was vergiftigd. En nu toonde haar laatste levende zoon zich bereid om zijn leven te offeren ter wille van haar eer. Het was meer dan ze kon verdragen.
Maar toen klaarde Justijns gezicht op in een zo brede, ondeugende grijns dat Mara meteen aan Kevins onbeschaamde humor moest terugdenken. 'Laten we ons nu maar haasten,' spoorde haar zoon haar aan. 'De Eerste Echtgenote van wijlen de keizer heeft voortdurend hysterische huilbuien, en dat is heel slecht voor haar make-up.'
Mara herstelde zich. 'En Jehilia? Heeft zij ook last van hysterie?'
Justijn haalde op een echte jongensmanier zijn schouders op. 'Ze heeft een hele tijd geschreeuwd. En zich in haar kamer opgesloten. Maar toen iemand had gevraagd of ze dan liever met de Heer van de Omechan wilde trouwen, met zijn dikke buik en grijze haren, heeft ze de kamermeisjes binnengelaten om haar te kleden.'
Dat meisje had dus een dosis gezond verstand, concludeerde Mara terwijl ze naast Justijn ging staan en zich voorbereidde om de grote zaal binnen te schrijden. Arakasi stond aan haar andere zijde om haar te steunen. Het scheen niemand op te vallen dat hij nog steeds rondliep in de kleren van een schoonmaker, toen de met kostbaar ijzer beslagen deuren van de ontvangstzaal langzaam werden geopend en er een fanfare klonk om de binnenkomst van de bruidegom aan te kondigen.
Mara stapte resoluut naar voren, al was ze er zich pijnlijk van bewust hoe zweterig de hand was waarmee ze die van Justijn vasthield. Toen ze tussen de rijen priesters van de Twintig Tempels door liep, vroeg ze zich af of de goden haar zouden straffen voor haar trots en de brutale arrogantie waarmee ze haar zoon op de gouden troon zette als het volgende Hemelse Licht, de tweeënnegentigste keizer van Tsuranuanni. De hogepriester van de tempel van Juran, de god van de Rechtvaardigheid, keek echter zeker niet onwelwillend naar haar, en de hogepriester van Turakamu gaf haar zelfs een bemoedigend glimlachje. Afgezonderd van de rest, achter de hogepriester van de Rode God, stonden drie in sluiers gehulde gestalten: de Zusters van Sibi, de godin van de Dood. Zelfs deze angstaanjagende verschijningen leken Mara op haar gemak te willen stellen, want ze negen lichtjes hun hoofd. De hogepriester van Jastur, de god van de Oorlog, groette Mara door met zijn gehandschoende vuist tegen zijn borst te slaan, hetgeen het kostbare ijzer van zijn harnas deed klinken als een gong.
Bij elke stap nam Mara's innerlijke zelfvertrouwen een beetje toe. Waar ze was gepasseerd begonnen de priesters en priesteressen van de hogere en de lagere orden zich in hun vaste, paarsgewijze opstelling voor het podium te posteren: de priesteressen van Lashima, godin van de Wijsheid, naast die van Salana, Moeder der Waarheid; de hogepriester van Turakamu naast de Zusters van Sibi; de hogepriester van Jastur naast die van Baracan, de Heer der Zwaarden, en zo alle godenparen achter elkaar.
Op het keizerlijke podium zat een blond meisje te wachten. Ze droeg een glitterende sluier van gevlochten gouddraad, zag Mara, toen een dienstmeisje haar hoofdkap naar achter schoof. Jehilia bleek nog steeds sproetjes te hebben, hetgeen betekende dat ze nog altijd veel speeltijd doorbracht in de keizerlijke tuinen. Ze zag er wat pips uit onder haar poeder en andere make-up, maar glimlachte Mara dapper toe.
'Sluit de deuren en laat de huwelijksvoltrekking een aanvang nemen!' riep de hogepriester van Chochocan, de Goede God.
Rechts naast hem begon de hogepriester van Tomachca, de Beschermer van Kinderen, aan een zwijgend gebed. Mara bleef hem even aankijken, want ze herinnerde zich opeens dat deze mindere broer van Chochocan ook bekend stond als de Brenger van Vrede. Ze bad dat dit ook nu zo zou mogen zijn.
Justijn gaf zijn moeder een laatste kneepje in haar hand en klom toen met jeugdige tred het podium op om naast de prinses plaats te nemen. Mara liep naar de plek waar Hokanu stond te wachten, en toen de ceremonie begon liet ze haar hand in de zijne glijden.
Er heerste een koortsachtige drukte in het keizerlijke paleis. Koeriers renden af en aan, bedienden haastten zich door de gangen, binnenplaatsen en tuinen om opdrachten uit te voeren. Met een elleboog op een vensterbank geleund zag Shimone van de Assemblee het drukke gedoe met zijn donkere, ondoorgrondelijke ogen peinzend aan. Zijn gezicht stond strenger dan ooit, maar hij was even zwijgzaam als altijd. Slechts door een knikje attendeerde hij op de ongewone drukte die hij waarnam.
Het gebaar was bedoeld voor Hochopepa, die op kussens voor een laag tafeltje met een halflege schotel gekonfijte vruchten zat. De dikke magiër beaamde de observatie met een knikje. Zo zacht dat alleen Shimone het kon horen zei hij: 'Er moet iets bijzonders aan de hand zijn. Ik heb al minstens vijf hogepriesters geteld, ondanks hun verhullende monnikskappen, en aan de geuren uit de keukens te oordelen wordt er een banket voorbereid. Een merkwaardig voornemen, in een complex dat onder beleg is.'
Als om die woorden te onderstrepen kletterde er juist op dat moment een door een blijde geworpen rotsblok op een belendend pleintje neer. Een hond vluchtte jankend weg.
Hochopepa keek met samengeknepen ogen door het gebarsten vensterscherm. 'Die verdomde dingen beginnen me vreselijk te ergeren! Nóg eens een treffer zo dichtbij, en dan ga ik naar buiten en zal...' Hij maakte de zin niet af, want er haastte zich een nieuwe groep merkwaardig geklede edelen voorbij het venster. 'We verwachtten dat er veel Regerende Heren zouden bijeenkomen in de oude zalen van de raad, maar er schijnt nu méér aan de hand te zijn.'
Shimone verroerde zich. Hij rechtte zijn rug. 'Véél meer. Motecha zal niet lang meer van actie weerhouden kunnen worden.'
Hochopepa keek spijtig naar het halflege bord met lekkernijen. 'Nee, ik laat me niet langer van actie weerhouden,' corrigeerde hij zijn vriend op licht verwijtende toon. 'Ik denk dat de vrouwe al hier is en dat we met deze wake onze tijd verspillen!'
Shimone zei niets, maar hij trok zijn wenkbrauwen op, maakte zich los van de vensterbank en begon de kamer uit te lopen. Hochopepa stond zuchtend op van zijn kussens en repte zich achter zijn veel slankere collega aan. Bedienden vluchtten weg of wierpen zich plat op de grond bij het zien van de twee magiërs. De vele gangen van het eeuwenoude paleiscomplex waren een doolhof van enkele verdiepingen hoog, maar de Zwarte Mantels wisten feilloos de weg en liepen regelrecht naar een roodgeverfde deur met het blazoen van de keizer erop geschilderd. Ze klopten niet aan, maar stapten zonder aarzeling het kantoor van de Kanselier des Keizers binnen.
Dajalo van de Keda stond daar in vol ornaat. Zijn ambtsgewaad van kanselier was gemaakt van rode en zwarte zijde, aan de zoom, de kraag en de manchetten bestikt met glinsterend gouddraad. Zijn topzware hoofdtooi was naar verhouding eenvoudig. Hij zag bleek, maar had zichzelf onder controle. Daarentegen leken zijn medewerkers - een secretaris naast de kanselier en een loopjongen naast de uitgang- bijna ziek van angst. De reden daarvan was evident: op de kussens voor bezoekers zat een half dozijn Grootheden, terwijl Motecha in de kamer ijsbeerde. De laatste keek zijn twee collega's bij hun binnenkomst kwaad aan, maar vervolgde zijn ondervraging van de kanselier. 'Iets over haar vernomen?'
Dajalo wist meteen wie bedoeld werd. 'Nee, Grootheid.' Hij boog voor de nieuwkomers en gebruikte deze beweging - handige hoveling als hij was - om discreet het zweet van zijn voorhoofd te wissen. Toen richtte hij zich weer op. Hoewel de aanwezigheid van deze horde magiërs hem bloednerveus maakte, probeerde hij dat te verbergen.
Hochopepa liep tot achter het imposante bureau en nam daar het zitkussen van de kanselier weg. Hij legde het bij een vensterbank, waar door een kier frisse lucht naar binnen waaide, en liet er zich zuchtend op zakken. Toen nam hij een snoepje uit een kom die er stond voor de bezoekers en begon demonstratief te zuigen. Het was benauwd in de kamer, want er hadden zich geen bedienden durven melden om andere vensters te openen. 'Ze komt heus wel,' mompelde Hochopepa toen, met zijn mond vol. 'Er schijnt momenteel zoiets als een informeel equivalent van de Hoge Raad bij elkaar te komen, en dat is iets wat de Vrouwe van de Acoma niet zou willen missen. Niemand heeft het Grote Spel ooit zo goed gespeeld als Mara.'
'Precies,' snauwde Motecha geïrriteerd. 'Ze zou liever sterven. Maar deze keer is dat precies wat er zal gebeuren, zodra we haar ontdekken.'
Shimone keek alsof hij iets onsmakelijks had gehoord. 'We moeten allemaal eens sterven. Het is een natuurwet.'
De Kanselier des Keizers verborg zijn aanzienlijke onbehagen achter een masker van geblaseerdheid.
Motecha keek van het ene gezicht naar het andere, maar zei niets. Ook zijn collega's zwegen. Het onuitgesproken vermoeden dat Mara zich brutaalweg schuldig had gemaakt aan het onthullen van enkele van de diepste geheimen van de Assemblee - het kénnen van die geheimen was op zich al genoeg reden voor een doodvonnis - leek de lucht met een zinderende spanning te vullen. Zelfs Hochopepa en Shimone hadden niet kunnen ontkennen dat de bereidheid van de cho-ja's om haar bescherming te bieden het ergste kon betekenen: dat ze de aanzet had gegeven tot een rebellie en het verbreken van een contract dat duizenden jaren had standgehouden. Hoe welsprekend Shimone en anderen ook hadden bepleit dat de Dienares van het Keizerrijk tenminste het recht had gehóórd te worden voordat haar leven verbeurd werd verklaard, deze keer waren ze overstemd. De Assemblee had besloten en Mara's executie stond niet meer ter discussie.
Weinigen zouden het in hun hoofd halen op eigen houtje in actie te komen tegen de Dienares van het Keizerrijk, maar Tapek had het gedaan, en daar waren de ernstigste moeilijkheden uit voortgekomen. De Zwarte Mantels zagen nu in alles voortekenen dat hun privileges en hun status in gevaar waren. En daarom waren er belangrijker zaken aan de orde dan het ongelukkige feit dat een van hun broeders overhaast had gehandeld.
Hochopepa en Shimone wisselden een betekenisvolle blik uit. Zij tweeën hadden Mara in zekere zin bewonderd, want ze had veel goeds bereikt voor het keizerrijk. Maar nu was ze té brutaal geweest.
Toch was de dikke magiër ten prooi aan een hevige tweestrijd tussen enerzijds zijn trouw aan de Assemblee en de beloften die hij bij het aannemen van de Zwarte Mantel had afgelegd, en anderzijds de aantrekkingskracht van nieuwe, frisse ideeën, waarvan er vele voortvloeiden uit de ketterijen die Milamber de barbaar had verkondigd.
Hochopepa hechtte ook achteraf nog veel waarde aan zijn vriendschap met Milamber. In de loop van de jaren had de dikke Tsuranese magiër zijn vaardigheden steeds vaker ten goede laten komen aan de gewone bevolking van het rijk. Nu er veranderingen in de lucht hingen die zelfs zijn ruimdenkende geest niet meteen kon bevatten, verlangde hij vooral naar meer tijd. Hochopepa zou graag onwankelbare zekerheid hebben over de vraag welke koers de juiste was: met Motecha en de zijnen streven naar Mara's onmiddellijke dood, óf gehoor geven aan haar oproep tot hervormingen. In het laatste geval moest hij iets ondenkbaars overwegen: verzet tegen een meerderheidsbeslissing van de Assemblee, en misschien zelfs een poging om haar leven te redden.
Opeens liep Shimone met een paar grote stappen naar het venster, nadat hij Hochopepa een dwingende blik had toegeworpen. De dikke magiër slikte van schrik zijn snoepje door. 'Voel jij het ook?' vroeg hij aan Shimone.
'Wat?' kwam Motecha tussenbeide, maar daarna vroeg hij niets meer, want ook hij voelde datgene wat zijn collega's had gealarmeerd.
Er was een kille kou in de lucht gekomen - niet die van een plotselinge schaduw, zelfs niet die van plotseling opkomend klam angstzweet - en elke magiër in de kamer herkende meteen de tinteling van een machtige magie.
Shimone stak als een jachthond zijn neus in de lucht. 'Iemand richt een scherm op!' zei hij op gespannen toon.
Hochopepa kwam onhandig overeind. 'Maar het is geen Zwarte Mantel!' constateerde hij, misschien met iets van spijt in zijn stem.
'Cho-ja's!' riep Motecha. Zijn gezicht liep nog roder aan. 'Ze heeft magiërs meegebracht uit Chakaha!'
Het werd nogal chaotisch in de kamer, want de andere magiërs sprongen nu ook allemaal op, en hun gezichten stonden stuk voor stuk op storm. De kanselier voelde zich gedwongen op nogal onwaardige wijze dekking te zoeken achter zijn bureau, maar er was niemand die aandacht schonk aan zijn lijden.
'Hiervoor zal Mara sterven!' vervolgde Motecha. 'Sevean, roep onmiddellijk versterkingen hierheen!'
Zelfs Hochopepa protesteerde niet tegen dit bevel. 'Haast je,' zei hij tegen Shimone, en terwijl hun collega's zich in de kamer van de kanselier overgaven aan een ware orgie van verontwaardiging liepen de dikke magiër en zijn vriend als eersten naar de deuropening.
De gang erachter was leeg. Zelfs de bedienden waren gevlucht. 'Dit bevalt me niets,' zei Hochopepa. Zijn woorden werden weerkaatst door het tonvormige gewelf. 'Ik heb sterk de indruk dat niet alleen de Hoge Raad zich in een ongepermitteerde vergadering heeft verzameld.'
Shimone zei niets. Hij haalde zijn teleportator te voorschijn en activeerde hem. Toen was hij weg.
'Hé!' riep Hochopepa gefrustreerd. 'Waar ga je heen? Of vind je het maar gezwets om me zoiets te vertellen?'
'Denk je dan dat er alternatieven zijn?' klonk het vanuit de verte.
Hochopepa moest even zoeken voor hij zijn apparaatje uit zijn zak kon halen. Toen hij verdween hoorde hij achter zich het geschreeuw van Sevean, Motecha en de anderen. Wie zou het lukken Mara te elimineren, vroeg hij zich af terwijl hij al uit de gang aan het verdwijnen was: hem en Shimone, die slechts de zelfbescherming van de Assemblee beoogden, of Motecha en zijn kliek, die dorstten naar wraak?
'Ze heeft ons voor gek gezet, en érger!' hoorde hij Sevean nog juist roepen.
'Erger, veel erger,' mompelde de dikke magiër, toen hij zich een halve tel later puffend in de zonverlichte tuin naast de wachtkamers bij de keizerlijke ontvangstzaal materialiseerde. Mara had een bijzondere macht in het spel gebracht om een andere, absolute macht te bestrijden, met als gevolg dat het keizerrijk nu verscheurd zou kunnen worden door méér dan alleen een burgeroorlog!
Ook dit deel van de tuinen was verlaten. De lucht hing stil boven de bomen langs de muur en de brede treden die naar de ingang leidden. Er vlogen geen vogels rond het gebladerte en er zoemden geen insecten boven de bloemen. Het geluid van de legers die de stad belaagden klonk slechts vaag en van ver weg. De soldaten op de muren rondom het paleiscomplex waren zich niet bewust van bijzondere ontwikkelingen die binnen dreigden.
Shimone stond in het midden van de vierkante tuin. Hij hield zijn hoofd een klein beetje scheef. 'Hier,' zei hij. 'Hier begint de afscherming.'
Er was daar in het middaglicht echter in het geheel niets te zien dat vreemd, laat staan magisch leek. 'Kun je er niet doorheen?' vroeg Hochopepa puffend. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en spande zijn eigen magische vermogens tot het uiterste in. Tenslotte ontdekte hij een soort zindering in de lucht, zoals wanneer de zon erg heet is, maar zodra hij zijn blik rechtstreeks op die plek richtte verdween het verschijnsel meteen. Hij haalde een grote, felgekleurde zakdoek uit zijn mantel en begon zijn natte voorhoofd te deppen. 'Als dat een beschermingstover is, dan toch een erg dunne.'
'Probeer er dan maar eens doorheen te komen,' zei Shimone gepikeerd.
Hochopepa deed zijn best, maar zette grote ogen op toen er opeens vlak voor hem een regenboog van kleuren oplichtte, waarna de samengebalde energie die hij op de magische barrière had losgelaten zich naar alle kanten verspreidde - als water dat werd afgestoten door een met olie ingesmeerde wand. Hochopepa's mond viel open van verbazing. Even later suisde er een stuk rots zijn kant op, maar daar rekende de dikke magiër zo terloops mee af alsof het maar een hinderlijke vlieg was.
'Zó sterk?' mompelde hij voor zich uit, zonder zijn aandacht van het scherm af te wenden. 'Knap werk! En subtiel. Tot op zekere hoogte mag je de wand aftasten, maar als je te opdringerig wordt zuigt hij je krachten op en vermengt ze met de zijne...' Hij was zo verdiept in zijn wetenschappelijke analyse, dat het pas een poosje later tot hem doordrong dat de magiërs van de cho-ja's heel wat moesten hebben bijgeleerd sinds die oorlog en dat verdrag in het verre verleden. 'Dit is verontrustend,' zei hij.
'Ten zeerste.' Meer zei Shlmone er niet over, want inmiddels verschenen er meer magiërs in de tuin. Ze kwamen uit het overvolle kantoor van de kanselier, waar zich tot dan toe ruim twee dozijn Zwarte Mantels hadden verzameld, en de toeloop hield nog aan. 'Er is nu geen andere weg meer dan die van het geweld,' concludeerde Shimone somber.
Motecha ving die woorden op. 'We zouden dit hele paleis tot de grond toe moeten verzengen! En iedere geest tot waanzin moeten verbranden die het heeft gewaagd tegen ons in opstand te komen!'
Sevean stapte naar voren. 'Daar ben ik het niet mee eens. Deze ontoelaatbare schermen neerhalen, dat is inderdaad nodig. Ook moeten we de magiërs van de cho-ja's vernietigen, want zij handelen in strijd met het verdrag. En we moeten vrouwe Mara executeren. Maar het keizerlijke paleis verwoesten? Dat zou excessief zijn! We mogen dan boven de wet staan, maar we zijn nog altijd verantwoording schuldig aan de goden. Ik denk niet dat de goden het zouden goedkeuren dat priesters en priesteressen van alle orden in het keizerrijk nu met Mara zouden sterven!'
'De Heilige Orden zouden haar medeplichtigen kunnen zijn!' riep een van de nieuwaangekomenen beschuldigend.
'Precies!' liet Shimone zich horen. 'Maar het kan ook zijn dat ze met geweld tot medewerking zijn gedwongen! We kunnen beter naar hun motieven luisteren voordat we hunne heiligheden uitroeien!'
'Dus alleen de afweerschermen,' vatte Hochopepa samen. Hij gaf een rukje aan zijn te strak geknoopte sjerp en depte weer eens zijn voorhoofd. Hoe kalm en vastberaden hij ogenschijnlijk ook was, zijn blik stond bezorgd. 'We moeten zien binnen te dringen zonder het leven van de aanwezigen in de ontvangstzaal in gevaar te brengen.'
De magiërs groepeerden zich en keken stil voor zich uit - als gieren die in alle rust een slagveld vol lijken bestuderen. Het was echter een bedrieglijke stilte, want ondertussen concentreerden de Zwarte Mantels alle vermogens van hun geest en hun lichaam in één punt. Na een poosje leek de lucht tussen hen in te vibreren door een dof gezoem, dat niet hoorbaar, alleen voelbaar was. Het werd donkerder om hen heen - hoewel er geen wolk voor de zon was geschoven - en de vervaagde contouren van de bomen en planten in de tuin kregen een lichtgevend groenachtig randje.
'Nu!' schreeuwde Motecha.
Er volgde een explosie van energie, een oogverblindend witte bliksemschicht, die de hemel in tweeën spleet, maar die op het onzichtbare afweerscherm uiteenspatte in een sproeiregen van vuurrode vlammen - die door datzelfde scherm moeiteloos werden opgeslokt en afgevoerd. Wel werd er een verzengende hittegolf weerkaatst, die de stenen en vensters van de tegenoverstaande muur blakerde, bomen in een oogwenk ontbladerde en het op sproeiende water van een sierfontein deed verdampen. De magiërs werden beschut door hun eigen schermen, dus zelf hadden ze geen last van de terugslag, maar ze keken elkaar niettemin bezorgd en verwonderd aan. Ze concentreerden zich en verzamelden hun krachten voor een tweede aanval. Deze keer lieten ze een veelkleurig mengsel van verschillende vormen van magische energie op de barrière van de cho-ja's beuken, maar al die kleuren werden opgezogen en geneutraliseerd tot grauwe tinten en dofzwarte vlekken.
De leden van de Assemblee voerden hun inspanningen op. Er knetterden donderslagen, er spatten withete vonken en bliksems op, de zinderende lucht stonk naar ozon en verschroeid metaal.
'Volhouden!' riep Sevean. 'Zet álles op alles! Die schermen moeten het tenslotte begeven!'
Windstoten geselden, vuurstormen raasden, de aarde beefde en trok diepe scheuren in de paden en perken. En deze keer leek het alsof de beschermende cocon rond de ontvangstzaal een beetje inkromp, zich een klein stukje terugtrok.
'Ja!' juichte Motecha. Hij verdubbelde zijn inspanningen. Bliksems kaatsten af op het onzichtbare scherm, en opgejaagde windhozen wervelden en krijsten als demonen rond de spitse torens in de keizerlijke wijk.
Een van de zwakkere magiërs stortte ineenkrimpend neer op het tuinpad, maar de anderen hielden vol. Ze wisten het nu zeker: het scherm was kwetsbaar, het kon elk moment breken. Geen magische verdedigingslinie kon nog langer standhouden tegen een zo geconcentreerde samenballing van energie. Terwijl zelfs de legers buiten de muren van de stad last begonnen te krijgen van de bliksems, de storm, de regen en de bevende aarde, verzamelden de magiërs van de Assemblee nog eenmaal al hun magische vermogens, en richtten ze hun collectieve woede koppig op dat ene doel dat ze ten koste van alles wilden bereiken, desnoods ten koste van hun eigen leven: binnendringen in de keizerlijke ontvangstzaal in het paleis.
De hoge glazen dakkoepels van de grote ontvangstzaal werden abrupt verduisterd. De verzamelde priesters en edelen schuifelden onrustig met hun voeten. De enige verlichting in de schemering was afkomstig van de wild flakkerende lampen die ter ere van de Twintig Hoge Goden waren ontstoken. Op het podium raakte de priester van Chochocan, die de keizerlijke huwelijksceremonie leidde, even zijn tekst kwijt.
Donderslagen, die van vlakbij leken te komen, deden de muren schudden. Hoewel menigeen in de zaal op zijn benen stond te trillen, en zelfs diverse priesters bezwerende gebaren maakten om zich tegen het ongenoegen van de hemel te beschermen, klonk Justijns stem helder boven het opkomende onrustige geroezemoes uit. 'Ga door!' beval hij luid en duidelijk.
Mara's moederhart barstte bijna van trots. Haar jongen zou een uitstekende heerser worden! Toen beet ze op haar lip. Eerst moest hij zijn huwelijk en zijn kroning zien te overleven!
Prinses Jehilia naast hem zag bleek van angst. Ze probeerde haar hoofd opgericht te houden, zoals het een keizersdochter betaamde, maar zou zich het liefste achter haar sluier verstopt hebben. Justijn legde zijn hand discreet op de hare om haar - en eigenlijk ook zichzelf - te bemoedigen.
Het waren tenslotte nog kinderen.
De vloer beefde na een volgende reeks donderslagen. De priester van Chochocan keek om zich heen alsof hij een nooduitgang zocht.
Mara verstrakte. Het mocht natuurlijk niet gebeuren dat de hele opzet alsnog zou mislukken omdat één bangelijke priester de bibbers kreeg! Ze zette zich alvast schrap om desnoods in te grijpen, al zou dat riskant zijn. Wanneer ze de eerwaarde heren te sterk onder druk zette, zouden ze haar motieven misschien aanzien voor ambitie. In het ergste geval zouden ze zelfs kunnen proclameren dat Justijns huwelijk met Jehilia kennelijk tegen de wil van de goden was!
Er was geen tijd voor ingewikkelde discussies, waarin Mara zou kunnen uitleggen dat de aanvallende magiërs van de Assemblee geen goden waren, maar sterfelijke mensen, al droegen ze dan ook Zwarte Mantels, en dat ze even gewetenloos konden zijn in het najagen van hun eigenbelang als welke moordende of stelende Regerende Heer ook.
De geluiden die van buiten doordrongen bereikten een nieuw hoogtepunt. Ze gingen vergezeld van een waar vuurwerk aan de hemel, dat de ontvangstzaal in een onnatuurlijke gloed van telkens wisselende kleuren zette. Alle priesters en edelen in de zaal begonnen nu duidelijke tekenen van onrust te vertonen. De oude Frasai van de Tonmargu stond zichtbaar te beven en leek een instorting nabij.
Mara kreeg steun uit onverwachte hoek, want opeens deed de hogepriester van de Rode God een stap naar voren. 'Broeder,' spoorde hij zijn wankelmoedige collega aan, 'uiteindelijk is ieder van ons voor Turakamu bestemd. Zou de hemel misnoegd zijn, dan waren we allemaal allang door de bliksem getroffen. Mijn god laat zich echter niet horen in mijn binnenste. Zet daarom de ceremonie onverschrokken voort, vraag ik u.'
De hogepriester van Chochocan knikte. Hij likte een paar zweetdruppeltjes van zijn bovenlip, haalde diep adem en hernam toen met zijn sonore stem de voordracht van de rituele teksten.
Mara haalde opgelucht adem. De hogepriester van Juran wierp haar van opzij een begrijpende blik toe. 'Houd vol, Goede Dienares. U hebt medestanders.'
Mara antwoordde met een knikje. Ze had inderdaad bondgenoten, en misschien wel veel meer dan ze wist. De aanval door de magiërs zou nog heviger kunnen worden, maar niet alle priesters zouden zich gemakkelijk laten intimideren. Door hun eeuwenlange ervaring met politieke machinaties en machtswisselingen hadden ze geleerd behoedzaam en sceptisch te zijn. Als Justijns huwelijk en kroning nu niet volgens de wetten en de vaste regels zouden verlopen, puur omdat de magiërs daar met geweld tegenin gingen, zouden de tempels bijzonder veel macht en invloed verliezen aan de Assemblee, en dat realiseerden de geestelijke heren en dames zich maar al te goed. De Zusters van Sibi keken onbewogen voor zich uit, alsof ze regelrecht uit het dodenrijk kwamen en het ze niets kon schelen of het keizerlijke paleis al of niet zou instorten. Toch was dat een risico dat niet denkbeeldig was, want de goden hielden er niet van als hun rechtmatige invloed op aardse zaken werd aangetast door het gekonkel van mensen, ook als die mensen tevens magiërs waren. Als de andere mensen, waaronder de priesters zelf, zich daar onvoldoende vurig tegen verzetten, riskeerden ze de wraak van de góden, en daarmee vergeleken waren de geselingen door de Assemblee slechts driftbuien van kinderen.
Justijns antwoord op de volgende rituele vraag klonk helder boven het geraas van een volgende aanval uit. Enkele ruiten in de bovenvensters trilden los uit hun sponningen en vielen in scherven op de betegelde vloer, gelukkig zonder iemand te verwonden.
Mara sloot haar ogen. 'Houd vol, kinderen,' bad ze in stilte tot de goden.
Hokanu gaf haar een kneepje in haar hand. Ze gaf hem een ijl glimlachje, dat warmer werd toen Jehilia de priester haar antwoord had gegeven. De prinses gedroeg zich ingetogen, zoals bij haar status paste. Ze mocht zich dan vastklampen aan haar kersverse echtgenoot, ze was nog altijd een prinses van den bloede, en dat straalde ze ook uit toen de twee gevlochten kooien met de huwelijksvogels werden opgeheven om gezegend te worden.
Daarna werd het touw waarmee de deurtjes van de kooien waren dichtgebonden ceremonieel opengesneden door de hogepriester. De vrijgelaten vogels fladderden op, nagestaard door Mara, die tranen in haar ogen had gekregen. 'Vlieg weg!' wenste ze de twee. 'Vlieg weg, en paar, en wees gelukkig!' Ze moest terugdenken aan de vogels die ter gelegenheid van haar eerste huwelijk waren bevrijd - toen was hun vlucht een slecht voorteken geweest - en ze zag met opluchting dat deze twee ondanks de donders en bliksems feilloos een gat in een van de kapotte dakvensters wisten te vinden, en uit het gezicht verdwenen, hun vrijheid tegemoet.
'Dank aan de goden!' mompelde Hokanu. Zijn hand streelde die van Mara. Zij liet haar tranen op dat moment de vrije loop, en zag slechts wazig dat er twee Keizerlijke Witten in het gala-uniform van slagleiders op het podium waren verschenen met een mantel van sorkatbont, waarvan alle zomen rijkelijk waren afgezet met gouddraad: de heilige mantel van de keizer van geheel Tsuranuanni. De mantel werd Justijn om de schouders gelegd.
Hij mocht dan in de afgelopen maanden flink gegroeid zijn, in deze mantel verdronk de jongen bijna. Mara wreef haar ogen droog en moest opeens denken aan Ichindar, die zo tenger was dat hij tot het einde toe onder het gewicht van deze mantel bedolven had geleken.
Justijn gaf geen krimp. Hij nam Jehilia bij de hand, alsof galant gedrag tegenover dames hem was aangeboren, en leidde haar naar het bovenste platform van het podium.
'Sprékend zijn vader!' zei Hokanu trots.
Een klein groepje zingende hulppriesters volgde het bruidspaar, samen met de hogepriester van Juran, die het met juwelen bestikte kussen van de keizerlijke troon droeg. Het nerveuze gezang klonk zacht en haperend tussen de donderslagen door.
Het leek alsof de knallen en bliksems elkaar steeds sneller opvolgden. Een zuil aan het einde van de zaal maakte een krakend geluid. Mara schrok ervan. Ze probeerde zich volledig te concentreren op wat er op het podium gebeurde, maar de tekenen van gevaar om haar heen drongen zich op: het werd warmer in de zaal, zuilen en vloerdelen kraakten, hier en daar barstte het hout van het podium en bladderde er verf af. De vloertegels waren zelfs al zo heet geworden dat iedereen het door de leren zolen van zijn sandalen heen pijnlijk kon voelen.
'De magiërs van de cho-ja's hebben het verdomd zwaar te verduren,' mompelde Hokanu in Mara's oor.
Weer daverden er donderslagen door de zaal, weer beefde het paleis op zijn grondvesten. Priesters moesten wankelende collega's de helpende hand toesteken. Menigeen keek benauwd.
Mara zag dat de priester van Lashima, de godin van de Wijsheid, naar voren was gestapt om de slapen van haar zoon te zalven. Hij verloor bijna zijn evenwicht, en zijn handen trilden toch al, waardoor hij minstens de helft van de heilige olie op Justijns mantel knoeide. Jehilia keek paniekerig en kneep in de hand van haar echtgenoot. Als volgende kwam de hogepriester van Baracan naar voren. Hij presenteerde Justijn het oude gouden zwaard, dat alleen ter gelegenheid van de kroning van een nieuwe keizer eventjes uit Baracans tempel mocht worden verwijderd. Justijn stak zijn hand uit en legde hem op de heilige kling. Mara zag dat zijn vingers trilden.
Ze mocht zich geen pessimisme veroorloven! Ze stak haar kin naar voren en riskeerde een snelle blik achterom. Ze zag de twee cho-ja's bij de ingang. Ze stonden niet meer hoog opgericht, met hun vleugels half uitgeklapt, maar hurkten op de vloer en zoemden bezweringen - een sissend geluid dat scherp contrasteerde met de doffe klappen en dreunen die van buiten doorklonken. De insectachtigen beschikten over enorme kracht, dat was wel gebleken, maar zelfs hun vermogen was niet eindeloos opgewassen tegen de gecombineerde inspanning van zowat de hele Assemblee. Tegelijk was het duidelijk dat ze nog steeds deden wat Chakaha had opgedragen: hoe ze ook geprovoceerd of bedreigd werden, ze waren niet van plan hun magie voor offensieve doeleinden in te zetten.
En dat betekende: zodra hun laatste afweerscherm het begaf, zou de Assemblee ongehinderd haar wraak kunnen laten neerdalen op allen die in deze zaal verzameld waren.
Vreemd genoeg voelde Mara geen angst. Er was al té veel geriskeerd, té veel verloren. Het leek alsof het deel van haar persoonlijkheid dat een afschuwelijke dood had gevreesd langzaam maar zeker, laagje na laagje, was afgestorven tijdens haar levens bedreigende ervaringen in Thuril. Het was niet zo dat ze nu blind was voor risico's, maar in zekere zin was ze er onverschillig voor geworden. De afwezigheid van angst, althans die angst, gaf haar een rotsvast vertrouwen - een merkwaardige, onthechte vorm van zekerheid, die ze op een of andere manier nu ook uitstraalde.
Zelfs Hokanu bekeek haar met een nieuw soort ontzag. Het ontging haar volledig. Ze maakte zich los uit de voorste rij van toeschouwers aan de voet van het podium. 'Prijs ons nieuwe Hemelse Licht namens mij, als hij straks defInitief is gekroond,' zei ze tegen hem.
Haar echtgenoot toonde zich verrast, om niet te zeggen verbijsterd door Mara's zelfvertrouwen. Hij had gemeend dat hij zijn vrouw ondertussen toch echt wel kénde! 'Wat ga je doen?' Zijn stem klonk aanzienlijk zekerder dan hij zich voelde, want ook hij begreep heel goed dat de magiërs door wie ze werden verdedigd steeds meer terrein verloren.
Mara keek hem strak aan. 'Een list,' mompelde ze. 'Wat blijft ons anders over?'
Hij boog voor haar. 'Goede Dienares.' En toen staarde hij haar vol verbazing na. Zó zou hij zich haar en haar onwankelbare moed en vastbeslotenheid altijd herinneren, nam hij zich vol bewondering en liefde voor: zoals ze nu naar het einde van de zaal liep, fIer rechtop, alsof de Assemblee niet op het punt stond om te zegevieren, alsof niet iedereen in de zaal, en zijzelf voorop, onherroepelijk ten dode was opgeschreven!
Niet dat Mara iets bijzonders deed. Ze boog eerbiedig voor de twee cho-ja's bij de ingang van de zaal. Ze hadden het te druk met hun verdedigende magie om anders dan door een minieme beweging van een onderarm te reageren. Toen deed Mara een paar stappen verder, tot bij de twee keizerlijke herauten die aan weerszijden van de gesloten buitendeur geposteerd stonden.
Ze overlegde even met het tweetal. Hokanu zag het van een afstand aan, maar begreep er niets van. Wat was ze van plan? Ze keek om, en haar blik ontmoette ze zijne. 'Kijk jij nu maar naar de ceremonie,' leek ze plagerig te willen zeggen.
Hokanu haalde lichtjes zijn schouders op en richtte zijn aandacht weer op het podium.
De bodem schudde. De zingende priesters op het podium raakten hopeloos uit de maat, maar zongen koppig door. Er flitsten vonkjes op in de lucht. Het verdedigingsscherm kon het nu elk moment begeven. Nog één geconcentreerde aanval, dan zou het misschien afgelopen zijn...
Maar ook de kroning was bijna voltooid. 'Heil!' riepen de hogepriesters, die op het hevig bevende podium stonden. 'Heil!' De hogepriester van Chochocan had de kroon in zijn handen en raffelde de zegeningen af. Er flitste een bliksem op, en uit een van de dakvensters kletterden enkele stenen met donderend geraas op de vloer. De kroon gleed half uit de zweterige handen van de priester en viel scheef op Justijns hoofd.
En daarmee was hij gekroond. De erfzoon van de Acoma, kind van een slaaf, droeg nu de heilige keizerlijke regalia van Tsuranuanni, en alleen de macht van de hemel zélf kon zijn gezalfde autoriteit nog aanvechten.
'Heil!' riepen de priesters weer, deze keer min of meer eenstemmig. Justijn had zijn kroon recht geschoven. 'Heil Justijn, Tweeënnegentig keer Keizer, ons nieuwe Hemelse Licht!'
De woorden werden overgenomen en herhaald door andere aanwezigen in de zaal en mengden zich met het gerommel van de donder, het kraken van de muren en pilaren, en het dreunen van de bodem. 'Nu!' riep Mara boven alles uit naar de herauten, juist toen de cho-ja's in elkaar krompen en zich leken voor te bereiden op het in ontvangst nemen van de genadeslag.
De herauten stapten meteen naar de grote dubbele deur en stootten beide helften open. Op de achtergrond waren aanstormende Zwarte Mantels te zien, maar de herauten maakten een ongehaaste, plechtige buiging, precies tegelijk, en richtten zich toen op. Hun gezichten waren bleek, maar voor het overige stonden de twee daar zo gezaghebbend en indrukwekkend als van zulke functionarissen verwacht mocht worden. 'Grootheden van de Assemblee,' riep degene met het galmendste stemgeluid, 'hoort mij! U wordt hiermede aan het keizerlijke hof ontboden!'
De voorste magiërs stopten zo abrupt dat sommigen over elkaar struikelden.
'Ontbóden?' krijste Motecha ongelovig. Zijn mantel zat onder de roetvlekken en zijn rode gezicht blonk van het zweet. 'Door wie dan wel?'
De herauten hadden veel routine in het bewaren van hun waardigheid tegenover verontwaardigde of arrogante hovelingen. Beiden maakten een keurige buiging. 'Door het Hemelse Licht, Grootheid.'
'Het wát?' Nu was het Sevean die zich naar voren drong. Enkele collega's volgden hem op zijn hielen.
De herauten lieten zich niet intimideren en vertrokken geen spier van hun gezicht. Dit keer was het echter de keizerlijke maarschalk op het podium bij de hogepriesters die met geoefende galmstem riep: 'Justijn, Tweeënnegentig keer Keizer!'
Motecha's mond viel open, Sevean keek alsof hij water zag branden, Hochopepa stond voor het eerst van zijn leven met zijn mond vol tanden, en zelfs de ascetische Shimone wist niet meteen hoe hij moest reageren, toen alle mannen en vrouwen in de zaal na de aankondiging door de maarschalk eerbiedig bogen voor hun nieuwe monarch.
Mara stond tussen de twee uitgeputte cho-ja's, die zich langzaam oprichtten. Ze deed haar best om niet al te triomfantelijk te kijken. De beide herauten hadden zich voortreffelijk van hun taak gekweten. Hun pompeuze optreden had zo vanzelfsprekend geleken, dat zelfs de Grootheden nog geen vraagtekens leken te plaatsen bij iets wat de herauten door hun natuurlijke aplomb indirect hadden gesuggereerd: dat de buitenlandse magiërs de bescherming niet hadden opgeheven omdat ze uitgeput of verslagen waren, maar geheel vrijwillig, enkel om de Zwarte Mantels binnen te laten.
'We hebben geen kracht meer over,' fluisterde een van de twee cho-ja's Mara bijna onhoorbaar toe.
Mara maakte een wegwuivend gebaartje. 'Het Grote Spel,' mompelde ze. 'Nu moeten we allemaal meespelen, of sterven.'