10 Tussenspel

 

Mara kniesde.

De slopende effecten van de vergiftigingspoging verdwenen veel te langzaam naar haar zin. Het was nu al twee maanden geleden en nog steeds was ze te zwak om te reizen. Ze keek naar het middagzonlicht, dat in banen over haar vloertapijt naar binnen viel, en fronste haar voorhoofd. Ze behoorde in de Heilige Stad te zijn, voor de halfjaarlijkse bijeenkomst van de keizerlijke adviseurs. Frasai van de Tonmargu, de Opperheer des Keizers, raakte zijn gezondheid kwijt. Er werd zelfs gefluisterd dat hij seniel werd. Het waren ongefundeerde geruchten, maar zelfs in zijn beste jaren, als Krijgshoofd van zijn clan, had de Heer van de Tonmargu in zijn pogingen om het iedereen naar zijn zin te maken een niet al te vaste hand van leiding geven gehad. Mara maakte zich zorgen. Nu Frasai's gezag afkalfde, en Kamatsu, de Kanselier des Keizers, tevens de vader van Hokanu, van alle kanten werd belaagd door traditionalisten die niet alleen zijn eigen leven zuur maakten, maar ook dat van zijn bondgenoten en volgelingen, kon deze herfstvergadering wel eens een slagveld worden. De bloedige jaren waarin het Spel van de Raad was gespeeld onder leiding van een Krijgsheer waren nog niet zo lang geleden dat ze al vergeten waren.

Mara sloeg van frustratie met haar vuist op het blad van haar bureau en stond op om heen en weer te gaan lopen. Dat ze nog te zwak was om daartoe zonder stok in staat te zijn was een nieuwe bron van ergernis. De bedienden die bij haar waren en zelfs de loopjongen bij de deur wendden verlegen hun gezicht af, zo openlijk toonde hun vrouwe haar gevoelens van ongenoegen. Maar vandaag was ze te humeurig om energie te verspillen aan het in stand houden van een keurige Tsuranese façade. Was Kevin de barbaar bij haar geweest, dan zou hij haar daarmee hebben geplaagd. Mara voelde een steek door haar hart gaan - kwam er dan nóóit eelt op die plek? 'Die verdomde vent!' vloekte ze, en ze bonkte met de punt van haar stok op de vloer.

Een vriendelijke stem meldde zich spottend vanuit de deuropening: 'Het keizerrijk stort heus niet in elkaar nu zijn favoriete Dienaar helaas wegens ziekte verstek moet laten gaan bij een vergadering.' Gekleed in weinig meer dan een lang hemd, nat van het zweet na zijn vechtoefeningen, kwam Hokanu de kamer binnen. Er was bijna geen mankheid meer te zien in zijn gang. Toen Mara zich woedend naar hem toe draaide pakte hij haar rustig bij haar polsen. Ze had geen kracht en haar polsen waren zo mager dat hij er met zijn duim en wijsvinger gemakkelijk omheen kon. Hij moest voorzichtig zijn om haar geen blauwe plekken te bezorgen. Hij sprak opnieuw - met een resoluutheid die hij zich in zijn greep niet kon veroorloven. 'Mijn lieve vrouwe, heer Hoppara zal alles goed in de hand hebben. De raad valt echt niet uit elkaar nu jij een keertje afwezig bent.'  

Ze keek hem met een vernietigende blik aan. 'Stop ermee me te behandelen alsof ik van glas ben,' zei ze na een moment. 'Jij en ik weten dat de traditionalisten heel gewiekst zijn in hun intriges. Nog niet de helft van wat er gebeurt vindt plaats in de raadzaal. Er worden deals gesloten, voorwaarden gesteld, tegenprestaties beloofd, en menigeen die zich anders gedeisd zou hebben gehouden zal dat nu nalaten - omdat ik er niet ben!'  

Hokanu glimlachte, liet een van haar polsen los en streek een lok uit haar gezicht. Terwijl hij probeerde deze terug te wurmen onder de jaden kam waar hij hoorde - althans dat hoopte hij - verborg hij zijn gevoelens over de dofheid van haar ooit zo glanzende haren en de matheid van haar huid, die ooit de pracht van een corcaraschelp had bezeten. De sierlijkheid van haar bewegingen, als van een danseres, was door haar wekenlange ziekbed aangetast. Ze zag er nog steeds uitgeteerd uit en zelfs Lujan had haar niet kunnen overhalen om tijdens de heetste uren van de middag een dutje te doen. 'Los van de keizerlijke politiek, mooi vogeltje, ben ik zo vrij geweest om je kamermeisjes op te trommelen. Je hebt een bezoeker.'  

'Lieve goden, staatsiekleding?' Mara's woede maakte plaats voor ergernis. 'Ik zal stikken! Welke vader is het vandaag, die alleen gekomen is om de zoom van mijn gewaad aan te raken en daarmee het geluk af te dwingen om zijn nest van vijf lelijke dochters aan rijke mannen te helpen?'

Hokanu lachte, omvatte haar middel en tilde haar op alsof ze een veertje was. 'Wat zijn we kattig vandaag! Wist je dat Jican is benaderd door een koopman die hem metaal bood voor jouw afgedankte kleren? Hij wilde het stof tot mooie sierlinten laten verknippen, die hij dan als souvenirs op de markt kon brengen.'

Mara verstarde van ontzetting. 'Daar heeft Jican mij niets over gezegd!'

'Hij wist...' begon Hokanu, maar daar moest hij het even bij laten, want de kronkelende vrouw in zijn armen gaf hem een gemene elleboogstoot in zijn maag, precies op een recente blauwe plek die hij tijdens een zwaardoefening had opgelopen. Hij hield haar een eindje van zich af en vervolgde toen manmoedig: 'Je hadonra heeft het je niet verteld, vrouwe, omdat hij wist dat je de arme man met geselslagen zou laten wegjagen, en dat achtte hij een wat ál te armzalige vorm van gastvrijheid, zelfs voor een koopman zonder goede smaak.'  

Toen haar echtgenoot een stapje achteruit deed, tot in de gang, uitte Mara een kernachtig woord dat haar verheven imago bij haar vereerders beslist bezoedeld zou hebben, indien ze het hadden vernomen. Vervolgens kneep ze Hokanu in zijn arm. 'Welke bezoeker hebben Jican en jij dan wél beoordeeld als veilig genoeg voor mij?'  

Er verscheen een grijns op Hokanu's knappe gezicht. 'Je zult misschien wat make-up willen gebruiken. Het is vrouwe Isashani van de Xacatecas.'

'Hier?' Mara's stem klonk bijna paniekerig. Ze stak haar handen omhoog en begon bezorgd haar kapsel te betasten.

Aangezien dit de allereerste keer sedert haar miskraam was dat de Vrouwe van de Acoma ook maar een greintje belangstelling voor haar uiterlijk aan de dag legde, was Hokanu de provocerende schoonheid die in Mara's mooiste salon zat te wachten stiekem dankbaar. Misschien zou Mara vanaf vandaag zo verstandig zijn haar energie te gebruiken om snel en volledig te herstellen, en geen krachten meer verspillen aan machteloos en zenuwslopend gepieker. De helende priester was van oordeel geweest dat het tegengif Mara vlak voor de poorten van de zalen van de Rode God had weggerukt, en dat het - indien ze veel rustte en kalm van geest was - drie maanden zou kosten voordat ze lichamelijk hersteld zou zijn, en nog een vierde om weer geheel op krachten te komen. Mara's emotionele toestand na het verlies van een tweede kind en de zoveelste aanslag op haar eigen leven was echter allerminst rustig en kalm geweest, en Hokanu vreesde dat het herstelproces wel eens veel langer dan drie of vier maanden zou kunnen gaan duren.  

Een abrupte beweging van zijn vrouw herinnerde hem er pijnlijk aan dat zij niet de enige was die aan het herstellen was. Als hij niet een heet bad nam, en snel, zou hij straks overal spierpijn hebben. Ze begreep waarom hij een grimas trok, want zo goed kende ze hem wel.

'Ga maar gauw een bad nemen, lieve man,' zei ze, niet zonder hatelijkheid in haar stem. 'Als Isashani ons met een bezoek vereert, hangt er natuurlijk een dikke walm van intriges en subtiliteiten om haar heen, als een wolk van parfum. Het vereist een knap gezicht en een slimme vleier om al die informatie uit haar los te peuteren, en aangezien ik geen man ben, en daarom bij haar geen streepje voor heb, zul je de eer van de Acoma persoonlijk hoog moeten houden door je aanwezigheid, heer gemaal.'  

Hokanu was niet zo vermoeid door zijn oefeningen, noch zo doof voor nuances, dat hij de onderliggende angst in de stem van zijn vrouwe niet opmerkte. 'Wat zit je dwars, lieve? Ik dacht dat je alleen maar blij zou zijn met een bezoek van vrouwe Isashani.'  

Mara keek hem aan. Haar ogen leken in het onzekere licht van de gang nog zwarter dan anders. 'Het Grote Spel,' mompelde ze. 'Het draait te vaak uit op bloedvergieten, en er zijn weer geruchten over een samenzwering tegen de keizer.'

Hokanu kreeg een harde trek op zijn gezicht. 'Ik zal er zijn. Maar pas na mijn bad, en nadat jullie als vrouwen onder elkaar de kans hebben gehad de kennismaking te vernieuwen.'

Best mogelijk dat harde politieke redenen voor de weduwe van de Heer van de Xacatecas de aanleiding vormden om op bezoek te komen, maar Hokanu verdomde het om Mara de kans te ontnemen in een gesprek onder vier ogen te kunnen profiteren van de ervaring, de inzichten en de slimheid van de voormalige Regerende Vrouwe van de Xacatecas.

 

Mara zag erin het zware ceremoniële gewaad uit als een verdwaald weeskind. Ze betrad de salon met ingetogen, kleine stapjes, niet uit koketterie, maar simpelweg uit gebrek aan kracht. De pracht van haar smaragden en jaden sieraden deed de glans van haar ogen verbleken, en de buiging die ze voor de wachtende vrouw in het rood-en-gouden gewaad maakte was noodzakelijkerwijs slechts ondiep en kort. Een te langdurige buiging zou haar hebben doen instorten en een koppige trots weerhield haar ervan zich door een bediende te laten ondersteunen.  

Vrouwe Isashani van de Xacatecas stond op van haar kussens in een wolk van fijne zijde en parfumgeur. Haar ogen waren van een rijke bruine kleur en stonden op een exotische manier ietwat scheef. Haar kastanjebruine haar was nu gemengd met sliertjes zilver. Het thyzapoeder dat ze had gebruikt om haar sprekende jukbenen te accentueren moest gemengd zijn geweest met glinsterend gemalen schelpenstof, want het had een effect als van minuscule lichtpuntjes die hier en daar op de nog wonderbaarlijk jonge, rozige wangen opglitterden. Beroemd om haar schoonheid en gevreesd om haar scherpe verstand, kwam de weduwe van de Heer van de Xacatecas naar Mara toe gesneld om haar te ondersteunen.  

'Je bent kennelijk nog niet opgeknapt, mijn lieve.' Haar stem was welluidend, zacht en rijp van klank, als een oud, kostbaar muziekinstrument, dat al door vele generaties van kunstenaars liefdevol was bespeeld. 'En formaliteiten zijn onder vrienden overbodig.'  

Mara liet zich dankbaar op de kussens zakken. Haar eigen stem klonk schor en droog als zand toen ze de formele, oeroude begroetingswoorden uitsprak die men aan iemand van een hoge sociale status verschuldigd is. 'Welkom in mijn huis, vrouwe. Maakt u het goed?'

Isashani neeg haar hoofd en een glimlachje maakte kuiltjes in haar wangen. 'Ik dank de Goede Dienares voor de onverdiende hoffelijkheid,' zei ze. Haar toon getuigde van een oprecht genoegen in Mara's omdraaiing van hun rangen, want zij, hoewel ouder en ervarener dan Mara, was slechts de weduwe van een heer, terwijl Mara een Dienares van het Keizerrijk was. 'Mij gaat het goed genoeg, maar jij ziet eruit als roggepap die te lang in de brandende zon heeft gestaan. Mijn lieve, eet je dan helemáál niets meer?' De directheid van haar woorden verbaasde Mara geenszins, daar Isashani's zorgvuldig uitgekiende botheid al menige tegenstander van het huis Xacatecas - in slaap gesust door het lieflijke uiterlijk van de prachtige dame - ernstig in verlegenheid had gebracht.

Mara wendde haar blik snel af van de verblindende jurk van glanzende scharlaken zijde, rijkelijk bestikt met gouddraad, en nog sneller van de schaal met vruchten en snoepjes die de bedienden voor haar gast hadden klaargezet. Ze gaf een ontwijkend antwoord. 'U bent vast niet gekomen om mij te horen klagen over mijn gezondheid.' In feite smaakte het eten haar niet meer. Het gif had haar maag overgevoelig en kwetsbaar gemaakt.  

Het antwoord van de vrouwe gaf Mara echter lik op stuk. 'Ik ben beslist ook niet gekomen om van een potje zelfbeklag en kniezen te genieten.'

Mara moest een grimas onderdrukken. Uit de mond van ieder ander zou een dergelijk verwijt een belediging zijn geweest, maar in Isashani's donkere ogen zag ze een medeleven dat volkomen echt was en haar daarom pijnlijk trof. Ze zuchtte en liet haar verkramptheid een beetje vieren. 'Het spijt me. Ik wist niet dat mijn stemming zo duidelijk van mijn gezicht af te lezen was.'

'Spijt alleen is niet voldoende.' Isashani stak haar volmaakt gemanicuurde hand uit, selecteerde een schaaltje met fruit en reikte het Mara aan. Je moet eten, anders roep ik je meisjes en laat ik je regelrecht naar je bed brengen.'

Dat zou ze nog doen ook, mijmerde Mara, en haar verblufte kamermeisjes zouden waarschijnlijk gehoorzamen zonder zich af te vragen of hun meesteres het zélf wel wilde. Isashani straalde een autoriteit uit als van een prikkelbare generaal te velde en de mensen hadden de neiging te doen wat ze vroeg en daar pas veel later over na te denken. Aangezien Mara zich niet sterk genoeg voelde om tegen te stribbelen, begon ze gehoorzaam aan een jomach te knabbelen. Zelf kon ze echter ook direct zijn. Waarom bent u gekomen?'  

Isashani nam haar schattend op, alsof ze zich afvroeg of Mara geestelijk even verzwakt was als lichamelijk. Ze kwam kennelijk tot de conclusie van niet, want ze schonk zichzelf een kopje chocha in en zei: 'Heer Jiro van de Anasati heeft avances gemaakt naar de oudste bastaardzoon van wijlen mijn echtgenoot.' Haar stem klonk nu zo hard als het zeldzame staal van de barbaren, en vormde een schril contrast met haar rijpe schoonheid.

Mara legde de overgebleven helft van haar vrucht terug, zonder erbij na te denken, en fronste haar voorhoofd. Wenaseti?' zei ze toen, half-en-half op vragende toon.

Een knikje van haar gast bevestigde de juistheid van die veronderstelling. Isashani deed er een waarderend glimlachje bij. Het was indrukwekkend dat Mara de naam had onthouden, want wijlen heer Chipino had concubines en courtisanes verzameld zoals anderen dat met lekkere wijnen doen. Hij had bosjes buitenechtelijke kinderen, en hoewel ze door het huis Xacatecas allemaal met gelijke fairheid waren grootgebracht, waren ze qua karakter en temperament zo verschillend als de weersoorten. De oude heer was niet alleen voor schoonheid gevallen, maar vaak ook voor hersens, en ofschoon geen van de vrouwen die hij zwanger maakte in staat was geweest Isashani's positie als vrouwe en echtgenote in gevaar te brengen, hadden sommige op dat punt bittere gevoelens opgedaan, die ze ongetwijfeld aan hun kroost zouden hebben meegegeven. De huidige erfzoon, Hoppara, vertrouwde op de geraffineerde familiepolitiek van zijn moeder, de weduwe, om de uitgebreide verzameling van bastaardkinderen en neefjes in het gareel te houden.  

We hebben geboft,' verklaarde Isashani, maar met een glinstering in haar ogen die erop wees dat het geluk een handje geholpen had moeten worden, 'dat Wenaseti een trouwe zoon van zijn familie is. Jiro heeft een blauwtje gelopen.'

Mara's voorhoofd bleef gefronst en de glinstering in Isashani's ogen werd niet minder hard. Als plaatsvervanger van heer Frasai in diens functie als Opperheer des Keizers nam heer Hoppara van de Xacatecas een spilpositie in aan het hof van de keizer. Dat hij erg jong was voor een zo machtige positie maakte hem kwetsbaar. Zijn resolute adviezen en snelle verstand brachten de gemakkelijk te beïnvloeden heer Frasai vaak tot krachtdadig optreden tegen reactionaire belanghebbenden die probeerden de hervormingen te saboteren en het ambt van Krijgsheer weer ingevoerd te krijgen. Verwijdering van heer Hoppara zou neerkomen op het verlies van een sleutelpositie, en dat zou een volgende stap naar bloedvergieten en het uitbreken van een burgeroorlog betekenen. Iets in Isashani's houding accentueerde die gedachtegang.  

Mara zei: 'U hebt een moordaanslag meegemaakt.'

Isashani's gezicht werd zo ondoorgrondelijk als dat van een porseleinen beeldje. 'Verschillende.'

Mara sloot haar ogen. Ze voelde zich opeens zwak tot in de kern van haar wezen en bijna verpletterd door een vermoeidheid die haar deed verlangen het grotere gevecht maar op te geven en haar hoop en inspanningen voortaan te beperken tot het voortbestaan van de Acoma, wat in de slangenkuil waarin ze zich bevond al moeilijk genoeg zou zijn. Ze was echter Dienares van het Keizerrijk, en niet meer het onervaren meisje dat op het laatste moment uit Lashima's tempel was gehaald om de Acoma te leiden. De vijanden van de keizer waren ook die van de Acoma, want Mara was zoiets als een centrale staander die het gewicht van het hele dak droeg. Om een einde te maken aan het bewind van de keizer moesten Jiro en zijn bondgenoten eerst haar steun wegbreken.  

De gedachte die meteen daarna in haar opkwam was dat de tong Hamoi de laatste tijd veel te veel succes had gehad in zijn aanvallen op haar familie, vrienden en bondgenoten. Zo lang Jiro aan de macht bleef zou de Anasati zijn neus niet ophalen voor het inschakelen van huurmoordenaars. De tong was daardoor een risico geworden dat niet langer genegeerd mocht worden. Mara zou het nooit vergeten: die keer dat ze bijna gewurgd was, de pijn van de miskraam nadat ze vergiftigd was. Het verdriet om Ajiki zou ze de rest van haar leven met zich mee dragen. Ze was zo diep in haar sombere gedachten verzonken, dat ze de entree van Hokanu pas opmerkte toen ze Isashani formele woorden van begroeting hoorde uitspreken.  

Ze opende haar ogen en zag dat haar echtgenoot zich over de hand van de Vrouwe van de Xacatecas had gebogen. Hij leek zo verlegen als een onvolwassen jongen, een ongebruikelijke houding voor een man die in naam van de keizer legers had aangevoerd en die zelf een natuurlijke charme en elegantie bezat waar vele ongehuwde dochters van grote huizen Mara om benijdden. Isashani's vermogen om mannen van hun stuk te brengen was echter zo verbluffend, dat het gerucht ging dat ze eigenlijk een heks was, die haar bewonderaars betoverde. Hokanu was een van haar favorieten. Ze maakte hem een paar plagerige complimenten en stelde hem daardoor snel op zijn gemak. Mannen die ze minder graag mocht, zo was algemeen bekend, hadden in haar aanwezigheid vaak opvallend lang gezwegen.  

Nog half beduusd door Isashani's uitstraling nam Hokanu plaats op kussens naast die van zijn echtgenote. Hij nam Mara's hand in de zijne. 'Ook wij zijn dat kat-en-muis gedoe met de tong meer dan beu. Het zou voor ons allemaal trouwens een opluchting zijn als Ichindar erin slaagde een zoon te verwekken. Een mannelijke erfgenaam van de troon zou de traditionalisten veel wind uit de zeilen nemen.'

Isashani's donkere ogen glinsterden geamuseerd. 'Het koppelen is de laatste jaren nogal een saaie bedoening geweest, moet ik bekennen. Alle jonge knullen van de grote huizen namen liever concubines dan echtgenoten, in de hoop een dochter van de keizer aan de haak te kunnen slaan. De sfeer wordt langzamerhand grimmig, want het wemelt intussen van de ongehuwde edele dochters, die naar elkaar klauwen en blazen als jonge sorkatjes.'  

Vervolgens kwam het gesprek op een handelsoorlog tussen een consortium van bondgenoten van de Omechan en een van de clan Kanazawai, welke oorlog Hokanu's vader zwaar hinderde in zijn harshandel. Hierdoor was een tekort ontstaan in de productie van gelamineerd leer, hetgeen vervolgens de wapenmakers tot wanhoop had gebracht, terwijl de verladers en stuwadoors in Jamar op allerlei slinkse manieren werden belemmerd in de aanvoer van alternatieve goederen. Aangezien de Acoma wel nidrahuiden had die in pakhuizen in Sulan-Qu lagen te beschimmelen, en de Anasati niet, werd algemeen aangenomen dat Jiro's bondgenoten achter deze ongeregeldheden zaten. Het deed de Omechan overigens in het geheel geen goed dat iedereen zich herinnerde dat zijn eigen interne onenigheid destijds aan de keizer de opening had geboden om de absolute macht naar zich toe te trekken.  

De namiddag ging over in de avond. Toen het evident was dat Mara doodmoe was en zich moest verontschuldigen, nam Isashani tenslotte afscheid. Ze zat al in haar draagkoets, en haar dragers stonden klaar om te vertrekken, toen ze haar donkere ogen op Hokanu richtte en een laatste scherpe opmerking plaatste: 'Werkelijk, jongeman, je moet zorgen dat je vrouw beter eet, anders zal het gerucht in de wereld komen dat je probeert haar uit te hongeren om zelf naar de hand van Ichindars oudste dochter te dingen.'  

Hokanu trok quasi gepikeerd zijn wenkbrauwen op. 'Is dat een dreigement, vrouwe?'  

Isashani glimlachte op haar misleidend lieftallige manier. 'Daar kun je gif op innemen. Wijlen mijn man was dol op Mara, en ik wil niet dat zijn schaduw bij mij komt spoken. Bovendien zou mijn Hoppara je waarschijnlijk uitdagen voor een duel, als hij je vrouwe in een zo droeve toestand zou zien. Na haar heroïsche optreden tijdens de Nacht van de Bloedige Zwaarden vergelijkt hij alle jonge vrouwen die hij tegenkomt alleen nog met haar.'

'Toe maar!' Hokanu's stem werd ernstig. 'Niemand in het keizerrijk geeft meer om de Goede Dienares dan ik. En uw bezoek heeft haar meer goed gedaan dan u zelfs maar kunt vermoeden.'

 

In elk geval inspireerde het bezoek van vrouwe Isashani Mara tot een herstel van een normale belangstelling voor haar uiterlijk. Ze liet haar kamermeisjes hun uiterste best doen. Hoewel ze er in het begin vooral beter uitzag dankzij een overvloedig gebruik van make-up, paste Hokanu wel op om haar daarmee te plagen. En weliswaar bleef ze nog steeds te lang over haar rapporten en kasboeken gebogen, maar ze deed oprecht haar best om meer te eten, en toen ze de gewoonte had aangenomen om in een bootje op het meer te mediteren, werd ook haar bleke huidskleur geleidelijk gezonder. 'Het is moeilijk om te blijven kniezen met al dat water om je heen en die vredige hemel boven je hoofd,' zei ze op een zekere avond, toen ze na zo'n tochtje in de gouden gloed van de ondergaande zon arm in arm met Hokanu van de kade naar het huis terugkeerde. Hokanu wilde het heerlijke moment eigenlijk niet verstoren, maar ze zou het gauw genoeg ontdekken en dan zou het achterhouden van zo belangrijk nieuws hem ongetwijfeld op een woede-uitbarsting komen te staan.  

'Arakasi is terug.'

'Zo snel?' Mara tilde haar hoofd op en kuste haar echtgenoot op zijn lippen, maar op de verstrooide manier van iemand die in gedachten al elders is. 'Hij moet al over de aanslag op heer Hoppara hebben vernomen voordat ik hem liet roepen.'

Het intieme moment was voorbij. Hokanu volgde zijn vrouwe toen deze zich door de schemerig wordende gangen van het huis en langs de bedienden, die met het ontsteken van de lampen waren begonnen, naar haar spionnenmeester haastte. Gedempt, ergens vanuit een van de binnentuinen, hoorden ze vreugdekreetjes van Justijn op klinken.  

'Waar is die jongen zo opgewonden over?' vroeg Mara nieuwsgierig.

Hokanu legde zijn arm om haar schouder. 'Een nieuw spelletje. Je Adviseur voor Oorlogszaken heeft met de jongen gewed dat deze hem niet onverhoeds kan verrassen. Dus nu ligt Justijn vaak achter meubels op de loer en blijven de bedienden uit bepaalde achterafgangen weg om niet beslopen te worden.'

'En Keyoke?' Mara sloeg een laatste hoek om en liep een volgende gang met een uitgesleten, oeroude mozaïekvloer in. 'Hééft hij zich laten verrassen?'  

Hokanu lachte. 'Diverse keren. Zijn gehoor is niet meer zo best en zijn krukken maken hem een gemakkelijke prooi.'

Mara schudde haar hoofd. 'Laten we oppassen dat Justijn hem niet terroriseert. De oude soldaat heeft in dienst van de Acoma genoeg littekens opgelopen om een rustige oude dag verdiend te hebben.'  

Maar Keyoke gaf niets om een blauw plekje meer of minder, wist Hokanu, want zijn gevoelens voor Justijn waren dezelfde als die voor een kleinzoon - die hij niet had.  

Ze hadden de deur van Mara's werkkamer bereikt. Hokanu liet zijn vrouw los en keek haar vragend aan. De bedienden waren nog niet in deze gang geweest, de olielampen brandden nog niet. Mara's gezicht was een bleek ovaal in de schaduwen en de uitdrukking op haar gezicht was niet te peilen. 'Blijf deze keer bij me,' zei ze, na even te hebben nagedacht. 'Het nieuws van vrouwe Isashani heeft me verontrust en ik wil graag je raad horen.'

Hokanu hoorde de bezorgdheid in haar stem. 'Moet ik Saric en Incomo laten komen?' vroeg hij.

Mara schudde van nee. 'Ze zouden niet goedkeuren wat ik van plan ben en ik zie geen nut in het aanhoren van hun kritiek.'

Hokanu verkilde, daar in de warme, vertrouwde gang, met bedienden binnen handbereik en vleugjes etensgeuren vanuit de keuken al in de lucht. Hij stak zijn hand uit en duwde Mara's kin met zijn wijsvinger een heel klein eindje omhoog. 'Wat zijn je plannen dan, schone vrouwe?' Zijn speelse toon was in strijd met de bezorgdheid die hij voelde.

Mara antwoordde niet meteen. 'Ik denk dat de tong Hamoi al veel te lang voor problemen heeft gezorgd,' zei ze toen. 'Ik heb er een zoon en een ongeboren kind door verloren. Ik zou niet willen dat vrouwe Isashani hetzelfde lot moet ondergaan. Dat is wel het minste dat ik wijlen haar echtgenoot, heer Chipino, verschuldigd ben.'  

Hokanu liet een zucht ontsnappen. Het onderwerp van de kinderen zorgde altijd meteen voor een zekere spanning tussen hen beiden. 'Het is minder de tong die te vrezen is dan de vijand die hem inhuurt.'

Mara gaf een bijna onmerkbaar knikje. 'Weet ik. Daarom ga ik Arakasi vragen in het hoofdkwartier door te dringen en het archief open te breken. Ik moet weten wie de opdrachtgever was, en daarna wil ik hem openlijk aan de kaak stellen.'

'Zijn naam luidt waarschijnlijk Anasati,' zei Hokanu.

'Een van zijn namen.' Mara's stem klonk dreigend. 'Ik wil ook de andere kennen, om te voorkomen dat nóg meer ouders hun jonge erf zonen verliezen als gevolg van politiek gekonkel en de inschakeling van huurmoordenaars. Kom, dan gaan we het hem opdragen.'  

Hokanu kon alleen maar knikken. Hij liep achter zijn vrouw haar werkkamer binnen. Hij had groot ontzag voor de spionnenmeester, en na diens kordate optreden tijdens de speurtocht naar het tegengif was dat alleen maar groter geworden, maar zelfs voor een man met een zo uitzonderlijk talent voor listen en vermommingen was infiltreren in de tong Hamoi een onmogelijke opgave. Hokanu kon het niet anders zien: zijn vrouwe stuurde Arakasi op een missie die zijn dood zou worden, juist nu ze zijn diensten het hardste nodig had.

 

Arakasi verliet de werkkamer van zijn meesteres in diep gepeins. Zijn keel was schor van het praten. Hij had deze avond uitvoerig rapport uitgebracht over de oogst van vele maanden veldwerk. De spionnenmeester had zijn agenten tot grote inspanningen aangezet om antwoorden te vinden, ondanks het gevaar dat Jiro's Eerste Adviseur, Chumaka, voor hen betekende. Twee spionnen hadden hun dekmantel prijsgegeven bij het verzamelen van informatie, en toen een eerzame zelfmoord door het zwaard verkozen boven een ondervraging met folteringen, en het risico dat ze hun meesteres zouden verraden. Hoewel Arakasi's netwerk verschillende traditionalistische intriges tegen de keizer en wijzigingen in oude bondgenootschappen had ontrafeld, had het niet kunnen ontdekken welke opdrachtgever de tong Hamoi op Mara had afgestuurd.  

Nog verontrustender dan het recente nieuws van de mislukte aanslag op heer Hoppara was Arakasi's mededeling dat zijn spionne in het huishouden van de Xacatecas twee andere aanslagen had moeten voorkomen, beide keren door in de keuken 'per ongeluk' borden met vergiftigd voedsel uit haar handen te laten vallen.

Toen ze dat vernam was Mara zichtbaar verbleekt en meteen daarna was er een blos van woede op haar wangen verschenen. Arakasi had zijn meesteres nog nooit zo kwaad gezien en haar woorden, met die speciale ondertoon van verdriet die hij sinds Ajiki's dood zo goed van haar kende, klonken nog na in zijn geest: 'Arakasi, ik wil dat je een manier vindt om de archieven of de boekhouding van de tong Hamoi te stelen. De aanvallen op ons, en nu ook op andere bondgenoten van onze keizer, moeten worden stopgezet. En als er ook andere partijen dan de Anasati bij betrokken zijn, wil ik dat je dat voor mij uitzoekt.'  

Arakasi had de opdracht aanvaard door zijn vuist tegen zijn hart te drukken, op de soldatenmanier. Na maanden van inspanningen om inzage te krijgen in bepaalde delen van de boekhouding van de Anasati, en ettelijke mislukte pogingen om een infiltrant in Jiro's huishouding binnen te smokkelen, was het bevel om rechtstreeks achter de tong aan te gaan bijna een opluchting voor hem. Arakasi had zichzelf uit pure frustratie moeten bekennen dat Chumaka verreweg de slimste opponent was waar hij ooit mee te maken had gehad, maar zelfs iemand die in politieke spelletjes zo briljant was als de Eerste Adviseur van de Anasati zou een zo doldrieste actie als een aanval op het huurlingengilde zélf toch echt niet kunnen voorzien. Chumaka mocht dan nog steeds niet weten hoe Mara's spionnenmeester heette, hij begon hem goed genoeg te kennen om zijn volgende acties te kunnen voorspellen. Een zo onverwachte zet, en nog wel zonder al te duidelijk motief, zou die oude Chumaka misschien even op het verkeerde been zetten.  

Diep in gedachten verzonken, volgde Arakasi een route - puur uit de macht der gewoonte - door achterafgangetjes in een van de oudste delen van het huis, waar de vloeren twee niveaus hadden, omdat een oude, allang vergeten Heer van de Minwanabi het idee had gehad dat hij altijd ietsje boven zijn bedienden verheven behoorde te zijn. Hij - of misschien een van zijn vrouwen - had ook een voorliefde gehad voor snuisterijen, beeldjes en ander pronkspul, en alle wanden rijkelijk laten voorzien van nissen om die dingen in tentoon te stellen. Arakasi vond dat maar een stom beleid, want verschillende nissen waren groot genoeg voor een moordenaar of een opgroeiend kind om er zich in te verstoppen. Daarom was hij niet totáál verrast toen er achter hem een oorverdovende kreet klonk en iemand enthousiast in zijn rug sprong met de bedoeling hem tegen de vlakte te werpen.  

Arakasi draaide zich in een reflex om, snel en soepel als een roofdier, en had toen pardoes zijn armen vol aan een zesjarige, die verontwaardigd met zijn armen en benen spartelde en niet wilde geloven dat zijn verrassingsaanval mislukt was. Mara's spionnenmeester blies een lok roodachtig gouden haar tussen zijn lippen vandaan en zei kalmpjes: 'Lijk ik vandaag zo veel op Keyoke dat je het nodig vond om mijn reflexen te testen?'  

De kleine Justijn giechelde en probeerde zich los te wringen, en hij slaagde erin zijn houten speelgoedzwaard op te heffen. 'Ik heb Keyoke vandaag al twee keer gedood,' kraaide hij.  

Arakasi trok zijn wenkbrauwen op. Hij veranderde zijn greep en verbaasde zich over de kracht die nodig was om het knaapje in bedwang te houden. Echt een kind van zijn vader, met zijn brutale instelling en zijn lange benen als van een corani. 'En hoe vaak heeft Keyoke jou vandaag gedood, jochie?'  

Justijn keek schaapachtig. 'Vier.' Hij voegde er een ruige vloek in de barbarentaal aan toe, die hij moest hebben opgestoken van een van de soldaten in het garnizoen die tijdens de campagne in Dustari bij Kevin in de buurt was geweest. Arakasi noteerde in gedachten dat de jongen scherpe oren had en niet te jong was om zijn ouders af te luisteren. 'Ik heb sterk het gevoel dat het al na je bedtijd is,' zei de spionnenmeester beschuldigend. 'Weet je kindermeisje wel dat je nog rondloopt?'

Hij begon in de richting van de kamer van de jongen te lopen. Justijn schudde zijn krullenkop. 'Die meisjes weten nooit waar ik ben.' Hij glimlachte trots, maar toen verscheen er twijfel op zijn gezicht. 'U zult toch niets verklappen? Dan word ik zeker gestraft.'  

Er verscheen een glinstering in Arakasi's donkere ogen. 'Op bepaalde voorwaarden,' verklaarde hij in volle ernst. 'Je moet me iets beloven in ruil voor mijn zwijgen.'

Justijn keek serieus. Toen bracht hij zijn gebalde vuist omhoog en sloeg met de duimkant ervan tegen zijn voorhoofd, zoals hij soldaten vaak had zien doen wanneer ze een inzet tijdens het dobbelen bevestigden. 'Ik houd mijn woord.'

Arakasi onderdrukte een grijns. 'Heel goed, eerbare jonge meester. Je zult geen kik geven als ik je in je kamer deponeer en je zult op je slaapmat blijven liggen, met je ogen dicht, zonder je te bewegen, tot het morgenvroeg tijd is om op te staan.'

Justijn gaf luid uiting aan zijn verontwaardiging over dit verraad. Precies zijn vader, dacht Arakasi weer terwijl hij de weerspannige jongen naar zijn kamer droeg. Kevin had zich ook nooit iets aangetrokken van starre voorschriften en fatsoensregels. Hij was eerlijk, ook als dat tot pijnlijke situaties leidde, en loog er vrolijk op los wanneer hem dat van pas kwam. Hij was een aanfluiting van alles wat in Tsuranese ogen net en aangepast gedrag werd geacht, maar het leven in dit huishouden was beslist een stuk saaier geworden sinds hij weer via de poort in de Scheuring was teruggekeerd naar Midkemia. Zelfs Jican, die vaker dan gemiddeld het slachtoffer was geweest van Kevins grappen, was wel eens op spijtige opmerkingen over zijn afwezigheid betrapt.  

Justijn was zo verstandig om zijn rumoerige protesten in de nabijheid van zijn kamer te staken. Hij voorkwam zo dat zijn kindermeisjes alsnog werden gealarmeerd, wat zeker tot straffen zou leiden, en hield zich bovendien aan zijn soldatenwoord. Hij gaf inderdaad geen kik toen Arakasi hem op zijn bedmat legde, maar weigerde zijn ogen te sluiten. Hij bleef Arakasi, die naast hem op de vloer was gaan zitten, kwaad aankijken, tot zijn vermoeide jongenslichaam het gevecht tegen de slaap moest opgeven.  

Was Arakasi niet een poosje op wacht gebleven om de jongen aan zijn soldatenwoord te herinneren, dan zou Justijn ongetwijfeld weer de kamer uit zijn geglipt - daar was Arakasi heilig van overtuigd. In menig opzicht was het temperament van de jongen eerder Midkemisch dan Tsuranees te noemen, hetgeen door zijn moeder en stiefvader alleen maar werd aangemoedigd.  

Of deze on-Tsuranese trekjes in de jongen een voordeel zouden zijn wanneer hij volwassen was, dan wel de naam en de natami van de Acoma juist extra kwetsbaar zouden maken voor Jiro en zijn trawanten, was niet te voorspellen, bedacht Arakasi. Hij was via het tuinvenster naar buiten geslopen en liep nu over de maanverlichte paden naar de kamers die tijdens de enkele keren dat hij in dit huis verbleef de zijne waren. Hij legde zijn vermomming af - ditmaal die van een marskramer die goedkope snuisterijen verkocht - en nam een bad in lauw geworden water, omdat hij het tijdverspilling vond om bedienden met heet water te laten aanrukken. Terwijl hij het vuil van de weg van zijn lichaam schrobde dacht hij na.  

Op schrift gestelde gegevens over de contracten van de Hamoi, of welke andere tong ook, konden zich uitsluitend in het bezit van de obajan zelf bevinden. Alleen een vertrouwde opvolger, gewoonlijk een zoon, zou weten waar die documenten verborgen waren, zulks met het oog op een eventueel onverwacht overlijden van de obajan. Alleen al om te weten te komen wáár de gegevens te vinden waren moest Arakasi dus in de directe omgeving zien te komen van de leider van de Broederschap van de Rode Bloem, de machtigste tong in het keizerrijk.  

Arakasi waste de verf uit zijn haren. Uit pure frustratie deed hij dat met onnodig woeste bewegingen. Vroeger was hij wel eens in het keizerlijke paleis binnengedrongen, maar het hart van een tong was veel ongenaakbaarder.  

Over de risico's had Arakasi gezwegen. Hij had slechts naar Mara's nog altijd bleke gezicht hoeven te kijken om te beseffen dat nieuwe zorgen haar trage herstel alleen maar zouden vertragen. Als ze de risico's van de opdracht die ze zojuist had gegeven al wél besefte, zou ze geen behoefte hebben aan zelfs maar een schijn van kritiek op haar oordeelsvermogen, want zoiets kon haar gespannenheid en angst alleen maar vergroten.

Arakasi leunde achterover tegen de wand van de tobbe, zonder te merken dat het laatste sprankje warmte nu toch echt uit het water was weggetrokken. Hij dacht na over zijn ontmoeting met Justijn. Het was hem duidelijk dat Mara's zorgen zich zouden concentreren rond het welzijn van haar enige overgebleven kind. Het was derhalve ook zijn gedeelde verantwoordelijkheid dat de jongen veilig tot volwassene zou kunnen opgroeien. Op dit moment kwam dat neer op het zoeken van wegen en middelen om de gevaarlijkste en best bewaakte man van het keizerrijk te pakken te krijgen: de obajan van de tong Hamoi.  

Dat verstandige lieden een dergelijke opdracht voor onuitvoerbaar zouden houden deerde Arakasi in het geheel niet. Wat hém hinderde, in zijn spitsvondige, razendsnelle geest, was dat hij nog geen flauw idee had waar hij moest beginnen. Waar het hoofdkwartier van de tong zich bevond was een angstvallig bewaakt geheim. De agenten die werden betaald voor hun medewerking waren lang niet allemaal een zo gemakkelijke prooi als de gemartelde apotheker in die steeg in Kentosani was geweest. Ze zouden liever zelfmoord plegen - zoals in het verleden al ettelijke keren was gebeurd - dan de volgende schakel in de keten van contacten te verraden. Ze waren even trouw aan hun moorddadige cultus als Arakasi's spionnen aan Mara. Piekerend stapte de spionnenmeester uit de tobbe en piekerend droogde hij zich af. Hij kleedde zich in een sobere kamerjas. Een groot deel van de nacht bleef hij half-en-half in trance en zocht hij de diepste diepten van zijn geheugen af naar feitjes of gezichten die hem een eerste aanknopingspunt konden geven.  

Een paar uur voor de dageraad stond hij op, deed een paar lichaamsoefeningen en verzamelde enkele dingen die hij meende nodig te zullen hebben. Hij verliet het huis zonder dat de wachters het opmerkten. Hokanu had ooit voor de grap gezegd dat Arakasi het riskeerde op een zekere dag gedood te worden als hij zo bleef rondsluipen, maar Arakasi had geantwoord dat die soldaat dan promotie diende te krijgen, want hij zou Mara hebben verlost van een ongeschikte dienaar.  

Toen de zon opkwam bevond Arakasi zich al aan de andere kant van het meer en liep hij in een stevig tempo over de weg. Hij had allerlei plannen overwogen en weer verworpen, maar wanhoopte niet. In de eerste plaats voelde hij zich professioneel uitgedaagd.

Tegen zonsondergang had hij de rivier bereikt, waar hij zich mengde onder andere wachtenden om straks naamloos en onopvallend passage te boeken aan boord van een boot naar de Heilige Stad.