5 Complotten

 

Twee jaar gingen voorbij.

Er werden geen nieuwe pogingen gedaan om de Vrouwe van de Acoma te vermoorden. Iedereen bleef waakzaam, maar het gevoel van een acuut gevaar was geweken.

De rust die op het landgoed heerste toen het eerste licht van de vroege ochtend de slaapkamer binnenviel was des te aangenamer, omdat de Acoma overdag met tegenslagen op zakelijk gebied en met politieke wrijvingen te maken had. Nu was echter alleen het geluid van patrouillerende lijfwachten te horen, en nog niet dat van de snelle voeten van wéér nieuwe onheils boden.

In de verte floot een watervogel. Hokanu sloeg zijn armen strakker om zijn geliefde vrouwe, die met haar rug naar hem toe lag. Zijn handen voelden de ivoorgladde huid van haar buik en opeens viel hem daar een zekere bolheid op. Nu begreep hij waarom ze zich de laatste tijd een paar keer buiten zijn aanwezigheid en die van haar vertrouwdste adviseurs had teruggetrokken! De overduidelijke conclusie bezorgde hem een gevoel van verrukking. Glimlachend drukte Hokanu zijn gezicht tegen de zoete lokken van haar haren.  

'Hebben de vroedvrouwen je al verteld of het erfkind van de Acoma een zoon of een dochter zal zijn?'

Mara draaide zich half om in zijn armen en keek hem verontwaardigd aan. 'Ik heb je niet verteld dat ik zwanger ben! Wie van mijn meiden heeft het verklikt?'

Hokanu zei niets, maar zijn glimlach werd breder.

De vrouwe bracht haar handen omlaag naar zijn polsen, die nog steeds op haar buik rustten, en zei: 'Aha. Mijn meiden hebben niets verklapt, maar ik kan voor jou nu eenmaal niets geheim houden.'

Maar dat kon ze best. Hoe goed ze elkaar meestal ook begrepen, ze had diepten waarin zelfs Hokanu niet kon doordringen - vooral sinds de dood van haar oudste, welke een donker waas over delen van haar persoonlijkheid leek te hebben gelegd. Hoewel de warmte die ze toonde toen ze haar gezicht tegen dat van haar echtgenoot legde echt was, evenals het genoegen waarmee ze bevestigend in zijn oor fluisterde dat hij binnenkort ook een échte vader zou zijn, niet alleen maar een pleegvader, bespeurde Hokanu toch ook duistere ondertonen. Mara maakte zich ergens zorgen over, en deze keer had het niets te maken met Ajilci's dood of met de interventie door de Assemblee in haar conflict met Jiro. Hokanu voelde echter aan dat dit niet het goede moment was om naar haar diepere roerselen te informeren.

'Ik hou van je, vrouwe,' mompelde hij. 'Je zult moeten wennen aan overmatige aandacht, want vanaf vandaag tot de dag van de geboorte ga ik je schaamteloos in de watten leggen.' Hij draaide haar om in zijn armen en kuste haar. 'En daarna vinden we misschien dat ik een goede gewoonte heb ontwikkeld, die ik vooral zo moet houden.'

Mara drukte zich knus tegen hem aan en haar vingers trokken streepjes over zijn borst. 'Je bent de liefste echtgenoot in het keizerrijk - veel beter dan ik verdien.'

Daar viel over te discussiëren, maar Hokanu hield zich in. Hij wist dat ze intens van hem hield, en dat ze hem alle zorg en de bevrediging gaf waartoe een vrouw in staat was. Ergens diep in zijn binnenste behield hij de zekerheid dat er iets ondefinieerbaars ontbrak aan haar zijde van de relatie, maar hij had afgeleerd daarover te piekeren, want de vrouwe loog nooit tegen hem en was nooit karig met haar affectie. Alleen was het zo dat ze momenten had waarop haar gedachten elders waren, op een plek die hij nooit zou kunnen bereiken. Ze had iets nodig waarvan hij instinctief aanvoelde dat hij het haar niet kon geven.

Als pragmatisch persoon deed hij geen poging om het onmogelijke af te dwingen, maar bouwde hij op het fundament van hun jarenlange samenzijn een vredig welbehagen op, dat zo hecht en duurzaam was als een monument. Het was hem gelukt haar gelukkig te maken, tot de ruin van haar zoontje door die giftige pijl was geraakt.

Ze bewoog zich tegen hem aan, de blik van haar donkere ogen zo te zien gericht op de tuin achter het geopende scherm. Daar wuifden haar favoriete kekalibloesems zachtjes in de wind. Hun zware geur drong door tot in de slaapkamer. Ver weg schold een broodbakker een luie slaaf uit. Ook het geluid van het laden van een eerste sloep - merkwaardig versterkt door het kalme water en de grijze ochtendnevel- drong vanaf de kade helemaal tot hier door.

Hokanu nam Mara's vingers in de zijne en streelde ze, en uit het feit dat ze niet meteen reageerde leidde hij af dat ze niet aan iets alledaags lag te denken.

'Pieker je weer over de Assemblee?' vroeg hij, wel wetend dat dit niet zo was. Hij had echter geleerd dat zulk een zijdelingse benadering de snelste manier was om in haar sombere gedachten binnen te dringen en haar een weg naar buiten te wijzen.

Mara beantwoordde nu de druk van zijn hand. 'Je vaders zus heeft twee jongens, en jij hebt een nicht die vijf kinderen heeft, waarvan drie jongens.'

Hij wist niet goed waar ze naar toe wilde, maar knikte bevestigend. Hij deed zijn best om hardop met haar mee te denken. 'Als er iets met Justijn zou gebeuren voordat je volgende kind wordt geboren, heeft mijn vader de keuze uit verschillende neven en achterneven die na mij de mantel van de Shinzawai zouden kunnen dragen. Maar je hoeft je geen zorgen te maken, geliefde. Ik ben vurig van plan in leven te blijven en jou te beschermen.'

Mara fronste haar voorhoofd. Ze bleek in een ernstiger stemming dan hij had gedacht. 'Nee. Dat hebben we al definitief besproken. Ik wil de naam Acoma niet laten versmelten met de naam Shinzawai.'

Hokanu trok haar dichter tegen zich aan. Hij begreep nu waarom ze zo gespannen was. 'Je bent dus bang voor de naam Acoma. Ik snap het. Tot je kind geboren is, blijf jij de laatste van je dynastie.'

De stroefheid van haar knikje bevestigde de angst waarmee ze had geworsteld en die ze de afgelopen twee jaar verborgen had gehouden. Na alles wat ze had gedaan om de voortzetting van het huis Acoma te verzekeren, had ze haar erf zoon verloren - en daarna had alles afgehangen van Hokanu's vermogen om een kind te verwekken.  

'Anders dan je vader heb ik geen neven of nichten, en ook geen andere opties.' Ze haalde diep adem en toen kwam het hoge woord eruit. 'Ik wil dat Justijn trouw zweert aan de natami van de Acoma.'

'Mara!' riep Hokanu verrast uit. 'Dat kan nu niet meer! De jongen is bijna vijf jaar oud en door zijn eed aan de Shinzawai gebonden!'

Ze keek ontdaan. Haar ogen leken te groot en haar jukbenen te spits -een effect van haar verdriet en haar ochtendziekte. 'Ontsla hem daar dan van.'  

Ze had een aura van wanhoop om zich heen, een harde vastberadenheid zoals hij die eerder alleen in aanwezigheid van vijanden had gezien - en de goden wisten dat hij geen vijand was. Hij onderdrukte zijn geschoktheid en trok haar dichter naar zich toe. Ze rilde, hoewel haar huid niet koud aanvoelde. Geduldig, nauwkeurig dacht hij na over de positie waarin zij verkeerde. Hij probeerde haar motieven te doorgronden, om aldus een begrip te verwerven dat hem in staat zou stellen haar te helpen, maar dan misschien op een andere manier. Hij wist dat niemand blij zou zijn wanneer Justijn van huiskleuren wisselde, zeker Hokanu's vader niet, en nog het minst van iedereen de jongen zélf. Het kind was inmiddels oud genoeg om te begrijpen wat het betekende om tot het ene huis of tot het andere te behoren.  

De dood van zijn oudere broertje had de knaap al zwaar genoeg getroffen ook zónder dat hij nu een pion in het politieke krachtenspel zou worden. Hokanu was dol op Mara, maar zelfs hij was van oordeel dat Jiro's vijandschap een gevaar was waar men het onschuldige jonge kind bij voorkeur niet aan moest blootstellen.

De geestverwantschap tussen de vrouwe en haar gemaal werkte naar beide kanten: Mara had ook het talent om aan te voelen wat er door hém heenging. 'Het is veel moeilijker een jongen te vermoorden die kan lopen, praten, zien dat iemand een vreemdeling is, dan een baby in een wieg. Als erfgenaam van de Shinzawai zou onze nieuwe baby veel veiliger zijn, immers: dat huis, dat geslacht, zou niet uitsterven na één enkel sterfgeval.'  

Hokanu kon de logica van die redenering niet tegenspreken. Wat zijn gemoed van streek bracht, en zijn instemming verhinderde, was zijn eigen affectie voor Justijn, om nog maar te zwijgen over de gevoelens van zijn pleegvader, Kamatsu, die dol was op de knul. Moest een man een jonge knaap die oud genoeg was om al enkele genoegens van het leven te hebben geproefd in ernstig gevaar brengen, of moest een man dat risico maar liever laten lopen door een onschuldige baby?

'Als ik sterf,' zei Mara bijna fluisterend, 'is er niets meer. Geen kind. Geen Acoma. Mijn voorouders zullen hun plaats op het Wiel van het Leven verliezen, er zal niemand meer zijn die de naam Acoma in ere houdt voor het oog van de goden.' Ze voegde er niet aan toe - maar had dat best kunnen doen - dat dan alles wat ze in haar eigen leven had gedaan voor niets zou zijn geweest.  

Haar gemaal ging rechtop zitten, met kussens in zijn rug, en trok haar tegen zich aan. Zijn vingers wreven haar zwarte lokken uit haar gezicht. 'Vrouwe, ik zal nadenken over wat je hebt gezegd.'

Mara draaide zich half weg en trok zich los uit zijn omarming. Kwaad, vastbesloten en prachtig ging ze zelf nu ook rechtop zitten. 'Je moet niet nadenken, je moet beslissen! Ontsla Justijn van zijn beloften, want de Acoma mag het geen dág langer zonder een erfgenaam stellen!'

Er klonk een ondertoon van hysterie in haar stem door. Hokanu leidde daar een bijkomende zorg uit af, een die ze niet had genoemd maar die bewust of onbewust een rol moest spelen, al was hem dat tot dan toe ontgaan. 'Je voelt je in een hoek gedreven, omdat Arakasi al zo lang bezig is met de taak die jij hem hebt opgedragen,' zei hij geïnspireerd.

Dat leek de wind uit Mara's zeilen te nemen. 'Ja. Misschien heb ik te veel van hem gevraagd, of misschien was mijn opdracht om in de Assemblee te infiltreren nog gevaarlijker dan ik toen dacht.' In een zeldzaam moment van zelfkritiek bekende ze: 'Ik was driftig en liep te hard van stapel. In feite zijn de dingen niet zo slecht gelopen als ik toen vreesde. We hebben de initiatieven van de opstandige traditionalisten beter weten te pareren dan ik had verwacht.'  

Hokanu hoorde het aan, maar liet zich niet verleiden tot het geloof dat zij de kwestie daarmee voor afgedaan hield. Juist het feit dat alles ogenschijnlijk zo rustig was, op wat kleine, zakelijke schermutselingen na, was een voorbode van onheil. Tsuranese heren waren achterbakse lieden. In hun cultuur bestond al duizenden jaren de grootste achting voor juist die heersers die op subtiele wijze, soms pas na een geheime en ingewikkelde planning gedurende vele jaren, een briljante overwinning hadden weten te behalen. Hoogstwaarschijnlijk wachtte heer Jiro rustig het juiste moment af en was hij druk bezig dat moment voor te bereiden. Hij was geen Minwanabi, hij was niet iemand die conflicten het liefst op een slagveld uitvocht. Het gebod van de Assemblee paste precies in zijn straatje: hij had in feite toestemming gekregen, en onbeperkt de tijd, om naar hartelust tegen de Acoma te intrigeren.  

Noch Mara, noch Hokanu voelde ervoor om dit pijnlijke onderwerp nu uit te diepen. Er viel een stilte tussen hen beiden, waarin de geluiden van het ontwakende landgoed zich helder aftekenden. Het licht dat naar binnen viel veranderde van grijs in goudkleurig roze, en het vrolijke gekwinkeleer van de vogels klonk hoog boven de stemmen van de wachtcommandanten uit. De wisselingen van de wacht vonden sinds Ajiki's dood in en vlak bij het huis plaats.

Wat ook nu onuitgesproken bleef was het vermoeden dat de Anasati in feite het doe/witwas geweest van het valse bewijs dat die tongmoordenaar bij zich had gehad. Jiro en zijn aanhang van traditionalisten wensten Mara's dood, dus zijn vijandigheid leek iets natuurlijks. Er zou echter achter de schermen een derde partij kunnen zijn, die een schisma wilde veroorzaken tussen de Anasati en de Acoma, ook al was de aanslag niet tegen Ajiki, maar tegen Mara gericht geweest. Was zij omgekomen, volgens plan, dan zou Ajiki volgens plan haar erfgenaam zijn geweest. Hokanu, in de kwetsbare positie van regent voor Ajiki, zou dan vast en zeker een moeizame strijd moeten hebben vechten om de Acoma onafhankelijk te houden, zoals zijn vrouwe zou hebben gewenst, en geen vazal van de Anasati te laten worden, ondanks Ajiki's bloedbanden met dat huis.  

Als de verantwoordelijkheid voor Ajiki's dood niet bij Jiro lag, zou alles wat er sindsdien was gebeurd die derde partij in de kaart hebben gespeeld. En misschien was dat dezelfde partij als waar Arakasi op gestuit was, de partij met die geduchte spionnenmeester, die in het netwerk van de Acoma had kunnen binnendringen.

'Ik denk,' zei Hokanu, vriendelijk maar beslist, 'dat we op dit punt geen beslissingen moeten nemen voordat we iets hebben gehoord van Arakasi of een van zijn mensen. Als hij vooruitgang heeft geboekt in zijn studie van de Grootheden, zal hij zeker een manier vinden om ons dat via zijn netwerk te laten weten. En ook als het fout is gegaan. Geen nieuws is goed nieuws, voorlopig.'

Mara zag er bleek en gespannen uit, en opeens rilde ze van de kou en voelde ze zich misselijk worden. Het waren allemaal bijverschijnselen van haar zwangerschap, begreep Hokanu nu. Hij trok haar tegen zich aan en knipte met zijn vingers om haar kamermeisjes te roepen.

Het was een bewijs van zijn toewijding dat hij die ochtend nog uren bij haar bleef om haar geestelijk te steunen en op te monteren. Toen ze zwakjes protesteerde dat hij toch heus wel iets beters te doen moest hebben, glimlachte hij alleen maar. 

 

De bel klonk. Mara veegde een vochtige haarlok van haar voorhoofd en zuchtte. Ze sloot haar ogen om ze wat rust te gunnen na de eindeloze reeks kleine lettertjes en cijfertjes in de rapporten van haar handelsagenten in Sulan-Qu, maar de pauze was van korte duur.

Er kwam een meid binnen met een dienblad. Mara toonde zich even verrast door de storing, maar schikte zich toen in het onvermijdelijke. Het meisje zette het blad met een licht maal op een tafeltje naast het schootblad waar Mara haar papieren op had gelegd. Toen de meesteres haar kant op keek maakte het geknielde dienstmeisje een buiging tot haar hoofd de vloer raakte - een bijna slaafs vertoon van onderdanigheid. Het was dan ook een meisje, zag Mara, dat een met blauw afgebiesd uniform droeg, de kleur van de Shinzawai.

'Mijn vrouwe, de meester heeft me gestuurd om u een middagmaaltijd te brengen. Hij zegt dat u te mager bent en dat de baby niet kan groeien als u niet de tijd neemt om te eten.'

Mara legde een hand op haar ronde buik. Het jongetje dat de vroedvrouwen haar hadden beloofd leek niets te kort te komen. Als ze er zelf misschien een beetje ziekelijk uitzag, dan kwam dat meer door haar ongeduld en zenuwen dan door gebrek aan voedsel. Deze zwangerschap matte haar af, zó verlangde ze naar het einde ervan, en naar de oplossing van de opvolgingskwesties. Ze had niet ten volle beseft hoe afhankelijk ze in de loop van de tijd was geworden van Hokanu's vanzelfsprekende steun en gezelschap, tot deze onder druk waren komen te staan. Haar wens om Justijn alsnog te benoemen tot erfgenaam van de Acoma had een hoge prijs gekost, en ze smachtte naar de geboorte van dit nieuwe kind, dat aan haar onenigheid met Hokanu een einde zou kunnen maken.  

Maar de maanden tot de berekende datum van de bevalling leken eeuwen te duren. Mara staarde peinzend naar buiten, waar de akasiranken in bloei stonden en slaven druk in de weer waren ze te snoeien om de wandelpaden vrij te houden. De zware bloesemgeur herinnerde haar aan een andere werkkamer, in haar vorige huis, en aan een dag in het verleden, toen een roodharige barbaarse slaaf was begonnen haar hele concept van de Tsuranese cultuur op zijn kop te zetten. Tegenwoordig was Hokanu de enige man in het keizerrijk die haar progressieve dromen en ideeën nog scheen te delen, maar gesprekken met hem liepen de laatste tijd bijna altijd uit op gekibbel over de erfopvolging.  

Het dienstmeisje had zich onopvallend teruggetrokken. Mara bekeek het blad met fruit, brood en gekoelde kaas zonder veel enthousiasme, maar ze dwong zichzelf een bord te vullen en het leeg te eten, al proefde ze het voedsel nauwelijks op haar tong. Uit ervaring wist ze dat Hokanu zou komen kijken of ze braaf was geweest, en ze wilde liever niet geconfronteerd worden met de smekende tederheid in zijn ogen die ze zou zien als ze haar eigen zin zou doen en het maal onaangeraakt zou laten.  

Het laatste rapport dat ze had gelezen was veel ernstiger geweest dan het op het eerste oog had geleken. Een pakhuis bij de rivier was afgebrand, waarbij veel schade was aangericht aan een voorraad huiden die van de lentemarkt weg was gehouden. De prijzen waren dit seizoen ver onder de maat gebleven, en liever dan de huiden met een zo magere winstmarge te verkopen had Jican ze opzij laten leggen om ze later in het jaar aan sandalenmakers te geven. Mara fronste haar voorhoofd. Toen zette ze haar nauwelijks aangeraakte blad met eten weg, puur automatisch. Hoewel het geen geheim was dat haar huis het enige van alle huizen in het keizerrijk was dat aan dragers, landarbeiders en andere slaven sandalen verstrekte, was dat feit tot nu toe hoogstens het onderwerp van wat spot en geroddel geweest. Conservatieve heren lachten haar uit en beweerden dat slaven haar huishouding voerden, en een irritante, stokoude priester van Chochocan, de Goede God, had haar in een ruzieachtige brief gewaarschuwd dat een te vriendelijke behandeling van slavenvolk indruiste tegen de wil van de goden. Als u hun leven te gemakkelijk maakt, had de man namens de goden uitgelegd, doen ze onvoldoende boete om de gunst van de hemel terug te winnen. In dat geval konden ze op het Wiel van het Leven terugkeren als rat of zoiets minderwaardigs, om alsnog te boeten voor hun luie leventje van nu. Wie slaven behoedde voor zweren en blaren op hun voetzolen deed zulks derhalve ten koste van hun eeuwige zielenheil.  

Mara had de misnoegde priester een briefje vol sussende banaliteiten teruggeschreven en was gewoon doorgegaan met het verstrekken van sandalen.  

Het huidige weekrapport, op zich slechts een standaardverslag met de handtekening en een slordige stempelafdruk van haar agent eronder, was echter iets heel anders dan het gemummel van een seniele geestelijke. Voor het eerst had een vijand geprobeerd deze gril van haar te misbruiken om het huis Acoma schade toe te brengen. Na deze beschadiging van een voorraad huiden, zo kon ze nu al voorspellen, zou er in de slavenbarakken opeens het gerucht rondgaan dat ze deze brand zelf had laten stichten, om op die manier de kosten van nieuwe sandalen uit te sparen. Aangezien het bezit van schoeisel de slaven van de Acoma niet alleen comfort verschafte, maar ook veel prestige bij hun lotgenoten in andere huizen, was het een privilege waar ze bijzonder vurig aan gehecht waren. Hoewel geen Tsuranese slaaf of slavin ooit in opstand zou komen, omdat ongehoorzaamheid aan de meester of meesteres tegen de wil van de goden was, zou zelfs het gerucht van het uitblijven van het jaarlijkse paar sandalen tot wrok kunnen leiden die van buiten niet te zien was, maar zich uitte in slordig werk op de akkers en andere blijken van ongemotiveerdheid. Dat zou een subtiele, maar meetbare invloed op de winsten van de Acoma kunnen hebben. De aangestoken brand in dat pakhuis was ook anderszins een buitengewoon slimme zet. Om het voorziene effect van de krapte aan leer te kunnen neutraliseren, namelijk door een voortzetting van het normale beleid aan te kondigen, moest Mara immers haar sandalenbeleid zo nadrukkelijk onder ieders aandacht brengen dat ook anderen dan een enkele oude fanatiekeling in een tempel er aanstoot aan zouden kunnen nemen. In sommige kringen zou het duidelijk maken dat ze kwetsbaar was, en sommige tempels zouden hun vriendelijke houding tegenover haar kunnen vervangen door een neutrale of zelfs vijandige.  

Ze kon zich geen moeilijkheden met de priesterorden veroorloven nu de gezamenlijke vijanden van haarzelf en van de keizer al samenspanden om haar te ruïneren.

Het middagmaal bleef verder onaangeroerd. Mara pakte pen en papier en schreef een machtiging voor haar agent in Sulan-Qu om nieuw leer te kopen voor de sandalenmakers. Toen stuurde ze een bode om Jican te halen. Ze instrueerde hem om via zijn agenten en opzichters alert te zijn op geruchten over sandalen voor de slaven, en deze overal meteen de kop in te laten drukken.  

Tegen de tijd dat ze alles had geregeld was het fruit op haar dienblad verlept en de kaas lauwwarm geworden in de hete, vochtige middaglucht. Toen ze zich in een volgend rapport had verdiept, deze keer een actie die was bedoeld om de Anasati dwars te zitten, hoorde ze opeens voetstappen bij het scherm.

'Neem het blad maar weer mee,' mompelde ze zonder op te kijken.

Veronderstellend dat de bediende stilletjes zou doen wat ze had gevraagd, zoals altijd, ging ze verder met haar lectuur. Hoeveel handelskaravanen van de Anasati er ook overvallen werden, hoeveel van hun graanvelden in brand gestoken of hoeveel van hun schepen 'per ongeluk' naar de verkeerde haven gestuurd, het waren allemaal succesjes die Mara slechts weinig vreugde bezorgden. Ze verminderden haar smeulende hartsverdriet niet. Ze stond op het punt het perkament te verfrommelen, zo heftig verlangde ze opeens naar een manier om haar vijand ergens te raken waar het hem pijn zou doen.  

Een hand reikte over haar schouder en trok het rapport uit haar vingers. Daarna begonnen twee handen zachtjes haar nek te masseren, die pijnlijk stijf was geworden. 'De kok zal vragen of hij zelfmoord mag plegen, als hij ziet hoe weinig je vandaag van zijn middagmaalt je hebt willen nemen, vrouwe,' zei Hokanu in haar oor. Hij gaf haar daarna een kus op de kruin van haar hoofd, terwijl Mara een blos kreeg omdat ze hem voor een bediende had gehouden.  

Ze keek met een spijtige blik naar het verpieterde eten. 'Vergeef me. Ik raakte zo in beslag genomen, dat ik het gewoon vergeten ben.' Zuchtend draaide ze zich half om en gaf haar echtgenoot een kus.

'Waardoor deze keer? Zat er weer schimmel in de zakken met thyza?' vroeg hij, met een twinkeling in zijn ogen.

Mara wreef over haar pijnlijk bonkende voorhoofd. 'Nee. Het leer voor de sandalenmakers. We kopen vervangende huiden.'

Hokanu knikte. Hij was een van de weinige mannen in het keizerrijk die net als Mara van mening waren dat sandalen voor slaven géén weggegooid geld waren. Beseffend hoe ze bofte met zo iemand als echtgenoot, omhelsde ze hem. Ze deed zelfs een heroïsche poging om iets van het dienblad te pakken, maar Hokanu hield haar resoluut tegen. 'Dat spul is niet meer goed. We laten een nieuw blad brengen en ik blijf hier en deel het met jou. We zijn de laatste tijd veel te weinig samen geweest.'

Hij liep om haar kussen heen. Zijn gracieuze schermersmanier van bewegen verborg een stel dodelijke reflexen, wist Mara. Hokanu droeg een los zijden gewaad, met een ceintuur van aan elkaar geregen schelpen en een gesp die was ingelegd met lapis lazuli. Zijn haren waren nat, hetgeen betekende dat hij was gekomen na het bad dat hij altijd nam nadat hij met de officieren had geoefend. Jij hebt misschien geen honger, maar ik zou een hele harulth op kunnen,' zei hij. 'Lujan en Kemutali hadden zich voorgenomen om te testen of het aanstaande vaderschap me vadsig had gemaakt.'  

Mara beantwoordde zijn glimlach. 'Zitten ze nu allebei onder de blauwe plekken?' vroeg ze op hoopvolle toon.

Hokanu's antwoord klonk spijtig. 'Net als ik, tot een paar minuten geleden.'  

'Bén je dan vadsig geworden?' drong Mara aan.

'Goden, nee!' Hokanu lachte. 'Onmogelijk in dit huis. Justijn heeft me alleen al op weg naar mijn bad twee keer vanuit een hinderlaag aangevallen, en na het bad nóg eens.' Beseffend dat hij met het noemen van haar zoontje op gevaarlijk terrein was gekomen, verliet hij dat pijnlijke onderwerp snel ten gunste van iets heel anders. 'Waarom heb je toch nog steeds die frons tussen je wenkbrauwen?' vroeg hij. 'Of ben jij ook aan het testen of ik vadsig geworden ben?'

Die verrassende vraag ontlokte haar een lach. 'Nee. Ik weet hoe licht je slaapt, lieve. Ik weet dat je vadsig wordt zodra je ophoudt 's nachts bij het minste of geringste vreemde geluidje overeind te schieten en met kussens te gaan smijten.'

Blij haar zo vrolijk te zien, al was het maar even, klapte Hokanu in zijn handen om een bediende te roepen en een nieuwe maaltijd te bestellen. Toen hij dat in een paar tellen had geregeld, en zich weer tot Mara wendde, zag hij aan de verre blik in haar ogen dat hij haar alweer kwijt was aan haar gepeins. Haar handen lagen verkrampt op haar schoot, met vervlochten vingers, zoals altijd wanneer ze piekerde over de taak die ze haar spionnenmeester had opgelegd.

Zijn vermoeden werd meteen bevestigd. 'Ik vraag me af hoe ver Arakasi is gekomen met zijn poging om de Stad der Magiërs binnen te dringen,' zei ze.

'Daar wil ik pas na het eten over praten,' antwoordde Hokanu op plagerige toon. 'Als je zo weinig blijft eten is er straks alleen nog een dikke buik van je over.'  

'Gevuld met onze zoon en erfopvolger!' repliceerde Mara, eveneens speels, maar ietwat onnadenkend, want nu bracht zij het gevoelige onderwerp ter sprake.  

Hokanu ging er echter niet op in. Hij wilde haar stemming niet bederven, want ze moest iets eten van het voedsel dat hij had laten komen. Zo bezien was Arakasi's infiltratie van het bolwerk van de Assemblee eigenlijk een veel veiliger gespreksonderwerp.

 

Arakasi zat op dat moment in een rumoerige wegherberg in het noorden van de provincie Neshka. Hij droeg het gestreepte gewaad van een vrije karavaan-drijver, die authentiek naar nidra's stonk. Zijn rechteroog leek een beetje te loensen en het linkeroog scheen de aandacht daarvan te willen afleiden door vaak te knipperen, al kon dat ook te maken hebben met de brandende smaak van het goedje dat de mensen uit Thun van bepaalde toendrakruiden wisten te brouwen. Arakasi bevochtigde zijn tong nog eens met het scherpe drankje en offreerde de fles toen aan de karavaanmeester die hij nu al een paar uur dronken probeerde te voeren.  

De karavaanmeester kon helaas wonderbaarlijk goed tegen drank. Het was een kale man, met massieve spieren, een bulderende lach en de vervelende gewoonte zijn kameraden joviaal op hun rug te slaan - hetgeen wel de reden zou zijn, overwoog Arakasi, waarom de bankplaatsen links en rechts van hem leeg waren geweest. Hij had zelf blauwe plekken op zijn ribbenkast, nadat de man hem door zijn enthousiaste klappen een paar keer tegen de tafelrand aan had geramd. Hij had beter iemand anders kunnen zoeken om uit te horen, vond hij achteraf. De andere karavaan-meesters hadden echter de neiging bij hun team te blijven en hij had iemand nodig die zich had afgezonderd. In een hechte groep binnendringen om daar iemand uit los te weken zou waarschijnlijk te veel tijd kosten. Hij had er wel het geduld voor, want hij had vaak maanden de tijd genomen om het vertrouwen te winnen van sleutelfiguren die hij nodig had om vitale informatie te vergaren, maar in deze afgelegen streek zou hij in zo'n groepje opvallen als iemand die vragen stelde waar elke locale veedrijver het antwoord op kende.  

'Verdomme,' kreunde de karavaan-meester, veel te luid naar Arakasi's smaak, 'kun je me zeggen waarom iemand vrijwillig zulke pis zuipt?' De man tilde de fles op met een van zijn hammen van handen en tuurde achterdochtig naar de inhoud. 'Smaakt giftig genoeg om je tong dicht te schroeien.' Hij sloot zijn lofrede af door nogmaals een flinke teug te nemen.  

Arakasi zag een volgende vriendschappelijke klap aankomen en zette zijn handen tijdig schrap tegen de tafelrand. De por raakte hem deze keer midden tussen zijn schouderbladen en deed indirect het goedkope glaswerk op de tafel rinkelen.  

'Hé!' riep de herbergier vanachter de tapkast. 'Geen vechtpartijen hier!'

De karavaan-meester boerde. 'Stomme vent,' fluisterde hij. De dranklucht die uit zijn mond kwam was om te snijden. 'Als we dingen kapot wilden maken zouden we de tafels oppakken en door de wanden rammen, en zo de hele tent neerhalen. Daar zou weinig aan verloren gaan. Zie je al die spinnenwebben? En de hangmatten hier zitten vol bijtend ongedierte.'  

Arakasi keek naar de zware schraagtafels en moest toegeven dat ze geschikte stormrammen zouden zijn. 'Sterk genoeg om de poorten van de Stad der Magiërs open te beuken,' mompelde hij op een suggestieve toon.  

'Ha!' De man zette de fles zo hard neer dat het glaswerk weer rinkelde. 'Alleen een gek zou zoiets proberen. Heb je gehoord van die jongen die zich vorige maand in een wagen had verstopt? Nou, ik zal je zeggen, de knechten van die magiërs hebben de lading doorzocht, maar de knaap niet gevonden. Maar toen de kar onder de poort door reed, je weet wel, de laatste boog voor de brug naar het eiland, schoot er een lichtstraal naar beneden die de hele baal wol wegschroeide waarin de jongen zich had gewikkeld.' De karavaan-meester lachte bulderend en sloeg met zijn enorme vuist op tafel. 'Groot tumult, dat zeg ik je! De knechten van de magiërs renden paniekerig rond en riepen waarschuwingen en weet ik wat allemaal. En die jongen gilde zo hard dat ze het tot in Dustar konden horen en schoot weg, het bos in, alsof duizend vurige duivels hem op de hielen zaten. Daar vonden ze hem later. Hij had zich verstopt in het schuurtje van een houtskoolbrander. Zonder een schrammetje, hoor, maar het duurde dagen voordat hij ophield met huilen.' De karavaan-meester wees naar zijn slaap en knipoogde veelzeggend. 'Ze hadden zijn koppie op hol gebracht, snap je? Hij dacht dat hij werd opgevreten door vurige draken of zoiets.'  

Arakasi verwerkte dit terwijl de karavaanmeester nogmaals een slok nam. Daarna veegde hij zijn lippen af met zijn harige pols en keek Mara's spionnenmeester nadrukkelijk aan. Hij dempte zijn stemgeluid en liet het enigszins dreigend klinken. 'Dus zelfs geen grápjes over de poorten van die gasten! Ruzie met de Assemblee, dat zou ons allemaal onze baan kosten. Ik heb geen zin om mijn leven als slaaf te beëindigen, heus niet!'  

'Maar de jongen die voor de grap probeerde naar binnen te glippen is zijn vrijheid niet kwijtgeraakt,' merkte Arakasi op.

'Dat zou misschien beter zijn geweest,' zei de man op lugubere toon. Hij nam nog een slok. 'Misschien. Hij doet geen oog meer dicht, door al die nachtmerries, en overdag loopt hij rond als een slaapwandelaar. Zijn kop is nog steeds in de war, snap je?'

De karavaanmeester liet zijn stemvolume voor alle zekerheid nog wat verder zakken. 'Ik heb horen zeggen dat ze weten wat er omgaat in de geest van mensen die het eiland proberen te bereiken. Omdat dit een jonge knaap was, die alleen maar een lolletje wilde uithalen, hebben ze hem in leven gelaten. Maar als je kwaad op het oog hebt...' Hij stak zijn vlezige hand uit en draaide de duim naar beneden. 'Dan eindig je op de bodem van dat meer, heb ik gehoord.' Op hese fluistertoon vervolgde hij: 'De hele bodem is met lijken bezaaid. Het is daar namelijk zo koud dat ze niet opzwellen en naar boven komen drijven, snap je? De dooien blijven daar gewoon liggen.' Met een knikje, als laatste bevestiging, rondde de karavaan-meester zijn verhaal af, nu weer op normale spreektoon: 'Magiërs houden niet van indringers, dat is een feit.'

'Nou, op de magiërs dan maar!' Arakasi hief de fles demonstratief in de hoogte en nam toen een slok. Hij voelde zich langzamerhand machteloos. De opdracht die Mara hem had gegeven was op het onmogelijke af! Karavanen reisden niet verder dan tot aan de poort van de brug over de rivier. Daar gaven de wagenvoerders de leidsels over aan bedienden uit de binnenstad. Alle karren en wagens werden grondig doorzocht voordat ze verder mochten rijden. De brug leidde niet eens tot aan het eiland zelf, maar eindigde in een soort kade. Daar werden de aangevoerde goederen overgeladen op schuiten, nadat ze nogmaals grondig waren doorzocht, en naar de eigenlijke Stad der Magiërs gevaren.

Dit was al de derde man die hem over het lot van indringers verhaalde. Het lukte simpelweg niet om in de Stad der Magiërs binnen te komen, en wie het niettemin probeerde werd ofwel op magische wijze naar een waterig graf verplaatst, ofwel tot krankzinnigheid gedreven.

Geconfronteerd met deze sombere conclusie, nam Arakasi nog maar een slok van het scherpe drankje om zich moed in te drinken. Daarna liet hij de bijna lege fles bij de harige karavaanmeester achter en glipte hij onopvallend naar buiten om het toilet te gebruiken.

In de stinkende schemering van dat houten gebouwtje bestudeerde Arakasi de collectie initialen, gore teksten, namen van favoriete dames van het Rieten Leven die de reizigers in meer zuidelijk gelegen bordelen hadden moeten achterlaten, primitieve tekeningen en vernietigende kritiek op de kwaliteit van het bier die daar door generaties van wagenvoerders en karavaan-knechten waren achtergelaten. Daaronder bevond zich ook het tekentje dat hij zocht: een gestileerd, in wit krijt getekend staand figuurtje. Ter hoogte van de knieën had het een overbodig dwarsstreepje, alsof de hand van de tekenaar daar wegens zijn haast even was uitgeschoten. Bij het zien van dat streepje sloot Arakasi zijn vermoeide ogen en slaakte hij een zucht van verlichting.  

Zijn spion, toevallig een hulpje van een houtskoolbrander, was hier geweest, en het nieuws was goed. Het handelsagentschap van dat pakhuis waar zijn vijanden hem bijna in de luren hadden gelegd was nu tweeënhalf jaar buiten zijn netwerk gehouden, maar eindelijk had de verver aan de overkant van de straat zijn oudste leerling promotie gegeven. De koopmanszoon die naar de nu vacante positie zou solliciteren zou een spion van de Acoma zijn. Eindelijk zou Arakasi kunnen beginnen zijn netwerk daar te herstellen. Sinds zijn nipte ontsnapping op die zwarte dag was het agentschap uitsluitend voor handelsdoeleinden gebruikt. De eigenaar had zijn degradatie van spion tot handelsagent met Tsuranese gelatenheid aanvaard. Hij en Arakasi hadden hun medewerkers en tussenpersonen graag meteen elders ingezet, maar dat zou onvoorzichtig zijn geweest. De mannen waren waardevol en konden elders, liefst ver weg, nuttig worden ingezet, maar niet zo lang de handelspost nog zorgvuldig in het oog werd gehouden. En gezien de bekwaamheid van zijn tegenstander was dat iets waar Arakasi van uitging. Hij had het probleem daarom op een ergerlijk langzame manier van een heel andere kant moeten aanpakken: hij moest iemand hebben die hem kon vertellen óf het huis nog in de gaten werd gehouden. Een spion bij de verver aan de overkant van de straat zou hem die informatie op de duur kunnen geven.

Opeens beseffend dat hij niet al te lang op het toilet kon blijven, maakte hij de te verwachten geluiden en opende de krakende deur naar buiten. Daar bedacht hij dat die vacature bij de verver misschien helemáál geen gelukkig toeval was. Als hij zijn slimme vijand was, zou hij dan niet zélf iemand in die gunstige positie willen plaatsen? Je kon van daaruit het pakhuis en het kantoor van de agent veel onopvallender in het oog houden dan met behulp van telkens andere zwervers en lanterfanters in portieken.  

Het vermoeden werd een kille zekerheid, want Arakasi hield zijn tegen" stander voor minstens even slim als hijzelf. Hij draaide zich mompelend om, alsof hij opeens had ontdekt dat hij iets vergeten was, en ging weer naar binnen, nadat hij een staljongen die het binnenplaatsje overstak en hem bijna voor was opzij had geduwd.

'Ha, daar ligt hij gelukkig nog,' zei hij hardop, alsof het heel gewoon was dat iemand belangrijke dingen in de toiletruimte liet liggen. Met zijn ene hand trok hij een parelmoeren knoop van zijn manchet en met de andere veegde hij het kopje van het krijtfiguurtje uit en kraste er toen met zijn duimnagel een obsceen symbooltje voor in de plaats.

Hij haastte zich naar buiten. De opzijgeduwde jongen stond hem kwaad op te wachten. Arakasi haalde zijn schouders op en liet de knoop zien. 'Een amulet van mijn liefje,' zei hij verontschuldigend. 'Ze vermoordt me als ik het ding kwijtraak.'

De staljongen grijnsde meelevend en haastte zich toen het hokje binnen. Hij had waarschijnlijk meer bier naar binnen gewerkt dan zijn blaas aankon. Arakasi wachtte tot de deur goed dicht was en glipte toen weg in het bos naast de weg. Met wat geluk zou het hulpje van de kolenbrander hier binnen een week langskomen. Hij zou de veranderde krijttekening zien en het obscene tekentje uitleggen als een signaal dat de koopmanszoon niet moest proberen om als verversleerling aangenomen te worden. Terwijl Arakasi zich geluidloos tussen de naaldbomen door bewoog, onder een grijze hemel die niet bij het jaargetijde paste, overwoog hij dat het verstandig zou zijn om de nieuwe leerjongen in het oog te laten houden. Als de knaap geen dubbel spel speelde, kon het geen kwaad en was er niets verloren, maar als hij wél een spion was, zoals Arakasi's intuïtie hem ingaf, zou dat misschien een spoor naar diens meester kunnen opleveren...  

 

Later lag Arakasi op zijn buik in vochtig struikgewas te rillen in de voor hem ongewone kilte van de noordelijke streken. Een lichte regen en een briesje vanaf het meer spanden samen om het hem zuur te maken. Toch had hij hier al vele uren doorgebracht, bij verschillende gelegenheden. Vanaf dit uitkijkpunt in het bos, op een ver naar voren stekend schiereiland, kon hij zowel de toegangspoort van de brug zien als de kade waar de knechten van de magiërs de binnenkomende goederen op veerboten overlaadden en ze naar de stad aan de overkant brachten. Hij had allang vastgesteld dat een poging om zich op deze manier naar binnen te laten smokkelen gedoemd was te mislukken. Het verhaal van de karavaanmeester had alleen maar bevestigd wat hij vermoedde: dat de binnenkomende spullen ook met magische middelen werden gescreend op verstekelingen. Wat hij nu zocht was een manier om de stad binnen te komen zónder onder dat kennelijk alziende oog op de poortboog door te hoeven.  

Het eiland lag te ver weg om er naar toe te zwemmen. Vanaf de plek waar Arakasi lag leek de stad een versmolten massa van spitse torens, waarvan er één hoog genoeg leek om tot in de wolken te reiken. Met behulp van een verrekijker kon hij hoog oprijzende huizen, smalle straten en vele boogvormige loopbruggen tussen de gevelwanden onderscheiden. Aan de kant van het meer stonden de hoge stenen huizen dicht tegen elkaar aan. Hun vensters hadden vreemde vormen en de bogen boven hun voordeuren waren eveneens ongewoon. De stad had geen ommuring en, als hij het goed zag, ook geen wachters. Dat sloot natuurlijk niet uit dat er esoterische vormen van bewaking van kracht waren, maar het was evident dat een póging om binnen te dringen alleen mogelijk was via een nachtelijk boottocht je. En dan moest je ergens een lage tuinmuur of een spleet zien te vinden om de stad in te kunnen.  

Arakasi zuchtte. Dit was een klus voor een dief. Bovendien had hij een boot nodig, terwijl er hier noch dorpjes, noch vissers in de buurt waren. Zelfs dat bootje moest dus al hierheen worden gesmokkeld op een kar, en dat zou niet meevallen, want in de karavanen die deze route bereisden kende iedereen elkaar. Hij zou een man nodig hebben die tot dat soort heimelijkheid bereid en in staat was, en juist in handelskaravanen waren die met een lampje te zoeken. Dat waren dus alweer twee problemen waarvoor hij geen snelle, gemakkelijke oplossing kon bedenken. Mara zou lang moeten wachten op informatie die - in alle eerlijkheid gezegd - misschien zelfs onmógelijk te verwerven was.  

Als praktisch iemand, zoals steeds, stond Arakasi op van de vochtige grond en trok zich verder in het bos terug. Hij masseerde zijn stijve nek, veegde de nattigheid van zijn kleren en keerde terug naar de wegherberg. Onder het lopen dacht hij diep na, een gewoonte die hem al vaak veelbelovende ingevingen had opgeleverd. Ook deze keer concentreerde hij zich niet op het probleem dat hem acuut frustreerde, maar juist op iets heel anders -iets wat hem aanvankelijk niet was opgevallen, maar de laatste tijd steeds pijnlijker was gaan dwarszitten: Het probleem van de spionnen bij de Anasati. Wat hij ook probeerde, het bleek onmogelijk om zelfs maar een begin te maken met het plaatsen van nieuwe spionnen in of bij het huishouden van de Anasati. Hij had daar nog maar een enkele contactpersoon, maar dat was een ouder iemand - destijds een vertrouweling van Jiro's vader. De jonge Heer van de Anasati was niet gesteld op die bediende en had hem gedegradeerd naar een onbenullige positie. Sindsdien was zijn informatie bijna even waardeloos als de geruchten die je op straat kon horen. Maar de laatste tijd was Arakasi zich gaan afvragen of het wel toevállig was dat het hem niet lukte een spion te plaatsen.  

Jawel, het had een onschuldige samenloop van omstandigheden geleken, telkens weer. Elk van zijn zeven pogingen leek mislukt door pure pech of een ongelukkige timing: Jiro in een rothumeur, een agent te weerspannig om een oude vriend een gunst te verlenen, en laatst een geval van buikloop, waardoor een vertrouwde bediende verhinderd was een goed woordje te doen voor een nieuweling.

Arakasi bleef abrupt staan, zonder zich iets aan te trekken van de regen, die inmiddels heviger was geworden. Hij voelde de kou niet meer, en zelfs niet de nattigheid die via zijn halsboordje naar binnen sijpelde, maar rilde om een heel andere reden. Hij was een stommeling geweest dat hij niet al veel eerder iets had vermoed! Het was ondenkbaar dat een zo lange reeks van pechgevallen alleen aan toeval te wijten was. Was het niet waarschijnlijker dat zijn pogingen om in het huishouden van de Anasati te infiltreren waren geblokkeerd door iemand die gewoon slimmer was dan hij?

Huiverend begon Arakasi weer te lopen. Hij had de Eerste Adviseur van de vijand, Chumaka, al lange tijd bewonderd. Diens flair voor politieke zaken had de familie al sedert de dagen van Jiro's vader grote voordelen bezorgd. Nu vroeg hij zich af of het Chumaka's sluwheid was die hem de voet dwars zette. Was de oude adviseur zijn ongeziene tegenstander?

En dat bracht hem automatisch tot een volgende stap in de redering. Was het dan niet ook de Anasáti geweest die achter de valstrik in dat pakhuis had gezeten? De gedachte had de elegantie van de eenvoud: was immers de werkzaamheid van slechts één briljante tegenstander niet waarschijnlijker dan die van twee tegelijk?

Ernstig bezorgd versnelde Arakasi zijn pas. Hij moest een droge en warme plek zoeken, waar hij ongestoord kon nadenken, want uit alle mislukkingen moest nu toch worden afgeleid dat hij echt zijn uiterste best moest gaan doen. Het was een vreselijke gedachte dat er een verband bestond tussen deze slimme rivaal en Mara's aartsvijand, zéker als die rivaal ook nog een graadje getalenteerder bleek te zijn dan hij!

Een spion de Stad der Magiërs binnen smokkelen bleek een onmogelijke opgave. Het belang ervan verbleekte inmiddels tegenover het gevaar dat Jiro's adviseur voor Mara's hele netwerk betekende. Arakasi maakte zich daarover geen illusies. Hij begreep heel goed waar het in het Spel van de Raad om ging. Er was meer aan de orde dan alleen een vete tussen twee machtige huizen. Mara was een prominente figuur aan het hof van de keizer, en haar val kon een burgeroorlog doen oplaaien.