30 Achtervolging

 

Mara rende.

Haar voeten bleven regelmatig in het struikgewas haken en haar adem brandde in haar keel en haar longen. Hijgend vocht ze zich een weg naar voren. Ze was allang voorbij het punt waarop haar lichaam rust had moeten krijgen. Ze wist dat het haar dood zou zijn als ze nu zou stoppen. Vijanden zaten meedogenloos achter haar aan. Wanneer ze wegdook onder takken of tussen struiken ving ze soms glimpen op van hun groene harnassen.

Het had iets bijzonder navrants dat haar moordzuchtige achtervolgers de kleur van haar eigen huis droegen, dacht Mara terwijl ze werd voorgedreven door méér dan alleen vrees. Vroeger had die groene kleur juist betekend dat de dragers ervan bereid waren desnoods voor haar te sterven!

Hoevelen waren er inmiddels gestorven, na dit laatste gezamenlijke verraad door de Minwanabi en de Anasati? Saric en Azawari, twee van haar jongere officieren, die ze zo graag had willen redden. De soldaten die ze bij zich had gehad waren capabele krijgers geweest, gekozen om hun inzet en betrouwbaarheid in noodsituaties. Iedereen was vol geweest van de dreiging door de Assemblee. Wie had kunnen vermoeden dat de laatste valstrik, vlak voordat ze haar doel zou bereiken, zo banaal en toch ook zo dodelijk zou kunnen zijn?  

De tunnels van de cho-ja's waren nog maar een klein eindje van haar verwijderd.

Hoewel nog altijd een gezonde vrouw, was Mara niet meer het meisje dat destijds de mantel van de Acoma had overgenomen. De worstelingen en hardloopwedstrijden met haar broer lagen dertig jaar achter haar. Haar adem schuurde door haar keel. Ze kón niet meer, maar toch moest ze verder.

De soldaten haalden haar langzaam maar zeker in. Ze droegen zwaardere harnassen en hadden voor de strijd al een lange mars achter de rug, dus aanvankelijk hadden ze weinig afstand op haar gewonnen. Nu was dat afgelopen. Mara struikelde. Haar vijanden naderden. Een haast eindeloos lijkende periode hoorde ze alleen naderende voetstappen en haar eigen schokkerige hijgen.  

Mara kon niets uitbrengen - ze had geen adem, en haar keel zat dicht van verdriet. Ze had er twee op haar hielen, nog maar enkele passen achter haar. Ze kon de opgeheven zwaarden al bijna voelen en vreesde elk moment de schok van een steek in haar rug, een steek die een roodgloeiende pijn zou veroorzaken, en dan duisternis, niets dan duisternis...

Sterven door het zwaard was een eervolle dood, dacht ze even, maar eigenlijk voelde ze vooral een inktzwarte woede: alles waar ze haar leven lang aan had gewerkt zou worden verwoest door één haatdragende, kortzichtige soldaat die uit was op wraak. Ze kon niets doen, alleen haar afgematte lichaam dwingen om nóg een stap te zetten, en nóg een, in de wetenschap dat nu elke stap de laatste kon zijn. Ze moest denken aan een vluchtend hert, dat, hoe rank en snel ook, tenslotte toch gepakt zou worden door de klauwen van de jagende sorkat.

Mara bereikte een helling. Ze had het te laat door en struikelde, waardoor ze hard op de grond viel. Boven haar - daar waar ze zojuist had gestaan zoefde een zwaard! Een soldaat vloekte grof.  

Mara liet zich over de dorre bladeren opzij rollen. Ze werd gehinderd door haar harnas en vooral door het zwaard aan haar zijde, dat ze met alle geweld bij zich had willen houden. Nu bleef het haken achter een wortel.

Ze richtte zich half op en keek omhoog. Ze zag een verblindende combinatie van groen gebladerte en vlekkerige stukjes van de zonnige hemel. En, boven bedrieglijk vriendelijke Acoma-kleuren, het grijnzende gezicht van een hoog opgerichte vijand. Mara zag hoe het zwaard geheven werd en verwachtte de dood. Ze had geen adem om te schreeuwen, maar kon zich alleen achterover laten vallen, in een laatste, pathetische poging om haar leven te redden.  

Maar op dat moment verscheen de krijger die vlak achter deze aanvaller aan had gerend in haar blikveld, en ook hij had zijn zwaard hoog geheven, en hij liet het nét iets eerder naar beneden komen - en het lichaam dat hij ermee kliefde was dat van de vijand.

Mara snikte van uitputting en opluchting. Pas toen het gewicht van de stervende man half over haar benen heen lag drong het tot haar door dat kennelijk niet álle dragers van een groene wapenrusting verraders waren. Ze zag een bekend gezicht, dat bloedde uit een wond in de wang. 'Xanomu!' riep ze uit. 'Ik dank de goden!'

Xanomu tilde het lijk van haar benen en hielp haar opstaan. Hij stond zelf ook te wankelen op zijn benen, maar hij gaf haar een aansporend duwtje. 'Ga verder, meesteres,' bracht hij schor uit. 'Zoek de cho-ja's. Ik zal uw vijanden tegenhouden.'

Mara wilde hem prijzen, hem haar dankbaarheid te kennen geven, maar ze had niet genoeg adem.

Xanomu zag dat ze het probeerde. 'Zeg maar niets, vrouwe. Ga nu! Er zijn vijanden onderweg en ik ben de enige die ze kan tegenhouden.'

Mara draaide zich om, half verblind door tranen. Dat ze bij de cho-ja's veilig zou zijn, zoals Xanomu droomde, was een illusie. De insectachtigen zouden niet vechten. Ze waren gebonden door het verdrag met de Assemblee en ze zouden inmiddels ook wel hebben vernomen dat zij het gebod van de Grootheden had overtreden.  

Niettemin begon ze weer te rennen. Het alternatief was dat ze ter plekke zou worden afgeslacht, want er waren weer twee potige vijanden uit het struikgewas komen opdagen. Alleen Xanomu's snel afnemende krachten boden haar nog enige bescherming.

De slagenwisseling die ze achter haar rug hoorde duurde maar kort - vijf of zes kletterende klappen. Toen klonk het gorgelende geluid van een doorgesneden keel. Een snelle blik achterom leerde Mara dat het Xanomu was die op deze manier aan zijn einde kwam, de zoveelste held die vandaag zijn leven offerde voor zijn meesteres. In elk geval had zijn actie haar weer enkele tientallen passen voorsprong gegeven. Het woud werd minder dicht, dacht Mara. Of lag het aan haar ogen, of een naderende flauwte van uitputting?  

Ze knipperde met haar ogen om de verblindende natheid van zweet of misschien tranen te verwijderen, maar toen ze ze weer opende zag ze een zwarte wand voor zich. Ze stak instinctief haar handen voor zich uit, als om een val in een gapende afgrond te breken, en voelde haar nagels over chitine schrapen.

Het was een cho-ja, nee, het waren er méér! Ze stonden met hun zwarte lichamen zo dicht om haar heen dat ze haar met hun lijven overeind hielden. Mara hijgde haar longen uit haar lichaam. Ze had geen adem om iets te zeggen, laat staan om zich te verzetten. Ze zat hulpeloos gevangen in een levende omheining van cho-ja's. Ze zag dat het geen krijgers waren, maar werkers - een nauw met elkaar samenwerkende groep voedselverzamelaars, waarschijnlijk, gezien het uur van de dag, op de terugweg naar hun korf.

Mara maakte zichzelf niet wijs dat ze nu in veiligheid was, maar ze nam dankbaar de tijd om een beetje op verhaal te komen. Daarna zei ze tussen haar hortende ademtochten door: 'Jullie moeten... het edict van de Assemblee... gehoorzamen! Jullie mogen... niet vechten!'  

De cho-ja's negeerden die woorden. Ze kónden niet eens vechten, al hadden ze het gewild, want ze waren werkers, en die waren daar niet op toegerust. Ze hadden geen wapens en zelfs geen gereedschappen bij zich, maar toen ze zich nóg iets dichter om haar heen schaarden, omdat Mara's vijanden uit het bos te voorschijn waren gekomen en nu haar kant op renden, besefte de Vrouwe van de Acoma een andere waarheid: deze insectachtigen konden niet vechten, maar wel sterven.  

De leider van de aanvallers schreeuwde iets naar zijn metgezellen en toen stormden ze samen naar voren. Zwaarden flitsten op in het late zonlicht toen ze een van de werkers neersabelden. De insectachtige zakte kronkelend van de pijn in elkaar, maar gaf geen kik. De andere werkers om Mara heen sloten zich dichter aaneen en drukten haar nog steeds zo dicht tegen zich aan dat ze rechtop gehouden werd en zelf geen stap hoefde te zetten. En opeens zetten al die werkers volkomen synchroon een snelle ren in en voerden ze Mara als een stuk wrakhout op een snelle stroming met zich mee. Door de werkers om haar heen en het stof dat ze opwierpen kon Mara niet zien waar ze heen gingen. Haar voeten sleepten af en toe over de grond, en ze verloor een sandaal. Toen voelde ze dat ze een helling op liepen en een paar tellen later daalden ze abrupt af in het duister.  

De ex-soldaten van de Minwanabi renden schreeuwend achter hen aan, de tunnel in. Mara deed geen poging meer om alles te analyseren. Ze werd nog steeds voortgedragen door de werkers, maar nu in een donkere omgeving vol geuren en geluiden die haar vertrouwd waren. Haar ogen wenden slechts langzaam aan het duister, en toen ze omkeek duurde het een hele poos voordat ze uit de schaduwbewegingen afleidde dat de achtervolgende soldaten met hun zwaarden inhakten op het onbeschermde buitenskelet van de werkers die haar droegen, waarvan er al een aantal dood of gewond in de tunnel achter haar lagen.  

Een van de cho-ja's bij Mara bleef opeens staan en produceerde een hoog trillend geluid, en even later werd de lichtcirkel van de uitgang in de verte afgedekt door een zwarte wal. Mara begreep dat de cho-ja's de vluchtweg van de indringers hadden geblokkeerd en dat deze ook háár slechts konden bereiken door zich een weg te hakken door een barricade van levende lichamen.  

Mara was te afgemat om te huilen van opluchting of verdriet. Een deel van haar geest maakte zich nog steeds zorgen, want ze besefte dat de vecht-cho-ja's van deze korf zich nog steeds niet hadden gemeld om de indringers aan te vallen - daarmee zouden ze namelijk het risico lopen door de Assemblee beschuldigd te worden van schending van het oude verdrag met de magiërs. Hoewel ze wist dat cho-ja's individuele levens - zeker die van werkers - geen al te hoge waarde toekenden, speet het haar toch dat deze levens moesten worden geofferd om haar te redden.  

Na een bocht in de tunnel was ook het laatste glimpje licht verdwenen. Mara werd in het pikdonker meegedragen, maar omdat ze sedert haar reis naar Thuril wist dat de cho-ja's van nature dagwezens waren, begreep ze dat het ontbreken van verlichting opzet was. De achtervolgers werden via talloze bochten en kruisingen steeds dieper de korf in gelokt. Ze renden hun ondergang tegemoet. Ze zouden nooit levend uit dit doolhof kunnen wegkomen, de cho-ja's hoefden niet over te gaan tot actief doden: honger en dorst zouden hun werk doen.  

'Breng mijn dank over aan jullie koningin,' mompelde Mara.

De werkers naast haar gaven geen antwoord, hetzij omdat Ze wegens het verdrag liever zwegen, hetzij omdat ze treurden om de dood van hun gesneuvelde makkers. Mara voelde de druk van hun lichamen tegen het hare aan, niet meer hard en dwingend, maar teder, alsof ze een breekbaar kleinood in een reusachtige vuist was. Eindelijk drong het tot haar door dat ze zich ál te zeer had laten verblinden door haar zorgen om haar kinderen. Deze cho-ja's hadden haar niet gered om haar persoonlijk een genoegen te doen, maar omdat ze aan hun eigen belangen dachten, het verslaan van de Assemblee, en omdat ze haar dankbaar waren voor het hierheen brengen van de twee magiërs uit Thuril.  

Deze wezens zagen in haar overleven de kiem van hun vrijheid!

Mara besefte dat het de slaafachtige werkers misschien verboden was met haar te communiceren, maar de kans bestond dat hun koningin niet strikt neutraal had gehandeld, maar zich op discrete wijze achter Mara's politieke doeleinden had geschaard.

De werkers bewogen zich snel en doelbewust in een bepaalde richting. Ze maakten nog geen aanstalten om haar los te laten. Waren ze op een 'klusje' gestuurd dat zogenaamd toevallig in de richting lag van waar Mara graag wilde zijn? Of waren ze geestloos bezig met hun gewone werk en brachten ze haar een totaal verkeerde kant op? In deze fase draaide alles om tijd. Het in leven blijven van haar kinderen vereiste snelle actie!

Mara slikte moeizaam. Ze was nog veel te uitgeput om ook maar één voet op eigen kracht te kunnen verzetten, maar ze kon toch ook niet willoos blijven toestaan dat ze door een tiental snel rennende werkers werd meegevoerd naar een onbekende bestemming.  

Mocht ze het wagen ronduit om vervoer te vragen?

Het zou misschien worden opgevat als een brutaliteit, en dan zou het haar dood kunnen worden als ze, gehinderd door haar harnas, op de rug van een van deze rennende werkers zou proberen te klimmen en wegens gebrek aan medewerking ten val zou komen.

De werkers onder de cho-ja's hadden geen benul van een Tsuranees concept als 'waardigheid'. Toch kon Mara er zichzelf niet toe brengen ze simpelweg als lastdieren te beschouwen. Om die reden, en ook omdat haar krachten en denkvermogen zich aan het herstellen waren, bleef ze zwijgen. Ze herinnerde zich de dag, lang geleden, toen ze in Dustar waren, dat de slaaf Kevin het belachelijke voorstel had gedaan dat haar krijgers zich op de rug van cho-ja's zouden laten vervoeren. Er kwamen tranen in haar ogen toen ze terugdacht aan het moment waarop Lujan het goede voorbeeld had gegeven, hoewel hij bij het zien van zijn grote zwarte 'rijdier' bleek van angst was geweest. En wat hádden ze toen een mooie triomf behaald!

Wie was zij dan wel, dat ze een man als hij praktisch de dood in stuurde, en zelf niet eens de moed had om ook eens op een cho-ja te klimmen?

Maar ze deinsde ervoor terug. Toch zou ze verloren zijn als het haar niet lukte de cho-ja's op een of andere manier bij haar strijd tegen de onderdrukkers te betrekken. Ze moest contact zoeken met de twee magiërs die zich in afgelegen tunnels op haar landgoed verborgen hielden. Als ze niets deed, zouden haar zoon en dochter slachtoffers worden van de eerste de beste troonpretendent - ook als dat niet Jiro zou zijn: ze waren allemaal even meedogenloos. En de magiërs zouden haar nooit ofte nimmer vergeven dat zij het had gewaagd hun almacht te tarten.  

Ze had nog maar één laatste kaart om uit te spelen - het wanhoopsplan dat ze met haar raadgevers vlak voor het uitbreken van de oorlog had opgesteld. En daartoe moest ze om te beginnen op audiëntie bij de koningin van deze korf.  

Ze liep niet over van zelfvertrouwen en moest al haar moed bij elkaar schrapen. 'Breng me naar jullie koningin,' vroeg ze beleefd.

De werkers reageerden niet.

'Ik wil jullie leidster spreken,' drong Mara aan, nu luider.

Weer gaven ze geen antwoord, maar deze keer bleven ze zo abrupt staan dat Mara ervan schrok. 'Ik moet jullie koningin spreken!' schreeuwde ze, en de eis werd in vele echo's herhaald.

Ze waren gestopt bij een zijgang waarin licht brandde. Toen Mara die kant op keek, over de ruggen van de werkers die haar hadden gedragen heen, zag ze een patrouille van krijgers naderen. Het waren cho-ja's die voor dit doel waren gefokt, en ze droegen helmen, net als menselijke soldaten. En de slagleider die voorop liep had zelfs pluimen op zijn helm.

Toen hij bij de kruising was gekomen richtte hij zijn glinsterende zwarte kwarts-ogen op de uitgeputte vrouw, die nu op haar eigen benen tussen de werkers stond. 'Ik ben Tax'ka. Ik ben gekomen om uw verzoek te honoreren en u naar de koningin van deze korf te brengen.'

Mara vergat haar vermoeidheid, zo opgelucht voelde ze zich. Terwijl de werkers opzij gingen om haar door te laten, stapte ze naar voren, maar al na twee passen zakte ze door haar knieën. De slagleider knielde naast haar neer. 'U mag op mijn rug rijden,' zei hij. 'Onze koningin heeft geen geduld voor uw vermoeidheid.'

Mara was te uitgeput om te protesteren tegen die uitlating, die naar menselijke begrippen nogal beledigend was. Ze kwam moeizaam overeind en liet zich door een werker as sis teren bij het beklimmen van het middendeel van de rug van de slagleider. Ze ging schrijlings op een holte tussen twee rugwervels zitten en zocht met onzekere, zweterige handen houvast aan andere uitstekende delen van het gladde buitenskelet. De slagleider scheen geen enkel begrip of gevoel te hebben voor haar menselijke ongemak, want hij zei helemaal niets.

Mara liet zich niet kennen. 'Rennen maar!' zei ze flink. 'Breng me zo snel mogelijk naar jullie koningin.'

De bewegingen van de cho-ja bleken verrassend soepel te zijn. Mara boog zich ver voorover, omklemde de benige hals van haar drager en maakte zich verder geen zorgen meer over de rit. Wel vroeg ze zich af hoe lang ze onderweg zou zijn. Het gangenstelsel van veel korven was zo uitgestrekt dat het uren duurde om het centrum te bereiken, zelfs op de rug van een cho-ja.

Eigenlijk vond Mara het tochtje niet onplezierig. De kruidige warme lucht in de tunnels waaide haar zweet droog en zelf kwam ze eindelijk weer op adem. Natuurlijk waren er kleine onaangenaamheden, zoals de pijnscheuten in haar overbelaste spieren en de gékmakende jeuk van de duizend blaren onder haar harnas, maar alles bij elkaar kreeg ze eindelijk de gelegenheid om een beetje tot rust te komen.  

De slagleider en zijn metgezellen volgden consequent onverlichte gangen, waarin het donkerder was dan in de zwartste nachten bovengronds. Mara zag geen hand voor ogen en kon niets anders doen dan zich blindelings te laten meevoeren en telkens weer te schrikken en paniekerig naar beter houvast te graaien bij scherpe bochten en andere onvoorziene tempowisselingen. Ergens onderweg informeerde de slagleider naar haar welbevinden, en Mara antwoordde hem vaag geruststellend - geheel tegen haar eigenlijke gevoelens in. Uiteindelijk kneep ze haar ogen stijf dicht om op die manier een schijn van zelfgekozen veiligheid te creëren, maar ook dat lukte niet al te best, want telkens wanneer ze haar ogen van schrik opende zag ze dezelfde inktzwarte duisternis voor zich als met de ogen dicht. En dat was allerminst geruststellend.  

Uiteindelijk zocht ze haar heil in de meditaties die ze als jonge kloosterlinge had geleerd.  

En een onbepaalde tijd later hoorde ze iemand haar naam uitspreken. 

Mara opende haar ogen, maar deed ze bijna meteen weer dicht, zo fel was het gecombineerde schijnsel van de blauwe cho-jabollen en de witgele olielampen in de ruimte waar ze zich bevond.  

Toen stapte ze met stijve bewegingen van de rug van de slagleider af. Deze richtte zich vervolgens op en salueerde voor haar. 'Het was mij een genoegen, vrouwe. Onze leidster verwacht u.'

Mara knipperde met haar ogen en keek om zich heen in de ruime grot. Voor zich uit zag ze iets vertrouwds: een podium van opgehoogde grond. Daarop resideerde de koningin, wier kolossale massa grotendeels schuilging achter kostbare gordijnen. Toen ze naar dat hoog boven haar uit torenende wezen opkeek knikten Mara's knieën niet alleen meer van vermoeidheid.

 

De koningin wachtte tot haar menselijke bezoekster zich had opgericht uit haar buiging. Ze keek Mara met ijzige, zwarte ogen aan en sprak voordat de Vrouwe van de Acoma ook maar een enkel woordje van begroeting had kunnen zeggen.

'We kunnen u niet helpen, vrouwe Mara. U hebt door uw handelingen de Assemblee der Magiërs tegen u ingenomen, en ons is verboden wie dan ook te helpen die zij hun vijand noemen.'

Mara rechtte haar rug. Toen zette ze haar helm af en wreef de natte slierten van haar haren naar achter. Ze liet de nutteloze helm aan zijn riem in haar hand bungelen. Ze knikte naar de koningin. Ze had nu geen andere keus dan de stoutmoedigste weg te kiezen die ze ooit had gevolgd. 'Vrouwe koningin,' zei ze, met een zo vaste stem als ze in haar zenuwen maar kon opbrengen, 'ik vrees dat ik het niet met u eens ben. U moet me helpen. De keuze is u uit handen genomen, want de voorwaarden van uw verdrag met de Assemblee zijn al overtreden.'

Er volgde een oorverdovende stilte. Het enorme hoofd van de koningin week een eindje achteruit. 'U spreekt uit onwetendheid, vrouwe Mara.'

Mara was zich scherp bewust van het acute gevaar waarin ze verkeerde. Ze sloot haar ogen, haalde diep adem, slikte. Ze moest vechten tegen een irrationele aandrang om weg te rennen. Dat zou niets oplossen - nog afgezien daarvan dat ze zich hier ergens diep onder de grond bevond. Ze was aan de genade van de cho-ja's overgeleverd. Als zij haar niet wilden helpen, dan was alles verloren.  

'Niet zo onwetend als u denkt,' antwoordde ze.

De koningin bleef neutraal. In elk geval trok ze zich nog niet terug achter haar gordijnen. 'Spreek dan verder, vrouwe Mara.'

'Uw verdrag is geschonden,' zei Mara onverbloemd. 'Niet door u, goede koningin, maar door mij.' De stilte die volgde was ijzingwekkend. Mara slikte haar angst weg en vervolgde: 'Ik verbrak het verdrag, dat in de ogen van elk onbevooroordeeld iemand unfair is. Ik ben naar Chakaha gegaan. Ik heb daar met uw soortgenoten gesproken, en ik zag dat zij daar leefden zoals dat bij hun en uw aangeboren aard past: boven de grond, vrij, en gelukkig. Ik heb me toen een oordeel aangemeten, goede koningin. Ik heb mij veranderingen voorgenomen tot nut van zowel uw ras als het mijne. Ik heb een bondgenootschap durven vragen en toen ik terugkeerde naar de kusten van dit keizerrijk had ik twee van uw magiërs bij me, die me zijn meegegeven om uw zaak te steunen.'  

Het was alsof het na deze woorden nog stiller werd. Mara had het gevoel dat ze haar stem moest verheffen tegen een verstikkende deken van onuitgesproken afkeuring. Ze vervolgde: 'Deze magiërs houden zich schuil in een buiten gebruik gesteld deel van de korf in mijn eigen land. De Assemblee zal niet de moeite nemen om na te gaan of uw volk wel of niet schuldig is aan die overtreding. Ze zal alle cho-ja's als verraders en samenzweerders zien, en dienovereenkomstig handelen. Daarom is het verdrag reeds verbroken, en wel door mij, maar ten nutte van dit hele keizerrijk, waarin de cho-ja's nu moeten vechten om hun rechtmatige, vrije positie te herwinnen!'  

De drukkende stilte duurde maar voort. 'Hebt u nog meer te zeggen?' vroeg de koningin na een eeuwigheid. Haar stem klonk als brekend kristal.

In reactie hierop maakte Mara een diepe buiging. 'Mijn boodschap aan u is hiermee voltooid.'

De koningin haalde sissend adem. Daarna bewoog ze haar kolossale bovenlichaam een paar keer deinend van voor naar achter en weer terug. Tenslotte hernam ze haar oude, zo te zien ontspannen houding. Haar ogen glinsterden. 'Vrouwe, niettemin kunnen we u niet helpen.'

'Wablief?' De volkse uitroep ontglipte Mara, en ze probeerde dat te neutraliseren door nogmaals een diepe buiging te maken, deze keer op het onderdanige af. 'De voorwaarden van het verdrag zijn geschonden. Wilt u niet van deze gelegenheid gebruik maken om uw vrijheid en uw rechtmatige positie te heroveren?'

Het leek alsof er iets van droefheid doorklonk in de stem van de koningin: 'Vrouwe, dat kunnen we niet. We hebben ons woord gegeven. Het verbreken van het verdrag was uw daad, uw verraad. U kent onze gewoonten onvoldoende. Het is voor ons onmógelijk om een eed te schenden.'  

Mara fronste haar voorhoofd. Dit gesprek verliep heel anders dan zij had verwacht. 'Dat begrijp ik niet,' zei ze eenvoudig. Ze was nu weer doodsbang.

'Het breken van beloften is een menselijke gewoonte,' verklaarde de koningin zonder verwijt in haar stem.

Mara begreep het nog steeds niet, maar deed haar best. 'Ik weet dat uw soort nooit iets vergeet,' mijmerde ze hardop, in de hoop daarmee een nadere toelichting uit te lokken.

De koningin voldeed aan die onuitgesproken, maar duidelijke wens. 'Een eenmaal door ons gegeven woord kán door ons niet worden gebroken. Dat is de reden waarom de mensen ons in de loop van de eeuwen steeds onder de duim hebben kunnen houden. Elke oorlog eindigde met een verdrag waaraan wij ons krachtens onze aard volledig gebonden achtten. Mensen hebben geen last van die instinctieve, aangeboren rem. Ze kunnen gerust hun erewoord schenden, zonder er dood aan te gaan. We zien heel goed hoe ongelijk en oneerlijk dat is, maar...'

'Dood te gaan?' riep Mara gechoqueerd. 'Bedoelt u dat u het verbreken van een belofte niet overlééft?'

De koningin gaf een bevestigend knikje met haar enorme hoofd. 'Zo is het. Ons gegeven woord is bindend, want het is onverbreekbaar gekoppeld aan de korf geest, die ons verstand en ons leven is. Voor ons is een belofte even bindend als boeien en kettingen voor een mens zouden zijn - nee, erger nog. Wij kunnen niet tegen de afspraken van onze voorouders in verzet komen zonder de hele korf tot waanzin te drijven, een waanzin die tot ieders dood zou leiden, want we zouden ophouden ons voort te planten, voedsel te verzamelen, onze verdediging te verzorgen... Voor ons staat denken gelijk aan doen, en doen aan denken. Uw taal kent geen geschikte woorden voor die verwevenheid.'

Mara gaf eindelijk toe aan het knikken van haar knieën. Ze liet zich abrupt op de harde bodem zakken. Haar harnas maakte krakende geluiden in de stilte. 'Dat wist ik niet,' zei ze. Haar stem klonk kleiner en bedrukter dan ooit.

De koningin zei niets vergoelijkends. 'Dat is het gebruikelijke antwoord van mensen die eindelijk hun dwaling inzien. Het verandert echter niets. U hebt geen trouw gezworen aan de termen van het verdrag. U kunt niet datgene verbreken waaraan u niet gebonden bent. Alleen de cho-ja's en de Assemblee kunnen dit oude pact schenden.'

Mara vervloekte zichzelf om haar arrogantie en ijdelheid. Ze had gemeend dat ze anders was dan de andere Regerende Heren en Vrouwen! Ze had gedacht dat de cho-ja's haar vrienden waren en dat ze ze kende! En in plaats daarvan had ze de insectachtigen even wreed verraden als talloze menselijke voorgangers dat in het verleden hadden gedaan!  

De raad van de cho-ja's in Chakaha had haar vertrouwd, maar ten onrechte, zo leek het nu. Ze kromp nu al ineen bij de gedachte aan de twee magiërs die ze had meegebracht. Wat moesten zij wel niet denken van haar schandelijke gebrek aan oordeelsvermogen?  

Hoe vaak had Ichindar, zelfs op het hoogtepunt van zijn wijsheid en zijn macht, wegens kleine menselijke zwakheden niet precies het tegenovergestelde bereikt van wat hij met de beste bedoelingen voor zijn volk had willen bereiken? Niet alles kon lukken, altijd zou er veel fout gaan. Mara voelde zich klein en beschaamd. Ze had haar zoontje op de gouden troon willen zetten. Om zijn leven te redden, had ze geloofd. Maar hoe slecht doordacht was het plan geweest om die onervaren jongen straks te belasten met een verantwoordelijkheid waaraan zijzélf zich nu zo hopeloos bleek te vertillen?  

Mara begroef haar gezicht in haar handen. Ze was bevangen door iets dat érger was dan wanhoop: naakte ontgoocheling. Ze dacht bitter aan de onafwendbaarheid van haar dood, maar wás die dood wel een zo ernstig verlies voor de mensen in het rijk als ze in haar koppigheid altijd had gemeend?  

'De magiërs zullen wraak nemen op uw volk,' zei Mara tenslotte. Ze keek nederig op naar de koningin. 'Wat gaat u doen?'

De enorme insectachtige bekeek haar op een manier die geen mens kon doorgronden. 'Sommigen van ons zullen sterven,' antwoordde ze met de nietsontziende eerlijkheid die haar soort kenmerkte. 'Deze korf zal waarschijnlijk als eerste aan de beurt zijn, omdat we u toegang en een onderhoud hebben toegestaan.'  

'Kunt u niet vluchten?' Mara wilde dolgraag een beetje hoop behouden dat niet álles voor de cho-ja's verloren zou zijn.

De koningin bewoog een van haar onderarmen. Misschien was dat haar equivalent van een schouderophalen. 'Ik bevind me hier al in de diepste holte binnen deze korf. Het is niet mogelijk me ergens anders naar toe te brengen. Als koninginnen eenmaal rijp zijn om eieren te leggen, raken ze hun vermogen om zich te verplaatsen kwijt. Hier zal ik in elk geval tot het laatste moment kunnen overleven. Uw Grootheden kunnen weliswaar mijn lichaam vernietigen, maar de korf geest zal mijn herinneringen bewaren, en het verslag van alles wat hier gebeurt. Een andere korf zal die geest een veilig onderkomen bieden, tot er een nieuwe koningin uitgebroed zal zijn, waarin de geest opnieuw tot leven zal komen.'  

Niet voor eeuwig vergeten dus, dacht Mara. Schrale troost! Ze sprak maar niet over haar akelige voorgevoel dat er iets nóg ergers .zou kunnen gebeuren: dat de hele natie van de cho-ja's in het keizerrijk zou worden uitgeroeid, met herinneringen en al! En dat zou dan háár schuld zijn! En dan zou ze het vertrouwen van de magiërs in Chakaha op een verschrikkelijke manier beschaamd hebben!

Ze zou het liefste in huilen zijn uitgebarsten, maar ze kreeg er de tijd niet voor. De koningin hield opeens haar hoofd schuin, alsof ze luisterde, en Mara hoorde een paar hoge, schrille zoemtonen. Ze hielden allemaal tegelijk abrupt op en alle werkers en krijgers verlieten de grot. De koningin richtte haar blik weer op haar menselijke gast.

'Wat gebeurt er?' vroeg Mara, en ze hield haar hart al vast voor het antwoord.

'Er zijn Grootheden gekomen,' antwoordde de koningin. 'Een delegatie van dertig magiërs heeft de ingang tot mijn korf omsingeld. Ze beschuldigen ons valselijk van het breken van een eed, en ze verlangen dat uw persoon wordt uitgeleverd.'

'Ik ga wel naar buiten,' zei Mara, hoewel ze zich afvroeg of ze haar pijnlijke, afgematte lichaam nog in beweging zou kunnen krijgen. 'Ik wil u niet nóg meer last bezorgen.'

De koningin bewoog haar onderarm nu op een manier die onmiskenbaar een tegenspraak aanduidde. 'U bent niet onze gevangene. Wij hebben geen eed geschonden. U was degene die magiërs over de grens hierheen heeft gehaald. Er staat geen bepaling in het verdrag die ons verbiedt u een onderhoud toe te staan. U mag gaan. U mag blijven. Of de Zwarte Mantels mogen u komen halen. Geen van de opties gaat ons iets aan.'  

Mara trok haar wenkbrauwen op. Ze was geschokt, maar dacht nog eens goed na voordat ze iets zei. Ze wilde niet nóg eens uitgaan van foute veronderstellingen. Ze koos haar volgende woorden zorgvuldig. 'Als ik zou kiezen om mijn persoon niet uit te leveren, moet u weten dat de Assemblee dat verkeerd zal interpreteren. Ze zal geloven dat u medeplichtig bent, en wraak zoeken.'  

De koningin straalde nu niet berusting, maar een hardheid als van kwartsglas uit. 'Dat zullen ze dan ten onrechte geloven, als uw veronderstelling juist is.'  

Mara slikte. Ze had een gevoel alsof ze elk moment in een diep, donker gat zou kunnen wegzakken. 'Uw volk kan schade lijden als gevolg van dat misverstand.'

De koningin gaf geen krimp. 'Dan lijden we maar schade. Dat maakt het foute oordeel van de Zwarte Mantels niet minder onwaar. Wij hebben ons aan de voorwaarden van het verdrag gehouden, zoals ook uw soort dat moet doen. Indien zij, als mensen, op grond van een fout in actie komen, dan is dat hun fout, en zijn ook de gevolgen voor hun rekening.'

Mara fronste haar voorhoofd. Ze had het gevoel dat de woorden van de koningin een diepere betekenis hadden. De Vrouwe van de Acoma had ooit eerder met een koningin van de cho-ja's een discussie gevoerd die aan de grenzen van het verbodene had geraakt, en die keer had ze er enkele hints aan overgehouden. Ook deze keer kreeg ze een sprankje hoop. Was deze listige koningin misschien uit op een provocatie door de magiërs?  

Ze haalde al adem om voorzichtig iets in die geest te opperen, toen zich opeens een panische angst van haar meester maakte. Het was alsof de lucht in de grot dik en stroperig werd, alsof er vanuit alle gangen en tunnels een enorme druk op werd uitgeoefend. Mara greep naar haar oren, waarvan de trommelvliezen dreigden te knappen, en opende geschokt haar mond. Toen klonk er een explosie die het rotsgesteente deed schudden en Mara op de grond wierp. Ze viel hard op haar zij, en er ontsnapte haar een rauwe kreet toen de ruimte om haar heen plotseling oplichtte in een verblindende uitbarsting van bliksems en steekvlammen.  

Boven het donderend geraas dat met de ontploffingen gepaard ging uit hoorde Mara de koningin krijsen. Het was moeilijk om de betekenis van dat geluid te interpreteren. Was het alleen ontsteltenis en pijn en verdriet, of klonk er ook iets van triomf in door?

'De magiërs vallen aan!' riep de koningin. 'Onze korf is vernietigd! Het verdrag dat ons bond is verbroken!'

En daarna zag ze af van het gebruik van menselijke woorden. De geluiden die de koningin uitstootte veranderden in schrille, sissende dissonanten, waarmee ze haar soortgenoten waarschijnlijk haar allerlaatste bevelen gaf.  

Mara's keel werd dichtgeschroeid door de hete lucht. Er stroomden tranen uit haar ogen, en haar gezicht en handen brandden van de verzengende hitte. 'Justijn,' stamelde ze, 'Kasuma... het is me niet gelukt...'  

Ze werd verblind door een nieuwe lichtflits, en toen van het ene moment op het andere in een inktzwarte duisternis gedompeld.

Ze gilde. Het was alsof de wereld zoals zij die kende ondersteboven werd gedraaid. Ze lag niet meer op een harde bodem, er was geen zwaartekracht meer die haar naar beneden trok. Ook voelde ze geen hitte meer: de lucht om haar heen was vrieskoud, zoals 's nachts in het hooggebergte van Thuril.

En toen zakte ze weg in een put die oneindig zwart en oneindig diep was.