3 Oorlog

 

Hokanu kwam in actie.

Terwijl Mara in machteloze woede met haar vuisten op zijn borstkuras trommelde, liet hij de leden van haar garde een dicht scherm om haar heen vormen om de hysterie van hun vrouwe voor de buitenstaanders te verbergen. Daarna liet hij Saric en Incomo dringend bij zich roepen.  

De twee adviseurs hadden aan een enkele blik op hun meesteres voldoende om te zien dat ze was overweldigd door verdriet en een zenuwinstorting had. Ze herkende niemand meer en moest absoluut onbekwaam worden geacht om heer Jiro publiekelijk een excuus aan te bieden. Juist zijn aanblik had immers de instorting veroorzaakt. Zelfs als ze weer tot rede kwam voordat de gasten vertrokken, zou het niet verstandig zijn een ontmoeting tussen de beide partijen te arrangeren om haar in staat te stellen vergeving te vragen, want dat zou de schade nog kunnen verergeren. De twee adviseurs - de ene oud en ervaren, de andere jong en talentvol- zagen nu al dat de gevolgen van haar uitval zichtbaar werden en zich uitbreidden. Het was te laat om de aanleiding nog ongedaan te maken.  

Hokanu begreep dat hij zich Isashani's waarschuwing beter ter harte had moeten nemen, maar mocht zich door spijt over zijn misrekening niet laten afleiden van de noodzaak om snel een aantal juiste beslissingen te nemen. 'Saric,' commandeerde hij, 'geef een verklaring uit. Vertel geen leugens, maar kies je woorden zodanig dat duidelijk wordt gesuggereerd dat onze vrouwe ziek is geworden. We moeten onmiddellijk een tactiek volgen waarin Jiro's beschuldiging dat hij beledigd is - die zeker binnen een paar uur zal komen - verzacht of ontkracht kan worden. Tevens moeten we een goede reden hebben om de officiële gasten naar huis te sturen.'

De donkerharige Eerste Adviseur maakte een snelle buiging en repte zich weg. In gedachten was hij de tekst van de officiële aankondiging al aan het formuleren.

Opperbevelhebber Lujan stapte ongevraagd naar voren. Zonder zich iets aan te trekken van de heren die van buiten de kring van zijn krijgers een blik probeerden te werpen op zijn in bedwang gehouden meesteres en zonder zich ook maar enigszins beschaamd te tonen, boog hij zich over Mara heen om Hokanu te helpen haar onder controle te houden zonder haar blauwe plekken te bezorgen. Hokanu bedankte hem met een opgeluchte blik en richtte zich toen tot Incomo met instructies. 'Haast je naar het huis. Roep Mara's kamermeisjes bij elkaar en zorg voor een heler die een kalmerend drankje kan maken. Geef daarna al je aandacht aan de gasten. We hebben de hulp van onze overgebleven bondgenoten nodig om te voorkomen dat hier een gewapende strijd uitbreekt.'  

'Heer Hoppara en het leger van de Xacatecas staan achter jullie,' verklaarde een ietwat hese vrouwenstem. De eregarde maakte een opening om de elegante, in geel-en-donkerrood gehulde gestalte van vrouwe Isashani door te laten, die de bijna mystieke combinatie van haar schoonheid en waardigheid had gebruikt om tussen de rijen van soldaten door te dringen. 'En ik kan helpen met Mara.'

Hokanu beoordeelde de oprechtheid van het medeleven in haar exotische donkere ogen, en knikte toen. 'Mogen de goden me mijn gebrek aan begrip vergeven,' zei hij bij wijze van verontschuldiging. 'Uw huis heeft onze volle dank.' 'Toen gaf hij de zorg over zijn vrouwe in handen van de weduwe van de oude Heer van de Xacatecas.  

'Ze is niet gek geworden,' antwoordde vrouwe Isashani terwijl ze haar slanke hand geruststellend om die van Mara sloot. 'Ze heeft slaap en rust nodig om te herstellen, en de tijd zal haar verdriet helen. Jullie moeten geduldig zijn.' En in een abrupte overschakeling naar de harde politieke realiteit vervolgde ze: 'Ik heb mijn twee adviseurs naar de Omechan en de Inrodaka gestuurd. En mijn eregarde, onder Hoppara, zal zich discreet verspreiden naar plekken waar misschien ongeregeldheden te verwachten zijn.'  

Dat waren dus twee vijanden minder om zich zorgen over te maken. Hokanu gaf haar een dankbaar knikje. Fijn dat Mara zulke goede vrienden had, en niet alleen konkelende tegenstanders die haar ondergang wensten. Gelukkig was ze bij vele huizen persoonlijk geliefd. Het verscheurde zijn hart dat hij niet aan haar zijde kon blijven nu ze in een zo verschrikkelijke toestand verkeerde. Hij rukte zijn blik los van de kleine stoet die zijn radeloze vrouwe naar de gemakken van het landhuis escorteerde. Het zou stom zijn als hij zich op dit moment door zijn hart liet leiden. Hij moest zich schrap zetten alsof hij aan de vooravond van een dodelijke strijd stond. Er waren heel wat vijanden die speciaal naar Ajiki's crematieplechtigheid waren gekomen in de hoop voordeel te kunnen trekken uit een kans als deze. Mara's belediging van Jiro was inmiddels de fase van de vergeefbaarheid voorbij. Bloedvergieten zou het gevolg zijn - ook dat was onvermijdelijk geworden. Alleen een gek zou echter in het hart van Mara's eigen landgoed aan zoiets beginnen, zeker nu haar hele leger hier ter ere van Ajiki in volle wapenrusting verzameld was. Maar buiten de grenzen van Mara's gebied zouden haar vijanden met schadelijke acties kunnen beginnen.  

Hokanu's streven moest er nu allereerst op gericht zijn om een onmiddellijke oorlog te voorkomen. Als hij verkeerde stappen zette, zou dat de Acoma kunnen ruïneren. En niet alleen dat, ook zou hij de krijgers en de middelen van de Shinzawai in een heilloze strijd kunnen verspillen. Alles wat in de afgelopen drie jaren was gewonnen in het proces om voor de keizer, ten koste van de autonome heren, een meer gecentraliseerd bestuur mogelijk te maken, zou in één klap kunnen worden weggevaagd.  

De Raad moest worden bijeengeroepen om te kijken wat er gedaan kon worden om nóg grotere rampen te voorkomen. De heren die noch met Mara, noch met Jiro verbonden waren moesten zodanig door smeekbeden, dreigementen of omkoperij worden bewerkt, dat degenen die zich openlijk tegen haar verzetten toch wel twee keer zouden nadenken voordat ze de Goede Dienares daadwerkelijk uitdaagden.

'Lujan,' riep Hokanu boven het aanzwellende tumult uit naar de bevelhebber van het leger van de Acoma, 'laat overal patrouilleren en geef de kalmste en nuchterste van je officieren de leiding. Hoe brutaal de provocaties ook zijn, het bewaren van de vrede heeft absolute prioriteit.'  

Verderop, hoog boven de chaos, wuifde de groene officiers-pluim op Lujans helm mee met zijn bevestigende knik. Hokanu dankte de goden voor het feit dat Mara haar adviseurs allemaal op grond van hun intelligentie en gezonde verstand had gekozen, want koele hoofden waren nu dringend nodig om het huis Acoma voor de ondergang te behoeden.

Bedroefd om de wending die de gebeurtenissen hadden genomen, gaf Hokanu de eregarde vervolgens opdracht naar het landhuis terug te marcheren. Als Mara minder zichzelf was geweest, en meer een dociele echtgenote van het type dat zo veel vrouwen in het keizerrijk als het gevolg van hun traditionele opvoeding waren, dan zou ze nooit sterk genoeg zijn geweest om een officiële staatscrematie voor een door huurmoordenaars gedode zoon bij te wonen. Maar als Regerende Vrouwe, en nog Dienares van het Keizerrijk bovendien, was ze een zodanig publieke persoonlijkheid dat haar zelfs de menselijke zwakheden waren misgund die elke minder hooggeplaatste moeder zouden worden vergeven.  

En als brandpunt in een heet labyrint van intriges was vrouwe Mara deze keer tot een rol gedwongen die haar een doelwit maakte.

 

Een hectisch uur later lag Mara op haar slaapmat, verdoofd door een drankje dat voor haar was gebrouwen door een priester van Hantukama, die als bij toverslag was verschenen om zijn diensten aan te bieden. Isashani had het huishouden goed in de hand en de kleine hadonra,Jican, had het zo druk als drie man in het onderdrukken van roddels en geruchten onder het personeel. Hokanu bleek er alleen voor te staan: hij moest nu de beslissingen nemen die voor het huis Acoma nodig waren. Hij luisterde naar de opmerkingen van de gasten. Hij maakte aantekeningen voor Mara, die ze na haar herstel zou kunnen raadplegen. Hij noteerde nauwkeurig welke gasten achter haar stonden en welke zich vijandig toonden. De meesten waren zo netjes hun stilzwijgen te bewaren, of anders waren ze misschien nog te gechoqueerd om iets te kunnen zeggen. Allen hadden verwacht de rest van de dag daar in rustige contemplatie te kunnen doorbrengen, om tenslotte door de Dienares van het Keizerrijk te worden uitgenodigd voor een formeel diner. In plaats daarvan moesten Ze nu meteen naar huis, als gevolg van een onvergeeflijke daad door een vrouw die de hoogste positie in het hele rijk innam - op de keizer na. Een hele stoet vertegenwoordigers van de grote huizen had zich even gemeld, zogenaamd om hun respect te betuigen, maar behalve tegen de Heer van de Keda had Hokanu zich beperkt tot plichtmatige bedankjes, want hij wist dat de meesten alleen maar kwamen polsen of het huis Acoma nu ernstig verzwakt was. Heer Hoppara en de andere heren van de clan Hadama deden uitstekend werk door zich tactisch in de drukte van de vertrekkende gasten te bewegen en Mara's daad tegenover de Anasati zo diplomatiek mogelijk te vergoelijken. Menigeen die zich had opgewonden over de inbreuk op het protocol bleek na een gesprekje met Hoppara of een van de andere heren alsnog bereid begrip te hebben voor een opwelling van onbeheersbare smart van een moeder.  

Tot de edelen die vergeefs probeerden tot het huis te worden toegelaten behoorde de Heer van de Anasati. Jiro had stug volgehouden dat de hem aangedane belediging onherstelbaar was. Hij had een groepje aanhangers bij zich toen hem de deur werd gewezen. Ze hadden een concreet punt van gezamenlijke kritiek gevonden, want zelfs degenen die met Mara bevriend waren zouden haar persoonlijke aanval moeilijk hebben kunnen negeren. Voor vijanden was dat uitgesloten. In de Tsuranese cultuur was het schenken van vergeving simpelweg een nét iets minder schandelijke vorm van zwakte dan capitulatie. In een paar seconden had de vrouwe politieke tegenstanders veranderd in bondgenoten van doodsvijanden.

Jiro had geen openbare verontschuldiging geëist. Hij had zich daarentegen omringd met een aantal heren wier verzet tegen Ichindars hervormingen het heftigste was. Saric en Incomo waren beiden van mening dat de Heer van de Anasati met opzet elke verzoeningspoging in de kiem wilde smoren, omdat hij liever een excuus wilde houden om de Acoma aan de schandpaal te nagelen. Jiro's luidruchtige klachten waren te horen voor iedereen die dat maar wilde: dat hij naar de begrafenis van zijn neef was gekomen in de veronderstelling dat er voor alles en iedereen een wapenstilstand gold, zoals de traditie voorschreef, maar dat hij desondanks fysiek was aangevallen, en dat hij was vernederd door zijn gastvrouw, en publiekelijk beschuldigd. Hoewel menige heerser begrip of zelfs sympathie had voor de oorzaak van Mara's ongepaste gedrag, kon niemand ontkennen dat ze Jiro inderdaad dodelijk had beledigd, en dat ze daarvoor geen genoegdoening had aangeboden. Alle pogingen om de beschuldigingen te verzachten door te wijzen op de huidige toestand van de Vrouwe van de Acoma werden door Jiro stelselmatig genegeerd.  

Er hing een drukkende warmte in de grote zaal, waarvan alle schermen waren gesloten om nieuwsgierige blikken te weren, en de deuren werden bewaakt door geharde veteranen die al menige oorlog hadden meegemaakt. Deze mannen droegen niet hun glanzend gelakte ceremoniële harnassen, maar hun soepele, dagelijks beproefde gevechtspakken. Gezeten op een lager podium dan het formele - nu Mara afwezig was - informeerde Hokanu kalm naar ieders opvattingen over de gebeurtenissen.

Dat Mara's naaste, trouwste adviseurs erin toestemden te rapporteren aan een echtgenoot die zelf niet behoorde tot het huis waaraan ze trouw hadden gezworen, bewees hun bijzondere achting voor Hokanu's oordeel. Hoewel hij geen zeggenschap had over wat hun eer hun gebood, gaven ze hem hun absolute vertrouwen dat hij volledig handelde in het belang van hun meesteres. Hun toewijding roerde hem, maar verontrustte hem tevens, want ze demonstreerde hoe goed ze beseften in welk doodsgevaar Mara verkeerde. Hij bad de goden dat hij tegen zijn taak opgewassen zou zijn.

Hij luisterde in ernstig stilzwijgen naar een verslag over de sterkte van het garnizoen door bevelhebber Irrilandi en Keyoke, Adviseur voor Oorlogszaken, terwijl opperbevelhebber Lujan al bezig was de troepen van de Acoma in paraatheid te brengen. Als om zijn woorden te benadrukken tikte de oude Keyoke met zijn kruk tegen de stomp van zijn afgezette been: 'Zelfs als Jiro weet dat hij verslagen zal worden, heeft hij geen andere keus. Zijn eer vereist dat een publieke belediging wordt vergolden door bloedvergieten. Ik betwijfel of hij zal instemmen met een tweestrijd door kampioenen. Erger nog, als Mara's beschuldigingen zijn gehoord door anderen dan de directe omstanders, zou haar suggestie dat Jiro de tong Hamoi heeft gehuurd om Ajiki te doden kunnen worden opgevat als een belediging van de hele clan Ionani, en dat zou leiden tot een Beroep op de Clan.'  

Er volgde een absolute stilte na deze constatering. Alleen de schuifelende voeten van het personeel in de zaal en de vage geluiden van vertrekkende gasten en hun dragers buiten waren hoorbaar. De mannen op het podium keken elkaar aan: ook zonder woorden begrepen ze dat een oorlog tussen clans het hele keizerrijk zou verscheuren.

In die grimmige stilte zei Saric: 'Maar wie zou een dergelijke beschuldiging serieus nemen? Geen enkele tong durft een naam van een opdrachtgever te onthullen. De aanwijzing die wij vonden is bepaald geen dwingend bewijs dat de Anasati bij de aanval betrokken was - gezien de omzichtigheid waarmee de clan Hamoi altijd te werk gaat. Het lijkt me waarschijnlijker dat er sprake is van een met opzet aangebracht vals spoor.'  

Incomo knikte en hij stak een kromme wijsvinger op: 'Het zogenaamde bewijs is inderdaad ál te netjes. Een tong die zo slordig omgaat met de belangen van zijn rijke klanten houdt het niet lang vol. De tong Hamoi is juist de machtigste van allemaal omdát hij zo discreet is en zijn geheimen nog nooit zijn geschonden.' Hij keek de gezichten om de tafel een voor een aan. 'Na... hoeveel? Na vijf aanslagen op Mara's leven laten ze een van hun moordenaars opeens betrappen met een bewijs dat de Anasati er iets mee te maken heeft? Onwaarschijnlijk. Zeer dubieus. Zeker niet overtuigend.'

Hokanu keek de adviseurs aan met een glans in zijn ogen die hard was als het staal van een barbarenzwaard. 'We hebben Arakasi nodig.' De talenten van de spionnenmeester van de Acoma waren talrijk en zijn inzicht in het politieke gekonkel en de individuele hebzucht van sommige Regerende Heren in het keizerrijk grensde soms aan het griezelige. 'We hebben hem nodig om dit spoor na te gaan en Jiro's eventuele betrokkenheid aan te tonen. In elk geval wás er een poging tot moord.' Hokanu zuchtte. 'Ondertussen brengt speculatie ons geen stap verder. Maar wie waagt het de dood van de Dienares van het Keizerrijk te zoeken nu Tasaio van de Minwanabi er niet meer is?'  

Saric krabde aan zijn kin. Op meelevende toon zei hij toen: 'U bent verblind door liefde voor uw vrouw, meester. Het gewone volk van de meeste huizen mag haar dan zien als een soort talisman, maar haar verheven positie wekt in andere harten alleen maar jaloezie op. Menigeen zou de Goede Dienares graag naar de zalen van Turakamu zien vertrekken, enkel en alleen al wegens haar breuken met de traditie en het feit dat ze een hogere rang heeft behaald dan welke Krijgsheer ook in het verleden. Ook zijn er velen die de status van hun huis achteruit hebben zien gaan, of in hun ambities gedwarsboomd zijn, omdat vrouwe Mara wordt begunstigd door Ichindar. Ze zouden haar graag te schande zetten... als ze durfden.'

Hokanu leek ongeduldig. 'Wie zou het dan durven?'

'Dat kan misschien alleen Arakasi weten.' Saric keek Incomo aan en stelde toen op tactvolle manier een vraag die in zijn rusteloze geest was opgekomen: 'Bestaat er enige reden om te vermoeden dat je voormalige meester vanuit het land der doden alsnog een poging tot wraak onderneemt?'  

Keyoke kreeg een grimmige trek op zijn gezicht bij het horen van die mogelijkheid, maar de voormalige Eerste Adviseur van de Heer van de Minwanabi, thans Tweede Adviseur van de Vrouwe van de Acoma, schraapte zijn keel en zei toen rustig: 'Als dat zo is, dan buiten mijn weten. Maar Tasaio was een gesloten man, en gevaarlijk. Hij had vaak de neiging dingen buiten mij om te regelen. Soms werd ik weggestuurd op momenten dat een andere heer me juist bij zich zou hebben geroepen. De obajan van de tong Hamoi is een keer waargenomen toen hij een persoonlijk bezoek bracht aan Tasaio. Mijn indruk was destijds dat die gebeurtenis verband hield met onbeantwoorde vragen over de moord op de spionnen van de Acoma die in dienst waren geweest van de Minwanabi.' Incomo's smalle gezicht vertoonde opeens onverholen afkeer toen hij vervolgde: 'Er werden dreigementen uitgewisseld en er is een afspraak gemaakt. Helaas heeft geen levend mens meegeluisterd naar de woorden die toen tussen de obajan en Tasaio gewisseld zijn. Ik kan alleen melden dat ik de Heer van de Minwanabi nooit van mijn leven zo gefrustreerd heb gezien dat hij zich te buiten ging aan een vertoon van wilde woede. Alleen die ene keer. Tasaio was vele dingen, maar niet iemand die snel zijn zelfbeheersing verloor.'  

Saric reageerde op een peinzende toon: 'Als zelfs de voormalige Eerste Adviseur van de Minwanabi niet met zekerheid weet of Tasaio wraakopdrachten gaf voor het geval dat hijzelf zou falen, moeten we ons misschien aan wat giswerk wagen. Om concreet te zijn: Tasaio was niet iemand die ook maar één moment rekening hield met de mogelijkheid van een nederlaag. Als tacticus was hij onovertroffen. Als we aannemen dat hij er tot het einde toe van overtuigd was dat hij onze vrouwe desgewenst in een open oorlog kon verpletteren, waarom zouden we dan veronderstellen dat hij het pad van een lafaard koos en alvast moordgeld voor Mara betaalde, hoewel hij geen moment geloofde dat zij hem zou overleven? We kunnen beter rondkijken in de kringen van Jiro's vijanden. Mara is vrouwe van een van de weinige huizen die sterk genoeg zijn om het tegen de Anasati op te nemen. Zeker met de keizerlijke steun in de rug kan de Acoma eerder rekenen op de overwinning dan de Anasati.'  

'En toch lijkt de Heer van de Anasati de kans die het lot en ons ongeluk hem boden gretig aan te grijpen!' onderbrak Hokanu hem. 'Hij deinst niet terug voor een conflict. En het pleit hem niet vrij van betrokkenheid bij de moord op Ajiki. Zo lang mijn vrouw daartoe niet in staat is, zal ik moeten beslissen. Laat het garnizoen zich klaar maken om op mars te gaan. Er moet oorlog komen, en we mogen niet riskeren onvoorbereid overvallen te worden.'  

Keyoke boog zwijgend zijn hoofd. Hij wilde zijn instemming niet formaliseren door gesproken woorden, want dat kon hij alleen doen tegenover zijn vrouwe, maar zijn steun aan het besluit bleek uit zijn hele houding. Saric, die jonger was en minder gebonden aan oude tradities, boog eveneens zijn hoofd, maar dit gebaar leek sprekend op de buiging waarmee een adviseur zijn instemming te kennen geeft aan zijn gezworen heer of vrouwe. 'Ik zal de Anasati formeel de oorlog verklaren. Wanneer Jiro op gelijke wijze antwoordt, trekken we ten strijde.'  

Keyoke wierp een blik op Irrilandi, die met een knikje ook zijnerzijds ondersteuning beloofde van wat spoedig zou volgen. Het Tsuranese bloedvergieten gebeurde meestal vrij stiekem, via hinderlagen en overvallen, en zonder dat iemand openlijk de verantwoordelijkheid opeiste, maar een formele veldslag tussen twee huizen was een oeroude ceremoniële gebeurtenis. De twee legers zouden elkaar op een afgesproken tijdstip op een slagveld ontmoeten, en een van beide zou het als overwinnaar verlaten. Er werd uitstel gevraagd noch verleend, tenzij in zeldzame omstandigheden, en dan volgens strikt formele gedragsregels. In kronieken werd verhaald over veldslagen die dagenlang voortraasden. Niet zelden richtten beide huizen elkaar daarbij geheel ten gronde.  

Toen opperde Hokanu een volgende stap. 'Ik wil voorts dat we de clan Hadama verwittigen.'

Saric trok zijn wenkbrauwen op, diep bezorgd, maar ook geïntrigeerd door de subtiliteit van de suggestie. 'Wilt u de Anasati tot een Beroep op de Clan provoceren?'

Hokanu zuchtte. 'Ik heb een voorgevoel.'

Keyoke onderbrak hem - iets wat hij zelden deed - met een opmerking die Hokanu's voorgevoel onderschreef. 'Jiro is geen krijger. Hij heeft Omelo als opperbevelhebber. Dat is best een goede generaal, maar hij blinkt niet uit in grootschalige acties. Als Jiro zijn huis en zijn leger wil redden kan hij het beste beginnen met een Beroep op de Clan. We kunnen niet iets provoceren wat vrijwel zeker al een voldongen feit is.'

'Meer nog,' vulde Incomo aan. 'Heer Jiro is in zijn hart een geleerde. Hij spreekt smalend over de grofheid van gewapende conflicten. Hij heeft gezocht naar een gegronde reden om Mara aan te vallen, want hij haat haar al vanaf zijn jeugd, maar van nature houdt hij meer van geheime acties en slinkse manoeuvres. Hij is een meester in tschè. Vergeet dat nooit. Hij zal ons willen vernietigen door zijn vernuft, niet door bruut geweld. Als wij als eersten tot een clanoorlog oproepen, bestaat de kans dat de clan Ionani zich niet wegens een belang van de Anasati in het ongeluk wil laten storten. In een open strijd kunnen we Jiro goed aan. Indien hij clanleden blijkt te hebben die zijn obsessieve verlangens een toereikend argument achten om zich ook in hun eer aangetast te voelen, dan zal de clan Hadama antwoorden.'  

Hokanu overdacht deze woorden zonder veel hoop of enthousiasme. Of de hele clan Ionani tegen hen optrok of niet, heer Jiro had zichzelf tot speerpunt weten te maken van alle partijen die er belang bij hadden om Mara's kracht te ondermijnen. Dat zijn geest niet de enige was die verder had gekeken dan de persoonlijke aanleiding alléén, en aan effecten op de langere termijn had gedacht, bleek wel uit de talrijke opkomst van Regerende Heren ter gelegenheid van deze crematie. De Hoge Raad mocht dan zijn afgeschaft, maar de eeuwige rivaliteit bleef in het geheim voortwoekeren, vooral op momenten dat de edelen een goed excuus hadden om bijeen te zijn. En dat de Zwarte Mantels maar liefst vijf afgevaardigden naar deze plechtigheid hadden gestuurd bewees wel dat hun neiging om zich in de arena van de politieke intriges te begeven nog lang niet verdwenen was, ook al had Ichindar inmiddels de centrale macht aan zich getrokken.  

'We hebben misschien soldaten en bondgenoten genoeg om de Anasati te verpletteren, maar tegen welke prijs?' concludeerde Hokanu tenslotte. 'Uiteindelijk blijkt er dan misschien niets te veranderen. We kunnen alleen hopen dat een snelle, bloedige botsing op het slagveld de schade zal beperken en de traditionalisten tot verdeeldheid zal brengen voordat ze zich tot één centraal geleide politieke partij verenigen.'  

'Meester Hokanu,' zei Saric, die even een glimp van wanhoop in de blik van vrouwe Mara's echtgenoot had waargenomen, 'de koers die u hebt gekozen is de beste die we tot onze beschikking hebben. Wees ervan verzekerd dat uw vrouwe niets beters had kunnen bedenken, indien zij in staat was geweest onze raadgevingen te horen. Ga nu naar haar toe, stel ik voor, want ze heeft u nodig aan haar zijde. Ik zal de klerken instrueren om documenten op te stellen en koeriers laten komen om ze rond te brengen.'  

Met een gekwelde blik in zijn ogen, ondanks deze gulle steunbetuiging, verliet Hokanu de zaal. Zijn tred, snel en doelgericht, was die van een krijger, maar zijn handen, hulpeloos tot vuisten gebald, waren die van een bezorgde echtgenoot.

Alleen Saric bleef achter toen de andere adviseurs van de Acoma de zaal verlieten. Eenzaam achtergebleven in de bedompte hitte sloeg hij gefrustreerd zijn vuist in de handpalm van zijn andere hand - eeltloos geworden sinds hij zo hoog gepromoveerd was vanuit de gelederen van de soldaten. Hij verlangde terug naar de makkers die hij in de kazerne had achtergelaten, maar ook naar de vrouw tot wier dienst hij was geroepen, en die zijn volle steun had gewonnen. Als de Acoma snel genoeg kon optreden om dit dispuut tijdig te blussen, zou dat niet minder dan een godswonder zijn. Té veel wrokkige heren zaten na de ontbinding van de Hoge Raad met een té gering aantal verplichtingen, en de vrede bood hun té veel tijd om boosaardige plannen te smeden. De oude politieke partijen waren ontbonden, want in Ichindars nieuwe systeem van regeren hadden ze geen reden van bestaan meer.

Het was rustig in het keizerrijk, maar verre van gezapig: de onderhuidse onrust, die drie jaar in bedwang was gehouden, leek nu rijp te zijn voor de uitbarsting van een nieuwe burgeroorlog.

Hoewel Saric respect had voor de briljante wijze waarop zijn vrouwe de enige samenleving die hij kende had weten te veranderen, betreurde hij de afschaffing van het ambt van Krijgsheer en de ontbinding van de machtige Hoge Raad, want in die tijd had je alle gebeurtenissen kunnen plaatsen in een eeuwenlange lijst van precedenten en van regels van het Grote Spel. Je wist tenminste waar je aan toe was. Nu volgden de huizen vaak nog de oude regels terwijl er al nieuwe waren afgedwongen.

Je kon eigenlijk nergens meer op rekenen, stelde Saric met enige walging vast. Hij verliet de lege zaal en begaf zich naar de vertrekken die hij had gekozen toen Mam in dit voormalige huis van de Minwanabi haar intrek had genomen. Onderweg naar zijn kamers droeg hij een bediende op een klerk te halen. Toen deze zich bij hem meldde, met zijn tas met papier, inkt en pennen, waren de instructies van de Eerste Adviseur kort en krachtig: 'Stel een bericht op voor al onze agenten en zaakgelastigden. Wanneer Arakasi ergens in de naties zijn aanwezigheid kenbaar maakt, laat hem dan weten dat hij onmiddellijk naar huis moet komen.' De klerk ging zonder commentaar op de vloer zitten, maar toen hij zijn houten plankje op zijn knieën had gelegd keek hij bezorgd op voordat hij begon te schrijven.

'Gebruik daarna codering nummer zeven,' besloot Saric terwijl hij heen en weer ijsbeerde, omdat hij geen andere uitlaatklep had voor zijn geagiteerdheid, 'en schrijf op dat onze vrouwe in levensgevaar verkeert.' 

 

Er klonk een bel, en een kleine turbulentie in de lucht deed de zijden wanddoeken in de grote vergaderzaal van de Stad der Magiërs even opbollen. Ook de schaduwen die werden geworpen door de flakkerende vlammen van de olielampen trilden even toen een magiër op het afgebakende vlak in het centrum van de vloer verscheen. Hij stapte er meteen vanaf, waarna snel achter elkaar nog twee collega's arriveerden. Niet veel later volgden andere magiërs en na verloop van tijd zat overal op de banken voor de muren in de zaal een hele verzameling zwarte mantels. Ook via de kolossale deuren, die in leren scharnieren hingen, was een stoet van magiërs naar binnen gestroomd. Deze gaven er kennelijk de voorkeur aan om hun lichaam op een minder esoterisch wijze naar de vergaderzaal te verplaatsen.  

De Hal van de Assemblee was in een mum van tijd geheel gevuld.

De aanwezigen kwamen uit alle delen van de Stad der Magiërs - een bijenkorfachtig complex van gebouwen, overdekte terrassen, galerijen en torens, dat een heel eiland in een doolhof had veranderd. Het lag midden in een groot meer in de voetheuvels van de Hoge Muur - de bergketen aan de noordgrens van het keizerrijk - en was anders dan via magie onbereikbaar. Ook Zwarte Mantels uit de provincies teleporteerden zichzelf hierheen in reactie op de oproep die de Assemblee die ochtend had doen uitgaan. Wanneer ze in een voldoende aantal bijeen waren om een quorum te vormen, was deze Assemblee het machtigste orgaan in heel Tsuranuanni, want de magiërs stonden buiten de wet. Niemand, zelfs de keizer niet, durfde hun bevelen tegen te spreken, en dat was al duizenden jaren zo.  

Binnen een beperkt aantal minuten zaten alle banken vol. Hodiku, een magere man van middelbare leeftijd, die bij voorkeur in de Heilige Stad verbleef om er te studeren, liep naar de zitplaats voor de Eerste Spreker, midden op de betegelde vloer. Zijn stemgeluid drong moeiteloos door tot in de uiterste hoeken van de grotachtige zaal. 'We zijn vandaag bijeengeroepen om mij te laten spreken ten nutte van het rijk.' Op deze standaardbegroeting volgde geen reactie, want alle zaken waarvoor Grootheden in vergadering bij elkaar konden worden geroepen moesten per definitie met het belang van het keizerrijk te maken hebben. 'Vandaag is het Rode Zegel van het binnenste sanctum in de tempel van Jastur verbroken.'  

Dat veroorzaakte een geschokt geroezemoes, want de halfronde deuren naar dit centrale heiligdom binnen de tempel van de Oorlogsgod werden slechts dan voor het publiek geopend, wanneer er formeel oorlog was verklaard tussen huizen of clans. Hodiku stak zijn armen omhoog om iedereen tot stilte te manen. 'Mam van de Acoma heeft als vrouwe van haar huis en Krijgshoofd van de clan Hadama de oorlog verklaard aan heer Jiro van de Anasati!'  

Er klonken uitroepen van verbazing. Hoewel een kader van jonge magiërs zich op de hoogte hield van actuele ontwikkelingen, gold dat niet voor de meerderheid. Deze jongere Zwarte Mantels waren tot de Assemblee toegetreden tijdens de ongeregeldheden welke waren veroorzaakt door de kracht die simpelweg bekend stond als de Vijand, en welke zowel hun eigen wereld, Kelewan, in gevaar had gebracht, als Midkemia, aan de andere kant van de Scheuring. Die ernstige bedreiging van beide beschavingen had de magiërs genoopt tot een actie om keizer Ichindar te helpen bij zijn machtsgreep naar een meer absolute heerschappij over de naties, om het land in die ernstige crisis te vrijwaren van verzwakking wegens interne twisten. De in recente jaren toegetreden magiërs hadden daardoor misschien de smaak te pakken gekregen van het gebruiken van hun macht om politieke en andere ontwikkelingen te beïnvloeden, maar de oudere leden van de Assemblee, die gehecht waren aan hun levenswijze en zich voornamelijk wijdden aan de wetenschap, beschouwden interventie in de Tsuranese politiek als een vorm van slechte smaak. Het was een vervelende klus, waar je alleen in dringende noodgevallen aan moest beginnen.  

Voor een zéér kleine minderheid, aangevoerd door Hochopepa en Shimone - die beiden ooit nauw verbonden waren geweest met de barbaarse magiër Milamber - waren de recente afwijkingen van de traditionele vorm van heersen om dieperliggende redenen van belang. Zij hadden de Midkemische manier van denken leren kennen en waren daardoor de zeden en gewoonten in Tsuranuanni in een ander licht gaan zien, en omdat vrouwe Mara tegenwoordig de hoeksteen was van de steun die Ichindar onder de edelen bezat, was dit oorlogsbericht een reden voor bijzondere zorg.  

Als doorknede kenner van alles wat met Tsuranese politiek te maken had bracht Hochopepa een mollige hand naar zijn gezicht en sloot zijn donkere ogen. 'Precies wat je hebt voorspeld,' mompelde hij op bekommerde toon tegen de rietdunne, ascetische Shimone. 'Problemen, en juist nu de naties zich dat het minste kunnen permitteren.'

Zwijgzaam als altijd, zag Shimone af van een antwoord. In plaats daarvan bekeek hij met zijn haviksogen, waaraan nooit iets ontging, het gedrag van de magiërs om hem heen. De impulsiefsten waren opgesprongen en zwaaiden met hun hand om het woord te vragen. Hodiku koos een jonge Zwarte Mantel uit die Sevean heette. Deze betrad de verhoging in het midden van de zaal, terwijl alle andere Grootheden weer gingen zitten.  

Pas een jaartje geïnitieerd als meester in de magie, was Sevean rap van tong en geneigd tot al even rappe, overhaaste conclusies, die hij al puntig onder woorden bracht op momenten dat ervarener collega's het nog nuttig achtten eerst het commentaar van een paar anderen aan te horen alvorens met hun mening te komen. Hij sprak ook veel harder dan in de gevoelige akoestiek van de zaal gewenst was: 'In brede kring wordt geloofd dat Jiro de hand heeft gehad in de dood van de zoon van de Goede Dienares.'

Maar dát was helemaal geen nieuws! Shimone krulde zijn lippen tot een licht blijk van walging, terwijl Hochopepa mompelde, juist hard genoeg om voor de halve zaal verstaanbaar te zijn: 'Heeft hij de roddeltjes in Isashani's zitkamer weer staan afluisteren?'

Shimone reageerde hier niet op. Zoals veel van de oudere magiërs vond hij het buitengewoon laag-bij-de-gronds om je magische vermogens te gebruiken voor het bespioneren van individuele edelen. Sevean geneerde zich wegens Hochopepa's opmerking en de strenge blikken die hem door diverse oude magiërs werden toegeworpen. Hij wist zo snel geen repliek te bedenken en beperkte zich tot een recapitulatie van wat hij had gezegd: 'Het wordt in brede kring geloofd.'  

Er waren meer magiërs die de aandacht van de Eerste Spreker probeerden te trekken. Hodiku maakte opnieuw een keuze, en terwijl een noviet op galmende, gewichtige toon een volstrekt irrelevant verhaal afstak, overlegden ervarener magiërs zachtjes met elkaar, zonder meer dan oppervlakkige aandacht te schenken aan de spreker.  

Een magiër die Teloro heette, en die twee rijen achter Hochopepa en Shimone zat, boog zich naar voren. 'Waar gaat het nu eigenlijk om, Hocho?'

De gezette magiër zuchtte en stopte met het draaien van zijn duimen. 'Het lot van het keizerrijk, Teloro. Het lot van het rijk.'

Teloro stond op het punt om zich te beklagen over deze vaagheid, maar bedacht zich toen: de dikke magiër mocht uiterlijk onaangedaan lijken, maar in zijn stem had een diepe overtuiging geklonken.

Zowel Shiffione als zijn gezette vriend leek gefascineerd door een discussie aan de andere kant van de zaal, waar een groepje magiërs met elkaar stond te overleggen. Toen de nietszeggende spreker was uitgepraat en Hodiku een man met ronde schouders uit het fluisterende groepje toestemming gaf om het woord te nemen, hoorde Teloro Hochopepa mompelen: 'Nu gaan we horen hoe deze ronde van het spel gespeeld moet worden.'  

De naar het midden van de zaal lopende magiër was slank van bouw; Zijn bruine haren waren boven de oren een eindje weggeschoren. Het was een snit die bekend stond als het Tsuranese soldatenkapsel en die voor een Zwarte Mantel nogal merkwaardig was, maar Motecha was ook in alle andere opzichten een ongewone magiër. Hij was bevriend geweest met de twee broers die de oude Krijgsheer actief hadden gesteund, maar nadat Elgoran was gestorven en Elgohar was vertrokken om op de Midkemische wereld te gaan dienen, had Motecha zijn best gedaan om een zo groot mogelijke distantie tussen hem en de twee broers te suggereren.  

De aandacht van Shimone en Hochopepa werd meteen al door de openingszinnen getrokken. 'Zijn er dan geen grenzen aan de ambities van vrouwe Mara? Ze roept een clanoorlog uit naar aanleiding van een belediging die zij als Vrouwe van de Acoma zélf heeft begaan.'  

Hochopepa knikte, alsof hij een vermoeden bevestigd hoorde. 'Dus Motecha heeft banden aangeknoopt met de Anasati. Vreemd. Hij is geen originele denker. Wie zou hem hiertoe hebben aangezet?'

Shimone stak zijn hand op. 'Leid me nu niet af met gebabbel. Ik wil dit horen.'

Motecha zwaaide met zijn hand, alsof hij iedereen uitnodigde tot tegenspraak, maar was niet zo genereus als dat gebaar suggereerde, want hij praatte snel verder, zonder iemand de kans te geven om tussenbeide te komen: 'Nee, dus! Geen grenzen! De Goede Dienares stelde zich niet tevreden met de grove inbreuk op de traditie, dat ze de troepen van haar verslagen vijand inlijfde...'  

'Waarvan wij toegaven dat het een briljante zet was,' interrumpeerde Hochopepa, opnieuw net luid genoeg om de spreker van zijn apropos te brengen. Teloro en Shimone moesten hun geamuseerdheid onderdrukken. De dikke magiër had er een handje van om collega's voor schut te zetten van wie hij vond dat ze zich te pompeus gedroegen. Toen Motecha op het punt leek te staan van zijn voorbereide tekst te gaan afwijken zei Hochopepa snel: 'Maar ik wilde je niet onderbreken. Ga door, alsjeblieft.'

Motecha was echter van zijn stuk gebracht. 'Ze zal de Anasati verpletteren,' vervolgde hij, maar pas na een pijnlijke stilte.  

Toen ging Fumita staan. Als vertegenwoordiger van de oudere, bedaagde leden van de Assemblee kreeg hij van Hodiku meteen een instemmend knikje. 'Vergeef me de onderbreking, Motecha, maar een nederlaag van de Anasati is niet zeker, en zelfs niet waarschijnlijk. Gegeven de welbekende krachtsverhoudingen aan beide kanten zal Jiro ook zijnerzijds een Beroep op de Clan moeten doen. In zijn eentje is de Anasati geen partij voor de Acoma. Vrouwe Mara heeft driest gesproken door de clan Hadama op te roepen. Dat heeft al tot politieke kosten geleid. Ze zal hierdoor machtige bondgenoten verliezen - twee ervan zullen wegens bloedverwantschap gedwongen zijn aan Jiro's zijde mee te vechten - en de twee clans zijn min of meer gelijkwaardig aan elkaar, al is het huis Acoma op zichzelf nog zo machtig.'  

Hochopepa grijnsde openlijk. Motecha's doorzichtige poging om de Assemblee tot actie ten gunste van de Anasati te bewegen had schipbreuk geleden. Fumita ging echter niet zitten, maar vervolgde: 'Er is echter een ander onderwerp dat besproken dient te worden.'  

Motecha stak zijn kin naar voren en verliet woedend zijn plek. Aangezien er zich geen nieuwe Grootheid als spreker meldde, gebaarde Hodiku simpelweg naar Fumita dat hij maar verder moest gaan.  

'Hoewel erekwesties geacht worden aan ijzeren regels gebonden te zijn,' zei Fumita, 'moeten we ons toch afvragen of deze botsing tussen clans de interne structuur van het rijk zodanig zal ontwrichten dat de hele stabiliteit in gevaar komt.'

Er ontstond geroezemoes binnen de Assemblee, maar niemand vroeg het woord. De clans Ionani en Hadama waren grote partijen, maar toch ook weer niet groot genoeg om de burgerlijke orde onherstelbaar te verstoren. Hochopepa wist dat zijn bondgenoot Fumita alleen op tijdwinst speelde. De achterliggende reden van zijn tactiek was méér dan alleen maar bezorgdheid over de afloop van de erekwestie tussen twee huizen. Er dreigde iets ergers, en dat was al half gerealiseerd: dat het conflict tussen de Anasati en de Acoma tot een bundeling van de krachten van Ichindars tegenstanders zou leiden. Individuele dissidenten schaarden zich nu al achter Jiro. Ze begonnen een traditioneel, conservatief ingestelde partij te vormen, die serieus oppositie zou kunnen voeren tegen de nieuwe orde die de keizer had ingevoerd. Ze waren misschien niet fanatiek genoeg om al aan bloedvergieten te denken, maar als er op dit moment nog een Hoge Raad had bestaan zou heer Jiro daarin beslist genoeg stemmen hebben gekregen om het ambt van Krijgsheer te winnen. Er waren magiërs die het ondersteunen van Ichindars machtsgreep een zondige interventie hadden gevonden en die meenden dat de Assemblee de evenwichtige situatie van vóór de Vijand moest herstellen: een Hemels Licht dat zich op de achtergrond hield, zonder zich met de dagelijkse politiek te bemoeien. Hochopepa leidde een kleine groep die de veranderingen juist verwelkomde. Hij besteedde weinig aandacht aan Fumita's tijdrekken, maar hield scherp in het oog waar Motecha naar toe ging. 'Aha,' zei hij toen tegen zijn collega, 'dát is Jiro's man achter de schermen.'  

Met een discreet knikje duidde hij de magiër aan met wie Motecha nu stond te fluisteren: een atletisch uitziende man van nog zeer jeugdige leeftijd, onopvallend om te zien, afgezien van de halve krans van rood haar die onder zijn zwarte hoofdkap uit stak. Hij had dikke wenkbrauwen. Hij keek geërgerd en had in het algemeen de uitstraling van een nerveus type.  

'Tapek,' verklaarde Shimone. 'Verzengde een heel huis tijdens een mislukte oefening voor zijn meesterproef. Was al op jonge leeftijd zeer getalenteerd, maar heeft bar veel tijd nodig gehad om zich te leren beheersen.'

Hochopepa's vriendelijke gezicht kreeg een bezorgde uitdrukking. 'Hij is geen vriend van Jiro. Wat is zijn belang hierbij?'

Shimone haalde haast onzichtbaar zijn schouders op - zijn versie van het dubbelzinnige Tsuranese gebaar. 'Zijn soort wordt door onrust en ruzies aangetrokken als drijfhout door een draaikolk.'

Inmiddels ging de discussie in de zaal door. Fumita hield zijn toon zo neutraal mogelijk, om te voorkomen dat iemand zou wijzen op zijn persoonlijke banden met Hokanu en Mara's huis. Hij bracht zijn conclusie onder woorden: 'Als de clans Ionani en Hadama elkaar vernietigen, krijgen we te maken met zowel interne als externe gevaren, is mijn overtuiging.' Hij stak een vinger op. 'Kan iemand betwijfelen dat het overgebleven huis zo verzwakt zal zijn dat anderen er zich onmiddellijk op zullen storten?' Hij stak een tweede vinger omhoog. 'En kan iemand tegenspreken dat vijanden van buiten onze grenzen onze interne twisten zullen uitbuiten door ons aan te vallen?'  

'Mijn moment om bij te dragen aan deze verplaatsing van hete lucht en rookgordijnen,' mompelde Hochopepa, en meteen ging hij staan. Het leek afgesproken werk, want Fumita ging zo abrupt zitten dat niemand anders tijd kreeg om zich bij de Eerste Spreker te melden. Deze gebaarde nu dat de dikke magiër het woord had.

Hochopepa kuchte even om zijn keel te schrapen. 'Mijn geleerde confrère heeft een sterk betoog gehouden,' begon hij toen, ter inleiding van een virtuoze toespraak, vol misleidende gewichtigdoenerij, 'maar we moeten ons niet laten verblinden door retoriek.'  

Shimone plooide zijn lippen tot een vaag glimlachje bij het horen van deze halve leugen. Zijn dikke metgezel was begonnen heen en weer te lopen, en alle magiërs op de voorste rijen indringend aan te kijken om hun aandacht te trekken. 'Ik wil erop wijzen dat zulke botsingen in het verleden óók niet hebben geleid tot de ondergang van de beschaving zoals wij die kennen!' Hij knikte om zijn woorden te benadrukken. 'En we beschikken niet over inlichtingen dat degenen die aan onze grenzen wonen zich opmaken om ons aan te vallen! De Thurils hebben het te druk met handeldrijven aan onze oostgrens om ruzie te zoeken, zo lang wij hun geen aanleiding geven. Het kunnen geduchte tegenstanders zijn, maar ze schijnen het maken van winst nog aantrekkelijker te vinden dan bloedvergieten - althans sinds de Alliantie voor de Krijg heeft afgezien van haar pogingen om hen te onderwerpen.' Er ging een afkeurend gemompel door de schemerige zaal, want de poging om de Thurilse Hooglanden te annexeren en er een provincie van te maken was uitgelopen op een schande voor het keizerrijk, en het werd beschouwd als een teken van slechte smaak om aan dat fiasco te herinneren. Hochopepa deinsde er echter niet voor terug om dit soort dingen te zeggen als hij daarmee zijn opponenten uit hun evenwicht kon brengen. Hij verhief zijn sonore stem om boven het geroezemoes uit verstaanbaar te blijven. 'De woestijnmannen van Tsubar vormen een eedgenootschap met de Xacatecas en de Acoma namens het keizerrijk, dus we hoeven in Dustar geen invallen meer te vrezen.'  

Dat dit laatste deels te danken was geweest aan vrouwe Mara was binnen de Assemblee natuurlijk algemeen bekend. Er verscheen een glimlach op Hochopepa's ronde gezicht toen het gemor wegstierf en plaats maakte voor een eerbiedige stilte. 'Hoe we het ook bekijken, het is zo vredig in het rijk dat het bijna saai is!' Met dramatische abruptheid liet hij zijn glimlach wijken voor een woedende uitdrukking, en met een priemende, beschuldigende vinger wees hij allen samen, maar niemand in het bijzonder aan. 'Moet ik er mijn confrères aan herinneren dat de Dienares van het Keizerrijk krachtens adoptie tot de keizerlijke familie wordt gerekend? Een vreemde gewoonte, ik weet het, maar een oude traditie.' Hij wees nu specifiek naar Motecha, die had geprobeerd Mara in diskrediet te brengen. 'Zouden wij overijld iets ondernemen ten gunste van de Anasati, dan zou de keizer dat wel eens kunnen opvatten als een aanval op zijn familie. En, om nog concreter te worden, Elgohar en ik waren getuige bij de executie van de laatste Krijgsheer. Toen hij werd opgehangen...' Hij liet een stilte vallen ter wille van het effect, en tikte tegen zijn slaap. 'Laat me eens nadenken of ik me nog letterlijk kan herinneren wat het Hemelse Licht toen opmerkte over een zekere magiër die aan het politieke gekonkel binnen de Raad had deelgenomen. Ja, ik weet het nog, hij zei toen: "Als ik nog ooit ontdek dat een Zwarte Mantel betrokken is bij een samenzwering tegen mijn huis, dan zal de status van de Grootheden als zijnde buiten de wet geplaatsten worden beëindigd. Zelfs al zou ik alle legers van het rijk in stelling moeten brengen tegen uw magische krachten, en zelfs al zou het leiden tot de totale ondergang van het rijk, ik zal niemand meer toestaan de suprematie van de keizer ooit nog eens aan te tasten. Is dat begrepen?'"  

Hochopepa keek de verzamelde magiërs met een ernstige, bijna beschuldigende blik aan. 'Ik kan eenieder verzekeren dat Ichindar in volle ernst sprak. Hij is niet iemand die lichtvaardig met geweld dreigt. Onze vorige keizers mogen tevreden zijn geweest met een bijrol, en het verdelen van hun tijd tussen mediteren in de tempels en het verwekken van kinderen bij hun collectie vrouwen en concubines' - hij verhief zijn stem weer - 'maar Ichindar is dat niet! Hij is een geboren heerser, niet een goddelijke marionet in het gewaad van een of andere religieuze orde!'  

Hij liet zijn stemvolume dalen, zodat hij elke aanwezige magiër dwong zich in te spannen om zijn woorden te verstaan, waardoor ze des te meer indruk maakten. 'Wij, die bij de crematie van Mara's zoon aanwezig waren,' begon Hochopepa, 'weten zeer goed dat de misstap van de Goede Dienares puur een uitvloeisel was van haar overweldigende verdriet. Vanaf het moment dat ze Jiro met haar blote handen te lijf ging was dit conflict onvermijdelijk. En aangezien het onze taak is het keizerrijk te beschermen en behouden, kan ik me nauwelijks voorstellen dat we een rechtvaardiging zouden kunnen vinden voor welke activiteit ook' - zijn stemgeluid was nu zo bulderend geworden dat de hele zaal ervan leek te dreunen - 'die tot gevolg kan hebben dat straks alle legers van het rijk tegenover ons staan wegens één persoonlijke belediging!'  

Op kalme, redelijke toon vervolgde hij: 'Wij zouden dat winnen, natuurlijk, maar daarna zou er nog maar heel weinig keizerrijk over zijn om te beschermen en behouden.' Hij eindigde met een wegwuivend handgebaartje. 'Dat was alles wat ik wilde zeggen.' En hij ging zitten.  

Het bleef maar even stil, want Tapek sprong meteen overeind. Na een toestemmend knikje van Hodiku schreed hij met wapperende mantel naar het midden van de zaal.

Met een bleek gezicht keek hij om zich heen naar zijn zwijgende gehoor. 'We hebben nu genoeg gehoord over vrouwe Mara,' begon hij. 'De beledigde partij, moet ik met nadruk stellen, is heer Jiro. Hij is niet met de vijandigheden begonnen.' Tapek stak zijn armen omhoog. 'Ik verzoek u allen om voor de afwisseling eens op rechtstreekse bewijzen af te gaan, en niet op woorden.' Hij tekende met enkele gebaren een soort kubus in de lucht en fluisterde een spreuk, waarna er zich in de aldus afgebakende ruimte voor hem licht begon te verzamelen - een wervelend spel van alle kleuren van de regenboog, dat zich echter al spoedig uitkristalliseerde in een scherp afgetekend vertrek vol boeken en perkamentrollen. En in die studeerkamer liep heer Jiro geagiteerd te ijsberen. Hij was gekleed in een simpel, maar elegant gewaad. In een hoek, niet echt veilig uit de buurt van zijn meesters woede, zat Chumaka op een kussen. Hij deed zijn best om zijn leerachtige gezicht in een neutrale plooi te houden.  

'Hoe durft vrouwe Mara me te bedreigen!' raasde Jiro op verongelijkte toon. 'We hadden niets te maken met de dood van haar zoon! De insinuatie dat we een zo eerloos huis zijn dat we een jongen die zelf Anasati-bloed heeft zouden laten vermoorden is bespottelijk! Dat zogenaamde bewijs dat ze op die tonghuurling hebben aangetroffen is een doorzichtige poging om ons zwart te maken, en daarom worden we nu met een clanoorlog geconfronteerd!'  

Chumaka zette zijn vingers met de topjes tegen elkaar. De ringen van gesneden corcara droeg hij al vanaf de crematieplechtigheid. 'De clan Ionani zal het onrecht erkennen,' zei hij, in een poging om zijn meester weer rustig te krijgen. 'We zullen niet zonder steun het strijdperk betreden.'

'Strijdperk!' Jiro draaide zich abrupt om, zijn blik drukte walging uit. 'De vrouwe is een lafaard door deze oorlog af te kondigen! Ze denkt ons te kunnen verslaan zonder haar handen vuil te maken, simpelweg door ons met haar overmacht te verpletteren. Wel, dan moeten we ons vernuft gebruiken en haar een lesje leren. De clan Ionani zal ons misschien steunen. Nou, des te beter. Maar ik zal haar nooit vergeven dat ze het zover heeft laten komen. Als ons huis deze lompe aanval overleeft, heeft de Acoma er een geduchte vijand bij!'

Chumaka likte over zijn tanden. 'In het gewoel van de politieke arena zijn zich nieuwe patronen aan het vormen. Er zijn beslist voordelen te behalen.'

Jiro draaide zich met een ruk om en keek zijn Eerste Adviseur aan. 'Eerst moeten we, door die verdomde teef, onze huid zien te redden uit wat een massale slachtpartij dreigt te worden!'

De scène verdween op dat moment abrupt, want Tapek had in zijn handen geklapt om de magie te verbreken. Hij wierp zijn vuurrode lokken naar achter en keek uitdagend naar de oudere leden die deze inbreuk op de privacy van een edelman misprijzend hadden aangezien.

'Je schendt de traditie,' riep een bibberige stem vanaf een van de achterste banken. 'Zijn we oude wijven geworden, die onze magische vermogens gebruiken om te spioneren? Gaan we misschien ook in de kleedkamers van de dames gluren?' Zijn mening werd gedeeld door diverse andere grijsharige leden van de Assemblee, waarvan er een aantal verontwaardigd waren gaan staan.

'Uw ethische opvattingen zijn tegenstrijdig!' riep Tapek terug. 'Wat heeft vrouwe Mara met de traditie gedaan? Die heeft ze met voeten getreden, durf ik wel te stellen! Willen we passief afwachten en de prijs betalen voor de instabiliteit die ze in de toekomst kan aanrichten? Welke morele overwegingen zuilen haar tegenhouden? Heeft ze in deze verachtelijke aanval op heer Jiro haar gebrek aan zelfbeheersing niet duidelijk gedemonstreerd?'  

Deze opruiende opmerking ging zelfs Shimone te ver. 'Ze verloor een kind op een afschuwelijke manier,' interrumpeerde hij. 'Ze is een vrouwen een menselijk wezen. Het is onvermijdelijk dat ze fouten heeft.'

Tapek stak zijn handen omhoog. 'Zeer ad rem, confrère, maar het gaat mij niet om de tekortkomingen van de vrouwe. Ze is naar alle maatstaven tot een duizelingwekkende hoogte gestegen. Haar invloed is te groot geworden, haar macht reikt te ver. Als Krijgshoofd van de clan Hadama en Regerende Vrouwe van het sterkste huis in het hele keizerrijk neemt ze de eerste plaats in onder alle Regerende Heren. En als Dienares van het Keizerrijk heeft zij in potentie een gevaarlijke invloed op de massa's. Ik geef graag toe dat ook zij maar een mens is. Daaróm juist! Ik vind dat geen enkele heer of vrouwe in het rijk een zodanige cumulatie van macht mag bezitten. Ik vind dat we die macht nu moeten begrenzen, voordat er problemen ontstaan die niemand meer aankan.'  

Hodiku, de Eerste Spreker, wreef over zijn kin. Het was duidelijk dat hij in zijn maag zat met de richting die de discussie had ingeslagen. In een poging om de bitse sfeer die was ontstaan te verbeteren deed hij een beroep op Hochopepa. 'Ik heb een vraag voor mijn geleerde vriend. Hocho, wat zou jij voorstellen dat we doen?'

Achterover hangend, quasi ontspannen, met een elleboog op de rugleuning, antwoordde Hochopepa: 'Doen? Wel, dat leek me duidelijk, dacht ik. We moeten niets doen. Laat die twistende partijen hun oorlog maar voeren. Zodra ze hun gekwetste eergevoelens hebben opgekalefaterd door ze lekker in bloed te drenken, zal het gemakkelijk genoeg zijn om de scherven bij elkaar te vegen.'  

Er klonken kreten op, want wel tien magiërs wilden het woord voeren. Shimone zuchtte hoorbaar. 'Deze keer zul je je zin niet krijgen, Hocho.'

De dikke magiër liet zijn kin in zijn handpalmen zakken. Er verschenen kuiltjes in zijn wangen. 'Allicht niet,' fluisterde hij. 'Maar ik wilde dat heethoofdige groentje niet helemáál vrij baan geven.'  

In feite bezat elke Grootheid de vrijheid om te handelen zoals hij dat wenste. Iedereen kon op eigen gezag pro of contra Mara interveniëren, indien hij zulks in het belang van het rijk achtte. Door vandaag de vraag van de eventuele interventie in de Assemblee aan de orde te stellen had Hodiku er echter een consensuskwestie van gemaakt. Nadat er formeel een gezamenlijk standpunt was vastgesteld, zou geen van de leden daar in de praktijk nog tegenin gaan. Het was echter volledig uitgesloten dat de besluitvorming snel zou verlopen. Daarom veranderde Hochopepa nu van tactiek: vanaf nu streefde hij naar een zodanig verloop van de vergadering dat er uiteindelijk een gematigd oordeel zou volgen. De dikke magiër trok zijn mantel recht en zuchtte berustend. 'Laten we met de kern van de zaak wachten tot deze jonge heethoofden hun keel schor hebben geschreeuwd. Zodra ze zonder stoom komen te staan zullen wij iedereen de enige redelijke keuze voorleggen en om een stemming vragen. Ze zullen trouwens denken dat ze zélf op dat idee zijn gekozen. Het is veiliger om Tapek en Motecha in de waan te brengen dat zij de Assemblee naar consensus hebben geleid dan ze de vrijheid te laten houden om uit eigen initiatief aan betreurenswaardige acties te beginnen.'  

Shimone keek zijn gezette makker verwijtend aan. 'Waarom zoek jij toch altijd voor alles een oplossing in langdurige, oeverloze praatsessies?'

'Weet jij iets beters?' repliceerde Hochopepa op bitse toon.

'Nee,' snauwde Shimone. Hij had geen zin meer om nog te praten en richtte zijn aandacht op de eerste van de vele sprekers die zich gretig voor het vervolg van het debat hadden gemeld.

 

De vroege zon verwarmde de commando tent. In het schemerduister binnen rook het naar de olie die werd gebruikt om het leer waterdicht te houden en naar het vet dat de riemen van de wapenrustingen en zwaardschedes soepel hield. Het rook er niet naar lampolie, want de vrouwe had geen licht willen hebben. Als Krijgshoofd van de clan Hadama gekleed in een ceremoniële wapenrusting met bijpassende gepluimde helm, zat Mara op een paar zijden kussens. De flappen van de tentingang waren open en Mara's profiel stak scherp af tegen het ochtendlicht buiten. Achter haar, met zijn gehandschoende hand op haar schouder, stond Hokanu het leger te bekijken dat in de ruime vallei in gelederen stond opgesteld.  

Zo ver de blik reikte vanaf deze hoger gelegen uitkijkpost op de helling onttrok de massa roerloos wachtende krijgers het grasland aan het oog: vele strakke rijen van ontelbare helmen en lansen achter elkaar. De enige zichtbare beweging was het wuiven van de officiers-pluimen in de wind. Deze vertoonden niet alleen het groen van de Acoma, maar ook vele andere kleuren. Toch was deze bewegingloosheid slechts schijn, want al deze gewapende krijgers van de clan Hadama stonden gereed om op het eerste teken van hun Krijgshoofd aan te vallen om de eer van hun clan te verdedigen.  

Mara leek in haar ceremoniële wapenrusting op een uit jade gesneden beeld. Haar gezicht vertoonde de onaangedane uitdrukking die van een Tsuranees Krijgshoofd werd verwacht, maar de adviseurs die bij haar waren bemerkten de kwetsbaarheid in haar pose - alsof alleen haar harnas de emoties die in haar binnenste ziedden nog beteugelde. Ze bewogen zich voorzichtig en praatten zachtjes in haar nabijheid, alsof een enkel verkeerd woord of gebaar haar zelfbeheersing kon doorprikken en opnieuw de blinde woede kon ontketenen waarmee ze heer Jiro was aangevlogen.

In deze toestand, met onder haar commando een massaal leger dat paraat stond om ten strijde te trekken, was ze zo onvoorspelbaar als een onweerswolk die zijn bliksems nog niet had uitgebraakt. Een formele oorlogsverklaring kwam neer op het ter zijde stellen van vernuft en tactiek, het afzien van list en rede. In plaats daarvan stormde men op een open strijdtoneel simpelweg als blinde paarden op de tegenstanders af, nadat deze tijdens een ceremonie in de tempel van Jastur als zodanig waren aangemerkt.  

Tegenover het leger van de clan Hadama waren de banieren van de clan Ionani te zien. Zoals vrouwe Mara, zat ook heer Jiro samen met zijn Krijgshoofd hoog op de helling van de tegenoverliggende heuvel. Zijn houding straalde de trots uit die bij zijn afkomst hoorde en ook de onverzoenlijke vastbeslotenheid om de schending van zijn eer te wreken. Achter de strakke gelederen van Jiro's leger wapperde de oeroude, rood-en-gele oorlogsvaan van de Anasati aan een mast die was opgericht naast de zwart-en-groene tent van de Heer van de Tonrnargu, het Krijgshoofd van de clan. Deze plaatsing van de kleuren symboliseerde volgens oud gebruik dat de aantasting van de eer van de Anasati door alle andere huizen binnen de clan was erkend en op bloedige wijze diende te worden gewroken, ongeacht het aantal levens dat dit zou kosten. Sterven was Tsuranees, leven in schande daarentegen een lafheid die erger was dan de dood.  

Mara's ogen namen de details waar. Haar handen trilden niet. Haar gedachten hadden zich teruggetrokken in een kil hoekje waar zelfs Hokanu niet in kon binnendringen. Zij die oorlog en bloedvergieten had verketterd leek nu zelf begerig om bruut geweld te gebruiken. Weliswaar zou ze door de slachtpartij haar zoon niet terugkrijgen, maar misschien konden de hitte en gruwelen van de strijd een einde maken aan haar gepieker. Ze kon pas een vermindering van haar pijn en verdriet verwachten wanneer Jiro van de Anasati verpletterd, gedood en tot stof vergaan was.  

Haar lippen verstrakten bij deze gedachte. Hokanu voelde haar gespannenheid. Hij deed geen poging om er iets aan te doen, want hij wist instinctief dat er op dit moment niets was waarmee hij haar kon bereiken. Hij bleef bij haar, stil en rustig, en probeerde haar beslissingen zo goed mogelijk te temperen.  

Op een dag zou ze tot bezinning komen en haar tranen herkennen als wat ze waren. Tot het moment waarop de tijd zou beginnen haar wonden te helen kon hij haar slechts zijn onvoorwaardelijke steun geven, want deed hij dat niet, dan was ze tot nóg rampzaliger daden in staat.

Met Tsuranese onbewogenheid volgde Hokanu het plechtige schouwspel in de verte: er had zich een aantal figuren uit de gelederen van de Hadama losgemaakt, die nu het front van de Ionani naderden. Lujan leidde de groep. De glanzende delen van zijn wapenrusting blikkerden in het zonlicht en de topjes van zijn officierspluimen leken een smaragden gloed uit te stralen. Aan weerszijden van hem liepen zijn twee krijgsleiders, Irrilandi en Kenji, en achter hen, in volgorde van rang, de krijgsleiders van de andere huizen van de clan Hadama. Als laatste volgde een klerk, die moest vastleggen welke woorden er zouden worden gewisseld met de delegatie van de tegenstander, welke ze volgens de traditie in het centrum van het strijdtoneel zouden ontmoeten. Er zou worden afgesproken welke voorwaarden tijdens de aanstaande oorlog van kracht zouden zijn, zoals de begrenzing van het slagveld, het aanvangsuur van de strijd, en de eventuele mogelijkheid van aangeboden of gevraagd uitstel.  

Wat dat laatste betreft had Mara echter alle hoop de grond in geboord. Toen Keyoke, haar Adviseur voor Oorlogszaken, voorzichtig de optie van een opschorting ter sprake had gebracht, hadden haar ogen gefonkeld van woede. 'Geen uitstel!' had ze gesnauwd.

Dat de huizen van de clan Ionani het passend bleken te vinden om Jiro te steunen had haar opstelling niet in het minst veranderd. Ze mochten met hem vallen of stand houden, wat haar betrof, dan zou zij niet de enige zijn die de wreedheden van het Spel van de Raad moest ondervinden.

De lijnen waren nu getrokken, de inzet was bepaald. Niemand kon het woord van Mara, het Krijgshoofd van de clan, tegenspreken. Hokanu keek onopvallend om zich heen, niet alleen om geruststelling te zoeken, maar ook om de stemming van de aanwezigen te peilen. Keyoke droeg een wapenrusting, niet het gewaad waar zijn rang als adviseur hem recht op gaf. Saric, die in het leger van de Acoma had gediend voordat hij adviseur werd, droeg eveneens zijn militaire tenue. Met een veldslag voor de boeg zou hij zich naakt hebben gevoeld in zijn zijden adviseurskleding.  

Alleen Incomo droeg nog zijn officiële gewaad. Hij was beter vertrouwd met een pen dan met een mes - zelfs al was het maar een mes om mee te eten. Hij stond daar met zijn duimen achter zijn ceintuur gehaakt en een naar binnen gekeerde uitdrukking op zijn leerachtige gezicht. Hoewel hij op zijn terrein even bekwaam was als een generaal, had hij geen verstand van oorlogvoering. Mara's Beroep op de Clan was geen verstandige daad, en aangezien ze tot dan toe een toonbeeld van gematigdheid en rede was geweest, maakte haar hoogst riskante omarming van de geritualiseerde vorm van Tsuranese wraak hem innerlijk doodsbang. Zijn jarenlange ervaring als adviseur van de Minwanabi stelde hem echter tot kalme gehoorzaamheid in staat.  

Elke man en vrouw van de Acoma, en van alle andere huizen van de clan Hadama, wachtte vandaag de wil van de goden af.

Er klonk trompetgeschal en het schrille geluid van de kromme oorlogsbazuinen. Trommelaars sloegen roffels toen de delegaties van de twee partijen uit elkaar gingen en naar hun eigen gelederen terugmarcheerden, en het ritme van de trommelslagen en het bazuingeschal werd versneld. Lujan nam zijn plaats in het midden van de frontlinie weer in, Irrilandi en Kenji marcheerden naar de flanken, en de andere officieren keerden ieder terug naar de legers van hun eigen huis. Het licht van de ochtendzon werd glinsterend weerkaatst door het lakwerk van de speren en de schildranden en door de klingen van duizenden uit hun schede getrokken zwaarden.  

Banieren fladderden in de wind, met rode wimpels eronder ter ere van de god van de Dood, Turakamu, wiens gunst de krijgers deze dag afsmeekten. Een priester uit de orde van de Rode God begaf zich naar de strook nu nog neutraal terrein tussen de beide legers en begon een gebed op te zeggen. Het aanzwellende geluid van duizenden stemmen die zich hierbij aansloten leek op het gedreun dat aan een aardbeving vooraf ging. Naast de priester stond nog iemand anders: een zwart gesluierde zuster van Sibi, Zij Die De Dood Is. De aanwezigheid van een priesteres die Turakamu's oudere zuster aanbad bevestigde dat vele mannen voorbestemd waren om vandaag te sterven. Toen hij klaar was met zijn gebed wierp de priester een handvol rode veren in de lucht. Daarna boog hij diep naar de grond. Met een volgende buiging nam hij afscheid van de priesteres van de Doodsgodin.  

Terwijl de priester en de zuster zich terugtrokken, waren de soldaten van beide legers begonnen naar elkaar te schreeuwen. Er werden beledigingen uitgewisseld, in krasse, onvergeeflijke bewoordingen, om te benadrukken hoe vastbesloten men was om tot het uiterste te gaan: winnen of sterven, zoals de eer dat voorschreef. Het schelden was bedoeld om elke vorm van lafheid de kop in te drukken. Het Tsuranese eergevoel kende op dit punt geen compromissen: een man kon zijn leven verdienen door een overwinning, of anders zou iemands schande via het Wiel van het Leven worden bestraft door een ellendiger volgend bestaan.  

Mara bekeek het tafereel zonder passie. Haar hart was als versteend. Vandaag zouden andere moeders ervaren wat het betekende om bij het lichaam van vermoorde kinderen te huilen. Ze merkte amper dat Hokanu's vingers zich om de schouderplaten van haar wapenrusting sloten.

Het hart van de erfzoon van de Shinzawai was gaan bonken. Hij had het recht om zich afzijdig te houden, want hij had familiebanden met de Hadama noch de Ionani, maar als echtgenoot van de Goede Dienares had hij zich verplicht gevoeld om de supervisie over deze slachtpartij op zich te nemen. Nu de opwinding van de krijgers een climax naderde, begon ook zijn bloed sneller te stromen en verlangde een wat donkerder deel van zijn aard ernaar om het teken tot de aanval te geven. Hij had van Ajiki gehouden alsof het zijn eigen zoon was, en het verlies van de jongen had het voor hem niet moeilijk gemaakt om de woede van zijn vrouwe te delen. De logica mocht het huis Anasati dan misschien vrijpleiten van het huren van de tong, maar dat zou een bloeddorstige behoefte aan wraak onbevredigd hebben gelaten. Of Jiro nu wel of niet schuldig was, bloed moest nu eenmaal vergolden worden met bloed.  

Een koerier van Lujan arriveerde bij de tent. Hij boog diep en wachtte zwijgend tot de vrouwe hem een teken gaf. 'Meesteres, Krijgshoofd van de clan Hadama, er zijn afspraken gemaakt met de bevelhebbers van de Ionani. De strijd zal aanvangen zodra de zon een hoogte van zes diameters boven de oostelijke horizon heeft bereikt.'

Mara keek schattend naar de hemel. 'Dat betekent dat binnen een half uur het signaal tot de aanval zal klinken.' Ze gaf een instemmend knikje, al vond ze zelfs dit korte uitstel ongewenst. Ajiki verdiende áctie!

De minuten gleden traag voorbij. De soldaten bleven beledigingen uitwisselen tot hun kelen schor waren. De zon kroop langzaam naar boven en de dag werd steeds heter. Allen in de commandotent stonden stijf van de zenuwen. Op het laatst had de minste of geringste aanleiding tot een uitbarsting van opgekropte spanningen kunnen leiden. Ook Hokanu had moeite om zijn groeiende ongeduld te bedwingen. Hij stond klaar om zijn zwaard te trekken en het lemmet te drenken in bloed.  

Tenslotte bereikte de zon dan toch de afgesproken positie. Er werden geen signalen uitgewisseld tussen Mara's adviseurs in de tent. Wel hijgde Keyoke hoorbaar toen Mara haar hand ophief, waarna Lujan, op het slagveld, zijn blote zwaard in de lucht stak en de krijgsbazuinen het aanvalsteken begonnen te schetteren.  

Ook Hokanu had zonder erover na te denken zijn zwaard getrokken. De veldslag zou best kunnen eindigen zonder dat hij tegenover een vijand was komen te staan, want zijn plaats was naast de vrouwe. Er zouden geen vijandelijke krijgers door de linies van de eregarde rondom de commandotent weten te dringen, tenzij de hele clan Hadama verpletterend verslagen was, maar toch stonden hij en Saric nu al paraat.  

De aanvalsfanfares leken een eeuwigheid te duren. Al die tijd hield Lujan zijn ontblote zwaard hoog in de lucht gestoken - op deze afstand leek het slechts een naald in het zonlicht - zoals ook de bevelhebber van de tegenstander dat deed. Pas wanneer beide mannen hun wapen lieten zakken zouden de beide legers zich met getrokken zwaarden en lansen, en onder luid krijgsgejoel op elkaar storten.  

Hokanu haalde adem om een kort gebed te prevelen voor Lujan, want de dappere opperbevelhebber van de Acoma zou bijna zeker sneuvelen. De massa soldaten aan beide zijden maakte het onwaarschijnlijk dat ook maar iemand in de eerste vijf linies de eerste aanvalsgolf zou overleven. De twee machtige legers zouden over elkaar heen malen als de kiezenrijen van twee kolossale kaken, en alleen de krijgers in de achterhoede zouden kunnen zien wie als levende overwinnaars uit de mêlee te voorschijn kwamen.

De spanning bereikte een kookpunt. Mannen besloten hun laatste stille smeekbeden aan de goden om eer, overwinning, leven, en Lujans zwaard leek al te trillen in een eerste aanzet tot beweging. Maar op het moment dat de krijgers haast niet meer te houden waren en bijna letterlijk stonden te trappelen van ongeduld, klonk er opeens een luide donderslag vanuit de heldere, groenige hemel, en volgde er een krachtige windvlaag, die Mara en Hokanu vol in het gezicht raakte. Kussens werden weggeblazen en Hokanu wankelde. Hij liet zich op zijn knieën vallen en sloeg zijn vrije arm beschermend om Mara heen. Incomo was een eindje achteruit geworpen en zijn ambtsgewaad fladderde om zijn magere lichaam, terwijl de hele commandotent vervaarlijk stond te schudden. Keyoke viel achterover tegen Saric aan, die hem opving, hoewel Keyoke's kruk hem daarbij met volle kracht op zijn knie raakte. Elkaar ondersteunend wisten de twee adviseurs echter op de been te blijven, maar in de tent vielen tafeltjes om en werden documenten met krijgstactieken en plattegronden erop naar alle kanten geblazen, zelfs tot achter de gordijnen waarmee Mara's privé-hoekje en slaapmat van de rest was afgeschermd.

In de opgeworpen stofwolken was het op het slagveld een chaos geworden. Vaandelstokken waren uit de handen van hun verraste dragers gerukt en menige krijger in de voorste rijen van beide partijen was simpelweg omvergeblazen. Hun zwaarden staken niet in een tegenstander, maar in de grond. Andere soldaten probeerden naar voren te lopen, maar ze struikelden over elkaar en hadden in de nog steeds wervelende windvlagen moeite om op de been te blijven.  

In de open ruimte tussen de twee legers verschenen ondertussen een aantal in het zwart gehulde figuren. Hun mantels fladderden echter niet, maar hingen griezelig stil om hun lichamen. En de al even onnatuurlijke wind hield plotsklaps op met waaien, alsof iemand een knop had omgedraaid. De mannen van beide partijen knipperden verbaasd met hun ogen. Ze zagen dat er Grootheden waren gekomen om te interveniëren. Hoewel ze hun wapens in de aanslag hielden en nog steeds belust waren op eer en roem, maakte niemand aanstalten om zich op de magiërs te storten die zich tussen de legers hadden opgesteld. Ook de soldaten die op de grond waren geworpen verroerden zich niet. Geen commando van een meester of meesteres kon hen dwingen in actie te komen, want wie een Grootheid zelfs maar áánraakte riep fataal ongeluk over zich af en beledigde de goden.  

Mara keek met een vijandige blik naar de Zwarte Mantels die haar wraak waren komen bederven. De riemen van haar wapenrusting kraakten toen ze opstond. Ze had haar handen tot vuisten gebald en de spieren van haar kaken stonden strak. 'Nee,' zei ze zacht.

Er viel een losse lok haren onder haar helm uit en haar Krijgshoofd-pluimen trilden als riet in de wind. Een hartenklop later materialiseerde zich een andere Grootheid pal voor de opening van haar tent. Zijn mantel leek gesneden uit het nachtelijke donker zelf, en hoewel hij een jeugdige slankheid bezat, was er niets jeugdigs aan zijn ogen. Ze straalden een vurigheid uit die sterk contrasteerde met zijn donkere huid en haren. Hij bleek een verrassend diepe stem te hebben. 'Vrouwe Mara, hoor onze wil. De Assemblee verbiedt deze oorlog!'  

Mara werd bleek. Inwendig beefde ze van woede, nu haar werd verhinderd het Beroep op de Clan in daden om te zetten. Ze had nooit vermoed dat de Assemblee tegen haar uitdrukkelijke wil in tussenbeide zou komen. Ze stond hier even hulpeloos tegenover als haar voormalige tegenstander, Tasaio, was geweest, maar om weerhouden te worden van de traditionele vorm van wraak wegens de moord op Ajiki kwam neer op een verbeuring van de eer van de Acoma. Als ze zich zonder enig bloedvergieten uit deze confrontatie moest terugtrekken zou haar dat veel meer schande bezorgen dan de eventuele schande die de Anasati eraan overhield. Het was immers háár zoon die ongewroken bleef. Heer Jiro zou de overwinning toegewezen krijgen. Hij zou achting gewonnen hebben wegens zijn moed om op het strijdtoneel te verschijnen om zijn eer te verdedigen, maar het waren niet zijn zoon en niet zijn voorouders wier schaduwen valer zouden worden omdat hun de bloedige vergelding van een moord onthouden werd. Als beschuldigende partij, die haar claims echter niet met wapengeweld kracht had bijgezet, zou het de Vrouwe van de Acoma zijn die veel prestige verloor.  

Mara vond haar stem. 'U dwingt me tot oneervol gedrag, Grootheid.'

De magiër deed die opmerking af met een hooghartige kalmte. 'Uw eer, of gebrek aan eer, is mijn zaak niet, Goede Dienares. De Assemblee handelt slechts in het belang van het keizerrijk, zoals immer. Het bloedbad van een oorlog tussen de clans Hadama en Ionani zou de naties ernstig verzwakken en dit rijk kwetsbaar maken voor aanvallen van buiten onze grenzen. Daarom wordt u het volgende opgedragen: geen leger van de Acoma of van de' Anasati of van wie van hun clanleden of bondgenoten ook mag zich tegenover een van de andere legers opstellen, noch wegens deze kwestie, noch wegens een andere. Het is u verboden oorlog te voeren tegen heer Jiro.'

Mara moest al haar wilskracht aanspreken om niets terug te zeggen. Ooit had ze met eigen ogen gezien hoe een barbaarse Zwarte Mantel, Milamber, de hemel boven de Keizerlijke Arena had gespleten. De krachten die hij op die dag ontketende hadden mensen gedood, de aarde doen beven, en een regen van vuur uit de hemel doen neerdalen. Ze was niet zo ver weggezakt in haar verdriet dat ze was vergeten dat de magiërs de opperste macht binnen het keizerrijk bezaten.

De jonge, naamloze magiër zag met hooghartig stilzwijgen toe hoe Mara probeerde zich te verbijten. Ze had een blos op haar wangen en Hokanu voelde hoe haar schouders trilden van onderdrukte woede. Maar ze was door en door Tsuranees. De Grootheden dienden gehoorzaamd te worden. Ze produceerde een onwillig knikje. 'Uw wens, Grootheid.'

Haar buiging - al even onwillig - was diep genoeg. Toen draaide ze zich half om naar haar adviseurs. 'Laat de aftocht blazen!' Na wat ze zojuist te horen had gekregen, had ze geen andere keuze. Al was ze de Regerende Vrouwe van het belangrijkste huis van het keizerrijk, en bovendien een Dienares van dat rijk, zelfs zij kon niets anders doen dan buigen voor het onvermijdelijke, en dat zonder haar waardigheid te verliezen - want dat zou deze afgedwongen schande alleen nog maar groter maken.

Hokanu gaf de opdracht van zijn vrouwe door. Saric schudde zijn verbijstering van zich af en kwam in beweging. Hij liep naar een aantal koeriers die zich voor de tent in onderdanig ontzag voor de Grootheid ter aarde hadden geworpen. Keyoke nam de seinvlaggen voor zijn rekening en gaf opdracht de groene en witte te gebruiken om het teken van de terugtocht te geven.

Lujan, te midden van zijn manschappen, zag het signaal vanuit de verte. Hij schulpte zijn handen voor zijn mond en brulde het bevel naar de gelederen achter hem. De roep werd daar overgenomen door de andere commandanten van de clan Hadama. De omvergeblazen soldaten stonden op en draaiden zich om en begonnen samen met hun collega's langzaam aan een terugtocht naar de commandotenten van hun aanvoerders.  

De troepen van de tegenstander waren inmiddels aan dezelfde manoeuvre begonnen. Toen de magiërs die tussen de strijdende partijen stonden zagen dat hun missie voltooid was, verdwenen ze een voor een, om hogerop terug te keren, niet ver van de commandotent van de Ionani.  

Mara was zo verzonken in haar verbittering, dat ze amper opmerkte dat de magiër nog steeds voor haar stond en dat Hokanu, aan haar zijde, opdracht gaf dat alle legeronderdelen dienden terug te keren naar hun eigen huizen en kazernes. Haar ogen zagen weliswaar het einde van een oorlog, maar ze hadden nog steeds een onverzoenlijke uitdrukking. Haar eer moest genoegdoening krijgen. Door zich in haar familiezwaard te storten zou ze Ajiki's leven niet op de juiste wijze wreken. De publieke schande zou dan immers blijven voortbestaan en nooit meer worden vergeten. Jiro zou die schande uitbuiten door alle vijanden van haar huis in een bondgenootschap te verenigen. Nu ze door brute overmacht gedwongen was haar verantwoordelijkheid weer op zich te nemen, moest ze proberen haar fout goed te maken. Er was geen andere keuze meer: ze moest sluwheid en intriges gebruiken om haar geschil met de Anasati te beslechten. Onder een buitenlaagje van Tsuranese keurigheid zou het eens te meer het Spel van de Raad zijn, met zijn geheime gekonkel en dodelijke intriges, dat uitsluitsel moest brengen.  

Er ontstond enige opschudding buiten de tent en er werd met stemverheffing gepraat. Keyoke klonk boven iedereen uit. 'Twee compagnies aan de linkerflank zijn in beweging gekomen!'

Mara haastte zich naar buiten. Angst overwon nu haar haatgevoelens. Ze keek vol afschuw en ongeloof naar de uiterste linkerflank van het leger van de Hadama, waar een deel van de troepen haar orders had genegeerd en ten aanval trok.

De magiër, die haar was gevolgd en nu naast haar elleboog stond, siste verontwaardigd. Om hem heen verschenen enkele collega's uit het niets. Mara moest een opkomende paniek onderdrukken. Als zij niet snel in actie kwam, zouden de Grootheden deze inbreuk op hun bevelen als een belediging opvatten en dan zouden haar huis, haar clan en elke trouwe dienaar van de Acoma daar zwaar voor moeten boeten.

'Wie heeft daar het bevel?' riep ze op schrille, wanhopige toon.

Irrilandi, inmiddels op de heuvel gearriveerd, gaf antwoord. 'Het is een compagnie reservisten, meesteres, onder bevel van de Heer van de Pechta.'

Mara beet woedend op haar lip. Pechta was een heer, maar pas sinds kort.

Hij was amper meer dan een jongen en had zijn commando puur te danken aan zijn rang, niet aan zijn ervaring of kunde. Volgens de Tsuranese traditie had hij echter recht op een plaats in de voorste gelederen. Lujan had zo goed mogelijk compensatie gezocht door de jongen het bevel te geven over hulptroepen, want die zouden waarschijnlijk pas in actie komen nadat de eigenlijke strijd al was beslist. Nu dreigde hij echter in zijn jeugdige overmoed een ramp te veroorzaken.  

Keyoke bekeek de situatie in de vallei met het oog van een militair. 'Die heethoofdige gek! Hij ziet dat het leger van de tegenstander in wanorde lijkt te verkeren. Heeft hij de Grootheden dan niet opgemerkt?'

'Hij is buiten zinnen geraakt.' Hokanu wees naar de koeriers, die inmiddels de verst verwijderde delen van het leger hadden bereikt. 'Of anders weet hij niet wat de seinvlaggen betekenen!'  

Saric haastte zich om een nieuwe koerier weg te sturen, terwijl verschillende oudere officieren zich losmaakten uit de terugtrekkende menigte en zich in de richting van het wapperende banier van de Heer van de Pechta repten.

Vanaf de heuvel zag vrouwe Mara bleek van afschuw aan hoe deze zich met zijn in oranje-en-blauw gehulde twee compagnies op de rechterflank van het leger van de Anasati stortte. De in rood-en-geel gehulde soldaten op de andere helling hadden het gevaar inmiddels onderkend en zetten zich schrap om de aanval te pareren. De onverstaanbare kreten van hun commandanten waren vaag te horen. Het waren ervaren troepen, of misschien waren ze alleen maar bang voor de Grootheden, maar in elk geval hielden ze zich aan de opdracht en zetten ze geen tegenaanval in.  

Keyoke's pezige handen hadden witte vingerknokkels, zo stevig omklemden ze zijn krukken. 'Heel verstandig, die slagleider van de Anasati. Hij wil zich houden aan het bevel om terug te trekken, maar blijft voor alle zekerheid even op zijn plaats. De mannen van de Heer van de Pechta zullen hem bergop moeten aanvallen, en komen misschien nog op tijd tot bezinning.'  

Hij sprak deze sussende woorden uit ten behoeve van de aanwezige Grootheden, die in een groepje geagiteerd bij elkaar stonden. Met duidelijke ontstemming op hun gezichten zagen deze echter dat de Heer van de Pechta in het geheel geen aanstalten maakte om de aanval af te breken.

Een van hen zei iets, en twee anderen gingen meteen op in het niets - het klonk als een dubbele zweepslag. Mara's bedienden wierpen zich van angst languit op de grond, en zelfs de veteranen verbleekten. Lujan keek alsof hij misselijk was en Keyoke's gezicht leek van steen.

De twee Zwarte Mantels verschenen meteen weer, maar nu op het strijdtoneel, vlak voor de aanvallende compagnies. Klein als poppetjes, maar niettemin dreigend, zelfs vanaf deze afstand gezien, staken ze hun handen op. Er vonkte groen licht uit hun vingertoppen, dat opeens verzengend opflitste.  

Iedereen die toekeek werd verblind.

Terwijl het nabeeld van de explosie van licht geleidelijk van haar netvlies verdween, moest Mara met haar ogen knipperen tegen brandend traanvocht. Het duurde vele tellen voordat ze weer helder kon zien. Toen keek ze naar het slagveld - en haar adem stokte in haar keel.  

Op het eerste gezicht leek er niets mis. De soldaten van de Heer van de Pechta stormden niet meer naar voren. Ze stonden roerloos rechtop. Hun oranje wapenrusting glom in het zonlicht, hun pluimen wuifden in het briesje. Maar wie aandachtiger keek zag dat deze schijnbare rust een gruwelijk tafereel maskeerde: de handen die nog een wapen vasthielden maakten een paar laatste verkrampte bewegingen, terwijl hun verzengde huid één grote blaar was geworden. De gezichten waren vertrokken in een nachtmerrieachtige, sprakeloze doodsstrijd. Hun onbeschermde huid was verbrand, geblakerd, verkoold, verdampt. Hier en daar kringelden rookwolkjes op. Windvlaagjes voerden af en toe de akelige geur van geschroeid haar en verbrand vlees aan.  

Mara moest bijna kokhalzen. Ze wankelde naar achter en moest worden opgevangen door Hokanu, die haar walging en gekweldheid ten volle deelde. Zelfs de in de strijd geharde Keyoke zag er ontzet uit.

Er klonken geen kreten vanaf het slagveld. De slachtoffers stonden er roerloos als poppen terwijl hun ogen uit hun kassen puilden en hun tongen opgezwollen, donkerrode obsceniteiten waren geworden, die tussen de tanden door naar buiten geperst werden en zelfs het uiten van één enkele gesmoorde doodskreet onmogelijk maakten. Hun haren smeulden, hun vingertoppen waren gesmolten van de hitte, maar toch leefden deze soldaten nog, zoals de ontzette toeschouwers vanaf de heuvels aan hun krampen en stuiptrekkingen duidelijk konden zien.  

Saric slikte moeizaam. 'Goden, goden, ze lijken me wel genoeg gestraft!'

De magiër die als eerste voor Mara's tent was verschenen draaide zich om naar de adviseur. 'Ze zijn pas genoeg gestraft wanneer wij besluiten hun doorgang naar de zalen van Turakamu toe te staan.'  

'Uw wens, Grootheid!' Saric liet zich onmiddellijk languit ter aarde vallen en drukte zijn gezicht tegen de grond, alsof hij een slaaf was. 'Vergeef me, Grootheid. Ik heb spijt van mijn opmerking en verontschuldig me voor mijn ongevraagde woorden.'

De magiër verwaardigde zich geen antwoord, maar bleef in kil stilzwijgen staan kijken naar het voortdurende lijden van de stuiptrekkende Heer van de Pechta en zijn manschappen. Het verbrande vlees viel nu in lappen van hun lichamen en de mannen zelf begonnen te wankelen en ter aarde te storten, een voor een, tot ze tenslotte alle tweehonderd in wanorde over het groene, onaangetaste gras verspreid lagen - zwart geblakerde, walmende skeletten, nog steeds gehuld in hun glanzende, ongehavende wapenrusting. Het oranje-en-blauwe vaandel van de Pechta lag voor hen op de grond. Er was niemand meer die het kon dragen.  

De jonge magiër verwijderde zich tenslotte uit het gezelschap van zijn collega's en kwam naar vrouwe Mara toe. 'Onze regels zijn van een absolute orde, Goede Dienares. Laat uw mensen zich dat goed herinneren! Iedereen die ons tart, vraagt daarmee om onmiddellijke vernietiging. Is dat begrepen?'

Mara vocht tegen haar misselijkheid en wist schor te fluisteren: 'Uw wens, Grootheid.'

Er maakte zich een tweede magiër los uit het groepje. 'Ik ben nog niet tevreden.' Hij keek naar Mara's adviseurs en dienaren, die allemaal rechtop stonden, op Saric na. Ze mochten dan ongeïntimideerd lijken, zoals de Tsuranese etiquette dat voorschreef, maar van binnen trilden ze allemaal van angst. Hun ogenschijnlijke dapperheid leek de ergernis van deze Zwarte Mantel alleen maar te vergroten.

'Wie heeft ons getart?' vroeg hij aan zijn collega's, zonder zich tot Mara te richten.

'De jonge Heer van de Pechta,' klonk ten antwoord, koel en ter zake. Het was een derde magiër die deze aanvulling gaf - iemand die gematigder klonk. 'Hij handelde op eigen houtje, zonder medeweten of instemming van zijn Krijgshoofd.'

De tweede magiër, een man met een scherpe blik in zijn ogen en met rode haren, die onder zijn hoofdkap uit piekten - richtte zich nu wel tot Mara. 'Zijn schande eindigt hiermee niet.'

De mildere magiër meldde zich weer. 'Tapek, ik zei dat vrouwe Mara niets te maken had met de ongehoorzaamheid.'

Tapek haalde lichtjes zijn schouders op, alsof een vlieg hem hinderde.

'Als Krijgshoofd van de Heer van de Pechta is zij verantwoordelijk voor het gedrag van allen die zich onder haar commando bevinden.'

Mara stak haar kin naar voren. Van binnen voelde ze het ijzingwekkende besef dat deze Grootheden haar dood konden bevelen, zomaar, met niet meer mededogen dan ze voor Tasaio van de Minwanabi hadden getoond, die op hun verzoek zelfmoord had moeten plegen. Haar adviseurs keken geschokt. Keyoke vertoonde diepe groeven op zijn granieten gezicht zoals geen levend mens ooit eerder bij hem had gezien.

Hokanu maakte een onwillekeurige beweging voorwaarts, maar werd tegengehouden door Lujans ijzeren handgreep om zijn arm.

De omstanders hielden allemaal hun adem in. Als de Zwarte Mantels haar ondergang bevalen, zou geen zwaard, geen smeekbede, geen macht ter wereld daar iets aan kunnen veranderen. Zelfs het feit dat duizenden van haar dienaren en soldaten graag hun leven zouden geven in ruil voor het hare zou haar niet baten.

Terwijl de roodharige Tapek de vrouwe bekeek met de gevoelloze blik van een slang, vroeg de jonge magiër: 'Is de Heer van de Pechta nog in leven?'

Lujan reageerde onmiddellijk door een koerier naar het slagveld te sturen. Er gingen minuten voorbij. Tapek schuifelde rusteloos met zijn voeten. Tenslotte werden er vanaf het slagveld vlaggen seinen gegeven. Lujan legde uit wat ze betekenden. 'Allen die aanvielen zijn dood.' Hij waagde het zijn blik op de Grootheden te richten toen hij concludeerde: 'De Heer van de Pechta leidde zijn mannen. Zijn lichaam bestaat uit botten en as, zoals dat van alle anderen.'

De eerste magiër reageerde met een knikje. 'De uitwissing van de overtreder is een ruimschoots toereikende bestraffing.'  

De derde magiër van de groep bevestigde dat. 'Zo zij het.'

Mara voelde haar knieën knikken van opluchting, tot Tapek een paar driftige stappen naar haar toe deed. Ondanks de schaduw onder de rand van zijn hoofdkap was aan de stand van zijn zware wenkbrauwen te zien dat hij allerminst tevreden was. Zijn ogen waren bleek, en koud als de diepste diepten van de zee, en er klonk een subtiele dreiging door in de stem waarmee hij zei: 'Mara van de Acoma, het huis Pechta bestaat niet meer. U zorgt ervoor dat allen uit dat geslacht voor zonsondergang dood zijn. Het huis, de schuren en de kazernes moeten worden verbrand, evenals de akkers. Nadat de oogst is vernietigd, zullen bedienden van de Acoma de grond bestrooien met zout, opdat er nooit meer iets zal groeien. Alle soldaten die trouw hebben gezworen aan de natami van de Pechta moeten worden opgehangen. U zult hun lichamen laten hangen in de wind tot ze rotten, en zult ze geen asiel bieden, zoals u met krijgers van overwonnen huizen hebt gedaan. Alle vrije bedienden van de Pechta zijn nu slaven en staan ten dienste van de keizer. Alle bezit van de Pechta behoort nu toe aan de tempels. De natami van de Pechta moet met hamers in gruzelementen worden geslagen. De brokstukken worden begraven en mogen nooit meer de warmte van de zon voelen, noch de geesten van de Pechta begeleiden naar het Wiel van het Leven. Vanaf vanavond tot in alle eeuwigheid zal dit huis ophouden te bestaan. En laat dat einde één ding volkomen duidelijk maken: niemand mag de wil van de Assemblee weerstreven. Niemand.'  

Mara bedwong het knikken van haar knieën en schraapte het laatste restje van haar moed en kracht bij elkaar. 'Uw wens, Grootheid.'

Ze bukte zich. Haar wapenrusting schuurde over haar schouders en de pluimen op haar helm voelden opeens loodzwaar aan, maar ze liet zich op haar knieën zakken en boog door tot haar voorhoofd de grond raakte en haar fiere Krijgshoofd-pluimen in het stof lagen.

De jonge magiër neeg zijn hoofd een heel klein eindje ten teken van aanvaarding van deze onderworpenheid, en haalde toen een metalen voorwerpje uit zijn zak. Hij drukte met een duim op een knopje. Er klonk heel even een geluid als van een gierende windvlaag, waarna de Zwarte Mantel met een hoorbaar plop - als van een kurk die uit een fles werd getrokken -in het niets verdween.  

Tapek treuzelde nog. Hij staarde naar de vrouw die zich aan zijn voeten ter aarde had geworpen. Aan de plooi van zijn lippen te oordelen leek het alsof hij genoot van haar vernedering. 'Zorg ervoor dat deze les door allen van uw clan ter harte wordt genomen, Goede Dienares. Iedereen die zich verzet tegen de Assemblee zal hetzelfde lot ondergaan als het huis Pechta.' Toen haalde ook hij zijn metalen teleportator te voorschijn, en verdween. Daarna volgden de andere Zwarte Mantels een voor een zijn voorbeeld, tot Mara en haar geschokte adviseurs en krijgers de helling weer voor zichzelf hadden.  

In het dal klonken kreten van officieren die orde wilden scheppen in de verwarring, waarna de aftocht werd voortgezet. Sommigen waren maar al te blij dat ze meer afstand konden scheppen tot de slachting die de magiërs hadden aangericht, anderen hadden nog steeds aarzeling om de vijand hun rug toe te keren, hoewel deze zich aan dezelfde orders diende te houden als vrouwe Mara. Saric kwam overeind, terwijl zijn vrouwe, gehinderd door haar wapenrusting, zich bij het opstaan liet helpen door haar opperbevelhebber. Hees zei ze tegen Lujan: 'Stuur snel boodschappers rond. We moeten de clan verspreiden voordat verdere ongelukken een ramp kunnen veroorzaken.'

Ze slikte moeizaam en voelde zich nog steeds misselijk, maar ze wenkte Saric bij zich. 'Mogen de goden ons genadig wezen, maar geef bevel om dat verschrikkelijke te doen - het uitwissen van de Pechta.'

Saric knikte, niet in staat om een woord uit te brengen. Hij had een bijzondere gave om karakters te kunnen doorgronden en de herinnering aan Tapeks geobsedeerdheid bezorgde hem rillingen. Mara had de ergst denkbare straf gekregen - de vernietiging van een loyaal huis binnen haar clan -voor geen ernstiger vergrijp dan jeugdige overmoed. Als gevolg van Mara's Beroep op de Clan had de jonge Heer van de Pechta een trage, pijnlijke doodsstrijd moeten ondergaan. Voor het nacht werd zouden zijn vrouwen zijn twee jonge zoontjes dood zijn, evenals de neven en nichten en andere familieleden die zijn naam droegen. En het feit dat Mara persoonlijk dat onrechtvaardige vonnis diende uit te voeren was als een zwaardsteek in haar verdriet om Ajiki's dood binnengedrongen. Voor het eerst sedert de grote zwarte ruin het lichaam van haar kind had verpletterd toonden haar ogen de glinstering van herleefd meevoelen met anderen dan alleen zichzelf.  

Saric had dit gezien, voordat hij zich weg haastte om de afschuwelijke taak uit te voeren die de Grootheden de Acoma hadden opgedragen. Hokanu zag het ook, toen hij de vrouwe ondersteunde tijdens de korte wandeling naar de commandotent. De verzengende magie van de Assemblee had de wonden in haar geest dichtgeschroeid. Het was niet meer de obsessie om zich te wreken op Jiro die haar geest vulde, maar een ziedende woede.  

Mara had zichzelf hervonden. Hokanu voelde een bitterzoete opluchting bij die constatering. Hij was diepbedroefd om de ondergang van de Pechta, maar de vrouw van wie hij hield was vanaf nu weer de gevaarlijkste speler van het Spel van de Raad die het keizerrijk ooit had gekend. Met abrupte gebaren stuurde ze de bedienden weg die waren begonnen de wanorde in de tent op te ruimen. Toen de laatste zich tot op een discrete afstand had verwijderd riep ze Irrilandi om ter vergroting van haar privacy de tentflappen te sluiten.

Vlak voordat hij daarmee klaar was, glipte Keyoke de tent binnen. Hij verrichte het bediendenwerk van het aansteken van de lampen, terwijl Mara rusteloos heen en weer liep. Gespannen, trillend van de zenuwen, bekeek ze de getrouwen die in een halve kring om haar heen stonden. 'Ze wágen het...' Haar stem klonk bijna effen.

Keyoke verstijfde. Hij wierp een zijdelingse blik op Hokanu, die evenmin iets zei als de anderen. Mara kwam bij de gevallen gordijnen van haar privéhoekje, maar draaide zich opeens om. 'Nou, ze zullen léren!'  

Irrilandi, die minder met haar stemmingen vertrouwd was dan de andere aanwezigen, legde eerbiedig zijn vuist op zijn borst en zei: 'Vrouwe, u hebt het toch zeker niet over de magiërs?'

Mara leek slechts een frêle, kleine gestalte in het onzekere lamplicht dat de schaduwen in de kolossale tent moest verdrijven. Er gingen enkele momenten voorbij, waarin alleen de geschreeuwde bevelen van de militaire leiders vanuit de verte te horen waren. Nog steeds tot het uiterste gespannen verklaarde Mara zich nader. 'We moeten iets doen, trouwe vrienden, wat sedert de stichting van het keizerrijk nog nooit is gedaan. We moeten een manier vinden om de wil van de Grootheden te ontwijken.'  

Irrilandi's adem stokte. Zelfs Keyoke, die in een lang krijgersleven ettelijke keren de dood in de ogen had gekeken, leek nu geschokt tot in het diepste van zijn wezen. Maar Mara vervolgde grimmig: 'We hebben geen andere keuze. Ik heb de naam van de Acoma te schande gemaakt voor Jiro van de Anasati. Herstel door middel van oorlog is ons verboden. Ook zal ik mij niet in mijn zwaard storten. Dit is een impasse waarvoor de traditie geen antwoord heeft. De Heer van de Anasati moet sterven als gevolg van mijn planning, maar ik zal me niet vernederen tot het huren van moordenaars. Jiro heeft mijn schande nu al gebruikt om onze vijanden op te jutten. Hij heeft de morrende heren in het rijk op één hoop gedreven in een samenhangende partij van traditionalisten. Niet alleen het voortbestaan van de naam Acoma is in gevaar, ook Ichindars heerschappij. Mijn enige erfgenaam is dood, dus een rituele zelfmoord van mij biedt geen alternatief. Om alles wat ik in mijn leven heb bereikt te redden, zullen we jaren met zorgvuldige planning bezig moeten zijn. Jiro moet door mijn toedoen sterven, zo niet in een oorlog, dan maar tijdens vrede, ongeacht wat de Assemblee der Magiërs wil.'