13 Een wending

 

Arakasi wachtte.

Onder hem bewoog zich een wachter stilletjes op met doeken omwikkelde voeten. Hij droeg de traditionele broek en korte tuniek van de sluipmoordenaars van de tong Hamoi en de doek om zijn hoofd liet alleen zijn ogen vrij. Over zijn rug hing een korte handboog en aan zijn riem hingen een aantal pijlen en verschillende andere wapens die bij zijn stiel hoorden. Hij liep onder de boom door waarin de spionnenmeester zijn adem zat in te houden, en verdween als een schaduw des doods in het duister. Arakasi telde in gedachten een periode van tien seconden af volgens een ingewikkelde methode, nauwkeurig als een zandloper, die hij in de loop van de jaren had ontwikkeld - en die geheel onafhankelijk was van het aantal van zijn hartslagen of ademhalingen - en toen de tien seconden om waren zag hij aan het einde van het pad een beweging. Arakasi voelde het als een kleine triomf: de tweede wachter was precies op het voorspelde moment komen opdagen.  

De gevaarlijkste onderneming waar hij zich ooit aan had gewaagd begon dus onder een gunstig voorteken. Arakasi had niet de illusie dat zulk geluk lang zou aanhouden. Hij was slechts in zijn eentje en zijn huidige situatie was zo penibel dat vermoedelijk zelfs de gunst van de hemel ontoereikend zou zijn om zijn overleven te garanderen. Arakasi lag roerloos op een boomtak naast de tuin van de obajan van de tong Hamoi. Onder hem door liep een wachter die niet zou aarzelen hem te doden. Net als zijn voorganger zocht deze man alles af op sporen van eventuele indringers - het gras, de paden, de bosjes. De spionnenmeester had geen sporen achtergelaten, maar toch zweette hij. De moordenaars deden hun werk extreem grondig. Toen de tweede moordenaar aan het einde van het pad was gekomen, precies volgens het tijdschema, liet Arakasi zich geluidloos op de grond zakken. Hij zorgde ervoor geen stapje buiten de vlakke sierstenen van het pad tussen de bloembedden te zetten en haastte zich naar een kuil naast een afvoergoot, waar hij enkele van zijn bezittingen had opgeborgen. Daar, achter een beschermend bosje khadistruiken, waar de wachters hem niet konden zien, slaakte hij een zucht van verlichting en kon hij zich een beetje ontspannen.  

Aan de rand van het bos, een honderdtal passen ten westen van zijn positie, stond zijn eigen lijfwacht al klaar. Ook deze had een mes in de hand - wee degene die hem daar zou ontdekken! Arakasi zwaaide met een takje naar hem om te bevestigen dat de wachters volgens het bestudeerde schema hun rondes deden. De tuin waarin hij wilde binnendringen werd bewaakt door achttien moordenaars, die allemaal alert, bekwaam en voorzichtig waren, maar ook menselijk genoeg om feilbaar te zijn. Het patroon dat ze tijdens hun rondes volgden was ingewikkeld en leek op het eerste gezicht willekeurig. Slechts weinig waarnemers bezaten echter Arakasi's geduld en zijn aanleg voor wiskunde. Hij had het niet erg gevonden dagenlang in het stof of de modder, in de brandende zon of de regen, en belaagd door insecten, op de loer te blijven liggen. Waar het om ging was dat hij orde in de ogenschijnlijke willekeur had ontdekt, en formules had ontwikkeld waarmee de routes van de wachters voorspeld konden worden.  

De man die hem in de rug dekte droeg het tenue van een boogschutter uit Lash, alsof hij een gewone huursoldaat uit die noordelijke provincie was. Die vermomming had in het geheel niets met zijn werkelijke identiteit te maken - net zo min als dat bij Arakasi het geval was - en Sabota was ook niet zijn echte naam. Arakasi vond die geheimzinnigheid best, want de man had herhaaldelijk bewezen een betrouwbare koerier te zijn. Het kon hem niet schelen waar hij vandaan kwam. Van al Arakasi's spionnen in Ontoset en omgeving beschouwde de spionnenmeester deze Sabota als de beste, en hem gaf hij de missie die voor het leven van zijn vrouwe even wezenlijk was als voor het zijne.

Het gezicht van de spionnenmeester ging verscholen achter een baard van een maand, en na het wekenlange verblijf op het platteland leek hij ook in andere opzichten nog het meeste op een zwerver. Maar iemand die van dichtbij zijn ogen had kunnen zien, toen hij een tweede, nu wat ingewikkelder signaal met het takje begon te geven, zou hem meteen herkend hebben voor wat hij was: een extreem gevaarlijke man, aan het begin van een missie die hij niet verwachtte te overleven.  

De man aan de zoom van het bos, Sabota, bestudeerde de boodschap die de spionnenmeester hem seinde. Zijn geheugen was uitstekend. Hij knikte een keer en vertrok toen, zonder nog eens om te kijken.

Gehurkt achter een dunne haag van doornstruiken, sloot Arakasi zijn ogen. Hij bad niet, maar gunde zichzelf in plaats daarvan enige hoop, want Sabota had nu instructies voor Arakasi's plaatsvervanger in het spionnennetwerk van de Acoma. Mara had die man nog nooit ontmoet, maar Arakasi had hem tot zijn opvolger bestemd voor het geval dat hij van deze opdracht niet zou terugkeren.  

De teerling was nu geworpen. Indien niet binnen een bepaald aantal dagen een tegenbericht werd verstuurd, zou een nieuwe spionnenmeester zich bij vrouwe Mara melden. Elk detail dat Arakasi over de tong had kunnen ontdekken zou aan zijn opvolger bekend zijn, zodat deze de jacht op de moordenaars en het bestrijden van Chumaka's pogingen om in het netwerk van de Acoma te infiltreren meteen zou kunnen voortzetten.

Arakasi had hoofdpijn van de spanning, hetgeen niet normaal was. Voor hem was het leven altijd een nuchtere, ongepassioneerde dans met het gevaar geweest. Hij vroeg zich ongerust af of hij Sabota misschien te lang bij zich had gehouden. Hij had het patroon van de bewakingsrondes al twee dagen geleden ontrafeld. Niet uit voorzichtigheid had hij die twee dagen gewacht. In feite had het uitstel het risico van ontdekking, of van een wijziging in het zojuist ontdekte stramien, alleen maar vergroot. Arakasi wreef zich over zijn slapen en haalde een paar keer diep adem om zichzelf te kalmeren.

Arakasi werd gedreven door een vurige trouw aan Mara, nadat zijn aanvankelijke drijfveer, wraak op de Minwanabi, lang geleden door de Acoma was weggenomen. Het waren zorgen om zijn vrouwe die nu door zijn hoofd spookten, want als hij omkwam tijdens deze waanzinnige opdracht, zou hij worden opgevolgd door iemand met nog minder talent. Nadat hij met zijn pogingen om in de Stad der Magiërs binnen te dringen was opgehouden, en de afdeling Jamar weer een actieve status had gegeven, had hij daar allerlei kleine tekenen van inmenging waargenomen - een zeker bewijs van bemoeienis van de kant van Chumaka van de Anasati. Tijdens de slapeloze nachten waarin Arakasi de schema's van de wachtlopers had bestudeerd, had hij alle gelegenheid gehad om te piekeren over de timing: het overdragen van de leiding juist nu het netwerk geïnfiltreerd leek, en wie weet hoe diep! Tegelijk hield Arakasi zichzelf echter verwijtend voor dat hij niet moest tobben over zijn eigen onbelangrijke leventje, noch over dingen die hij volstrekt niet in de hand had. Dat benadeelde immers alleen maar zijn concentratie op de taak waarmee hij nu bezig was.  

Het was hoog tijd om in actie te komen. Hij schudde snel een andere storende herinnering van zich af - hoe zijn vingers hadden gespeeld met de honing-gouden haren van een courtisane die hij allang vergeten had moeten zijn - en zette zich schrap. Als hij vanavond in actie wilde komen moest hij het nu doen, tijdens het komende kiertje in het bewakingspatroon. Vanmiddag was de meester na een lange afwezigheid teruggekeerd. De obajan van de tong Hamoi was aanwézig in zijn buitenhuis!

Toen de wachter aan het einde van het pad rechtsaf sloeg sprong Arakasi op uit zijn greppel, wrong zich door de struiken en rende gebogen over een tuinpad tot bij een lage betegelde wand, waar hij zich op zijn buik liet vallen. Hij besefte dat er nu geen weg terug meer was. Er zouden vannacht geen leemten meer volgen in de wachtrondes die hem in staat stelden ditzelfde stukje terug te rennen, en bij daglicht zouden ze hem vanaf de houten uitkijkposten op het dak van het huis gemakkelijk kunnen zien als hij het zou proberen.

Het wachten bij deze muur zou precies een uur duren, wist hij. Om de tijd nuttig te besteden zette hij nog eens op een rij wat er aan de huidige stand van zaken vooraf was gegaan. Het werk in Ontoset en omgeving was bemoeilijkt geweest doordat Arakasi's nieuwe netwerk ter plaatse, na het fiasco in dat pakhuis, nog in opbouw was. Na weken vol valse sporen had Arakasi moeten concluderen dat de meisjes die voor de tong bestemd waren nooit in de stad Ontoset zelf belandden. Puur toevallig had hij later van een dronken koetsier gehoord dat er wel eens wagens vol met de mooiste slavenmeisjes naar een plek aan de voet van de heuvels ten noorden van de stad werden gestuurd, een gebied zonder echte wegen, maar met voet- en wildpaden tussen de bossen en moerassen door. Arakasi had ter plaatse onderzoek laten doen door Sabota en drie andere spionnen. Een paar weken lang hadden ze er zogenaamd als landlopers rondgezworven - stelend van de boeren, vissend, levend van fruit en noten - en een van hen was gedood toen hij in een dorpje, enkele mijlen verderop, brood had proberen te kopen. Dat verlies had in elk geval de kennis opgeleverd dat dit dorp onder controle stond van de tong en dat vreemdelingen er niet welkom waren, want de 'boer' die Arakasi's man had gedood, had dat van achter gedaan, met een mes, zeer professioneel. De spionnenmeester had het lichaam zelf gezien, nadat het een eindje stroomafwaarts uit een riviertje was gevist. Later had Arakasi, verscholen bij een molen, onopgemerkt naar wat dorpsroddeltjes kunnen luisteren - maar niemand had met een woord gerept over de moord op die landloper. Dat was kennelijk iets waarover collectief werd gezwegen.  

Niemand had Arakasi's aanwezigheid in die omgeving opgemerkt. Terug in Ontoset had hij vervolgens weken achtereen vermomd als wagenvoerder in de kroegen rondgehangen en het komen en gaan van de boerenkarren bestudeerd, die zich bij de stadspoort moesten melden. Door op alle details te letten, zoals de kleur van het stof of de modder op de wielen, had hij na lange tijd en met veel moeite drie karren uit dat tongdorp kunnen identificeren. Laat op een avond was hij naar een ervan toe gewaggeld, zogenaamd in een dronken bui, om er onbekommerd tegenaan te plassen. Met een scherp mes, dat hij verborgen had gehouden in zijn vrije hand, had hij daarbij een paar forse v-vormige inkepingen gemaakt in het harde leer dat als een band om het rechterwiel heen lag. Daarna had Sabota, die in de buurt van het dorp naast de weg op de uitkijk lag, een aantal dagen op regen moeten wachten. Maar toen was het dan ook zo ver: Sabota had het spoor van het gemarkeerde wiel in de natte grond goed kunnen volgen en op die manier de locatie van het huis van plezier ontdekt.  

Arakasi wist dat hij goed werk had geleverd. Niemand zou die pissende dronken wagenvoerder in Ontoset in verband brengen met een haveloze dagloner die tussen de oogsten door als een landloper in de buurt van dat dorp was beland. Toch stond Arakasi het zweet op het voorhoofd. De man die hij te pakken probeerde te krijgen was de geheimzinnigste persoon in het keizerrijk en, wat erger was, verreweg de best beschermde. Er waren hoge heren om het leven gebracht enkel omdat ze de obajan in een glimp hadden gezien.  

Tasaio van de Minwanabi was de enige uitzondering op die regel geweest, en de enorme hoeveelheden metaal die hij voor dat privilege had betaald waren legendarisch, behalve voor degenen die wisten dat Tasaio tijdens zijn carrière als legercommandant aan de andere kant van de Scheuring al dat metaal stiekem achterover had gedrukt.

De wisseling van de wacht zou nu spoedig plaatsvinden. Arakasi kauwde op een reepje gedroogd vlees, hoewel hij geen eetlust had. Het was uit puur lijfsbehoud dat hij nu zijn laatste proviand opat - misschien zijn laatste maaltijd. Daarna drukte hij zich weer zo plat mogelijk tegen de vochtige grond. Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich op de geluiden en de geuren van de nacht. Hij moest alert zijn op elke verandering, zelfs de kleinste. Alleen dan kon hij in zijn opzet slagen. Hij wachtte, zwetend. En in zijn achterhoofd vormde zich een nieuwe ongerustheid, een die nog geen naam had en ongrijpbaar was...

Maar toen had hij geen tijd meer om te piekeren, want het moment was gekomen. Hij hoorde het geluid van sandalen op het grindpad aan de andere kant van de muur. Tien seconden, twintig, dertig - en toen schichtte Arakasi als een spook door de nacht. Met een paar slangachtige bewegingen klom hij geruisloos over de muur en toen hij zich aan de andere kant voorzichtig had laten zakken rende hij over de vlakke stenen naast de bloembedden -op veilige afstand van het netjes aangeharkte grind - en dook toen op zijn buik onder de boog van een sierbrug. Er viel hier en daar wat licht tussen de bomen door. Het water in het beekje stond hoog voor de tijd van het jaar en het ruiste voldoende om zijn plons te verdoezelen. Er was maar net genoeg ruimte voor Arakasi's hoofd tussen de centrale draagbalk en het water. Arakasi's hart bonkte in zijn keel en het was maar goed dat het beekje het geluid van zijn gejaagde ademhaling overstemde.  

Over het tuinpad naderde een groepje mannen. Vier ervan droegen het zwart van de sluipmoordenaars, maar met witte sjerpen, hetgeen aantoonde dat ze van hoge rang waren. Iets verderop de tuin in flankeerden nog twee andere mannen het viertal als lijfwachten. Van het paar dat door dit gezelschap van zes werd beschermd was de ene een magere man, gekleed in een zijden gewaad in het patroon van de hamoibloem, wiens blik nogal schichtig heen en weer schoot. Het was echter vooral de andere man die Arakasi's aandacht trok. Dit was een zware, breedgeschouderde reus, wiens lichaam geen onsje vet bezat. Hij droeg een wijd bruin gewaad, waarvan hij de hoofdkap naar beneden had gedaan. Daardoor was zijn gezicht te zien, hetgeen buitenshuis anders nooit het geval was. De man had kunnen doorgaan voor een monnik of een ambulante priester, ware het niet dat hij zijn haren trots in een geknoopte staart droeg, het teken van zijn rang, en dat zijn verder kaalgeschoren hoofd de ingewikkelde rode tatoeages bezat die alleen een obajan mocht dragen.  

In het donker, benauwd en onveilig als hij zich in de krappe ruimte onder het bruggetje voelde, kon Arakasi een tevreden grijns toch niet onderdrukken. Alle moeite was niet vergeefs geweest: hij hád de obajan van de tong Hamoi dan toch maar mooi binnen handbereik gekregen!  

Niet dat dit het moment was om iets te ondernemen. De flankerende lijfwachten onderzochten zelfs de struiken aan weerszijden van het pad. Het water was zo abnormaal hoog dat een volwassen man zich niet onder het bruggetje kon verschuilen zonder een opvallende invloed op de stroming te hebben. En een gewone indringer zou niet op de gedachte zijn gekomen om zich boven het water tegen de onderkant van het bruggetje aan te drukken, door zich met ellebogen, voeten en knieën tegen de zij balken schrap te zetten, zoals Arakasi nu deed. Het was een acrobatische inspanning die veel handigheid en nog meer kracht kostte, en die hij niet lang zou kunnen volhouden. Er bevonden zich nu dus vierentwintig moordenaars in en om dit huis van plezier. Arakasi was zo voorzichtig om deze keer niet te grijnzen, want zelfs een toevallige glinstering van het wit van zijn tanden zou hem kunnen verraden. Maar wat maakte het uit, achttien of vierentwintig moordenaars? Arakasi had zijn hoofd in de bek van een harulth gestoken en hij tartte dat roofdier, het gevaarlijkste van heel Kelewan, om toe te happen!  

De obajan en zijn gezelschap passeerden zonder hem op te merken. Waarschijnlijk waren ze op weg om de avond door de brengen in het charmante tuinhuisje bij de muur. Arakasi zou nog meer dan een halve nacht moeten wachten. Pas tijdens het laatste uur voor zonsopgang zou hij proberen het huis binnen te dringen, want dan had hij zijn enige kans, had hij geconcludeerd, om in dit moordenaarsnest te infiltreren. En dan, moest hij zichzelf grimmig bekennen, zou hij een probleempje hebben: hij wist geen veilige manier om weer weg te komen. 

 

Toen het duister van de nacht eindelijk begon te wijken trilde Arakasi van vermoeidheid. Hij lag nu half in het water en dankte Chochocan, de Goede God, dat de wachters hun patroon van rondjes lopen niet hadden veranderd nu de obajan in huis was. Hij dwong zichzelf flink wat water naar binnen te slurpen. Hij stond op het punt de waanzinnigste actie van zijn leven te beginnen: binnendringen in dit landhuis. De volgende wachter vertoonde zich precies volgens het schema. Arakasi zag het vanuit de krappe ruimte onder het bruggetje. Toen de wachter uit zijn blikveld verdween kwam de spionnenmeester stilletjes uit het water. Hij klom op de oever. Het zachte geluid van het druipen van zijn kleren ging verloren in het tikken van duizenden uit de bomen en struiken vallende dauwdruppeltjes. Arakasi bewoog zich trefzeker. Hij wist dat hij een vaste afstand moest bewaren, precies tussen twee mannen in die hem onmiddellijk zouden doden als ze hem zagen. Als de man voorop zou blijven stilstaan om achter zijn oor te krabben, of de man achter hem wat sneller zou lopen dan anders, kon Arakasi betrapt worden nog voordat hij er zelf erg in had.  

De spionnenmeester weerstond de neiging om zich te haasten. Nu kwam het op precisie aan. Hij kroop voorzichtig naar voren. Alleen zijn onderarmen, knieën en tenen raakten de grond, en die vermoeiende manier van bewegen eiste een zware tol van zijn al uitgeputte lichaam. Na vijftig, zestig meter liet hij zich zakken, duizelig en half misselijk van de inspanning en de ademnood. Hij spitste zijn oren, maar er was geen enkel teken van onraad te horen. Toen staarde hij naar de hemel, waar het eerste daglicht zichtbaar werd. Uit ervaring wist hij dat deze overgang van de nacht naar de dag voor wachtposten een moeilijk moment was, vol bedrieglijke schaduwen.  

Het geluid van voetstappen. De wachter die achter hem had gelopen passeerde hem op een meter afstand. Zijn aandacht was echter niet op de grond gericht, maar op de buitenmuur van het landgoed. Links naast hem, op het gras naast het huis, was Arakasi een roerloze schaduw geworden, die zijn adem inhield, maar zich schrap zette om in actie te komen.

De wachter bleef even staan. Arakasi telde. Zweet liep in straaltjes over zijn gezicht. Na een bepaald aantal tellen liep de sluipmoordenaar verder. Arakasi richtte zich op, haakte een rol touw los van zijn riem en wierp een vérzwaard uiteinde over de tak van een boom, welke tussen de balkons -waarop méér wachters - naar het huis toe stak. Aan drie kanten ongedekt, had hij maar enkele tellen voordat de volgende wachter om de hoek zou komen. Deze keer moest hij gewoon een beetje op zijn geluk vertrouwen. Arakasi hees zich naar boven. Hij bleef zo dicht mogelijk bij de stam, om geen nodeloos geruis van bladeren te veroorzaken, en strekte zich toen in de lengte over de tak uit, waarna hij het touw stukje bij beetje optrok.  

Vanaf dit moment had hij niets meer aan zijn observaties. Hij had geen mogelijkheid gehad om de gang van zaken in het huis te bestuderen, al had het komen en gaan van de bedienden hem een vaag idee van de plattegrond gegeven. Nu hoorde hij binnen stemmen. Koks en lijfknechten ontwaakten en zouden aan hun werk gaan. Arakasi moest zorgen dat hij voordien binnen was.

Hij schoof langzaam verder naar voren. Hij moest het voorzichtig doen, want dit was een takaiboom - gekweekt om zijn sappige fruit, niet om de sterkte van zijn takken. Het gebladerte was vrij dun en bood maar weinig bescherming, daar onder de balken van een balkon van de wacht. Arakasi wist bovendien dat hij doodstil moest zijn, en zijn ingehouden adem voelde aan als een vuur in zijn borst.

De huizen op Kelewan waren gewoonlijk van een zodanige constructie, dat er zich tussen de plafonds op de bovenste verdieping en het dak een ademruimte bevond, waarin de hitte kon ontsnappen. Dit huis zou wel niet anders gebouwd zijn, maar misschien was hier een extra rooster of traliewerk van hout toegevoegd voor de veiligheid. Arakasi had geen andere schuilplaats en hij was nu te ver in het landgoed doorgedrongen om nog onopgemerkt terug te kunnen. De hemel werd steeds lichter, maar onder de overstekende dakrand was het nog donker genoeg. Arakasi trok zich stilletjes op.  

De veronderstelde weg naar binnen bleek gelukkig beschikbaar, zoals hij had gehoopt, al was de kruipruimte tussen de dakpannen en de gepleisterde plafonds van de kamers inderdaad afgesloten door een rij opstaande dunne latjes. Arakasi trok een van zijn kostbare metalen werpmessen. Met de stalen punt daarvan kon hij de onderkant van die latjes gemakkelijk uit hun sleufjes wrikken; een Tsuranees mes van gelamineerd leer zou zeker gebroken zijn.

Arakasi werkte snel. Toen hij genoeg latjes los had kroop hij door het gat naar binnen, waarna hij de terzijde gelegde latjes achter zich weer voorzichtig op hun plaats drukte, na de punten met zijn eigen zweet nat te hebben gemaakt om geen schrapende geluidjes te riskeren. Pas daarna gunde hij zichzelf een paar momenten van stille triomf. Hij had het onmogelijke voor elkaar gekregen! Hoewel hij in een ongemakkelijke houding in een te krappe ruimte lag, was hij in het huis!  

Hij bleef stil liggen terwijl de wacht op het balkon wisselde. Daarna kroop hij voorzichtig verder de vliering op, tot hij de nokbalk had gevonden. Daar maakte hij zich op voor een lange dag van wachten, bedoeld om enig inzicht te krijgen in het arrangement van de ongeziene kamers onder hem.

 

Arakasi lag languit voorover op een dwarsbalk te luisteren naar de zoete tonen van de vrouwenstemmen onder hem. Zijn succes hing nu af van de vraag of de obajan zijn vrouwen zou bezoeken, want de spionnenmeester betwijfelde of hij het nog een dag langer in de benauwde, hete kruipruimte onder de dakpannen zou kunnen volhouden.

Het ruwe hout van de balk schuurde zijn huid, door zijn dunne kleren heen, en hij moest zijn armen en benen voortdurend strekken en ontspannen om de bloedsomloop op gang te houden en kramp te voorkomen. Naarmate de zon de dakpannen heter maakte was de lucht verstikkender geworden. Hoewel Arakasi al twee nachten niet had geslapen, dwong hij zichzelf ook nu nog om wakker te blijven. Als hij nu indutte, zou dat zijn dood zijn. Hij zou van de balk kunnen glijden en dwars door het dunne pleisterwerk van het plafond onder hem vallen. Trouwens - alleen al zijn gesnurk zou de wachters onmiddellijk duidelijk maken waar hij zich verborgen hield.  

Terwijl hij in het duister lag te wachten, met een stalen mes in de aanslag, en wangen en handen die jeukten van het gekriebel van insecten, voelde hij een bedwelmende mengeling van opwinding en spijt: opwinding dat hij zo ver was gekomen zonder ontdekt te zijn, spijt over de vele taken die onvoltooid zouden blijven.  

Door spleetjes tussen de planken in de plafonds zag hij hier en daar oranje licht opflakkeren. De bedienden hadden de lampen ontstoken, hetgeen betekende dat het buiten nu ook donker moest zijn. Hij kon de zilverige lachjes van vrouwen horen, en af en toe de stem van iemand die hem aan een andere courtisane, een ander bed, andere zijden lakens herinnerde... Arakasi veranderde van houding, geërgerd. Hij dacht veel te vaak aan dat meisje! Alleen al de herinnering aan haar weelderige gouden haren, haar roomkleurige huid en haar kussen deed hem transpireren van begeerte. Toch was het niet de herinnering aan de gedeelde vleselijke lust die hem telkens weer als een kwellende droom achtervolgde. Hij droomde van de scherpzinnige blik in Karnlio's ogen, die soms dof en glansloos werd wegens verveling, en soms sluw uit berekening. Hij wist dat haar cynische maniertjes een gevoelig, gepijnigd karakter verborgen, en hij wist - zo zeker als hij wist dat hij haar fysiek genot had kunnen geven - dat het hem na verloop van tijd zou lukken haar lieve, ware natuur tot ontplooiing te brengen.

Als het hem lukte dit avontuur te overleven zou hij haar vrijheid kopen, en haar de geneugten van een vrij leven leren kennen. Mits ze hem wilde hebben, uiteraard. Misschien vond ze na een leven van dienstbaarheid alle mannen wel walgelijk!

Arakasi krulde smalend zijn lippen in het donker. Hij lag hier verdomme te dromen als een schooljongen met liefdesverdriet! Had hij in zijn leven dan nog steeds niet geleerd dat je de onvoorspelbare opwellingen vanuit je hart maar het beste kon negeren?

Hij moest zich bedwingen om niet hardop te vloeken. Het was van een bittere, inktzwarte ironie, dat de missie waardoor hij haar had leren kennen tevens heel goed haar ondergang zou kunnen worden. In de benauwde hitte onder het dak besefte hij donders goed dat het een wonder van de goden zou vergen om hem levend hiervandaan te krijgen. De kans dat hij de obajan te pakken zou krijgen was toegenomen, maar zelfs als het hem zou lukken hem te doden - hoe kon hij hopen aan de wraak van al die uiterst bekwame huurmoordenaars te ontsnappen? Hij was kansloos.

Arakasi rilde van vermoeidheid en spanning. Hij nam het heft van zijn mes - nat geworden van het zweet - in een andere greep. Hoe kon een betoverende courtisane hem hebben verleid om haar welbevinden boven Mara's wil te plaatsen? Mara was zijn gezworen meesteres, en hij hechtte meer belang aan haar leven dan aan het zijne. Toch had Kamlio voor een kink in de kabel gezorgd. Ter wille van Mara zou de obajan van de tong Hamoi sterven, maar mocht de spionnenmeester na die daad levend weten weg te komen, dan zou hij ervoor zorgen dat hij een klein, geheim deeltje van hemzelf ook echt voor zichzélf zou houden. Zijn gevoelens voor de courtisane, die wel of niet liefde konden zijn - of uit onnozel medelijden konden voortspruiten - moesten nader worden onderzocht. Zijn zelfrespect, dat hij na de ondergang van de Minwanabi had herwonnen, eiste dat van hem. Hij mocht zijn behoeften als man niet negeren, en behoorde ze op een of andere manier te verzoenen met de plichten die hem dagelijks in levensgevaar brachten. Hij had al duizend keer naamloos kunnen sterven, in een van zijn vermommingen als bedelaar, ambulante priester, koerier, waarzegger, kruidenkoopman, geruchtenverkoper of matroos. En al die duizend keren had hij het gevaar zonder aarzeling onder ogen gezien, want hij vreesde de dood niet. Maar nu - juist nu hem dat erg slecht uitkwam -liet de dood hem niet meer onverschillig. Hij wilde dat hij op het landgoed van de Acoma met ere gecremeerd zou worden en dat de mooie courtisane met betraande ogen zijn naam zou roepen bij de brandstapel.  

Wat een sentimentele onzin! Zijn identiteit moest natuurlijk altijd, tot elke prijs, een geheim blijven!

Het voortbestaan van de Acoma en misschien van het hele keizerrijk hing af van zijn zelfbeheersing. Arakasi was in zijn woelige leven slechts één keer eerder verliefd geweest. Verder kende hij alleen trouw aan de vrouw die hem zijn trots en zijn eer had teruggegeven. Maar hoewel hij Mara vereerde, spookte ze niet in zijn dromen rond. Hij aanbad haar zoals een priester zijn godin aanbad. Kamlio had echter een deel van zijn persoonlijkheid weten te vinden waarvan niemand het bestaan had gekend - zelfs hijzelf niet, bedacht hij spijtig.

Opeens hielden de vrouwen op met lachen. Arakasi schrok op uit zijn gemijmer. Hij hoorde het geluid van voetstappen - een zware man. Een vrouw sprak woorden van welkom uit, blote voeten trippelden over de planken, er werden kussens en verversingen aangevoerd voor de meester, nam Arakasi aan. Hij veranderde een heel klein beetje van houding en zijn greep op het mes was weer heet en droog. Het leek alsof het plotseling nog veel benauwder was geworden op de vliering. Arakasi moest zich inhouden om niet hoorbaar naar adem te happen en voortijdig in actie te komen, maar dwong zich tot roerloosheid. In de drukkende atmosfeer drongen vleugjes van parfumgeur tot hem door, opgestegen via de spleetjes tussen de gepleisterde planken en de plafondbalken. Hij hoorde het gerinkel van glazen, later het zingen van een zangeres, die op een vyelle werd begeleid. Inmiddels rook hij massage-olie - de obajan werd gemasseerd. Arakasi meende dat hij hem tevreden hoorde kreunen, maar dat kon ook verbeelding zijn.  

Heb geduld!

Later duidde voetgetrippel op het vertrek van een handdoekenmeisje -haar strakke rok dwong haar tot kleine stapjes. Met gesloten ogen probeerde Arakasi zich de kamer onder hem voor te stellen. De vyellespeler had zijn of haar tempo verlaagd, de zangeres zong geen tekst meer, maar beperkte zich tot een zacht neuriën. Een glazen kom of kan met gekruide sa-wijn werd op een stenen tafelblad gezet - minder vol dan daarstraks, want het geluid klonk doffer. Er brandden waskaarsen, maar in het zwakke schijnsel dat tot op de vliering doordrong was ook de warmere gloed van een olielamp te zien.  

Toen klonken er geluiden van verschuivende lakens en krakende knieën, alsof iemand opstond of rechtop ging zitten, gevolgd door een diepe zucht. En toen sprak de obajan van de tong Hamoi voor de eerste keer sedert hij bij zijn harem op bezoek was. 'Jeisa.' Hij pauzeerde na het uitspreken van haar naam; misschien glinsterden zijn ogen van wellust. 'Alamena, Tori,' vervolgde hij toen. Opnieuw laste hij een pauze in, een wreed verlengen van de spanning onder de vrouwen die aan zijn voeten geknield zaten, tussen hoop en vrees of ze zouden worden uitverkoren of afgewezen, zonder dat ze daar iets van mochten laten merken.

De obajan zuchtte nog eens. 'Kamini,' besloot hij toen. 'Mijn andere bloemen mogen gaan.'

Arakasi knipperde iets nats weg - transpiratievocht, hoopte hij. Niet Kamini! De goden waren vanavond niet welwillend, want Kamini was Kamlio's zuster.  

Er werd een scherm dichtgeschoven in de kamer onder hem, en even later werd een ander geopend. Arakasi hoorde het tsjirpen van krekels boven het zachte sissen van de olielamp uit. De zon was allang ondergegaan, maar op de vliering onder de dakpannen was het nog steeds bloedheet. De nacht was nog niet echt afgekoeld. Arakasi kon het ritselen van zijden lakens horen, het onderdrukte gegiechel van meisjes. Hij wachtte geduldig tot de tevreden zuchten van zijn prooi veranderden in de gejaagde ademhaling van de hartstocht, en het meisje begon te kreunen van genot... of gespeeld genot, want dat was wat deze meisjes van kinds af aan hadden geleerd. Arakasi moest meteen weer aan Kamlio denken. Hij vervloekte zichzelf in stilte. Hij had te veel gezweet. Het vochtverlies had hem gevaarlijk licht in zijn hoofd gemaakt. Hij dwong zich tot concentratie en spande al zijn spieren. Het mes in zijn hand leek een verlengstuk van het levende vlees van zijn arm, en toen de obajan, warm omstrengeld door hitsige meisjes en klam-vochtige lakens, zijn mond opende en zijn ultieme bevrediging uitkreet, zette de spionnenmeester zich af en sprong hij met zijn voeten naar beneden als een stormram door de dunne planken van het gepleisterde plafond.  

Hij landde in een wolk van kalk en splinters in de kamer, waar zijn ogen, zo lang al gewend aan het donker, in het lamplicht geen moeite hadden om het verwarde kluwen mensen op de bedmat te herkennen en daarin het zwaarste, krachtigste lichaam te onderscheiden en als mikpunt te kiezen. Hij stortte zich op de zwetende massa van de obajan en zijn vrouwen en priemde het kostbare staal van zijn mes in warm vlees, waar het echter afketste op botten en pezen. Arakasi's eerste steek was niet dodelijk.

De obajan was een kolos, maar zijn lichaam bezat geen greintje vet. Zijn kreet van extase werd er een van pijn en alarm. Hij stootte Arakasi in een reflex van zich af en greep razendsnel naar de wapens die naast de bedmat lagen. Terwijl de spionnenmeester over het been van een van de meisjes struikelde en zich opzij liet rollen, schoten er al een paar pijltjes zijn kant op. Een meisje schreeuwde van angst of pijn. De vlam van de olielamp doofde uit, het snarenspel van de vyelle brak af en de zangeres slaakte een gesmoorde kreet. Op de gang klonken rennende voeten. Arakasi rukte zich los uit een laken en duwde een meisje opzij dat haar scherpe nagels in zijn schouders had geboord. Toen verscheen er in een flits een tweede mes in zijn hand, alsof Arakasi een toverspreuk had gepreveld, en dit mes schoot als een bliksemschicht door de lucht, recht in de nek van de obajan.  

De leider van de tong Hamoi brulde opnieuw, ziedend van dierlijke woede, maar deze keer had Arakasi de slagader geraakt. Bloed spoot naar buiten. Toen de obajan zijn hand met een wild, stuiptrekkend gebaar naar de wond bracht om het bloed te stelpen sneed hij bijna zijn duim af aan het vlijmscherpe lemmet. Arakasi zag aan het schokschouderen van de man dat het leven nu snel uit hem wegvloeide. De kolos liet zich op zijn knieën vallen, zijn borst was rood van het bloed, zijn trotse vlecht hing slap over zijn rug.  

Arakasi draaide zich snel om en duwde de meisjes van zich af. Daarna gooide hij een paar kussens om zich heen om verwarring te stichten, waardoor iemand struikelde en tegen het deurscherm aan viel, waar ze door vier naar binnen stormende wachters voor de binnendringer werd aangezien. Haar luide protesten maskeerden Arakasi's bewegingen, zodat hij zich onopgemerkt tot bij de achterwand van de kamer kon terugtrekken. Omdat zijn ogen genoeg hadden aan het maanlicht, terwijl de nieuwelingen moesten wennen aan de duisternis, kon hij een van de vier wachters die naar binnen waren gekomen gemakkelijk vellen met een volgend werpmes. De man greep gillend van de pijn naar zijn buik en in de consternatie die dat veroorzaakte kon Arakasi de drie andere wachters een voor een uitschakelen, eerder geholpen dan gehinderd door het gillen van de vrouwen. Al die tijd lag de obajan roerloos en morsdood op de lakens.  

Tenslotte glipte Arakasi door de vensteropening naar buiten. Hij durfde niet om te kijken om te zien of een van de meisjes hem had zien weggaan en op het punt stond om alarm te slaan, maar sprong meteen, opgejaagd door de adrenalinestroom in zijn bloed en met zijn laatste mes tussen zijn tanden, omhoog naar de dakrand, waaraan hij zich met twee handen wist vast te grijpen.

Daar bleef hij hijgend hangen, zich met opgetrokken knieën zo klein mogelijk makend, terwijl hij aan hun bonkende voetstappen hoorde dat er in de kamer onder hem nieuwe wachters verschenen.

'Buiten!' riep een van de moordenaars. 'De man die onze meester heeft vermoord is de tuin in gevluchtl'

Arakasi stak zijn hand omhoog en trok wanhopig een dakpan los, die hij zo ver mogelijk van zich af in een bloemperk gooide. Een wachter die beneden naar buiten rende hoorde het geritsel, rende naar dat bloemperk toe, pal onder Arakasi door, en begon als een wilde met zijn zwaard in de bloemen en struiken te steken.

Meer moordenaars haastten zich nu naar buiten. 'Waar is hij?'

De man met het zwaard hield even op met hakken en maaien. 'Ik hoorde hiér iets bewegen.'

'Vlug!' riep een andere wachter. 'Breng toortsen! Anders weet de moordenaar te ontkomen terwijl wij hier staan te treuzelen.'  

Ze begonnen de tuin te doorzoeken, even later geholpen door mannen met toortsen. Arakasi had zich inmiddels hand over hand, als een schaduw in het donker, via de dakrand verplaatst tot boven het vensterscherm van de aangrenzende kamer, die leeg bleek te zijn, en bevond zich nu weer in het huis. Niemand was nog op het idee gekomen om daar te zoeken.

Ondertussen klonken er nog steeds kreten vanuit de kamer van de harem. Het nieuws van de dood van de obajan had de bedienden bereikt, waarvan sommige in paniek leken te zijn geraakt. De tong was snel en meedogenloos als het om wraak ging, en wegens de zware bewaking van het huis lag een verdenking van hulp van binnenuit voor de hand. Men zou het voltallige personeel kunnen doden om er zeker van te zijn dat de verrader werd gestraft. De intelligentsten onder de bedienden begrepen dus wel dat ze het beste konden proberen te vluchten. Alleen uit angst hadden ze voor deze broederschap van moordenaars gewerkt. Ze zagen liever een onzekere toekomst dan een eerloze dood tegemoet.

Arakasi kon alleen maar hopen dat de verwarring en ontsteltenis onder het personeel hem van dienst zouden zijn, want hoewel een verstandiger iemand zou proberen te vluchten, vond hij dat zijn taak nog niet was voltooid. Ter wille van Mara moest hij de werkkamer van de obajan zien te vinden, om daaruit het logboek van de tong te stelen.  

Ondertussen was het in de gang en de aangrenzende kamer stil geworden. Arakasi durfde wel te gokken dat de moordenaars in de hitte van de zoektocht hun dode baas hadden achtergelaten en sloop over de gang naar de kamer van de harem toe.  

Daar zat alles in de nabijheid van het bed onder de bloedspetters. Behalve de kolossale massa van de gedode obajan zag Arakasi twee naakte meisjes, wier lichamen zilverig glansden in het licht van de sterren. Een van de twee staarde hem zwijgend aan en was ondertussen verdwaasd bezig, met geestloos herhaalde bewegingen, bloed van haar arm te wrijven. De andere lag kreunend en kronkelend op de lakens te huilen, kennelijk getroffen door een van de giftige pijltjes, want ze was niet in staat op te staan. Met grimmige vastberadenheid pakte Arakasi twee van zijn metalen messen terug - het ene uit de nek van de obajan, het andere uit de buik van een van de wachters, die aan de voeten van zijn meester op de vloer lag uitgestrekt.  

Daarna wierp Arakasi tijdens het langskomen een blik op de gewonde courtisane, en toen bleef hij stokstijf staan. Het haar van het meisje hing als bleek goud in het maanlicht te glimmen en haar gezicht was naar hem opgeheven, verlicht door het schijnsel van de toortsen in de tuin. De spionnenmeester zag dat ze sprekend leek op haar zuster. Dat ze tweelingen waren.  

In Arakasi's hart was op dat moment geen ruimte voor logica. Het meisje dat daar in het maanlicht op de grond lag, en vertwijfeld naar haar gewonde borst greep, leek als twee druppels water op de schoonheid met wie Arakasi het bed had gedeeld en waar zijn hart en hoofd sindsdien vol van waren. Hij kon ze gewoon niet meer uit elkaar houden. Hij probeerde wanhopig zijn koelheid te herwinnen, zijn ijzige kalmte, zijn analytische geest. Hij was de spionnenmeester van de Acoma en moest proberen de aantekeningen van de tongleider te vinden. Maar juist nu hij zijn onverstoorbaarheid het hardste nodig had liet deze hem in de steek. Bij het zien van dit stervende hoertje was zijn eigen leven opeens als een zeepbel die elk moment uit elkaar kon spatten.

Zijn verstand schreeuwde dat hij Mara trouw moest blijven, maar zijn hart dwong hem zich naast het gewonde meisje op zijn knieën te laten zakken. Zijn besef van plaats en tijd was vervaagd. In het onbestemde licht van de maan, de sterren en de door de tuin dansende toortsen leek de identiteit van dit meisje te versmelten met die van dat andere. Tegen elk gezond besef van zelfbescherming in nam Arakasi haar in zijn armen. Hij wiegde haar heen en weer en staarde in haar grote, niets-ziende ogen, tot ze, na wat een eeuwigheid leek, een laatste keer rilde en eindelijk ophield met ademen.

Arakasi had zijn nagels diep in zijn handpalmen gedrukt en tot bloedens toe op zijn lippen gebeten. De zoute smaak op zijn tong en de doodsgeur die in de kamer hing maakten hem misselijk. Hij merkte de levende vrouw in de kamer nauwelijks op. Zij zat nog steeds op de vloer en probeerde het bloed van haar huid te wrijven. Arakasi hoorde haar brabbelen, maar het drong niet tot hem door wat ze zei. Hij haalde haperend adem en bracht toen zijn verkrampte ledematen in beweging. Zijn hart leek een paar slagen over te slaan toen het dode meisje uit zijn armen glipte. Toen reageerde hij in een reflex op een geluid achter hem. Hij draaide zich met een ruk om en wierp zijn mes. De worp was bijna goed. De man die in de schermopening stond was een castraat die voor de harem zorgde en was komen kijken hoe zijn beschermelingen eraan toe waren. Het mes had hem een diepe snee in zijn hals bezorgd. Hij kokhalsde en zakte in elkaar. Arakasi was altijd zeer snel geweest, maar deze keer werkten zijn ledematen niet genoeg mee. Zijn voet bleef haken in een laken en hij viel scheef voorover, vlak naast de castraat. De spionnenmeester nam de stervende man meteen in een houdgreep, maar zijn tegenstander bleek zo sterk als een nidrastier en verzette zich met een griezelige kracht. Arakasi stak zijn vingers in de wond en rukte zo lang aan de slagader van zijn tegenstander tot deze scheurde en het bloed naar buiten spoot. Toen hij vervolgens probeerde zijn slachtoffer het zwijgen op te leggen door zijn hand op diens mond te leggen, beet de man hem diep in het vlees, tot op de botjes van zijn vingers.

Als de lijfwachten van de obajan niet zo ver van het huis op zoek waren geweest naar de ontsnapte moordenaar, zouden de geluiden van het gevecht zeker hun aandacht hebben getrokken. Nu vond het plaats in een bijna irreële sfeer. Arakasi bleef zich vastklampen aan de castraat, die zich met bovenmenselijke kracht verzette en hem in zijn wanhopige worsteling meesleurde, en tegen wanden en tafeltjes aan stootte, tot de man tenslotte slap, volkomen leeggebloed op de vloer zakte. De spionnenmeester wist daarna niet hoe snel hij de kamer moest verlaten.  

De rest van het huis had hij nooit van binnen gezien. Wat hij tijdens zijn wake onder het dak aan vage oriëntatie had opgedaan had hem weer verlaten nu hij koortsachtig op zoek ging naar het journaal van de tong. Dat logboek was het hart van de broederschap. Er werden alle opdrachten in genoteerd, plus de daarmee verbonden contractuele bepalingen, maar in een code die alleen aan de obajan bekend was. De uitvoerders kregen niets anders te horen dan de naam van de beoogde moordslachtoffers, verder niets - en zeker niet de identiteit van de opdrachtgevers.  

Het logboek van de tong zou de erfenis vormen van de tiranjan, dat was degene - een soort kroonprins - die bestemd was om de zojuist vermoorde leider op te volgen. De documenten zouden niet lang meer onbeschermd blijven. Nog voor de commotie van de huidige zoektocht voorbij was zou de adviseur van de tiranjan hem ongetwijfeld adviseren het logboek bij zich te steken.

Arakasi hoorde vanuit de verte stemmen en een kreet. Hij had nu hoogstens nog een paar minuten tijd, maar zijn geest was nog steeds vertroebeld door herinneringen aan de doodsstrijd van dat meisje. Hij dwong zichzelf terug te denken aan zijn observaties tijdens zijn verblijf op de hete vliering. Dit was een huis van plezier. De obajan was hierheen gekomen om zich te vermaken. Het logboek, dat hij altijd binnen handbereik moest hebben, zou hier ergens zijn opgeborgen, ongetwijfeld op een vaste plek. Arakasi hoefde alleen maar op zoek te gaan naar het stevigste deurscherm, dan had hij de waarschijnlijk de goede kamer.

Hij schoot door de gangen, waarbij hij zo veel mogelijk in de schaduwen bleef. Hij doofde enkele lantaarns, waar hij dat durfde, en bleef een paar keer rillend staan luisteren naar verdachte geluiden. Bij het omslaan van een hoek botste hij bijna tegen een man die met zijn rug naar hem toe stond. Deze draaide zich razendsnel om toen hij Arakasi zijn laatste mes hoorde trekken. Het was een krijger, die op wacht stond bij een afgesloten deur. Arakasi sprong op hem toe en sneed de pezen van zijn pols door voordat de moordenaar zijn zwaard goed en wel uit de schede had kunnen trekken. De spionnenmeester voelde zelf geen pijn toen hij de gebalde vingers van zijn andere hand, die met de bijtwonden, met al zijn kracht tegen de luchtpijp van zijn tegenstander ramde, waardoor de man met een klap tegen het houten paneel aan sloeg en enkele planken brak.

Iemand schreeuwde bij het horen van dat geluid.

Arakasi besefte dat zijn tijd bijna om was. Hij duwde de wachter met geweld door het ontstane gat. De man keek hem met grote schrikogen aan en graaide met zijn nog functionerende hand naar houvast, maar kon niet verhinderen dat hij ruggelings achterover viel, de duistere kamer in. Door zijn val activeerde hij met zijn enkels of kuiten de draad van een mechanisme dat vanaf de tegenoverstaande wand giftige pijltjes afschoot en door hars verharde punten van vlijmscherp gespietste stokken door gaten in de vloer naar boven joeg. Drie of vier daarvan doorboorden het stuiptrekkende lichaam van zijn verslagen tegenstander, maar Arakasi besteedde er geen aandacht aan. Hij vermoedde nu dat de wachter met zijn vrije hand niet naar houvast had gezocht, maar naar een hendeltje om de valstrikken in "de kamer uit te schakelen. Arakasi zag het hendeltje in een nis naast de deur en haalde het over.

Ondertussen liepen de rillingen hem over zijn lijf, want hij hoorde rennende voetstappen in de gangen en ze leken allemaal zijn kant op te komen. Voor hem stond een bureauachtige tafel, met daarop een dik boek. Op een laag tafeltje ernaast stond een zware aardewerken lamp. Arakasi stapte over het lijk van de wachter heen. Zijn hart bonkte in zijn keel en hij dacht koortsachtig na. Ook dit bureau zou wel door geniepige valstrikken beveiligd zijn. Een dief die het tot hier had weten te schoppen, levend en wel, moest wel erg vernuftig zijn. Daarom besloot Arakasi het deze keer niet met list, maar met grof geweld te proberen. Hij slikte de bittere smaak van een dreigende paniek weg, bukte zich, pakte de zware lamp op 'en beukte ermee tegen de paneeltjes aan de voorkant van het bureau, waarvan de helft afbrak en naar binnen klapte. In de kistachtige holte zag Arakasi de draden, radertjes en hendels die rampspoed over hem gebracht zouden hebben - misschien vanuit het plafond - ware hij zo dom geweest om het boek van het bureaublad te tillen.  

Onder dat hele mechanisme lag een strakke rol perkament. Arakasi pakte hem voorzichtig op. Hij zag dat de buitenkant in een of ander geheimschrift beschreven was en dat het lint waarmee de rol was dichtgebonden het patroon van de hamoibloem bezat. Het was duidelijk: het boek op de bureaukist was nep, deze rol was het echte journaal van de tong Hamoi.

Arakasi stak de rol onder zijn kleren en dook door het gat in de houten wand naar buiten. De meeste geluiden van stemmen en voetstappen leken van achter die hoek daar rechts te komen, dus hij haastte zich linksaf, gedreven door een nieuw soort angst. Hij had eigenlijk geen plannen gemaakt voor wat er moest gebeuren nadat hij de obajan had gedood, omdat hij in zijn hart nooit had geloofd dat hij de poging zou overleven. Nu het toch was gelukt, was de inzet als het ware verdubbeld, want zonder het logboek van de tong kon de tiranjan de leiding van de broederschap niet overnemen. Contracten zouden onuitgevoerd blijven en de moordenaars van de Hamoi zouden hun eer verliezen. In feite had Arakasi zoiets als de natami van de clan in handen gekregen. Zonder dit logboek zou de tong ongeloofwaardig zijn en waarschijnlijk in het niets verdwijnen!

Uit het geschreeuw achter hem leidde hij af dat de opening in de wand van de schatkamer was ontdekt. Ze zaten hem vlak op de hielen. Arakasi rukte een vensterscherm open en werkte zich naar buiten. Op het laatste moment voelde hij een prik in zijn schouders: een van de achtervolgers had hem geraakt met een pijltje. Het ding zou ongetwijfeld vergiftigd zijn, maar Arakasi moest dat voorlopig negeren. Het tegengif dat hij voor dit soort noodgevallen bij zich had, lag bij zijn andere spullen in de greppel buiten het landgoed. Hij rende als een schicht door de tuin, klom in een boom en liet zich aan de andere zijde van de eerste muur naar beneden vallen. Geen moment te vroeg, want even later hoorde hij pijlen door het gebladerte zoeven.

Arakasi keek hijgend om zich heen. Wat kon hij verzinnen? Een eindje verderop zag hij een groepje paniekerige bedienden, die onopvallend probeerden te vluchten door stilletjes, vlak langs de muur weg te sluipen. De spionnenmeester haalde een paar keer diep adem en sloot zich toen bij het gezelschap aan, hetgeen een van de vrouwen een kreet ontlokte. Een mannelijke bediende wierp zich op zijn knieën en smeekte om genade. Toen pas realiseerde Arakasi zich met een bijna hysterisch plezier dat ze hem wegens zijn zWarte kleding aanzagen voor een van de moordenaars. Hij aarzelde geen moment. 'De bedienden hebben de obajan vermoord!' gilde hij. 'Dood ze allemaal!' Het effect van zijn hese, woeste aansporing was dat de bedienden om hem heen als opgeschrikte jiga's bij hem vandaan stoven, zij het allemaal in de richting van de buitenmuur - een voorbeeld dat Arakasi gretig volgde. Laat de huurmoordenaars in deze verwarring zijn spoor maar eens vinden! Net als de anderen schaafde Arakasi zijn handen toen hij zich na een sprong aan de buitenmuur ophees.  

Uitgeput sleepte hij zich vervolgens buiten het gezicht van zijn medevluchters naar de greppel waar hij zijn spullen had achtergelaten, voor het onwaarschijnlijke geval dat hij deze missie zou overleven. Daar lagen zijn tegengiffen te wachten, en ook een oppepper die hem nieuwe energie en alertheid zou geven tot hij dood of in veiligheid zou zijn. Hij zou een vreselijke prijs betalen voor het gebruik ervan - weken van rust zouden nodig zijn - maar in dit geval had hij het er graag voor over. Hij slikte het gif en het pepmiddel, en trok toen zijn bebloede kleren uit, die hij onder een rotsblok verstopte. Uit een ander flesje haalde hij vervolgens een scherp riekende vloeistof, geconcentreerd lichaamsvocht van een sloe-lijder, waarmee hij zijn huid insmeerde. Zijn ogen traanden ervan. Het was een geur waar honden, en trouwens ook andere dieren, met een grote boog omheen gingen, zo walgelijk vonden ze hem. Bovendien verpestte hij hun reukvermogen voor vele dagen.

Toen hij zich stond in te wrijven herinnerde een stekende pijn hem aan het pijltje dat nog steeds in zijn schouder stak. Hij rukte het uit en trok een schoon hemd aan. Aan de bijtwonden in zijn hand kon hij helaas niets doen, al wist hij nu al dat ze lelijk zouden gaan zweren. Verder kon hij alleen maar hopen dat het tegengif dat hij had uitgekozen effectief zou zijn.

Terwijl hij in een kalm gangetje door het donker de kant van de veiligheid op draafde, waarbij de zolen van zijn sandalen nauwelijks geluid maakten op de rots paden en het bedauwde gras, brachten herinneringen aan het einde van die gifmenger, Korbargh, en aan een ander sterfgeval Arakasi tot een erkenning van wat er in hem veranderd was. Nooit meer zou hij een man zo kunnen toetakelen - niet voor Mara, noch uit plichtsbesef of ter wille van zijn eer. Niet meer sinds hij een stervende courtisane in zijn armen had gehad en haar had gehouden, al was het maar even, voor een ander meisje. Op dat moment had hij inzicht gekregen in zijn eigen hart. Misschien paste het tegengif dat hij had geslikt niet bij het spul dat door het pijltje in zijn bloed was gebracht - Arakasi zag de mogelijkheid met een fatalistische gelijkmoedigheid onder ogen. Maar opeens kwam er een herinnering bij hem op: dat andere meisje, dat brabbelend naast het lijk van de obajan had gelegen. Hij had haar hysterische gemompel gehoord, maar nu pas besefte hij met ijzige helderheid wat ze in haar verdwaasdheid had gezégd! Hij kent Kamini,had ze keer op keer herhaald. Hij kent Kamini!  

Kamini was slechts de helft van een tweeling - nu dood. De andere helft was het eigendom van een impotente oude man. Arakasi begon opeens te rennen, al buiten adem voordat hij daarmee begon. Voor het eerst van zijn leven bad hij vurig tot de goden van Kelewan, in het bijzonder tot Sibi, die de godin van de Dood was, om hem toch vooral niet naar de zalen van haar broer Turakamu te roepen. Hij had geluk nodig, of een mirakel, en waarschijnlijk allebei, want zijn onnadenkende gedrag in de haremkamer zou tot Kamlio's dood leiden! Hij had dat waanzinnig geworden, brabbelende meisje daar achtergelaten, levend en weL De lijfwachten die nog leefden zouden de moordenaar van de obajan zoeken. Zo lang het donker was zou dat vrij chaotisch gebeuren, maar bij daglicht, na de komst van de tiranjan, die de zaken strak zou regelen, zou er beslist een methodisch onderzoek plaatsvinden. En dan zou deze courtisane worden ondervraagd.

Arakasi besefte een tweede onaangename waarheid: wegens Kamlio zouden ze hem aan het praten kunnen krijgen, mocht hij onverhoopt gepakt worden. Hij probeerde zijn angst weg te slikken. De enige manier om het meisje van wie hij hield te redden liep via Mara, maar de enige manier om zijn vrouwe te beschermen liep eveneens via het meisje, dat wist dat hij werkte voor een schatrijke vrouwe. Daarvan waren er niet veel in het rijk. De tong zou aan een half woord genoeg hebben en zijn aanvallen op Mara enorm opvoeren, want het ging nu niet meer alleen om de eer, maar om het hele voortbestaan van de broederschap! Arakasi moest zijn uiterste best doen om Kamlio net iets eerder te bereiken dan de tong. Het kon een kwestie van minuten zijn! Hopelijk kon hij zijn kostbare last voordien doorgeven aan een van zijn nieuwe rekruten in Ontoset, maar hij mocht geen moment verliezen. Zodra bekend was dat de moordenaar van de obajan Kamini had herkend, zou de tong op onderzoek uitgaan en bijzonder snel bij haar tweelingzus Kamlio uitkomen, in Kentosani. Hij moest haar redden!

Zwetend deed Arakasi zijn best om nog harder te rennen. Hij volgde een wildpad dat hem naar de hoofdweg zou brengen. Had hij nu maar een van die vervloekte paarden van Hokanu!

Hij wist dat hij zich deze keer niet alleen ter wille van vrouwe Mara zo inspande, maar ook uit eigenbelang. Hij had het rare gevoel dat zijn bloed in zijn aderen bruiste - alsof het voor het eerst echt tot léven was gekomen. Zijn krankzinnige aanslag op de obajan was gelukt en hij had het logboek van de tong in zijn bezit. Die overwinning gaf hem een licht gevoel in zijn hoofd, en reduceerde zijn pijnlijke schouder en hand, en zijn schurende ademhaling, en de brandende splinters in zijn huid tot onbelangrijke ongemakjes. Een deel van zijn geest besefte dat dit alles te maken had met het pepmiddel dat hij had geslikt, maar dat was het niet alléén.  

Terwijl hij voortrende door de nacht probeerde hij zijn opgetogenheid nuchter te analyseren. Als zoon van een vrouw van het Rieten Leven had hij in de liefde tussen man en vrouw nooit iets geheimzinnigs of verhevens gezien. Zelf had hij altijd slechts vertrouwd op zijn intelligentie, zijn opmerkingsgave en de vaardigheden die hij aan zijn consequente bestudering van zijn medemensen had overgehouden. Hij had Mara's passie voor de barbaar, Kevin, gezien, en die had hem verwonderd. Zijn meesteres had altijd een speciale fonkeling in haar ogen gekregen wanneer die man bij haar was. Arakasi had het toegeschreven aan een typisch vrouwelijke behoefte aan romantische relaties. Waarom zouden ze zich ánders de pijn van het baren en de lasten van het grootbrengen van kinderen getroosten, had hij zich cynisch afgevraagd.  

Maar nu hij zijn longen uit zijn lijf hijgde en met een verbazingwekkend gebrek aan behoedzaamheid de maanverlichte hoofdweg op rende, begreep hij dat hij het totaal mis had gehad. Op een stomme, meelijwekkende manier.

Hij had meer dan de helft van zijn leven achter zich, en nooit had hij zelfs maar een idéé gehad van wat dichters bedoelden als ze het over liefde hadden. Zou dat andere meisje met goudkleurige haren, mits hij haar de wraak van de tong kon besparen, hem op dit punt kunnen onderwijzen? Tegelijk besefte Arakasi dat hij nooit meer de ijskoude, briljante vakman van vroeger zou zijn, onverschillig voor de persoonlijke gevolgen - voor hemzelf of voor wie dan ook - van wat hij deed.  

Hij bleef staan en keek om zich heen. Er was verder nog niemand op de weg. Hier ergens moest volgens afspraak een draagstoel voor hem klaarstaan. Er hing een lichte nevel en aan niets was te zien of hij naar links of naar rechts moest. Arakasi koos op goed geluk een richting. Ondertussen vroeg hij zich af of zijn huidige tegenstander in het spel van de intriges, Chumaka van de Anasati, net als hij al die jaren een onvolledig mens, een mens zonder liefde was geweest. En zo niet, of hij dan namens Mara's aartsvijand op zijn briljante manier gebruik zou weten te maken van Arakasi's nieuwe kwetsbaarheid.

Arakasi huiverde, want de toekomst leek hem opeens angstaanjagender dan alles wat hij in het verleden had meegemaakt.